diff --git a/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md b/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md index 6133601e929..03c121342a4 100644 --- a/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md +++ b/amvb/lozingenbesluit-bodembescherming/BWBR0009092/README.md @@ -26,7 +26,7 @@ Vervallen Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem: -a. van oppervlaktewater, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; +a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op: @@ -59,7 +59,7 @@ c. vanuit een particulier huishouden. Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem plaatsvindt, zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft: a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn; -b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet; +b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet; c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is. **3.** Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is. @@ -383,7 +383,7 @@ d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het ### Artikel 28 -**1.** Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening van vergunning krachtens artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen 14, 24, en 25, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens artikel 66 van de wet, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de artikelen 14a, 24a, en 25a. +**1.** Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening van vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet, wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen 14, 24, en 25, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens artikel 66 van de wet, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de artikelen 14a, 24a, en 25a. **2.** Indien burgemeester en wethouders van een gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt of zal plaatsvinden, ingevolge artikel 3 niet het bevoegd gezag zijn worden zij in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent de onderwerpen bedoeld in het eerste lid.