2006-08-02 | BWBR0016637 | Wet op de jeugdzorg
This commit is contained in:
parent
84fb68dd97
commit
d2cb0ab77b
1 changed files with 10 additions and 6 deletions
|
|
@ -57,7 +57,7 @@ Indien een provinciebestuur de bevoegdheden inzake de uitvoering van zijn taken
|
|||
|
||||
**2.** Gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft, dragen ervoor zorg dat cliënten hun aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid, tot gelding kunnen brengen.
|
||||
|
||||
**3.** Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt gelijk gesteld een beslissing van de rechter in het kader van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de rechter de veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en een beslissing van de directeur als bedoeld in artikel 31 van die wet, bij welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld.
|
||||
**3.** Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt gelijk gesteld een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een beslissing van de rechter in het kader van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de rechter de veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en een beslissing van de directeur als bedoeld in artikel 31 van die wet, bij welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit. Indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn gelijk aan de duur van de machtiging.
|
||||
|
||||
|
|
@ -98,7 +98,7 @@ Indien een provinciebestuur de bevoegdheden inzake de uitvoering van zijn taken
|
|||
Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:
|
||||
|
||||
a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,
|
||||
b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat,
|
||||
b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat,
|
||||
c. Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
||||
d. jeugdzorg waarop ingevolge artikel 11a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -936,7 +936,7 @@ g. de aard van de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.
|
|||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
**1.** De onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder van een jeugdige en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige, zijn aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van aan een jeugdige geboden jeugdzorg van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm die verzorging en verblijf omvat, waarop hij ingevolge deze wet aanspraak heeft.
|
||||
**1.** De onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder van een jeugdige en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige, zijn aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van aan een jeugdige geboden jeugdzorg van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm die verzorging en verblijf omvat, waarop hij ingevolge deze wet aanspraak heeft of in de kosten van verblijf in een justitiële jeugdinrichting van een jeugdige die met toepassing van artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aldaar is geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage, die naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de zorg kan verschillen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -972,6 +972,10 @@ Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedra
|
|||
|
||||
**2.** De eigen bijdrage wordt vastgesteld door de betrokken zorgaanbieder. Deze is tevens met de inning belast.
|
||||
|
||||
### Artikel 73a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
|
||||
**1.** De bijdrageplichtige, bedoeld in artikel 69, eerste lid, is verplicht aan de betrokken stichting desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor de vaststelling en inning van de ouderbijdrage.
|
||||
|
|
@ -980,7 +984,7 @@ Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedra
|
|||
|
||||
**3.** De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage schriftelijk te stellen, redelijke termijn.
|
||||
|
||||
**4.** Een zorgaanbieder doet, als zich een geval als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onder e, voordoet, daarvan mededeling aan degene die belast is met de vaststelling van de ouderbijdrage.
|
||||
**4.** Een zorgaanbieder doet, als zich een geval als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder e, voordoet, daarvan mededeling aan degene die belast is met de vaststelling van de ouderbijdrage.
|
||||
|
||||
### Artikel 75
|
||||
|
||||
|
|
@ -1120,9 +1124,9 @@ Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.
|
|||
|
||||
**1.** Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, ontvingen van een voorziening van jeugdhulpverlening in de zin van de Wet op de jeugdhulpverlening hebben, tot het tijdstip waarop de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, in afwijking van artikel 3, derde lid, aanspraak op jeugdzorg te verlenen door de betrokken voorziening van jeugdhulpverlening.
|
||||
|
||||
**2.** Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak hadden op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, behouden deze aanspraak tot de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, vierde lid, of artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden.
|
||||
**2.** Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak hadden op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, behouden deze aanspraak tot de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde stichting neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de wet.
|
||||
**3.** De bevoegde stichting neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, op het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, is verstreken, doch in ieder geval vóór 1 januari 2006.
|
||||
|
||||
### Artikel 104
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue