From d305dc80a365aaa12331056339e05c69fb3350fe Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Thu, 1 Jan 2015 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2015-01-01 | BWBR0020183 | Besluit WWB 2007 --- amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md | 336 ++++++++++---------- 1 file changed, 175 insertions(+), 161 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md b/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md index 6c3fe509514..dd8c7a08f02 100644 --- a/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md +++ b/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md @@ -1,87 +1,116 @@ --- -titel: Besluit WWB 2007 +titel: Besluit Participatiewet bwb_id: BWBR0020183 type: AMvB status: geldend datum_inwerkingtreding: '2010-01-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0020183 -citeertitel: Besluit WWB 2007 +citeertitel: Besluit Participatiewet --- -# Besluit WWB 2007 +# Besluit Participatiewet ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen ### Artikel 1 +**1.** + In dit besluit wordt verstaan onder: a. *wet:* - Wet werk en bijstand; + Participatiewet; b. *IOAW:* - Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; + Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; c. *IOAZ:* - Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; + Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; d. *Bbz 2004:* - Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; -e. *WIJ:* - Wet investeren in jongeren; -f. *uitkering:* de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, inclusief een uitkering voor de lasten van de door het college toegekende algemene bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004; -g. *gemeentelijke lasten op grond van de WWB:* de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand op grond van de wet, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; -h. *gemeentelijke lasten op grond van de WIJ:* de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende inkomensvoorzieningen op grond van de WIJ, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; -i. *gemeentelijke lasten op grond van de IOAW:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAW, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; -j. *gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAZ, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; -k. *gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand verleend aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; -l. *toetsingscommissie:* de toetsingscommissie Wet werk en bijstand, bedoeld in artikel 73 van de wet; -m. *netto lasten:* de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, uitkeringen of inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet; -n. *verdeelstoornis:* de omstandigheid waarin sprake is van bijzondere lokale omstandigheden buiten de invloedssfeer van de gemeente die wel leiden tot hogere bijstandsuitgaven maar die niet volledig tot uitdrukking komen in de aan de hand van het verdeelmodel, opgenomen in de bijlage bij dit besluit, objectief vastgestelde kosten. + Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; +e. *uitkering:* de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, inclusief een uitkering voor de lasten van de door het college toegekende algemene bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004; +f. *gemeentelijke lasten op grond van de PW:* de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand, met uitzondering van de algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers, en verstrekte loonkostensubsidies op grond van de wet, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; +g. *gemeentelijke lasten op grond van de IOAW:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAW, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; +h. *gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAZ, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; +i. *gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand verleend aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; +j. *toetsingscommissie:* de toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet, bedoeld in artikel 73 van de wet; +k. *netto-lasten:* de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, uitkeringen en verstrekte loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet; +l. *verdeelstoornis:* de omstandigheid waarin sprake is van bijzondere lokale omstandigheden buiten de invloedssfeer van de gemeente die wel leiden tot hogere bijstandsuitgaven maar die niet volledig tot uitdrukking komen in de aan de hand van het verdeelmodel, opgenomen in de bijlage bij dit besluit, objectief vastgestelde kosten. + +**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, wordt in het jaar 2015 onder gemeentelijke lasten op grond van de PW verstaan: de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand op grond van de wet, vermenigvuldigd met het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke inwoners in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld. ### Paragraaf . Werkdeel -### Artikel 2 - -Vervallen - -### Artikel 3 - -Vervallen - ### Paragraaf 2. Uitkering -### Artikel 4 +### Artikel 2 **1.** -De uitkering voor een gemeente wordt berekend aan de hand van de volgende formule: +De uitkering voor een gemeente met 15.000 inwoners of minder wordt berekend aan de hand van de volgende formule: -U = (G / TG) × (TBWWB +TBIOAW +TBIOAZ +TBBbz +TBMAU) +U = (G / TG_klein) × (TB + TBMAU) × B_klein waarbij: a. U de uitkering voor de gemeente is; b. G de budgetgrondslag is van de gemeente; -c. TG het totaal van de budgetgrondslagen is voor alle gemeenten samen; -d. TBWWB het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand; -e. TBIOAW het totale bedrag is dat beschikbaar is voor uitkeringen op grond van de IOAW; -f. TBIOAZ het totale bedrag is dat beschikbaar is voor uitkeringen op grond van de IOAZ; -g. TBBbz het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004; -h. TBMAU het totale bedrag is dat in een jaar nodig is voor de meerjarige aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c. +c. TG_klein het totaal van de budgetgrondslagen is voor alle gemeenten met 15.000 of minder inwoners; +d. TB het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand en uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waaronder begrepen het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004, en voor kosten van loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet; +e. TBMAU het totale bedrag is dat in een jaar nodig is voor de meerjarige aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c; +f. B_klein het budgetaandeel is van alle gemeenten met 15.000 of minder inwoners, bedoeld in het vierde lid. **2.** +De uitkering voor gemeenten met meer dan 15.000 inwoners wordt berekend aan de hand van de volgende formule: + +U = (G / TG_15dzd) × (TB + TBMAU) × B_15dzd + +waarbij: + +a. U de uitkering voor de gemeente is; +b. G de budgetgrondslag is van de gemeente; +c. TG_15dzd het totaal van de budgetgrondslagen is voor alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners; +d. TB het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand en uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waaronder begrepen het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004, en voor kosten van loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet; +e. TBMAU het totale bedrag is dat in een jaar nodig is voor de meerjarige aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c; +f. B_15dzd het budgetaandeel is van alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners, bedoeld in het vijfde lid. + +**3.** + De budgetgrondslag wordt verschillend berekend voor gemeenten met: -a. 25.000 of minder inwoners; -b. meer dan 25.000 en minder dan 40.000 inwoners; +a. 15.000 of minder inwoners; +b. meer dan 15.000 en minder dan 40.000 inwoners; c. 40.000 of meer inwoners. -**3.** Voor de vaststelling van het aantal inwoners, bedoeld in het tweede lid, geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld. +**4.** -**4.** Het aantal inwoners wordt ontleend aan de statistiek «Demografische kerncijfers per gemeente» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. +Voor gemeenten met 15.000 inwoners of minder wordt het budgetaandeel, bedoeld in het eerste lid, bepaald aan de hand van de volgende formule: + +B_klein = TL_klein/TL + +Waarbij: + +a. B_klein het budgetaandeel van alle gemeenten met 15.000 inwoners of minder is; +b. TL_klein het totaal van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 is voor alle gemeenten met 15.000 inwoners of minder; +c. TL het totaal van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 is voor alle gemeenten samen. **5.** -Het totale bedrag dat in een kalenderjaar nodig is voor meerjarige aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c, wordt in mindering gebracht op de uitkering aan gemeenten waarvan de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel 6 of artikel 7. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: +Voor gemeenten met meer dan 15.000 inwoners wordt het budgetaandeel, bedoeld in het tweede lid, bepaald aan de hand van de volgende formule: + +B_15dzd = 1 – B_klein + +Waarbij: + +a. B_15dzd het budgetaandeel van alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners is; +b. B_klein het budgetaandeel van alle gemeenten met 15.000 inwoners of minder is. + +**6.** Voor de vaststelling van het aantal inwoners geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld. + +**7.** Het aantal inwoners wordt ontleend aan de statistiek «Demografische kerncijfers per gemeente» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. + +**8.** + +Het totale bedrag dat in een kalenderjaar nodig is voor aanvullende uitkeringen wordt in mindering gebracht op de uitkering aan gemeenten met meer dan 25.000 inwoners waarvan de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel 4 of artikel 5. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: B =TBMAU * [ (m *U) / som(m *U) ] @@ -91,69 +120,115 @@ a. B het bedrag is dat van de uitkering aan een gemeente met meer dan 25.000 inw b. TBMAU het bedrag is dat in een jaar aan meerjarige aanvullende uitkeringen wordt uitgekeerd; c. m is: -1° 1, indien de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel 7; of -2° het aantal inwoners in de gemeente, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000, indien de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel 6; +1° 1, indien de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel 5; of +2° het aantal inwoners in de gemeente, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000, indien de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel 4; d. U de uitkering voor de gemeente is; e. Som(m *U) de optelsom is van (m *U) van alle gemeenten met meer dan 25.000 inwoners. -### Artikel 5 +### Artikel 3 -Voor gemeenten met 25.000 inwoners of minder is de budgetgrondslag gelijk aan de som van de gemeentelijke lasten op grond van de WWB, de gemeentelijke lasten op grond van de WIJ, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004. +Voor een gemeente met 15.000 inwoners of minder is de budgetgrondslag gelijk aan de som van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004. -### Artikel 6 +### Artikel 4 -Voor gemeenten met meer dan 25.000 en minder dan 40.000 inwoners wordt de budgetgrondslag bepaald aan de hand van de volgende formule: +**1.** -G = m × O + (1-m) × (KWWB +KWIJ +KIOAW +KIOAZ +KBbz) +Voor een gemeente met meer dan 15.000 en minder dan 40.000 inwoners wordt de budgetgrondslag bepaald aan de hand van de volgende formule: + +G = m × O + (1-m) × (BL) waarbij: a. G de budgetgrondslag van de gemeente is; -b. m het aantal inwoners in de gemeente is, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000; -c. O de objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet zijn, vermeerderd met de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004; -d. KWWB de gemeentelijke lasten op grond van de WWB zijn; -e. KWIJ de gemeentelijke lasten op grond van de WIJ zijn; -f. KIOAW de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW zijn; -g. KIOAZ de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ zijn; -h. KBbz de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 zijn. +b. m het aantal inwoners in de gemeente is, verminderd met 15.000 en vervolgens gedeeld door 25.000; +c. O de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn, waaronder de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 en de kosten van de loonkostensubsidies, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet; +d. BL het budget voor een gemeente is wanneer de budgetverdeling volledig wordt gebaseerd op historische lasten. + +**2.** + +Het budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: + +BL = L/TL_15dzd × (TB + TBMAU) × B_15dzd + +Waarbij: + +a. BL het budget voor een gemeente is wanneer de budgetverdeling volledig wordt gebaseerd op historische lasten; +b. L staat voor de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004; +c. TL_15dzd het totaal van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 is voor alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners samen; +d. TB het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand en uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waaronder begrepen het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004, en voor kosten van loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet; +e. TBMAU het totale bedrag is dat in een jaar nodig is voor de meerjarige aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c; +f. B_15dzd het budgetaandeel van alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners is. + +### Artikel 5 + +Voor een gemeente met 40.000 inwoners of meer is de budgetgrondslag gelijk aan de voor die gemeente objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 en de kosten van de loonkostensubsidies, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet. + +### Artikel 6 + +**1.** Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 vastgesteld en de kosten van de loonkostensubsidies, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet. + +**2.** Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten wordt aangeduid als de factor TB in de formule, bedoeld in artikel 2, tweede lid. + +**3.** + +Jaarlijks worden bij ministeriële regeling: + +a. voor alle huishoudenskenmerken en omgevingskenmerken, zoals opgenomen in tabel 1 van de bijlage bij dit besluit de gewichten vastgesteld; +b. voor alle te onderscheiden corop-gebieden, bedoeld in tabel 1 van de bijlage bij dit besluit, de gewichten vastgesteld; en +c. voor de kenmerken, zoals opgenomen in tabel 2, en de omgevingskenmerken, zoals opgenomen in tabel 1 van de bijlage bij dit besluit, de peiljaren en peildata vastgesteld. ### Artikel 7 -Voor gemeenten met 40.000 inwoners of meer is de budgetgrondslag gelijk aan de objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, vermeerderd met de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004. +**1.** Indien van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt bepaald, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, 4, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdelen a, b, en c, en artikel 8a, eerste lid, voor de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume. + +**2.** Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing van het eerste lid vastgesteld. ### Artikel 8 -**1.** Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet en voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 vastgesteld. - -**2.** Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten betreft: TBWWB +TBIOAW +TBIOAZ +TBBbz. - -**3.** Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor de verdeelmaatstaven in de bijlage bij dit besluit de peiljaren, de peildata en de gewichten vastgesteld. - -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor artikel 4, eerste lid, artikel 5, artikel 6, artikel 7, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten. - -### Artikel 8a - -**1.** Indien van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de WIJ, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, 5, en 6, onderdeel c, voor de gemeentelijke lasten op grond van de WWB, de gemeentelijke lasten op grond van de WIJ, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume. - -**2.** Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing van het eerste lid vastgelegd. - -### Artikel 8b - **1.** -Indien artikel 8b van de wet, onderscheidenlijk artikel 10 van de WIJ, artikel 40 van de IOAW en artikel 40 van de IOAZ van toepassing is kan, voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, 5, en 6, voor: +Indien artikel 8c van de wet, onderscheidenlijk artikel 40 van de IOAW en artikel 40 van de IOAZ van toepassing is, kan voor de toepassing van de artikelen 2, eerste lid, 3, en 4 voor: -a. de gemeentelijke lasten op grond van de WWB; -b. de gemeentelijke lasten op grond van de WIJ; +a. de gemeentelijke lasten op grond van de PW; c. de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW; d. de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ; en e. de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004, de informatie in aanmerking worden genomen die het openbaar lichaam heeft verantwoord over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld. De eerste zin is slechts van toepassing indien de bedoelde informatie is vastgesteld overeenkomstig artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. -**2.** Indien van een openbaar lichaam de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de WIJ, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, is artikel 8a van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt voor de ontbrekende informatie uitgegaan van de verantwoordingsinformatie van het openbaar lichaam over het jaar dat drie jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, indien die verantwoordingsinformatie door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen. +**2.** Indien van een openbaar lichaam de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt voor de ontbrekende informatie uitgegaan van de verantwoordingsinformatie van het openbaar lichaam over het jaar dat drie jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, indien die verantwoordingsinformatie door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen. -### Paragraaf 3. Incidentele en meerjarige aanvullende uitkering +### Artikel 8a + +**1.** + +In afwijking van de artikelen 2, tweede lid, 4 en 5 wordt de uitkering voor een gemeente met meer dan 15.000 inwoners in de jaren 2015, 2016 en 2017 berekend aan de hand van de volgende formules: + +a. voor de jaren 2015 en 2016 volgens de formule + +U = (0,5 × L/TL_15dzd + 0,5 × G/TG_15dzd) × (TB + TBMAU) x B_15dzd +b. voor het jaar 2017 volgens de formule + +U = (0,25 × L/TL_15dzd + 0,75 × G/TG_15dzd) × (TB + TBMAU) x B_15dzd + +Waarbij: + +a. U de uitkering voor de gemeente is; +b. L staat voor de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004. +c. TL_15dzd het totaal van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 is voor alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners samen; +d. G de budgetgrondslag is van de gemeente; +e. TG_15dzd het totaal van de budgetgrondslagen is voor alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners samen; +f. TB het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand en uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet waaronder inbegrepen het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 en voor kosten van loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet; +g. TBMAU het bedrag is dat in een jaar aan meerjarige aanvullende uitkeringen wordt uitgekeerd als bedoeld in artikel 10c; +h. B_15dzd het budgetaandeel is van alle gemeenten met meer dan 15.000 inwoners. + +**2.** Onze Minister draagt twee jaar na de inwerkingtreding van dit artikel zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van dit artikel in de praktijk, waarbij in ieder geval wordt onderzocht of het wenselijk is de overgangsregel van dit artikel voort te zetten na 2017. + +### Artikel 8b + +Vervallen + +### Paragraaf 3. Aanvullende uitkeringen ### Artikel 9 @@ -163,114 +238,53 @@ De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden. Onze Minister be **1.** -Een incidentele aanvullende uitkering wordt slechts toegekend voorzover: +Een aanvullende uitkering over het jaar 2015 wordt slechts toegekend voor zover: -a. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften; -b. de netto lasten de verstrekte uitkering met minimaal tien procent overstijgen; -c. de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan alsmede de rechtmatige uitvoering van de wet daartoe aanleiding geeft. +a. het college een hiertoe strekkend verzoek heeft ingediend; +b. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften en de vereisten, genoemd in artikel 10a, tweede lid; +c. de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan tien procent overstijgen. -**2.** De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat een gemeente in aanmerking komt voor een incidentele aanvullende uitkering, is de hoogte van deze uitkering gelijk aan het verschil tussen de omvang van de netto lasten en 110% van de verstrekte uitkering. +**2.** De hoogte van de uitkering is het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het jaar 2015 en 110% van de verstrekte uitkering. -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdelen b en c, en het tweede lid, waarbij voor gemeenten tot maximaal 40.000 inwoners een afwijkende invulling kan worden gegeven van het eerste lid, onderdeel c. - -**4.** - -Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt in ieder geval afgewezen, indien: - -a. Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76 van de wet heeft gegeven en het verzoek betrekking heeft op het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven of op het daaraan voorafgaande kalenderjaar; -b. in elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft de netto lasten de verstrekte uitkering met minimaal het in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, bedoelde percentage overstijgen. - -**5.** - -Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op gemeenten: - -a. waarvoor de budgetgrondslag in ten minste een van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 5; of -b. wier verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering is afgewezen vanwege het enkele feit dat niet is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 10a, eerste lid, onderdeel e. - -**6.** Het vierde lid, onderdeel b, is evenmin van toepassing op gemeenten wier verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering is afgewezen vanwege het feit dat het tekort niet of voor 5% of minder is veroorzaakt door een stoornis in het objectief verdeelmodel. - -**7.** Indien het vijfde of zesde lid van toepassing is, kan de incidentele aanvullende uitkering in dat geval jaarlijks worden aangevraagd voor de kalenderjaren, waarop het verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, betrekking had. +**3.** Indien het college over het jaar 2015 op grond van de artikelen 10a tot en met 10d van het Besluit WWB 2007, zoals die artikelen luidden op 31 december 2014, een meerjarige aanvullende uitkering zou ontvangen, wordt het percentage, bedoeld in het tweede lid, verlaagd naar het percentage dat op grond van artikel 10c, derde lid, van dat Besluit, zoals dat artikel luidde op 31 december 2014, van toepassing was voor de hoogte van de meerjarige aanvullende uitkering die ziet op het jaar 2015. ### Artikel 10a -**1.** - -Tot een inhoudelijke beoordeling van een verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering wordt overgegaan, nadat de toetsingscommissie heeft vastgesteld dat: - -a. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften; -b. de budgetgrondslag over elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt ingediend berekend is op grond van artikel 6 of artikel 7; -c. in elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend de netto lasten de verstrekte uitkering met minimaal 2,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage voor elk van die drie kalenderjaren overstijgen; -d. het aannemelijk is dat een overstijging als bedoeld in onderdeel c geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een verdeelstoornis; -e. het aannemelijk is dat een overstijging als bedoeld in onderdeel c zich zal voordoen in het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend en de twee daaropvolgende kalenderjaren; -f. het college een analyserapport heeft opgesteld over de mogelijke oorzaken van de overstijgingen, bedoeld in onderdeel c, en een overzicht heeft toegevoegd van de genomen en eventueel nog te treffen maatregelen ter verbetering van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; -g. het college een verbeterplan heeft opgesteld waarin is beschreven op welke wijze de effecten van het gemeentelijk handhavings- en sanctiebeleid en de uitvoering daarvan verbeterd worden en welke resultaten daarbij worden nagestreefd, indien uit het analyserapport, bedoeld in onderdeel f, blijkt dat de overstijging mede het gevolg is van gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, tenzij het college kan aantonen dat verbetering van het handhavings- en sanctiebeleid en de uitvoering daarvan niet tot de mogelijkheden behoort; -h. de gemeenteraad is geïnformeerd over de indiening van het verzoek, bedoeld in onderdeel b. - -**2.** De meerjarige aanvullende uitkering ziet op het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingediend en de twee daaropvolgende kalenderjaren. - -**3.** Indien de toetsingscommissie van oordeel is, dat niet voldaan is aan de vereisten, genoemd in het eerste lid, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen. - -**4.** Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat de overstijging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor 5% of minder het gevolg is van een verdeelstoornis adviseert de toetsingscommissie Onze Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen. - -**5.** Het college kan een verzoek tot een nieuwe uitkeringsperiode van een meerjarige aanvullende uitkering indienen. De onderdelen f en g van het eerste lid zijn hierbij eerst van toepassing, nadat is vastgesteld dat het gemeentelijk tekort niet volledig het gevolg is van een verdeelstoornis. Artikel 10b is van overeenkomstige toepassing. - -### Artikel 10b - -**1.** In verband met de beoordeling van het verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 10a, schakelt de toetsingscommissie de onder Onze Minister ressorterende Inspectie in om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke oorzaken van de overstijging, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, en de maatregelen, die het betrokken college treft om de overstijging in de toekomst te voorkomen. - -**2.** Indien naar het oordeel van de toetsingscommissie het meerjarig tekort op grond waarvan het college om een aanvullende uitkering verzoekt, mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister de gevraagde meerjarige aanvullende uitkering slechts toe te kennen indien de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de toetsingscommissie toereikend zijn en blijkt dat de gemeenteraad met deze maatregelen heeft ingestemd. - -**3.** Indien naar het oordeel van de toetsingscommissie het meerjarig tekort op grond waarvan het college om een aanvullende uitkering verzoekt, mede het gevolg is van het gemeentelijk handhavings- en sanctiebeleid en de uitvoering daarvan, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister de gevraagde meerjarige aanvullende uitkering niet toe te kennen indien de maatregelen van het college ter verbetering van de effecten van het gemeentelijk handhavings- en sanctiebeleid en de uitvoering daarvan, naar het oordeel van de toetsingscommissie niet toereikend zijn. - -**4.** Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat het tekort geheel het gevolg is van het gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen. - -### Artikel 10c - -**1.** - -Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: - -a. *overstijging:* de overstijging, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c; -b. *verzoek:* het verzoek, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel b. +**1.** De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek tot een aanvullende uitkering voldoet aan de in artikel 10, eerste lid, genoemde voorwaarden en vergezeld gaat van de documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan het tweede lid, en adviseert Onze Minister. **2.** -De meerjarige aanvullende uitkering bestaat uit drie delen: U(1), U(2) en U(3) waarbij: +De toetsingscommissie beoordeelt het verzoek indien kan worden vastgesteld: -a. U(1) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend; -b. U(2) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop U(1) ziet; -c. U(3) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop U(2) ziet. +a. wat de globale analyse is van de mogelijke oorzaak en omvang van het tekort, mede in het kader van de inwerkingtreding van de Participatiewet en de eerdere financiële resultaten van de uitvoering van de Wet werk en bijstand, en van de verwachte ontwikkelingen van dat tekort in de komende jaren; +b. dat het college de gemeenteraad heeft geïnformeerd over zijn analyse en maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om tot tekortreductie te komen; +c. wat de opvattingen van de gemeenteraad zijn over de informatie van het college; +d. welke maatregelen zijn getroffen in 2015 om het tekort te verminderen en hoe het college het effect van deze maatregelen kwalificeert; +e. wat de omvang van de netto-lasten is aan de hand van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. -**3.** +**3.** De toetsingscommissie beoordeelt de omvang van de netto lasten, die in aanmerking worden genomen, waarbij bedragen die blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet bij de informatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet als fout en onzeker worden aangemerkt in mindering worden gebracht op de netto lasten. -De hoogte van U(1), U(2) respectievelijk U(3) is gelijk aan: +**4.** Indien bij de vaststelling van de uitkering voor 2015 artikel 7 is toegepast, wordt voor de beoordeling van het tekort de verstrekte uitkering voor 2015 vastgesteld op het bedrag dat is gebaseerd op de gemeentelijke lasten waarbij artikel 7 niet zou zijn toegepast. -(A – B) +**5.** Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt in ieder geval afgewezen, indien Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76 van de wet heeft gegeven en de aanwijzing betrekking heeft op de uitvoering in 2014 of 2015. -waarbij: +### Artikel 10b -a. A staat voor de werkelijk gemaakte kosten in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft; -b. B staat voor: +**1.** Op incidentele aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10 van het Besluit WWB 2007, zoals dat artikel luidde op 31 december 2014, die betrekking hebben op het kalenderjaar 2014, blijft dat artikel 10 van toepassing. -1° 102,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging volledig het gevolg is van een verdeelstoornis; -2° 105% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging gedeeltelijk het gevolg is van een verdeelstoornis; dan wel -3° 107,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging in geringe mate het gevolg is van een verdeelstoornis. +**2.** De besluiten tot toekenning van een meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 10a van het Besluit WWB 2007, zoals dat artikel luidde op 31 december 2014 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2015, met dien verstande, dat indien op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet over het jaar 2014 met inachtneming van het tweede en vierde lid van dat artikel blijkt, dat betaling van de meerjarige aanvullende uitkering over 2014 aangewezen is, de colleges de uitvoering van de verplichtingen in 2014, die voortvloeien uit de besluiten tot toekenning van de meerjarige aanvullende uitkering, slechts verantwoorden nadat een beschikking tot toekenning van de meerjarige uitkering over 2014 is ontvangen, uiterlijk voor 1 oktober 2015. -**4.** De in het derde lid bedoelde uitkering is ten minste gelijk aan het verschil tussen A en 110% van de over het betreffende kalenderjaar toegekende uitkering als bedoeld in artikel 69 van de wet. +### Artikel 10c -**5.** Indien Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76 van de wet heeft gegeven wordt de in het derde lid bedoelde uitkering in het kalenderjaar waarop de aanwijzing betrekking heeft en in het daaraan voorafgaande kalenderjaar verlaagd met 2,5%. - -**6.** Onze Minister kan van het derde lid afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de artikelen 10a, 10b en 10d beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. +Vervallen ### Artikel 10d -Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van de artikelen 10a, eerste lid, onderdeel c, en 10c, worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan. +Vervallen ### Artikel 10e -**1.** In afwijking van de artikelen 10a, 10b en 10c, wordt een meerjarige aanvullende uitkering die ziet op de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 voortgezet in het kalenderjaar 2012 voor het deel, bedoeld in artikel 10c, tweede lid, onderdeel c. - -**2.** Indien naar het oordeel van de toetsingscommissie de maatregelen, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, die het betrokken college in het kalenderjaar 2010 heeft getroffen ontoereikend zijn geweest, wordt het in het eerste lid bedoelde deel verlaagd met 2,5%. +Vervallen ### Paragraaf 4. Overige en slotbepalingen @@ -311,6 +325,6 @@ Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. ### Artikel 15 -Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit WWB 2007. +Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Participatiewet. ## Bijlage . behorende bij