diff --git a/circulaire/circulaire-voor-optienaturalisatieverzoeken-in-het-buitenland/BWBR0025740/README.md b/circulaire/circulaire-voor-optienaturalisatieverzoeken-in-het-buitenland/BWBR0025740/README.md index 6280f72de81..d9b3db34f41 100644 --- a/circulaire/circulaire-voor-optienaturalisatieverzoeken-in-het-buitenland/BWBR0025740/README.md +++ b/circulaire/circulaire-voor-optienaturalisatieverzoeken-in-het-buitenland/BWBR0025740/README.md @@ -22,9 +22,9 @@ In de toelichting bij de artikelen die in dit onderdeel worden behandeld, wordt De procedurebeschrijvingen voor optie en naturalisatie onder artikel 6, derde lid respectievelijk artikel 7 RWN zijn hieronder in hun geheel opgenomen en afgestemd op de situatie in het buitenland. Deze gedeelten kunnen dan ook onafhankelijk gelezen worden van de toelichting in de Handleiding voor Nederland. Toch wordt de gebruiker ook hier gewezen op het belang van de procedures in Nederland, dat immers als uitgangspunt voor de procedures in het buitenland gelden. Tot slot zij vermeld dat de paragraafnummering correspondeert met de Handleiding voor Nederland. -Opties in het buitenland zijn alleen mogelijk in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, onder c, d, i t/m o, artikel 28 RWN, artikel II van de van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270 – Besluit DNA-onderzoek vaderschap) en artikel 7, tweede lid, Toescheidingsovereenkomst Suriname (TOS). Voor deze gevallen geldt immers niet het vereiste van toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Het betreft bijvoorbeeld minderjarige vreemdelingen die onder (ingesteld) gezamenlijk gezag van een Nederlander en een niet-Nederlander staan of minderjarige vreemdelingen die erkend zijn door een Nederlandse man. +Opties in het buitenland zijn alleen mogelijk in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, onder c, d, i t/m o, artikel 28 RWN, artikel II van de van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270 – Besluit DNA-onderzoek vaderschap) en artikel 7, tweede lid, Toescheidingsovereenkomst Suriname (TOS). Voor deze gevallen geldt immers niet het vereiste van toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Het betreft bijvoorbeeld minderjarige vreemdelingen die onder (ingesteld) gezamenlijk gezag van een Nederlander en een niet-Nederlander staan of minderjarige vreemdelingen die erkend zijn door een Nederlandse man. -Sinds 1 maart 2009 zijn artikel 4 en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet gewijzigd. Het sinds 1 maart 2009 geldende artikel 4, tweede, derde en vierde lid RWN (Stb. 270) betreft alleen erkenningen en wettigingen die op of ná 1 maart 2009 gerealiseerd zijn. Voor kinderen die nog vreemdeling zijn en op of na 1 april 2003, maar vóór 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, zijn overgangsbepalingen opgesteld die deze kinderen met een optierecht zoveel mogelijk dezelfde rechten geeft als de regelgeving. Deze overgangsbepalingen zijn opgenomen in artikel II van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270) +Sinds 1 maart 2009 zijn artikel 4 en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet gewijzigd. Het sinds 1 maart 2009 geldende artikel 4, tweede, derde en vierde lid RWN (Stb. 270) betreft alleen erkenningen en wettigingen die op of ná 1 maart 2009 gerealiseerd zijn. Voor kinderen die nog vreemdeling zijn en op of na 1 april 2003, maar vóór 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, zijn overgangsbepalingen opgesteld die deze kinderen met een optierecht zoveel mogelijk dezelfde rechten geeft als de regelgeving. Deze overgangsbepalingen zijn opgenomen in artikel II van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270) De bovengenoemde artikelen worden niet toegelicht in dit deel van de Handleiding. De toelichting die in de Handleiding voor Nederland bij bovengenoemde artikelen is opgenomen, volstaat. @@ -48,11 +48,11 @@ Voor de behandeling van optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie in het b ##### 1. Algemeen -Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd (zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN). Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen van verklaring van verbondenheid (model 1.36a) in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). +Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd (zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN). Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen van verklaring van verbondenheid (model 1.36a) in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen van verklaring van verbondenheid (model 1.36a) en 2.12.4 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). -Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige optant als de minderjarige optant die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder is, zich bij het afleggen van de optieverklaring bereid verklaren de verklaring van verbondenheid te zullen afleggen bij de bekendmaking van de optiebevestiging. Bij de minderjarige van zestien jaar of ouder, is het niet van belang of hij zelfstandig opteert dan wel is verzocht hem te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap van één van de ouders. +Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige optant als de minderjarige optant die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder is, zich bij het afleggen van de optieverklaring bereid verklaren de verklaring van verbondenheid te zullen afleggen bij de bekendmaking van de optiebevestiging. Bij de minderjarige van zestien jaar of ouder, is het niet van belang of hij zelfstandig opteert dan wel is verzocht hem te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap van één van de ouders. Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de *‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’* (model 1.36a). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens paragraaf 2.12.4 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN). @@ -150,7 +150,7 @@ f. tegenwoordige en, voor zoveel nodig, eerdere verblijfsrechtelijke status; g. als van toepassing: duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en duur van eerder toegelaten verblijf in het Koninkrijk; h. als van toepassing: bestaan en duur van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel de ontbinding daarvan, alsmede ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met e; i. als van toepassing: betreffende de minderjarige kinderen van de optant, de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met e, en onder g; -j. als van toepassing: betreffende de ouders of grootouders van de optant, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met g. Voor de toepassing van de optiemogelijkheid in artikel 6, eerste lid, onder i t/m o van de Rijkswet 17 juni 2010 (Stb. 2010, 242) kunnen onder gegevens bedoeld in onderdeel e mede worden verstaan de historische gegevens betreffende de nationaliteit van de ouders of grootouders van de optant; +j. als van toepassing: betreffende de ouders of grootouders van de optant, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met g. Voor de toepassing van de optiemogelijkheid in artikel 6, eerste lid, onder i t/m o van de Rijkswet 17 juni 2010 (Stb. 2010, 242) kunnen onder gegevens bedoeld in onderdeel e mede worden verstaan de historische gegevens betreffende de nationaliteit van de ouders of grootouders van de optant; k. als het een minderjarige betreft over wie gezag wordt uitgeoefend, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met e van degene of degenen die dit gezag uitoefenen; l. de overige gegevens die naar het oordeel van de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde autoriteit nodig zijn voor de beoordeling van het geval. @@ -183,7 +183,7 @@ In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken t ######## 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid ( -Sinds 1 maart 2009 geldt dat de optant bij het afleggen van de optieverklaring moet verklaren bereid te zijn een verklaring van verbondenheid af te leggen. Deze verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in beginsel af op een naturalisatieceremonie, voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen voor de optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 worden afgelegd. De bereidheid van de optant tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36a HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. +Sinds 1 maart 2009 geldt dat de optant bij het afleggen van de optieverklaring moet verklaren bereid te zijn een verklaring van verbondenheid af te leggen. Deze verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in beginsel af op een naturalisatieceremonie, voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen voor de optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 worden afgelegd. De bereidheid van de optant tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36a HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. De verklaring van verbondenheid drukt de verbondenheid met de Nederlandse samenleving uit. Dit wordt uitgedrukt in het respect voor de rechtsorde en in de belofte de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voorvloeien. @@ -246,7 +246,7 @@ In de optieprocedure wordt zoveel mogelijk gestreefd naar inontvangstneming van De optant dient -voor zover mogelijk- een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Dit niet alleen in verband met identificatie maar ook om zijn nationaliteit van de optant te kunnen ‘vaststellen’ en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in overgelegde akt(e)n van de burgerlijke stand. -Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de optieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) opteren (op grond van artikel 6, lid 8 RWN), en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het optiedossier toe te voegen. +Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de optieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) opteren (op grond van artikel 6, lid 8 RWN), en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het optiedossier toe te voegen. Het bovenstaande geldt ook voor een kind dat niet is mee-geopteerd met de ouder maar dat zelfstandig een naturalisatieverzoek doet op grond van art. 11, vierde lid RWN. @@ -263,13 +263,13 @@ Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse – bewijs van gezamenlijk gezag (bijvoorbeeld akte van registratie van het partnerschap van de moeder van de optant en haar Nederlandse partner, of het vonnis van de Nederlandse rechter waarbij tot gezamenlijk gezag is besloten) in geval van een optieverklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, RWN. – bewijs van ontbinding van het huwelijk (bijvoorbeeld overlijdensakte van de echtgenoot of echtscheidingsvonnis) in geval van een optieverklaring als bedoeld in artikel 28 RWN. -Op grond van het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 december 2013 is vanwege de bestaande politieke situatie in Syrië besloten dat bij het afleggen van een optieverklaring tot 1 april 2015 een in Syrië geboren vreemdeling niet een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeft te overleggen. Het ambtsbericht Syrië geeft aan dat civiele registers vernietigd zijn dan wel niet meer volledig functioneren. Deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. +Op grond van het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 december 2013 is vanwege de bestaande politieke situatie in Syrië besloten dat bij het afleggen van een optieverklaring tot 1 april 2015 een in Syrië geboren vreemdeling niet een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeft te overleggen. Het ambtsbericht Syrië geeft aan dat civiele registers vernietigd zijn dan wel niet meer volledig functioneren. Deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. -De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij brief de Tweede Kamer geïnformeerd (TK 2014-2015, 19 637 nr. 1928 d.d. 21 november 2014) dat Syriërs tijdelijk geen geldig Syrisch paspoort hoeven te overleggen. Een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Het is dus in veel gevallen op dit moment niet mogelijk voor Syrische onderdanen om aan het paspoortvereiste te voldoen. Ook deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. +De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij brief de Tweede Kamer geïnformeerd (TK 2014-2015, 19 637 nr. 1928 d.d. 21 november 2014) dat Syriërs tijdelijk geen geldig Syrisch paspoort hoeven te overleggen. Een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Het is dus in veel gevallen op dit moment niet mogelijk voor Syrische onderdanen om aan het paspoortvereiste te voldoen. Ook deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. -Dit betekent dat tot 1 april 2017 optieverklaringen kunnen worden afgelegd zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren en/of de Syrische nationaliteit heeft, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens als op de optieverklaring na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. +Dit betekent dat tot 1 april 2017 optieverklaringen kunnen worden afgelegd zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren en/of de Syrische nationaliteit heeft, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens als op de optieverklaring na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. -Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft. +Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft. Het komt voor dat optanten stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep voor de militaire dienstplicht overlegt, die op de dag van het afleggen van de optieverklaring niet ouder is dan een jaar. @@ -317,9 +317,9 @@ Ten aanzien van de zogenaamde passanten onderzoekt de Minister van Buitenlandse ####### 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan -######## 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009) +######## 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009) -De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 2.2.4.1 en toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN. Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie. +De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 2.2.4.1 en toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN. Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie. Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en hij desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de Minister van Buitenlandse Zaken de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen. Zie paragraaf 2.8 Weigering bevestiging. @@ -335,7 +335,7 @@ In geval de optant in de afgelopen vijf jaar zijn hoofdverblijf in Nederland hee Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt – bij onderzoek naar antecedenten in Nederland – dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden. Zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, onder a, RWN. -Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar. +Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar. ######## 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie @@ -368,14 +368,14 @@ De Minister van Buitenlandse Zaken zendt de volgende stukken in kopie (conform o • de ondertekende verklaring verblijf en gedrag; • de gegevens betreffende het hoofdverblijf in het buitenland; • de bevestiging met daarop aangetekend de datum van uitreiking op de ceremonie, of de verklaring van verbondenheid is afgelegd en hoe (mondeling of schriftelijk); -• (als van toepassing): het volledig ingevulde uitwisselingsformulier als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964; en -• (als van toepassing): het volledig ingevulde uitwisselingsformulier als bedoeld in het Memorandum of Understanding van 26 augustus 2008 (bij een persoon met de Surinaamse nationaliteit). +• (als van toepassing): het volledig ingevulde uitwisselingsformulier als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964; en +• (als van toepassing): het volledig ingevulde uitwisselingsformulier als bedoeld in het Memorandum of Understanding van 26 augustus 2008 (bij een persoon met de Surinaamse nationaliteit). Voornoemde stukken zijn nodig in verband met de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister (artikel 30, eerste lid, BVVN). -Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35 HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal. +Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35 HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal. -Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt. +Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt. Indien naamsvaststelling en/of naamskeuze heeft plaatsgevonden, wordt een kopie van het verzoek om naamsvaststelling, (model 1.15a HRWN) een kopie van de bevestiging van de optieverklaring waarbij de geslachtsnaam is vastgesteld (model 1.33a HRWN) en een verklaring van naamskeuze (model 1.16a HRWN en 1.17a HRWN) gezonden aan de desbetreffende instantie (gemeente of ander ressort) waar de geboorteakte is opgemaakt. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant. Ook de Centrale Justitiële documentatiedienst te Almelo ontvangt een kennisgeving van de naamsvaststelling en/of naamskeuze in geval van een consulaire geboorteakte. @@ -427,11 +427,11 @@ De Minister van Buitenlandse Zaken zendt een gewaarmerkte kopie van de bevestigi ###### 2.12. Naturalisatieceremonie -De regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: RVVN) bevat in artikel 5 sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Als de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor artikel 29, vierde lid, BVVN, artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN, artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN, paragraaf 2.12.5.2 Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en paragraaf 2.12.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)). De optiebevestiging wordt aan de optant bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de Minister van Buitenlandse Zaken (zie ook onder ‘algemeen’ van paragraaf 2.12.2). +De regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: RVVN) bevat in artikel 5 sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Als de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor artikel 29, vierde lid, BVVN, artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN, artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN, paragraaf 2.12.5.2 Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en paragraaf 2.12.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)). De optiebevestiging wordt aan de optant bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de Minister van Buitenlandse Zaken (zie ook onder ‘algemeen’ van paragraaf 2.12.2). Op grond van artikel 60a, eerste lid, BVVN jo. artikel 2, sub d, BVVN is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot uitreiking van de optiebevestiging. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de optant tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt de optiebevestiging niet binnen een jaar na de dag waarop zij is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt zij in de regel. De optant is dan geen Nederlander geworden, maar dient daarvoor een nieuwe optieverklaring af te leggen. De Minister van Buitenlandse Zaken zal dan opnieuw moeten vaststellen of aan de optievoorwaarden wordt voldaan. -Sinds 1 maart 2009 geldt dat de optant bij het afleggen van de optieverklaring een bereidverklaring moet ondertekenen. De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die op of na 1 maart 2009 zijn afgelegd. Deze optanten moeten in beginsel bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. +Sinds 1 maart 2009 geldt dat de optant bij het afleggen van de optieverklaring een bereidverklaring moet ondertekenen. De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die op of na 1 maart 2009 zijn afgelegd. Deze optanten moeten in beginsel bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. ####### 2.12.1. De oproeping @@ -477,13 +477,13 @@ Voor de uitreiking van de optiebevestiging kent het BVVN voor de Minister van Bu ####### 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid -Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat optanten die op of na voornoemde datum een optieverklaring afleggen bereid dienen te zijn in beginsel op een naturalisatieceremonie een verklaring van verbondenheid af te leggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst. +Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat optanten die op of na voornoemde datum een optieverklaring afleggen bereid dienen te zijn in beginsel op een naturalisatieceremonie een verklaring van verbondenheid af te leggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst. De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat de optiebevestiging wordt uitgereikt. De Minister van Buitenlandse Zaken bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid nader wordt ingevuld. Zie artikel 60a, vierde lid, BVVN. Als de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dat uitreiking in persoon op een naturalisatieceremonie, wordt de verklaring van verbondenheid schriftelijk afgelegd (artikel 5, vierde lid, RVVN en artikel 60a, vijfde lid, BVVN). De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken. -De Minister van Buitenlandse Zaken houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.12.6 Procedurele aspecten na de terugmelding. Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009. +De Minister van Buitenlandse Zaken houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.12.6 Procedurele aspecten na de terugmelding. Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009. – Hoofdoptant verschijnt niet @@ -572,7 +572,7 @@ Bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring is gebleken dat d ####### 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking -Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister (artikel 30, eerste lid BVVN) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 maart 2009 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan (met terugwerkende kracht tot de datum van de optiebevestiging). Terugmelding vindt in dit geval plaats door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een dienststempel. Voorts deelt op grond van artikel 60a, twaalfde lid, BVVN, de Minister van Buitenlandse Zaken Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Ten behoeve van de mededeling gebruikt de uitreikende autoriteit de kopie van de optiebevestiging die hij op grond van hetzelfde twaalfde lid, BVVN inzendt naar de IND ter opneming in het register als bedoeld in artikel 22 RWN. De wijze waarop de aantekening betreffende de verklaring van verbondenheid op de kopie van de optiebevestiging wordt genoteerd, is vormvrij en alleen van toepassing op optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009. +Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister (artikel 30, eerste lid BVVN) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 maart 2009 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan (met terugwerkende kracht tot de datum van de optiebevestiging). Terugmelding vindt in dit geval plaats door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een dienststempel. Voorts deelt op grond van artikel 60a, twaalfde lid, BVVN, de Minister van Buitenlandse Zaken Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Ten behoeve van de mededeling gebruikt de uitreikende autoriteit de kopie van de optiebevestiging die hij op grond van hetzelfde twaalfde lid, BVVN inzendt naar de IND ter opneming in het register als bedoeld in artikel 22 RWN. De wijze waarop de aantekening betreffende de verklaring van verbondenheid op de kopie van de optiebevestiging wordt genoteerd, is vormvrij en alleen van toepassing op optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009. Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd, wordt deze verklaring gearchiveerd in het optiedossier bij de post. De verklaring hoeft dus niet naar de IND te worden gestuurd. @@ -580,15 +580,15 @@ Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd, wordt deze verk ### 7 -Voor een gedetailleerde beschrijving van het overgangsrecht wordt verwezen naar artikel 7 van de Handleiding voor Nederland. Hier volstaat de aantekening dat ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend niet het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2 BNT geldt. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999. +Voor een gedetailleerde beschrijving van het overgangsrecht wordt verwezen naar artikel 7 van de Handleiding voor Nederland. Hier volstaat de aantekening dat ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend niet het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2 BNT geldt. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999. -Op de kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, is in alle gevallen artikel 11, zesde lid, RWN van toepassing (dus ook indien het verzoek is ingediend vóór 1 april 2003). +Op de kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, is in alle gevallen artikel 11, zesde lid, RWN van toepassing (dus ook indien het verzoek is ingediend vóór 1 april 2003). -Vanaf 1 oktober 2006 treedt het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. +Vanaf 1 oktober 2006 treedt het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. -Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder artikel 60b BVVN en hieronder paragraaf 3.13. +Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder artikel 60b BVVN en hieronder paragraaf 3.13. -Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11 vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN. +Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11 vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN. #### 7-1. Toelichting ad @@ -691,7 +691,7 @@ In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om nadere gegevens en bewijsstukke ####### 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid ( -Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat de verzoeker bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek verklaart bereid te zijn een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30a HRWN) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend. +Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat de verzoeker bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek verklaart bereid te zijn een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30a HRWN) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend. De verklaring van verbondenheid drukt de verbondenheid met de Nederlandse samenleving uit. Dit wordt uitgedrukt in het respect voor de rechtsorde en in de belofte de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voortvloeien. @@ -750,7 +750,7 @@ Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de Minister van Buitenlandse De verzoeker dient -voor zover mogelijk- een geldig buitenlands reisdocument over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akt(e)n van de burgerlijke stand. -Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de naturalisatieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) naturaliseren, en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). +Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de naturalisatieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) naturaliseren, en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Het bovenstaande betreft medenaturalisatie in de zin van art. 11, eerste, tweede, derde en zevende lid RWN. Na-naturalisatie van het minderjarige kind, zoals bedoeld in artikel 11, vierde lid, valt ook onder de vrijstelling. @@ -787,11 +787,11 @@ Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerli Op grond van het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 december 2013 is vanwege de bestaande politieke situatie in Syrië besloten dat in de naturalisatieprocedure tot 1 april 2015 een in Syrië geboren vreemdeling niet een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeft te overleggen. Het ambtsbericht Syrië geeft aan dat civiele registers vernietigd zijn dan wel niet meer volledig functioneren. Deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. -De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij brief de Tweede Kamer geïnformeerd (TK 2014-2015, 19 637 nr. 1928 d.d. 21 november 2014) dat Syriërs tijdelijk geen geldig Syrisch paspoort hoeven te overleggen. Een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Het is dus in veel gevallen op dit moment niet mogelijk voor Syrische onderdanen om aan het paspoortvereiste te voldoen. Ook deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. +De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij brief de Tweede Kamer geïnformeerd (TK 2014-2015, 19 637 nr. 1928 d.d. 21 november 2014) dat Syriërs tijdelijk geen geldig Syrisch paspoort hoeven te overleggen. Een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Het is dus in veel gevallen op dit moment niet mogelijk voor Syrische onderdanen om aan het paspoortvereiste te voldoen. Ook deze vrijstelling is verlengd tot 1 april 2017. -Dit betekent dat tot 1 april 2017 naturalisatieverzoeken kunnen worden gedaan zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren en/of de Syrische nationaliteit heeft, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens in het geval dat op het naturalisatieverzoek na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. +Dit betekent dat tot 1 april 2017 naturalisatieverzoeken kunnen worden gedaan zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren en/of de Syrische nationaliteit heeft, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens in het geval dat op het naturalisatieverzoek na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. -Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft. +Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft. Het komt voor dat naturalisatieverzoekers stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep, die op de dag van het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan een jaar, voor de militaire dienstplicht overlegt. @@ -811,9 +811,9 @@ Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie in ontvang ###### 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek -####### 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009) +####### 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009) -De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie. +De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie. Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de Minister van Buitenlandse Zaken een negatief advies uit en wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af. Zie tevens paragraaf 3.9. @@ -897,7 +897,7 @@ Op grond van artikel 8:23, tweede lid, Awb wordt in een beroepsprocedure de Kroo ###### 3.13. Naturalisatieceremonie -De regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: RVVN) bevat in artikel 5 sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd (artikel 5, vijfde lid, RVVN). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Sinds 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor artikel 56, tweede lid, BVVN, artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN, artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN, paragraaf 3.13.5.2 Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en paragraaf 3.13.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)). +De regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: RVVN) bevat in artikel 5 sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd (artikel 5, vijfde lid, RVVN). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Sinds 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor artikel 56, tweede lid, BVVN, artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN, artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN, paragraaf 3.13.5.2 Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en paragraaf 3.13.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)). Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op een naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt. @@ -907,7 +907,7 @@ Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt Onze Minister d Na ondertekening van het Koninklijk Besluit tot naturalisatie zendt Onze Minister onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken het desbetreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap en het bijbehorende terugmeldformulier (artikel 56 BVVN). -De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 maart 2009. Sinds 1 maart 2009 geldt dat de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek een bereidverklaring moet ondertekenen. Deze verzoekers moeten in beginsel bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. +De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 maart 2009. Sinds 1 maart 2009 geldt dat de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek een bereidverklaring moet ondertekenen. Deze verzoekers moeten in beginsel bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. ####### 3.13.1. De oproeping @@ -957,7 +957,7 @@ Voor de uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit kent het BVVN ####### 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid -Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst. +Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst. De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt. De Minister van Buitenlandse Zaken bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid nader wordt ingevuld. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dat uitreiking in persoon op een naturalisatieceremonie, wordt de verklaring van verbondenheid schriftelijk afgelegd (artikel 5, vierde lid, RVVN en artikel 60b, vijfde lid, BVVN). @@ -965,9 +965,9 @@ De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevesti De Minister van Buitenlandse Zaken houdt van naturalisatieverzoeken ingediend op of na -1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) dat aan de IND wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.12.5 Procedurele aspecten na de terugmelding. +1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) dat aan de IND wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.12.5 Procedurele aspecten na de terugmelding. -Sinds 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na die datum een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Ook een verzoeker om medenaturalisatie van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) is verplicht om op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid af te leggen. De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. +Sinds 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na die datum een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Ook een verzoeker om medenaturalisatie van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) is verplicht om op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid af te leggen. De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Uittreksels uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zijn op één naam gesteld. Er kan echter sprake zijn van kinderen die delen in verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de opgeroepen naturalisandus, die verplicht is te verschijnen en de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet verschijnt op de naturalisatieceremonie, kan het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt. De uittreksels betreffende de minderjarige kinderen die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, worden dan ook niet uitgereikt, ook al zijn de kinderen wel aanwezig op de naturalisatieceremonie. De uitreiking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt in dat geval aangehouden. Zie artikel 60b, derde lid en tiende lid, BVVN. Bij de volgende naturalisatieceremonie kan de (hoofd)naturalisandus alsnog op de ceremonie verschijnen en de verklaring van verbondenheid afleggen. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal per aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Pas dan kan het de naturalisandus betreffende uittreksel van het naturalisatiebesluit en eventueel de meenaturaliserende kinderen betreffende uittreksels worden uitgereikt en verkrijgen zij allen de Nederlandse nationaliteit. Indien de (hoofd)naturalisandus niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt het naturalisatiebesluit een jaar na dagtekening ervan. @@ -1047,13 +1047,13 @@ Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebl ####### 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking -Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de Minister van Buitenlandse Zaken door middel van het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) daarvan onverwijld een bericht aan de IND (artikel 60b, negende lid BVVN). Op het terugmeldformulier vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Op grond van artikel 60b, twaalfde lid, BVVN, deelt de uitreikende autoriteit Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de Minister van Buitenlandse Zaken niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de IND in Rijswijk. +Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de Minister van Buitenlandse Zaken door middel van het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) daarvan onverwijld een bericht aan de IND (artikel 60b, negende lid BVVN). Op het terugmeldformulier vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Op grond van artikel 60b, twaalfde lid, BVVN, deelt de uitreikende autoriteit Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de Minister van Buitenlandse Zaken niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de IND in Rijswijk. Aan de hand van het terugmeldformulier stelt Onze Minister vast of de verzoeker Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart. -Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35 HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal. +Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35 HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal. -Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De Minister van Buitenlandse Zaken maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt. +Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De Minister van Buitenlandse Zaken maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt. Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1a HRWN of 4.2a HRWN), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de diplomatieke of consulaire post. @@ -1123,7 +1123,7 @@ Om een naturalisatieverzoek in het buitenland te kunnen indienen moet de aspiran 4. Luistervaardigheid; 5. Spreekvaardigheid. -Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan hem mee en wordt in overleg met verzoeker en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een plaats en datum bepaald waarop het examen afgelegd kan worden. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). De Minister van Buitenlandse Zaken deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert kandidaat over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder. +Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan hem mee en wordt in overleg met verzoeker en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een plaats en datum bepaald waarop het examen afgelegd kan worden. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). De Minister van Buitenlandse Zaken deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert kandidaat over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder. Indien verzoeker het inburgeringsexamen wenst af te leggen, laat de Minister van Buitenlandse Zaken hem een aanmeldingsformulier invullen, dat door verzoeker dient te worden ondertekend. Verzoeker voldoet het daarvoor geldende tarief aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken handelt overeenkomstig het examenreglement naturalisatietoets in het buitenland (artikel 3, vijfde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland). @@ -1135,7 +1135,7 @@ In geval betrokkene niet alle onderdelen heeft behaald wordt betrokkene ontraden Het diploma inburgering of de negatieve resultatenbrief wordt door de Dienst Uitvoering Onderwijs aan de examenkandidaat uitgereikt door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de examenkandidaat toegezonden. Betrokkene wordt als hij in het bezit is van het inburgeringsdiploma in de gelegenheid gesteld een naturalisatieverzoek in te dienen. Het verzoek dient -in beginsel- te worden ingediend op de diplomatieke of consulaire post waar verzoeker het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd. -Voor 1 juli 2019 behaalde examenonderdelen gelden als behaald voor de overeenkomstige onderdelen van de vanaf 1 juli 2019 afgenomen naturalisatietoets. De niet eerder behaalde examenonderdelen moeten nog wel behaald worden volgens de nieuwe werkwijze. +Voor 1 juli 2019 behaalde examenonderdelen gelden als behaald voor de overeenkomstige onderdelen van de vanaf 1 juli 2019 afgenomen naturalisatietoets. De niet eerder behaalde examenonderdelen moeten nog wel behaald worden volgens de nieuwe werkwijze. In onderstaande tabel zijn de oude en overeenkomstige nieuwe onderdelen van het inburgeringsexamen buitenland opgenomen. @@ -1148,7 +1148,7 @@ In onderstaande tabel zijn de oude en overeenkomstige nieuwe onderdelen van het Voorbeeld -Een verzoeker heeft voor 1 juli 2019 alleen het onderdeel EPE gehaald. Verzoeker hoeft de overeenkomstige onderdelen Lezen en Luisteren dus niet te doen. De (nieuwe) onderdelen KNM, Spreken, en Schrijven moet de verzoeker nog wel behalen, voordat hij zijn inburgeringsdiploma kan ontvangen. +Een verzoeker heeft voor 1 juli 2019 alleen het onderdeel EPE gehaald. Verzoeker hoeft de overeenkomstige onderdelen Lezen en Luisteren dus niet te doen. De (nieuwe) onderdelen KNM, Spreken, en Schrijven moet de verzoeker nog wel behalen, voordat hij zijn inburgeringsdiploma kan ontvangen. ###### 2.2. Vrijstelling van het examen ( @@ -1173,7 +1173,7 @@ Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Min Hij doet dit in het geval van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan de hand van een gemotiveerde verklaring van een arts of deskundige, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden. Uit die verklaring moet blijken dat er sprake is van een belemmering of een handicap op grond waarvan betrokkene niet in staat is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. De Minister van Buitenlandse Zaken baseert zich bij zijn oordeel op vorengenoemde verklaring en neemt dit op in zijn advies aan de IND. Bij twijfel kan hij het advies, door tussenkomst van Onze Minister – en alvorens het verzoek in behandeling te nemen - door de IND laten controleren. De IND neemt in dat geval onmiddellijk een beslissing op het ontheffingsberoep en stelt de post hiervan in kennis. -Hoewel in artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is opgenomen dat ook een verzoeker om naturalisatie in het buitenland een beroep kan doen op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens aantoonbaar geleverde inspanningen, zijn vanaf 1 juli 2013 voor verzoekers in het buitenland geen beleidsregels hiervoor opgesteld. Mocht een verzoeker in het buitenland vanaf 1 juli 2013 een beroep doen op deze ontheffing, dan zal dit per geval worden beoordeeld. +Hoewel in artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is opgenomen dat ook een verzoeker om naturalisatie in het buitenland een beroep kan doen op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens aantoonbaar geleverde inspanningen, zijn vanaf 1 juli 2013 voor verzoekers in het buitenland geen beleidsregels hiervoor opgesteld. Mocht een verzoeker in het buitenland vanaf 1 juli 2013 een beroep doen op deze ontheffing, dan zal dit per geval worden beoordeeld. ##### 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander ( @@ -1359,6 +1359,10 @@ Vervallen. *[afbeelding]* +*[afbeelding]* + +*[afbeelding]* + Vervallen. *[afbeelding]*