2007-11-16 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2007-11-16 12:00:00 +00:00
parent 1488c299e2
commit d26ba08fda

View file

@ -4667,64 +4667,50 @@ Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van arti
#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
##### 3.1. Bevolkingsgroepen
##### 3.1. Tutsi
Uit het ambtsbericht van 1 april 2005 van het Ministerie van BuZa blijkt dat Banyamulenge tijdens en na hun terugkeer naar Zuid-Kivu het slachtoffer werden van geweld, willekeurige arrestaties en tegenwerking van de autoriteiten. Tevens blijkt uit dit ambtsbericht dat in Kinshasa een sluimerende haat is tegen personen die Rwanda personifiëren.
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de positie van Banyamulenge en andere Congolezen met een Tutsi-achtergrond kwetsbaar blijft.
Een persoon die behoort tot de bevolkingsgroep der Tutsi in Congo DRC kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege bijvoorbeeld zijn etnische afkomst dan wel indien aannemelijk is gemaakt dat bij terugkeer naar Congo DRC voor hem een reëel risico bestaat op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM. Het betreft hier zowel acties van de autoriteiten als ook van de lokale bevolking, waartegen de autoriteiten niet altijd bescherming kunnen bieden.
Een persoon die behoort tot de bevolkingsgroep van de Tutsi in Congo DRC kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege bijvoorbeeld zijn etnische afkomst. Het betreft hier zowel acties van de autoriteiten als ook van de lokale bevolking, waartegen de autoriteiten niet altijd bescherming kunnen bieden.
Personen die behoren tot de bevolkingsgroep der Tutsi in Congo DRC kunnen, behoudens contra-indicaties in aanmerking komen voor categoriale bescherming.
De Tutsi uit Congo DRC worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3.
Aan personen behorend tot de Tutsi-bevolkingsgroep wordt geen vlucht-, vestigings- of verblijfsalternatief tegengeworpen.
Personen die behoren tot de bevolkingsgroep van de Tutsi in Congo DRC kunnen, behoudens contra-indicaties in aanmerking komen voor categoriale bescherming.
Uit het eerdergenoemde ambtsbericht blijkt dat gedurende de verslagperiode sprake was van een toename van geweld in de Kivu provincies. Verschillende partijen bleven tegen elkaar strijden, zoals de Mayi-Mayi tegen de ex-Rassemblement Congolais pour la Démocratie Goma, alsook de Forces Démocratiques de Libération du Rwanda tegen de ex- Rassemblement Congolais pour la Démocratie Goma.
Aan personen behorend tot de Tutsi-bevolkingsgroep wordt geen verblijfsalternatief tegengeworpen.
Deze gevechten, alsmede de gevolgen daarvan in de getroffen plaatsen, dienen echter niet aangemerkt te worden als handelen van de overgangsregering, maar als handelingen van lokaal actieve milities. Ook wordt niet aangenomen dat deze lokale milities hun invloed kunnen uitoefenen buiten het gebied, waar zij actief zijn. Overigens wordt opgemerkt, dat het geweld in Noord- en Zuid-Kivu doorgaans niet specifiek is gericht op individuen (hoewel die er wel het slachtoffer van zijn), maar dat eerder sprake is van willekeurig (oorlogs)geweld.
##### 3.2. Bevolkingsgroepen uit Noord- en Zuid-Kivu (niet zijnde Tutsi)
Voor personen afkomstig uit de provincie Noord- en Zuid-Kivu geldt in beginsel een vlucht- en vestigingsalternatief (zie ook onder Vlucht- en/of vestigingsalternatief van deze landenparagraaf).
Uit het eerdergenoemde ambtsbericht blijkt dat de veiligheidssituatie in grote delen van de oostelijke Kivu-provincies verslechterd is, doordat het aantal oorlogshandelingen is toegenomen. Voorts komt naar voren dat deze oorlogshandelingen niet specifiek op individuen of op de burgerbevolking gericht zijn, hoewel die daar wel het slachtoffer van kunnen worden.
Uit het ambtsbericht van 1 april 2005 van het Ministerie van BuZa blijkt dat het sinds juni 1999 slepende conflict tussen de Hema en de Lendu bevolkingsgroepen in het Ituri District eind 2004 weer oplaaide. Dagelijks worden burgers slachtoffer van ernstige mensenrechtenschendingen. Het district wordt geteisterd door gewapende bendes die in volledige straffeloosheid opereren. In Ituri komt, evenals in andere delen van Congo DRC, op grote schaal seksueel geweld voor. Vaak hebben verkrachtingen een etnische achtergrond.
##### 3.3. Bevolkingsgroepen uit het Ituri District
Overigens wordt opgemerkt, dat het geweld in het Ituri District doorgaans niet specifiek is gericht op individuen (hoewel die er wel het slachtoffer van zijn), maar dat eerder sprake is van willekeurig (oorlogs)geweld.
Tijdens de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa gingen de gewelddadigheden in Ituri door. Er was sprake van grootschalige mensenrechtenschendingen. In april 2007 is één van de laatste strijdende partijen, de Front des Nationalistes et Intégrationnistes ontmanteld en geïntegreerd in het Congolese leger. Dit leidde tot een voorzichtige verbetering van de veiligheid.
Voor deze bevolkingsgroep geldt in beginsel een vlucht- en vestigingsalternatief (zie ook onder Vlucht- en/of vestigingsalternatief van deze landenparagraaf).
Er zijn geen aanwijzingen dat personen door de autoriteiten uit Congo DRC worden vervolgd vanwege hun etnische afkomst. Het behoren tot een specifieke bevolkingsgroep niet zijnde die der Tutsi vormt derhalve in beginsel geen reden betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
##### 3.2. Politieke tegenstanders van het bewind
##### 3.4. Politieke tegenstanders van het bewind
De wet op de organisatie en het functioneren van politieke partijen van maart 2004 erkent en garandeert het politieke pluralisme in Congo DRC. Sinds deze nieuwe wetgeving van kracht is, is de vrijheid van vereniging en vergadering licht verbeterd.
De overgangsgrondwet voorziet in vrijheid van vreedzame vergadering, maar in de praktijk wordt deze vrijheid door de overgangsregering beperkt. Het recht van vergadering is ondergeschikt gemaakt aan de openbare orde.
##### 3.5. Leden rebellengroeperingen
##### 3.3. Leden rebellengroeperingen
In Congo DRC zijn ontwapeningsprogrammas en vredesbesprekingen aan de gang waarbij de leden van de (voormalige) rebellenbewegingen worden op genomen in het regeringsleger.
De meeste voormalige rebellenmilities is toegestaan om als politieke partij te fungeren. De nog als militie actieve rebellengroeperingen, bijvoorbeeld in het Ituri District, richten hun activiteiten doorgaans niet op de Congolese autoriteiten, maar op andere milities of op de burgerbevolking.
##### 3.6. Mobutu-aanhangers
##### 3.4. Mobutu-aanhangers
Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC, zijn er geen gevallen bekend van voormalig Mobutu-aanhangers of ex-militairen van de Forces Armées du Zaïre die specifieke problemen met de autoriteiten hebben ondervonden. De Union des Démocrates Mobutistes maakt deel uit van de regering, de zoon van oud-dictator Mobutu is thans Minister van Landbouw.
Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC, zijn er geen gevallen bekend van ex-mobutisten die na hun terugkeer naar Kinshasa problemen met de autoriteiten hebben gehad.
##### 3.7. Journalisten
Derhalve komt een Mobutu-aanhanger in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vanwege sympathieën jegens Mobutu.
De wet voorziet in vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en het recht op informatie. In de praktijk wordt dit recht echter beperkt. Journalisten worden regelmatig lastiggevallen. Journalisten die kritiek uiten op specifieke personen en instanties, bijvoorbeeld wanneer zij corruptie aan de kaak stellen, lopen de grootste risicos. Intimidatie bestaat vooral uit het oppakken en vastzetten van journalisten. In de verslagperiode van het eerdergenoemde ambtsbericht werden diverse journalisten bedreigd, gearresteerd en gedetineerd.
##### 3.5. Ex-militairen van de Forces Armées du Zaïre
Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC, zijn er geen gevallen bekend van ex-militairen van de Forces Armées du Zaïre die na hun terugkeer naar Kinshasa problemen met de autoriteiten hebben gehad.
##### 3.6. Journalisten
De wet voorziet in vrijheid van meningsuiting. In de praktijk wordt dit recht echter beperkt. In de verslagperiode van het eerdergenoemde ambtsbericht werd een aantal journalisten bedreigd, gearresteerd en gedetineerd.
##### 3.7. Vrouwen
##### 3.8. Vrouwen
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.
##### 3.8. Dienstplichtigen en deserteurs
##### 3.9. Dienstplichtigen en deserteurs
Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.
##### 3.9. Dienstplichtigen en deserteurs
#### 4. Traumatabeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing.
@ -4737,13 +4723,7 @@ Personen die behoren tot de bevolkingsgroep van de Tutsi uit Congo DRC komen beh
##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.
Ten aanzien van de bevolkingsgroepen wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.
Indien voor een persoon afkomstig uit de provincie Noord- of Zuid-Kivu, behorend tot andere bevolkingsgroepen dan de Tutsi, geconcludeerd wordt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM, dan is het mogelijk, indien de vervolging uitgaat van een van de milities, een vlucht- of vestigingsalternatief elders in Congo DRC tegen te werpen. Het tegenwerpen van een vlucht- of vestigingsalternatief dient echter per individueel geval beoordeeld te worden. Het is daarbij aan betrokkene om aannemelijk te maken, dat hij zich niet elders in Congo DRC kan vestigen.
Indien voor een Hema of Lendu (of andere personen uit het Ituri District) geconcludeerd wordt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM, dan is het mogelijk, indien de vervolging uitgaat van een van de milities, een vlucht- of vestigingsalternatief elders in Congo DRC tegen te werpen. Het tegenwerpen van een vlucht- of vestigingsalternatief dient echter per individueel geval beoordeeld te worden. Het is daarbij aan betrokkene om aannemelijk te maken, dat hij zich niet elders in Congo DRC kan vestigen.
Gezien de huidige situatie in Congo DRC, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.
##### 6.2. Veilig land van herkomst
@ -4759,7 +4739,7 @@ Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure om
#### 7. Opvangmogelijkheden Amvs
Voor Amvs is adequate opvang in Congo DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. Opvang voor vier uit Nederland teruggekeerde Amvs is geregeld in het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bocso). Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amvs wordt verwezen naar het eerdergenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa.
Voor Amvs is adequate opvang in Congo DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. In het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bosco) zijn vier opvangplaatsen geregeld voor uit Nederland terugkerende Amvs. Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amvs wordt verwezen naar het eerdergenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa.
#### 8. Vertrekmoratorium
@ -6202,131 +6182,94 @@ Ten aanzien van Amvs uit Sierra Leone kan niet op voorhand worden geconcludee
Ten aanzien van asielzoekers uit Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
### [23]. Het asielbeleid ten aanzien van Soedan
### [23]. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan
#### 1. Datum
#### 1. Achtergrond
Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C5/24 van kracht wordt.
Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Sudan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
#### 2. Achtergrond
#### 2. Besluitmoratorium
Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Sudan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1/1 tot en met C5/23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 7 juni 2006 over de situatie in Sudan.
#### 3. Besluitmoratorium
#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
Ten aanzien van asielzoekers uit Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.
##### 3.1. Politieke of religieuze opposanten
#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
Personen die zich sterk profileren op politiek of religieus gebied, kunnen rekenen op negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten. Dit geldt ook wanneer zij vanuit het buitenland terugkeren naar Sudan. Voorbeelden van sterke politieke of religieuze profilering zijn het deelnemen aan demonstraties en oppositionele bijeenkomsten of het zich kritisch (in woord en geschrift) uitlaten over regeringsbeleid. De negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten kan variëren van intimidatie, het beperken van de bewegingsvrijheid tot arrestatie en (meerdere) detenties, waarbij marteling en mishandeling voorkomt. Het kan hierbij onder meer gaan om (prominente) intellectuelen, studentenleiders, journalisten, advocaten, mensenrechtenactivisten, activisten van oppositionele of niet-geregistreerde partijen, activisten van vakbonden, activisten van verzetsbewegingen, politieke tegenstanders uit het buitenland en niet-moslims.
##### 4.1. Politieke of religieuze opposanten
##### 3.2. Niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur
Personen die zich sterk profileren op politiek of religieus gebied, kunnen rekenen op negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten. Dit geldt ook wanneer zij vanuit het buitenland terugkeren naar Sudan. Voorbeelden van sterke politieke of religieuze profilering zijn het deelnemen aan demonstraties en oppositionele bijeenkomsten of het zich kritisch (in woord en geschrift) uitlaten over regeringsbeleid. De negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten kan variëren van intimidatie, het beperken van de bewegingsvrijheid tot arrestatie en (meerdere) detenties, waarbij marteling en mishandeling niet zijn uitgesloten. Het kan hierbij onder meer gaan om (prominente) intellectuelen, studentenleiders, journalisten, advocaten, mensenrechtenactivisten, activisten van oppositionele of niet-geregistreerde partijen, activisten van vakbonden, activisten van verzetsbewegingen, politieke tegenstanders uit het buitenland en niet-moslims.
In Darfur wordt door de autoriteiten hard opgetreden tegen personen verdacht van banden met de rebellen. Met name niet-Arabische bevolkingsgroepen kunnen hiermee te maken krijgen. Het is mogelijk dat zij slachtoffer worden van willekeurige arrestaties, detenties, martelingen en mishandelingen. Bij terugkeer vanuit het buitenland naar Sudan lopen met name zij een verhoogd risico op onderzoek door de veiligheidsdienst. Zij worden als snel als vermeend aanhanger van de Darfurese rebellenbeweging gezien.
Gelet op het vorenstaande kan een persoon die zich sterk profileert op politiek of religieus terrein op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd. De amnestieregeling, zoals vermeld in het ambtsbericht zorgt niet voor een uitzondering op deze conclusie.
Gelet op het vorenstaande komt een persoon die behoort tot een niet-Arabische bevolkingsgroep uit Darfur al snel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd.
##### 4.2. Niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur
De niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3.
In Darfur wordt door de autoriteiten hard opgetreden tegen personen verdacht van banden met de rebellen. Met name niet-Arabische bevolkingsgroepen kunnen hiermee te maken krijgen. Het is mogelijk dat zij slachtoffer worden van willekeurige arrestaties, detenties, martelingen en mishandelingen. Ook bij terugkeer vanuit het buitenland naar Sudan kan niet worden uitgesloten dat zij te maken krijgen met negatieve bejegening door de Sudanese veiligheidsdiensten.
Gelet op het vorenstaande komt een persoon die behoort tot een niet-Arabische bevolkingsgroep uit Darfur al snel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a , Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd.
De vluchtelingrechtelijke vervolging dient op de normale wijze aannemelijk te worden gemaakt, waarbij de vrees voor vervolging te herleiden dient te zijn tot één van de gronden van het Verdrag. De activiteiten van de betrokkene die leiden tot de conclusie dat er sprake is van vluchtelingrechtelijke vervolging dan wel dat er sprake is van een behandeling strijdig met artikel 3 EVRM kunnen zowel hebben plaatsgevonden in Darfur als elders in Sudan.
Van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM is al snel sprake indien de betrokkene direct voorafgaande aan zijn vertrek uit Soedan te maken heeft gekregen met ruwe ondervragingen, detentie en/of mishandeling door de Sudanese autoriteiten.
Uiteraard gelden de gebruikelijke contra-indicaties als gevaar voor de openbare orde.
Indien geen vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw, wordt verleend, is het vermelde bij punt 6 hieronder van toepassing.
Indien geen vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw, wordt verleend, is een beleid van categoriale bescherming van toepassing, zie hieronder.
Tot Darfur worden gerekend de deelstaten Noord-, West- en Zuid-Darfur.
##### 4.3. Niet-moslims
##### 3.3. Niet-moslims
Er zijn geen aanwijzingen dat het enkel individueel belijden van andere religies dan de islam tot ernstige problemen leidt met de Sudanese autoriteiten. Dit is dan ook onvoldoende reden om tot statusverlening over te gaan.
Indien een individu zich echter in regeringsgebieden publiekelijk sterk als niet-moslim profileert, kunnen wel problemen ontstaan en kan detentie volgen. Voorbeelden van een dergelijk sterke profilering zijn het zich kritisch (in woord en geschrift) uitlaten over de islam en het openlijk bekeren van moslims. Dit kan reden zijn om tot statusverlening over te gaan.
##### 3.4. Vrouwen
Afvalligen van de islam kunnen te maken krijgen met intensieve verhoren, intimidatie en foltering door de autoriteiten. Voor afvalligheid van de islam kan de doodstraf worden opgelegd.
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/3.3 is van toepassing.
Gelet hierop kan een afvallige van de islam in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw.
Genitale verminking komt in het noorden nog steeds op grote schaal voor. Ook in het oosten en westen vindt genitale verminking plaats. In het zuiden wordt over het algemeen geen genitale verminking gepraktiseerd, alhoewel het voorkomt dat in het noorden woonachtige Zuid-Sudanezen alsmede Afrikaanse gemeenschappen uit de Southern Blue Nile en Nuba zich aan de tradities in het noorden aanpassen. Genitale verminking vindt plaats in de kindertijd, meestal in de leeftijd tussen vier en tien jaar. De Sudanese regering is tegen vrouwenbesnijdenis en uit dat ook vaker in het openbaar. Echter, de overheid biedt geen mogelijkheid tot het zich onttrekken aan genitale verminking.
##### 4.4. Vrouwen
Blijkens het ambtsbericht wordt in Sudan het gebruik van geweld tegen vrouwen, bijvoorbeeld slaan, niet gezien als een misdaad. Dit geldt zowel in Zuid- als in Noord-Sudan. Tegen deze vorm van geweld treedt de overheid niet op. Vrouwen kunnen zich hieraan in de praktijk niet onttrekken door zich elders in het land te vestigen.
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C1/2.2.11, C1/2.3.2 en C3/14.3.3 is van toepassing.
In Sudan is er voorts nauwelijks of geen bescherming tegen seksueel geweld. Aangifte bij de politie is mogelijk maar vrouwen durven dit vaak niet en bovendien wordt het ze moeilijk gemaakt. Ingeval de vrouw wel aangifte doet bij de politie loopt zij het risico gearresteerd te worden op grond van valse beschuldigingen en/of overspel.
Genitale verminking komt in het noorden nog steeds op grote schaal voor. Ook in het oosten en westen vindt genitale verminking plaats. In het zuiden wordt over het algemeen geen genitale verminking gepraktiseerd, alhoewel het voorkomt dat in het noorden woonachtige Zuid-Sudanezen alsmede Afrikaanse gemeenschappen uit de Southern Blue Nile en Nuba zich aan de tradities in het noorden aanpassen. Genitale verminking vindt plaats in de kindertijd, meestal in de leeftijd tussen vier en tien jaar. De Sudanese regering is tegen vrouwenbesnijdenis en uit dat ook vaker in het openbaar. Er bestaat een gezondheidswet tegen genitale verminking. Echter, de Sudanese autoriteiten zien in de praktijk nauwelijks toe op naleving van deze wet. Er kan dan ook niet op voorhand worden uitgegaan van de mogelijkheid om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Indien het individuele relaas daartoe aanleiding geeft, kan echter worden tegengeworpen dat betrokkene de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de autoriteiten in het specifieke geval maatregelen hebben getroffen of tot vervolging zijn overgegaan.
##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs
In het geval van verminking kan er geen vlucht- of vestigingsalternatief worden tegengeworpen ten aanzien van Sudan. Dit geldt ook indien de vrees voor vervolging dan wel het risico van een onmenselijke behandeling niet afkomstig is van de autoriteiten. Indien echter op grond van de individuele verklaringen van betrokkene blijkt dat zij zich elders staande heeft kunnen houden onder naar plaatselijke maatstaven gemeten normale omstandigheden, kan van betrokkene worden verlangd dat zij hier naar toe terugkeert.
Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.
Hoger opgeleide vrouwen afkomstig uit een grote(re) stad zullen hun dochters veelal niet laten besnijden. Zij krijgen daar doorgaans geen problemen mee vanuit hun sociale omgeving. Onder hoger opgeleide vrouwen moet gedacht worden aan vrouwen met een universitaire of hogere beroepsopleiding. Volgens het ambtsbericht hebben laaggeschoolde vrouwen op het platteland evenwel weinig keus. Het enkele feit dat betrokkene een hoger opgeleide moeder is, betekent niet dat er op voorhand geen sprake meer kan zijn van een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM. Indien op grond van de verklaringen van betrokkene aannemelijk is dat er sprake is van sociale druk, kan dit leiden tot de conclusie dat er sprake is van een reëel risico dat (de dochter van) betrokkene wordt besneden.
#### 4. Traumatabeleid
Indien een Sudanees meisje nog niet is besneden en dit in Sudan niet kan ontlopen, kan bij terugkeer naar Sudan sprake zijn van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar Sudan bedreigd worden met genitale verminking. In dergelijke gevallen kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd worden verleend. De ouder die genitale verminking van zijn dochter vreest, kan eveneens op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd.
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Sudan geen bijzonderheden.
##### 4.5. Dienstplichtigen en deserteurs
#### 5. Categoriale bescherming
Het normale beleid, zoals weergegeven in C1/2.2.12 is van toepassing.
Asielzoekers uit Sudan komen behoudens contra-indicaties op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5) indien de betrokkene behoort tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit de deelstaten Noord-, West- en Zuid-Darfur, tenzij de betrokkene direct voorafgaande aan zijn vertrek uit Sudan gedurende langere tijd probleemloos in het noorden van Sudan heeft verbleven.
In Sudan wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds onttrekking aan de dienstplicht en anderzijds desertie. Van onttrekking is sprake indien iemand probeert onder een oproep voor de nationale dienstplicht uit te komen en niet op de basistraining verschijnt. Van desertie kan eerst sprake zijn indien iemand is gerekruteerd en is begonnen aan de dienstplicht, met inbegrip van de basistraining. Op dienstplichtigen en deserteurs is het militaire strafrecht van toepassing.
#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
Onttrekking aan de dienstplicht kan met een geldboete en/of met een gevangenisstraf van twee tot drie jaar worden bestraft. Deze bestraffing is niet als onevenredig zwaar aan te merken. Daarnaast is het niet aannemelijk dat er sprake is van discriminatoire bestraffing. Voor gewetensbezwaarden bestaat geen mogelijkheid om ter vervanging van de dienstplicht een niet-militaire dienstplicht te vervullen.
##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Gelet op het vorenstaande is een beroep op onttrekking aan de dienstplicht in beginsel niet voldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw, tenzij de betrokkene wegens ernstige en onoverkomelijke gewetensbezwaren tot zijn onttrekking komt. Het is aan de betrokkene om dit aannemelijk te maken.
Ten aanzien van Sudan wordt geen binnenlands vlucht- en/of vestigingsalternatief tegengeworpen. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat dit niet geldt voor het verblijfsalternatief, dat conform de hierboven beschreven wijze kan worden tegengeworpen.
Desertie kan met maximaal de doodstraf worden bestraft. Aannemelijk is dat een deserteur aan het front de doodstraf opgelegd kan krijgen. Een deserteur in het relatief veilige noorden van Sudan zal eerder een gevangenisstraf opgelegd krijgen. Welke straffen in de praktijk worden opgelegd en of de doodstraf ten uitvoer is gebracht, is niet bekend. Niet kan worden uitgesloten dat deserteurs discriminatoir worden bestraft, worden mishandeld en/of worden geëxecuteerd. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat er sprake is van een discriminatoire bestraffing. In het geval mishandeling, executie of de doodstraf niet kan worden uitgesloten, dient de bestraffing wegens desertie als onevenredig zwaar te worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande kan een persoon die een beroep doet op desertie in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw.
#### 5. Traumatabeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/2.4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Sudan geen bijzonderheden.
#### 6. Categoriale bescherming
Asielzoekers uit Sudan komen behoudens contra-indicaties op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C1/2.5) indien de betrokkene behoort tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit de deelstaten Noord-, West- en Zuid-Darfur, tenzij de betrokkene direct voorafgaande aan zijn vertrek uit Sudan gedurende langere tijd probleemloos in het noorden van Sudan heeft verbleven.
Met gedurende langere tijd wordt een periode van tenminste zes maanden bedoeld. Met probleemloos wordt gedoeld op de situatie dat er geen aanleiding bestaat de betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw.
Het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van de Nuba-bevolkingsgroepen is gelet op de verbeterde veiligheidssituatie beëindigd.
Ten aanzien van de zuidelijke niet-Arabische bevolkingsgroepen, die onder het oude beleid in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning omdat er geen sprake was van probleemloos verblijf in het noorden gedurende langere tijd, geldt eveneens dat zij niet langer in aanmerking komen voor categoriaal beschermingsbeleid. Aan hen kan een verblijfsalternatief in het noorden worden tegengeworpen.
Het is bekend dat veel Sudanezen inreizen via Egypte. De Egyptische autoriteiten maken geen onderscheid tussen Noord- en Zuid-Sudanezen. Zie ook het ambtsbericht van de Minister van BuZa inzake de positie van Sudanezen in Egypte van 21 december 2001 (kenmerk DPC/AM-736359). Indien de betrokkene behoort tot de categorie die voor categoriale bescherming in aanmerking komt en in het bezit is van een geldige verblijfsstatus voor Egypte (een Refugee Registration Card met een geldige verblijfsvergunning of een residence permit), dan wel in het bezit is van een geldig Sudanees paspoort, en daarbij aantoonbaar in Egypte heeft gewoond, wordt in beginsel artikel 31, tweede lid, onder j, Vw toegepast. Het is niet noodzakelijk dat uit een schriftelijk bericht moet blijken dat Egypte de betrokkene toegang zal geven. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat uit voornoemd ambtsbericht van 21 december 2001 in voldoende mate blijkt dat de betrokkene weer tot Egypte zal worden toegelaten indien hij in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor dat land. Daarnaast blijkt in voldoende mate uit het ambtsbericht dat wedertoelating weinig problemen zal opleveren bij Sudanezen met een geldig Sudanees paspoort die aantoonbaar in Egypte hebben gewoond, ook als zij geen verblijfsvergunning en inreisvisum hebben.
#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Ten aanzien van Sudan wordt geen binnenlands vlucht- en/of vestigingsalternatief tegengeworpen. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat dit niet geldt voor het verblijfsalternatief, dat conform de hieronder beschreven wijze kan worden tegengeworpen.
##### 7.2. Veilig land van herkomst
##### 6.2. Veilig land van herkomst
Sudan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.
##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
Sudan wordt niet beschouwd als veilig derde land.
Ten aanzien van de vraag of er een land van eerder verblijf aanwezig is, wordt het volgende opgemerkt.
##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het is bekend dat veel Sudanezen inreizen via Egypte. De Egyptische autoriteiten maken geen onderscheid tussen Noord- en Zuid-Sudanezen. Zie ook het ambtsbericht van de Minister van BuZa inzake de positie van Sudanezen in Egypte van 21 december 2001 (kenmerk DPC/AM-736359).
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Ten aanzien van de volgende groepen zou sprake kunnen zijn van artikel 1F-gedragingen: hoge (deelstaat)regeringsfunctionarissen, leden van veiligheidsdiensten, politiefunctionarissen, (para)militairen, leden van Arabische milities, leden van verzetsbewegingen (bijvoorbeeld strijders van Sudan Peoples Liberation Movement/Army) en kindsoldaten.
Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
200722114-11-200705-11-20072007/34200722114-11-200705-11-20072007/3416-11-2007
Indien de betrokkene in het bezit is van een geldige verblijfsstatus voor Egypte (een Refugee Registration Card met een geldige verblijfsvergunning of een residence permit) en van een geldig Sudanees paspoort of een ander erkend reisdocument en deze documenten heeft overgelegd gedurende de asielprocedure, wordt in beginsel artikel 31, tweede lid, onder i, Vw toegepast en wordt geen verblijfsvergunning verleend. Het is niet noodzakelijk dat uit een schriftelijk bericht moet blijken dat Egypte de betrokkene toegang zal geven. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat uit voornoemd ambtsbericht van 21 december 2001 in voldoende mate blijkt dat de betrokkene weer tot Egypte zal worden toegelaten indien hij in het bezit is van geldige verblijfstitel voor dat land en een geldig Sudanees paspoort of een ander erkend reisdocument.
##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het beleid zoals neergelegd in C1/4.3.11.3 is van toepassing. Ten aanzien van de volgende groepen zou sprake kunnen zijn van artikel 1F-gedragingen: hoge (deelstaat)regeringsfunctionarissen, leden van veiligheidsdiensten, politiefunctionarissen, (para)militairen, leden van Arabische milities, leden van verzetsbewegingen (bijvoorbeeld strijders van Sudan Peoples Liberation Movement/Army) en kindsoldaten. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C3/11.3.1.
##### 7.5. Legale uitreis
##### 6.5. Legale uitreis
In beginsel kunnen personen uit Sudan vrij het land in- en uitreizen. Het komt evenwel voor dat de Sudanese regering de uitreis weigert aan politieke tegenstanders.
#### 8. Opvangmogelijkheden Amvs
#### 7. Opvangmogelijkheden Amvs
Ten aanzien van Amvs uit Sudan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
#### 9. Vertrekmoratorium
#### 8. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.