2008-01-01 | BWBR0016637 | Wet op de jeugdzorg
This commit is contained in:
parent
744a60880f
commit
cf42e5d656
1 changed files with 281 additions and 22 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet op de jeugdzorg
|
|||
bwb_id: BWBR0016637
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2004-09-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2007-12-20'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0016637
|
||||
citeertitel: Wet op de jeugdzorg
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -16,7 +16,7 @@ citeertitel: Wet op de jeugdzorg
|
|||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Justitie tezamen;
|
||||
a. Onze Ministers: Onze Minister voor Jeugd en Gezin en Onze Minister van Justitie tezamen;
|
||||
b. jeugdige: een in Nederland verblijvende persoon die:
|
||||
|
||||
1º. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt,
|
||||
|
|
@ -29,21 +29,24 @@ f. stichting: een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt;
|
|||
g. zorgaanbieder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die jeugdzorg verleent, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
|
||||
h. aanbieder van zorg: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die andere zorg verleent dan die, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
|
||||
i. zorgeenheid: een organisatie-eenheid, waarbinnen een zorgaanbieder een afgebakend geheel aan jeugdzorg verleent;
|
||||
j. steunfunctie: een aanbod van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de stichting en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
|
||||
k. experiment: het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
|
||||
l. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 47;
|
||||
m. kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;
|
||||
n. provinciaal beleidskader: het provinciale beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 31, eerste lid;
|
||||
o. uitvoeringsprogramma: het provinciale programma, bedoeld in artikel 32, eerste lid;
|
||||
p. landelijk beleidskader: het landelijke beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 34, eerste lid;
|
||||
q. voortgangsrapportage: de voortgangsrapportage jeugdzorg, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
|
||||
r. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
|
||||
s. ouderbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 69;
|
||||
t. eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 70;
|
||||
u. pleegouder: degene die in het kader van jeugdzorg een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt;
|
||||
v. verwerken van persoonsgegevens: verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
|
||||
w. vertrouwenspersoon: een persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die, onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, cliënten van het door de stichting in stand gehouden bureau jeugdzorg of van de zorgaanbieder op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg;
|
||||
x. landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen: het bureau, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.
|
||||
j. machtiging: een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid;
|
||||
k. hulpverleningsplan: het plan, bedoeld in artikel 24, tweede lid;
|
||||
l. accommodatie: een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid;
|
||||
m. steunfunctie: een aanbod van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de stichting en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
|
||||
n. experiment: het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
|
||||
o. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 47;
|
||||
p. kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;
|
||||
q. provinciaal beleidskader: het provinciale beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 31, eerste lid;
|
||||
r. uitvoeringsprogramma: het provinciale programma, bedoeld in artikel 32, eerste lid;
|
||||
s. landelijk beleidskader: het landelijke beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 34, eerste lid;
|
||||
t. voortgangsrapportage: de voortgangsrapportage jeugdzorg, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
|
||||
u. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
|
||||
v. ouderbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 69;
|
||||
w. eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 70;
|
||||
x. pleegouder: degene die in het kader van jeugdzorg een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt;
|
||||
y. verwerken van persoonsgegevens: verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
|
||||
z. vertrouwenspersoon: een persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die, onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, cliënten van het door de stichting in stand gehouden bureau jeugdzorg of van de zorgaanbieder op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg;
|
||||
aa. landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen: het bureau, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -100,7 +103,6 @@ Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt i
|
|||
a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,
|
||||
b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat,
|
||||
c. Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
||||
d. jeugdzorg waarop ingevolge artikel 11a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat.
|
||||
|
||||
**3.** De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.
|
||||
|
||||
|
|
@ -145,7 +147,8 @@ e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.
|
|||
In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien:
|
||||
|
||||
a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d;
|
||||
b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming;
|
||||
c. het besluit strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder en een machtiging wordt verzocht.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
|
|
@ -332,7 +335,7 @@ b. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden verleend en de korti
|
|||
|
||||
**4.** Voor zover het betreft cliënten ten aanzien van wie de stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op elkaar te doen aansluiten.
|
||||
|
||||
**5.** Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is aangewezen, zal verlenen.
|
||||
**5.** Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht, of onderdelen van het hulpverleningsplan als bedoeld in de artikelen 29o tot en met 29r. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is aangewezen, zal verlenen.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -374,7 +377,8 @@ In dat verslag geeft de zorgaanbieder daartoe onder meer aan:
|
|||
|
||||
a. op welke wijze hij cliënten bij zijn kwaliteitsbeleid heeft betrokken;
|
||||
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de zorgeenheid kwaliteitsbeoordeling heeft plaats gevonden en het resultaat daarvan;
|
||||
c. welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende zorg.
|
||||
c. welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende zorg;
|
||||
d. het aantal malen dat hij een beslissing heeft genomen tot toepassing van de artikelen 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q, derde lid, 29r, derde lid, en 29t, onder vermelding van de duur daarvan, alsmede een overzicht van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven, alsmede het aantal klachten dat op grond van artikel 29w is ingediend en de aard van de beslissingen die op de klachten zijn genomen.
|
||||
|
||||
**3.** De zorgaanbieder zendt een afschrift van het verslag aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie en aan de inspectie, alsmede aan de cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -388,6 +392,261 @@ c. welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van
|
|||
|
||||
De artikelen 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen door een zorgaanbieder.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IVa. Gesloten jeugdzorg
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. De machtiging
|
||||
|
||||
### Artikel 29a
|
||||
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk is van toepassing op minderjarige jeugdigen alsmede op jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij meerderjarig werden, een machtiging gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, in afwijking van artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als minderjarigen behandeld.
|
||||
|
||||
**2.** In zaken betrekking hebbende op de toepassing van dit hoofdstuk is een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, bekwaam in rechte op te treden. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
|
||||
|
||||
### Artikel 29b
|
||||
|
||||
**1.** De kinderrechter kan op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een machtiging kan slechts worden verleend indien:
|
||||
|
||||
a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,
|
||||
b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of
|
||||
c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.
|
||||
|
||||
**3.** Een machtiging kan bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
|
||||
|
||||
**4.** Een machtiging kan voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid, voordoet.
|
||||
|
||||
**5.** De verklaring, bedoeld in het vierde lid, behoeft de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het vierde lid kan de kinderrechter, ten aanzien van een jeugdige die onder toezicht is gesteld of ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, een machtiging verlenen indien de stichting niet een besluit als bedoeld in het vierde lid, heeft genomen, doch slechts indien de raad heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het derde lid, zich voordoet. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de machtiging betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt de machtiging als een machtiging als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**8.** Indien degene die het gezag heeft over een jeugdige die met een machtiging in een accommodatie verblijft, zijn instemming intrekt, kan die jeugdige gedurende ten hoogste veertien dagen in de accommodatie verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt, en zijn de paragrafen 3, 4 en 5 op hem van toepassing.
|
||||
|
||||
**9.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van het criterium, als bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29c
|
||||
|
||||
**1.** De kinderrechter kan, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een voorlopige machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 29b, tweede lid, in een accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt.
|
||||
|
||||
**2.** Een voorlopige machtiging, kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan, en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
|
||||
|
||||
**3.** Een voorlopige machtiging kan slechts worden verleend indien de betrokken stichting heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het tweede lid, voordoet.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaring, bedoeld in het derde lid, behoeft de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 29b, zesde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 29d
|
||||
|
||||
**1.** Een verzoek, gericht op het verkrijgen van een machtiging of een voorlopige machtiging, wordt ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft. Indien het verzoek betrekking heeft op een jeugdige die onder toezicht is gesteld, of ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, wordt het verzoek ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige zijn woonplaats heeft of door de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
|
||||
**2.** Op verzoeken als bedoeld in het eerste lid, is artikel 265, eerste, derde en vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de eerste afdeling van de zesde titel van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 29e
|
||||
|
||||
**1.** De stichting dan wel de raad voor de kinderbescherming legt bij een verzoek als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, een afschrift van het besluit, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 29b, vierde lid, over.
|
||||
|
||||
**2.** In een geval als bedoeld in artikel 29b, zesde lid, legt de raad voor de kinderbescherming bij een verzoek als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, de verklaring, bedoeld in artikel 29b, zesde lid, over.
|
||||
|
||||
**3.** In de gevallen, bedoeld in artikel 29c, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid, een verklaring van de stichting of de raad voor de kinderbescherming overgelegd dat naar haar onderscheidenlijk zijn oordeel een geval als bedoeld in artikel 29c, tweede lid, zich voordoet.
|
||||
|
||||
### Artikel 29f
|
||||
|
||||
**1.** Alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging of voorlopige machtiging te beslissen, hoort de kinderrechter de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad voor de kinderbescherming indien deze de verzoeker is.
|
||||
|
||||
**2.** De rechter geeft het bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last tot toevoeging van een raadsman aan de jeugdige.
|
||||
|
||||
### Artikel 29g
|
||||
|
||||
De griffier zendt, onverminderd artikel 805 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een afschrift van de beschikking inzake de machtiging aan:
|
||||
|
||||
a. de jeugdige indien deze de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt,
|
||||
b. degene die het gezag over de jeugdige heeft,
|
||||
c. degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt,
|
||||
d. de stichting die het verzoek heeft gedaan, en
|
||||
e. de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
|
||||
### Artikel 29h
|
||||
|
||||
**1.** De beschikking van de rechter is bij voorraad uitvoerbaar.
|
||||
|
||||
**2.** Bij opneming van de jeugdige in een accommodatie wordt de machtiging overgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel 29d, eerste lid, kan hij de duur verlengen met inachtneming van de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**4.** De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid.
|
||||
|
||||
**5.** De voorlopige machtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.
|
||||
|
||||
**6.** De tenuitvoerlegging van de machtiging kan door de zorgaanbieder worden geschorst, indien de tenuitvoerlegging naar het oordeel van de zorgaanbieder niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken.
|
||||
|
||||
**7.** De betrokken stichting doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De zorgaanbieder doet aan de stichting en de raad voor de kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking, als bedoeld in het zesde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29i
|
||||
|
||||
De zorgaanbieder in wiens accommodatie de machtiging ten uitvoer wordt gelegd, doet van de opneming zo spoedig mogelijk mededeling aan degene die het gezag over de jeugdige uitoefent, aan de betrokken stichting en, indien de stichting niet de verzoeker was, aan degene die het verzoek tot het verlenen van de machtiging heeft ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 29j
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzoekschrift, bedoeld in artikel 29d, en de verklaring, bedoeld in artikel 29e.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Accommodaties waarin een machtiging ten uitvoer kan worden gelegd en bepalingen omtrent zorgaanbieders bij wie een machtiging ten uitvoer kan worden gelegd
|
||||
|
||||
### Artikel 29k
|
||||
|
||||
**1.** Een machtiging kan slechts worden ten uitvoer gelegd in een door Onze Ministers daartoe aangewezen accommodatie van een zorgaanbieder. De aanwijzing geschiedt niet dan na overleg met de provincie waarin de accommodatie is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** De rechter kan, indien het een jeugdige betreft van 12 jaar of ouder, op verzoek van de betrokken stichting of de raad voor de kinderbescherming, in zijn beschikking inzake de machtiging bepalen dat deze in afwijking van het eerste lid, ten uitvoer wordt gelegd in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. De eerste volzin wordt slechts toegepast met betrekking tot een jeugdige die op het tijdstip waarop een machtiging wordt verleend op basis van een veroordeling is opgenomen in een inrichting. Toepassing geschiedt slechts met instemming van de jeugdige of indien deze de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, met instemming van de jeugdige en degene die het gezag over hem heeft. De tenuitvoerlegging in een inrichting geschiedt slechts voor de termijn die nodig is om een behandeling of opleiding af te ronden. Op de tenuitvoerlegging is de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing. Een besluit als bedoeld in artikel 29b, vierde lid, geeft alsdan, in afwijking van artikel 3, aanspraak op verblijf als bedoeld in artikel 11a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 29l
|
||||
|
||||
**1.** Aangewezen kunnen worden accommodaties die geschikt zijn voor verblijf van jeugdigen die met een machtiging zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**2.** De geschiktheid heeft betrekking op de voorzieningen die nodig zijn om de veiligheid binnen de accommodatie, de maatschappelijke veiligheid daarbuiten te waarborgen alsmede de opvoedkundige doeleinden van de zorg te realiseren. Bij regeling van Onze Ministers kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanwijzing kan worden ingetrokken indien de accommodatie niet langer geschikt is voor verblijf van jeugdigen die met een machtiging zijn opgenomen of indien de accommodatie niet meer nodig is voor de tenuitvoerlegging van machtigingen. Artikel 29k, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Een aanwijzing of intrekking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 29m
|
||||
|
||||
Een zorgaanbieder die aan een leerplichtige jeugdige verblijf biedt in een accommodatie is gedurende de looptijd van de machtiging een persoon die zich met de feitelijke verzorging van de jeugdige heeft belast als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 29n
|
||||
|
||||
**1.** Een zorgaanbieder die een accommodatie in stand houdt stelt, met het oog op een zorgvuldige toepassing van maatregelen als bedoeld in paragraaf 3, een regeling vast omtrent de personen die tot het treffen daarvan bevoegd zijn en met betrekking tot de wijze waarop tot toepassing wordt besloten.
|
||||
|
||||
**2.** Een zorgaanbieder die een accommodatie in stand houdt, stelt huisregels vast die betrekking hebben op een ordelijke gang van zaken, de veiligheid binnen de accommodatie en het waarborgen van een pedagogisch klimaat.
|
||||
|
||||
**3.** De huisregels bevatten in ieder geval een regeling van de bezoektijden, van de controle van de bezoekers en van voorwerpen die jeugdigen in verband met de veiligheid binnen de inrichting niet in hun bezit mogen hebben.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Maatregelen die de vrijheid van een jeugdige aantasten en de gevallen waarin deze kunnen worden toegepast
|
||||
|
||||
### Artikel 29o
|
||||
|
||||
**1.** Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige maatregelen bevatten op grond waarvan hij tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, binnen de accommodatie in zijn vrijheden kan worden beperkt. Indien het plan zodanige maatregelen bevat omschrijft het tevens de gevallen waarin en de termijn gedurende welke de maatregelen kunnen worden toegepast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
|
||||
|
||||
a. het verbod zich op te houden op in het hulpverleningsplan aangegeven plaatsen en zonodig de tijdstippen waarop dat verbod geldt;
|
||||
b. tijdelijke plaatsing in afzondering;
|
||||
c. tijdelijke overplaatsing binnen de accommodatie of naar een andere accommodatie die is aangewezen op grond van artikel 29k, eerste lid;
|
||||
d. het vastpakken en vasthouden.
|
||||
|
||||
**3.** De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen worden toegepast, voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de noodzakelijke jeugdzorg of voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen. De maatregelen bedoeld in het tweede lid, onder b en c, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede lid, onder b en c, aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 29p
|
||||
|
||||
**1.** Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige hulpverleningsprogramma’s bevatten aan de toepassing waarvan hij moet meewerken.
|
||||
|
||||
**2.** De hulpverleningsprogramma’s die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken.
|
||||
|
||||
**3.** Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige geneeskundige behandelingsmethoden, waaronder het toedienen van medicijnen, bevatten die hij moet gedogen.
|
||||
|
||||
**4.** De geneeskundige behandelingsmethoden die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken of voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen.
|
||||
|
||||
**5.** De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede of vierde lid aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld. Indien de geneeskundige behandelingsmethode wordt toegepast ter behandeling van een stoornis van de geestvermogens, wordt tevens melding gedaan aan het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29q
|
||||
|
||||
**1.** Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van het brief- en telefoonverkeer of het gebruik van andere communicatiemiddelen bevatten.
|
||||
|
||||
**2.** Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van bezoek bevatten of bepalen dat bezoek slechts onder toezicht kan plaatsvinden.
|
||||
|
||||
**3.** De beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, onverminderd artikel 263a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om te voorkomen dat het met het verblijf beoogde doel wordt tegengewerkt.
|
||||
|
||||
**4.** Op de beperkingen, bedoeld in het tweede lid, is artikel 42, eerste en tweede lid, en 43, zevende lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 29r
|
||||
|
||||
**1.** Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige controlemaatregelen bevatten.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
|
||||
|
||||
a. onderzoek aan lichaam en kleding;
|
||||
b. onderzoek van urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;
|
||||
c. onderzoek van de kamer van de jeugdige op de aanwezigheid van voorwerpen die hij niet in zijn bezit mag hebben;
|
||||
d. onderzoek van poststukken afkomstig van of bestemd voor de jeugdigen op de aanwezigheid van voorwerpen, doch slechts in aanwezigheid van de jeugdige.
|
||||
|
||||
**3.** De controlemaatregelen die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om te controleren of hetgeen in het hulpverleningsplan is opgenomen, wordt nagekomen. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, of voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdzorg aan andere jeugdigen wordt tegengewerkt.
|
||||
|
||||
**4.** Voorwerpen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn worden in beslag genomen en voor de jeugdige bewaard of met zijn toestemming vernietigd, dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 29s
|
||||
|
||||
**1.** De in de artikelen 29o tot en met 29r bedoelde onderdelen van het hulpverleningsplan worden slechts opgenomen indien dit noodzakelijk is voor het met de opneming en verblijf beoogde doel. Voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van deze onderdelen wordt overleg gevoerd met degene die het gezag over de jeugdige heeft. Zij behoeven, in afwijking van artikel 24, vijfde lid, tweede volzin, niet de instemming van de jeugdige of degene die het gezag over hem heeft. Zij behoeven de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie.
|
||||
|
||||
**2.** Een hulpverleningsplan ten aanzien van een jeugdige die met een machtiging in een accommodatie verblijft, wordt zo vaak geëvalueerd als in het belang van de jeugdige noodzakelijk wordt geacht.
|
||||
|
||||
### Artikel 29t
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een jeugdige kunnen, anders dan ter uitvoering van een hulpverleningsplan of ter handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, geen maatregelen, methoden of beperkingen, genoemd in de artikelen 29o tot en met 29r, tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast dan ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties. De toepassing behoeft binnen vierentwintig uur nadat deze is aangevangen de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie. De maatregelen, methoden of beperkingen worden ten hoogste gedurende zeven opeenvolgende dagen toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 29u
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de beslissing heeft genomen tot toepassing van de artikelen 29o tot en met 29r of van artikel 29t, draagt er zorg voor dat de toepassing zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven.
|
||||
|
||||
**2.** De zorgaanbieder verstrekt aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, elk half jaar een rapportage over de toepassingen, als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Verlof
|
||||
|
||||
### Artikel 29v
|
||||
|
||||
**1.** Aan een jeugdige kan, naast de mogelijkheden die het hulpverleningsplan biedt om de accommodatie te verlaten, verlof worden verleend indien zulks, gelet op de reden waarom de jeugdige in de accommodatie moet verblijven, verantwoord is.
|
||||
|
||||
**2.** Aan het verlof kunnen voorwaarden worden verbonden betreffende de zorg en het gedrag van de jeugdige.
|
||||
|
||||
**3.** Verlof wordt slechts verleend indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de jeugdige de voorwaarden zal naleven.
|
||||
|
||||
**4.** Verlof wordt niet verleend dan nadat een gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 29s, eerste lid, daarmee heeft ingestemd.
|
||||
|
||||
**5.** Het verlof wordt ingetrokken indien voortzetting van het verlof, gezien de problemen van de jeugdige, niet langer verantwoord is. Het verlof kan worden ingetrokken indien de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt. De aan het verlof verbonden voorwaarden kunnen worden gewijzigd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Klachtrecht
|
||||
|
||||
### Artikel 29w
|
||||
|
||||
**1.** Een jeugdige of degene die het gezag over hem heeft kan binnen redelijke termijn tegen een beslissing als bedoeld in de artikelen 29h, zesde lid, tweede volzin, 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q, derde lid, en 29r, derde en vierde lid, de toepassing van artikel 29t, of een beslissing aangaande verlof als bedoeld in artikel 29v een schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie, bedoeld in artikel 68.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling van de klachtencommissie bij de behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid en de wijze waarop deze klachten worden behandeld.
|
||||
|
||||
**3.** De klachtencommissie neemt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop de klacht is ontvangen, een beslissing op de klacht.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De beslissing van de commissie strekt tot:
|
||||
|
||||
a. onbevoegdverklaring van de commissie,
|
||||
b. niet-ontvankelijkverklaring van de klacht,
|
||||
c. ongegrondverklaring van de klacht, of
|
||||
d. gegrondverklaring van de klacht.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, vernietigt zij de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk. Gehele of gedeeltelijke vernietiging brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van de beslissing of het vernietigde gedeelte van de beslissing mee.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij degene die de beslissing heeft genomen opdragen een nieuwe beslissing te nemen en voor het nemen daarvan een termijn stellen.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij bepalen dat enige tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, aan de klager geboden is en stelt deze tegemoetkoming vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 29x
|
||||
|
||||
**1.** Hangende de beslissing op de klacht kan de voorzitter van een beroepscommissie als bedoeld in artikel 1, onder m, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, op verzoek van de jeugdige, gehoord degene die de beslissing heeft genomen, de beslissing waartegen de klacht is gericht, schorsen.
|
||||
|
||||
**2.** De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan degene die de beslissing heeft genomen en de klager.
|
||||
|
||||
### Artikel 29y
|
||||
|
||||
Ten aanzien van een beslissing als bedoeld in artikel 29w, derde lid, zijn de artikelen 74 tot en met 76 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Planning
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Planning door de provincies
|
||||
|
|
@ -637,7 +896,7 @@ c. de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het aanbod aan jeugdzorg als bedo
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Er is een Inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en die tot taak heeft:
|
||||
Er is een Inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister voor Jeugd en Gezin en die tot taak heeft:
|
||||
|
||||
a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en van de raad voor de kinderbescherming, alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan;
|
||||
b. het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de stichtingen en zorgaanbieders, met uitzondering van artikel 70 en het toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidies;
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue