2006-12-21 | BWBR0003630 | Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984

This commit is contained in:
Coornhert 2006-12-21 12:00:00 +00:00
parent c91946cc70
commit d40560db3a

View file

@ -135,13 +135,13 @@ d. indien hem op zijn aanvraag een andere functie wordt opgedragen waarvoor een
Bij een salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid wordt het salaris:
a. voor de ambtenaar voor wie één der salarisschalen 1 tot en met 17 van de bijlage B geldt, vastgesteld op een bedrag vermeld in de naasthogere salarisschaal, met dien verstande dat het maximum van die schaal niet wordt overschreden;
b. voor de ambtenaar, voor wie salarisschaal 18 van de bijlage B geldt, vastgesteld op één van de volgende bedragen:
b. voor de ambtenaar, voor wie salarisschaal 18 van de bijlage B geldt, vastgesteld op één van de volgende bedragen:
€ 7 949,18;
€ 8108,16;
 8 119,76;
 8282,16;
 8 291,27.
 8457,10.
**3.** Indien het functioneren van de ambtenaar niet langer als uitstekend kan worden gekwalificeerd, kan het bevoegd gezag de toekenning van de salarisverhoging, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk intrekken.
@ -344,20 +344,18 @@ Vervallen
De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van:
a. 0,8% van het door hem in het jaar genoten salaris; en
b. een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen nominaal bedrag.
a. 1,6% van het door hem genoten salaris; en
b. een bedrag van € 91,67 per maand, vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor indien deze kleiner is dan 1.
**2.** Indien voor de ambtenaar op grond van artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
**2.** De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
**3.** Indien de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de toepassing van het eerste lid het salaris in acht genomen zoals dit zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn geweest van recht op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
**3.** Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder b, wordt vanaf 1 januari 2007 aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel met ingang van de dag waarop de salariswijziging van kracht wordt.
**4.** De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.
**4.** Voor de duur dat de bezoldiging op grond van artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
**5.** Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
**5.** De ambtenaar die recht heeft op een uitkering op basis van de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de toepassing van het eerste lid geacht het salaris te genieten dat hij zou hebben genoten indien hij geen recht zou hebben gehad op een uitkering op basis van genoemde wetten.
**6.** De ambtenaar die aan het bevoegd gezag te kennen heeft gegeven af te zien van zijn recht op het nominaal bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft recht op een werkgeverspremie, bedoeld in de Premiespaarregeling Rijkspersoneel, een en ander met inachtneming van de in die regeling gestelde voorwaarden.
**7.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels vast ten aanzien van een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
**6.** Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
## Hoofdstuk IV. Bepalingen betreffende de vakantie-uitkering
@ -365,7 +363,7 @@ b. een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te
**1.** De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8% van de door hem genoten bezoldiging.
**2.** De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste € 137,22 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het derde lid, wordt de vakantie-uitkering naar evenredigheid verminderd.
**2.** De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste € 139,96 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het derde lid, wordt de vakantie-uitkering naar evenredigheid verminderd.
**3.** Wanneer de ambtenaar op grond van de artikelen 17 tot en met 20d, 37 of 37a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht in het genot van zijn volle bezoldiging te zijn, met dien verstande dat wanneer het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, hij voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht geen bezoldiging te genieten.
@ -489,7 +487,9 @@ b. voor wat betreft de overige ambtenaren bij gemeenschappelijk besluit van Onze
### Artikel 26
Voor gevallen, waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt door Ons een bijzondere regeling getroffen op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President, Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties .
**1.** Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt bij koninklijk besluit een bijzondere regeling getroffen op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister wie het mede aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
**2.** Indien een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel aanleiding geeft tot het wijzigen van een regeling als bedoeld in het eerste lid, geschiedt dit bij een gezamenlijk besluit van Onze Minister wie het aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
### Artikel 27