2020-01-01 | BWBR0002515 | Wet op de dividendbelasting 1965

This commit is contained in:
Coornhert 2020-01-01 12:00:00 +00:00
parent 175f301b45
commit d4ebbaa2bf

View file

@ -154,7 +154,12 @@ c. zijn de artikelen 2.14a en 10a.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overe
**11.** Voor de toepassing van het tweede lid is de inhoudingsplichtige verplicht binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld een verklaring te verstrekken aan de inspecteur dat aan de in het tweede, derde en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, en bij hem opgaaf te doen volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
**12.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van hetgeen wordt verstaan onder geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in het derde lid, onderdeel c.
**12.**
Indien aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden wordt voldaan, wordt voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de opbrengstgerechtigde geacht het belang niet te hebben met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in de eerste zin, wordt voldaan, dient de opbrengstgerechtigde of de inhoudingsplichtige aannemelijk te maken dat:
a. de opbrengstgerechtigde het belang niet heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan; of
b. sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
### Artikel 4a