2010-08-01 | BWBR0017461 | Beleidsregels kwaliteit kinderopvang

This commit is contained in:
Coornhert 2010-08-01 12:00:00 +00:00
parent 0816cc12cb
commit cee9e2ecbc

View file

@ -1,14 +1,14 @@
---
titel: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang
titel: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
bwb_id: BWBR0017461
type: beleidsregel
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2009-10-16'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017461
citeertitel: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang
citeertitel: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
---
# Beleidsregels kwaliteit kinderopvang
# Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
### Paragraaf 1. Algemeen
@ -18,25 +18,26 @@ citeertitel: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Wet kinderopvang;
a. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
b. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;
c. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;
d. groep: een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met een of meer beroepskrachten;
e. stamgroep: een vaste groep kinderen in de dagopvang in een passend ingerichte vaste groepsruimte;
f. stamgroepruimte: de ruimte waarin de kinderen in de dagopvang het grootste deel van de dag aanwezig zijn;
g. basisgroep: een vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang in een passend ingerichte ruimte;
h. risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 51 van de wet;
i. vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder;
j. *bemiddelingsmedewerker:* de medewerker die zich bezighoudt met de taken, bedoeld in de artikelen 12, 15 en 15e;
k. *opvangadres:* het woonadres van de gastouder of het woonadres van een van de ouders waar de gastouderopvang plaatsvindt.
f. peuterspeelzaalgroep: een vaste groep kinderen met één of meer beroepskrachten in een passend ingerichte vaste groepsruimte;
g. stamgroepruimte: de ruimte waarin de kinderen in de dagopvang het grootste deel van de dag aanwezig zijn;
h. basisgroep: een vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang in een passend ingerichte ruimte;
i. risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in de artikelen 1.51 en 2.9 van de wet;
j. vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder;
k. *bemiddelingsmedewerker:* de medewerker die zich bezighoudt met de taken, bedoeld in de artikelen 12, 15 en 15e;
l. *opvangadres:* het woonadres van de gastouder of het woonadres van een van de ouders waar de gastouderopvang plaatsvindt.
**2.** Dit besluit berust op artikel 57a, eerste lid, van de wet.
**2.** Dit besluit berust op de artikelen 1.57a, eerste lid, en 2.13, eerste lid, van de wet.
### Paragraaf 2. Kwaliteit kindercentra
### Artikel 2
**1.** Ter uitvoering van de artikelen 49, eerste lid, en 50 van de wet beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
**1.** Ter uitvoering van de artikelen 1.49, eerste lid, en 1.50 van de wet beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
**2.**
@ -51,7 +52,7 @@ d. de wijze waarop beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door
**4.** De houder en de personen werkzaam bij een kindercentrum handelen in de praktijk van dagopvang of buitenschoolse opvang naar het door de houder vastgestelde pedagogisch beleidsplan.
**5.** Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 45 van de wet.
**5.** Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet.
### Artikel 3
@ -156,7 +157,7 @@ b. een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen en binnen welke t
### Artikel 10
**1.** Personen als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voor zover zij als houder, als bestuurder of als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam zijn.
**1.** Personen als bedoeld in artikel 1.50, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag of afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, voor zover zij als houder, als bestuurder of als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam zijn.
**2.** Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een kindercentrum werkzaam is.
@ -190,7 +191,7 @@ b. de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens.
### Artikel 11
**1.** Ter uitvoering van artikel 49, derde lid, van de wet beschikt een gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
**1.** Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet beschikt een gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
**2.**
@ -206,7 +207,7 @@ c. de eisen die aan de opvangadres worden gesteld, welke in elk geval overeenkom
### Artikel 12
**1.** Ter uitvoering van artikel 49, tweede lid, van de wet voert de houder van een gastouderbureau een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
**1.** Ter uitvoering van artikel 1.49, tweede lid, van de wet voert de houder van een gastouderbureau een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
**2.** De houder van een gastouderbureau legt vóór aanvang van de opvang en daarna jaarlijks in een risico-inventarisatie vast welke veiligheids- en gezondheidsrisicos de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes met zich brengt. Dit gebeurt samen met de gastouder. Daartoe draagt de houder van een gastouderbureau er zorg voor dat elke ruimte op het opvangadres ten minste één keer per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau.
@ -245,7 +246,7 @@ Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaar
**5.** Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 56, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een gastouderbureau aanvangt.
**6.** Stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een gastouderbureau, zijn in het bezit van een verklaring als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de wet of is voor hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring aangevraagd.
**6.** Stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een gastouderbureau, zijn in het bezit van een verklaring als bedoeld in artikel 1.50, derde lid, van de wet of is voor hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring aangevraagd.
### Artikel 14
@ -303,7 +304,7 @@ Het opvangadres:
**1.** Er is een originele door de bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekende versie van de in artikel 12 bedoelde risico-inventarisatie aanwezig op het opvangadres. Deze risico-inventarisatie is beschikbaar vóór aanvang van de opvang en wordt daarna jaarlijks opnieuw opgesteld. Deze risico-inventarisatie is in samenwerking met een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau opgesteld.
**2.** Ter uitvoering van artikel 49, tweede lid, voert de gastouder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
**2.** Ter uitvoering van artikel 1.49, tweede lid, van de wet voert de gastouder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
**3.** De gastouder draagt er zorg voor dat de maatregelen ten aanzien van het opvangadres, bedoeld in artikel 15c binnen de gestelde termijn zijn, respectievelijk worden genomen in verband met de in artikel 12, tweede lid, bedoelde risicos.
@ -311,16 +312,84 @@ Het opvangadres:
**5.** Er is een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd. Alsmede een overzicht van de maatregelen die de gastouder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
### Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen
### Paragraaf 5. Kwaliteit peuterspeelzalen
### Artikel 16
Vervallen
**1.** Ter uitvoering van de artikelen 2.5, 2.6 en 2.9 van de wet beschikt een houder van een peuterspeelzaal over een pedagogisch beleidsplan waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
**2.**
Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de peuterspeelzaalgroep;
c. de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun peuterspeelzaalgroep danwel de peuterspeelzaalgroepsruimte verlaten;
d. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door andere niet structureel ingezette personen;
e. de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op de locatie;
f. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden, en
g. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij daarbij worden ondersteund.
**3.** De houder van een peuterspeelzaal en de personen werkzaam bij een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van de opvang naar het pedagogisch beleidsplan.
**4.** Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet.
### Artikel 17
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en geldt voor kalenderjaren die aanvangen op of na 1 januari 2005.
Elke houder van een peuterspeelzaal heeft een achterwachtregeling. Deze houdt in dat zodra er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op het moment dat er kinderen aanwezig zijn in de peuterspeelzaal, er een volwassen achterwacht beschikbaar is, die in geval van calamiteiten binnen ambulance-aanrijtijden in de peuterspeelzaal aanwezig kan zijn. De houder van een peuterspeelzaal maakt inzichtelijk wie deze persoon is en waar deze telefonisch te bereiken is.
### Artikel 18
Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang.
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op peuterspeelzalen, met dien verstande dat voor artikel 51 wordt gelezen: artikel 2.9 van de wet.
### Artikel 19
**1.** In een peuterspeelzaal vindt de opvang plaats in groepen, met dien verstande dat in een peuterspeelzaalgroep ten hoogste zestien kinderen gelijktijdig aanwezig zijn.
**2.** De houder van een peuterspeelzaal deelt de ouder en het kind mee tot welke peuterspeelzaalgroep het kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag voor welke peuterspeelzaalgroep verantwoordelijk zijn en welke vrijwilligers op deze dag aanwezig zijn.
**3.** Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten in een peuterspeelzaal toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht in een peuterspeelzaal werkzaam is in de peuterspeelzaalgroep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens aanspreekpunt voor de ouders van het kind.
**4.** In een peuterspeelzaalgroep is ten minste één beroepskracht aanwezig.
**5.** Bij werk in een peuterspeelzaalgroep met meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen, doch ten hoogste zestien feitelijk aanwezige kinderen, zijn er twee beroepskrachten of een beroepskracht en een vrijwilliger aanwezig.
### Artikel 20
**1.** Beroepskrachten in een peuterspeelzaal beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening.
**2.** De houder van een peuterspeelzaal informeert ouders over het aantal, de inzet en de opleiding van het personeel voor zover de ouder dat nodig heeft om een goede keuze te kunnen maken voor een peuterspeelzaal.
### Artikel 21
**1.** Personen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voor zover zij als houder van een peuterspeelzaal, als bestuurder, als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of als vrijwilliger structureel in de peuterspeelzaal werkzaam zijn.
**2.** Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een peuterspeelzaal werkzaam is.
**3.** Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 2.6, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een peuterspeelzaal aanvangt.
**4.** Stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een peuterspeelzaal, zijn in het bezit van een verklaring als bedoeld in het eerste lid of voor hen is bij aanvang van de eerste stageperiode een dergelijke verklaring aangevraagd.
### Artikel 22
Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 23
**1.**
Indien er vrijwilligers op de peuterspeelzaal werkzaam zijn, voert de houder van een peuterspeelzaal vrijwilligersbeleid, dat tot uitdrukking komt in een beleidsplan. In dit beleidsplan staan in ieder geval:
a. de minimumeisen waar een op de peuterspeelzaal werkzame vrijwilliger aan dient te voldoen;
b. de afspraken die de houder van een peuterspeelzaal met vrijwilligers maakt, en
c. de taakomschrijvingen waarin wordt omschreven welke bijdrage aan het werk in de peuterspeelzaal van de vrijwilligers wordt verwacht en op welke wijze deze samenhangt met het pedagogisch beleid.
**2.** Indien er vrijwilligers op een peuterspeelzaal werkzaam zijn, draagt de houder van een peuterspeelzaal er zorg voor dat deze vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd zijn.
### Artikel 24
Met ingang van een jaar na inwerkingtreding van deze regeling zijn de artikelen 19 en 20 van toepassing op de houder van een peuterspeelzaal, indien op het moment van inwerkingtreding uitsluitend vrijwilligers werkzaam zijn in deze peuterspeelzaal.
### Artikel 25
Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.