2001-06-20 | BWBR0010475 | Besluit risico’s zware ongevallen 1999
This commit is contained in:
parent
498f1a93ca
commit
d4f4b19460
1 changed files with 412 additions and 0 deletions
412
amvb/besluit-risicos-zware-ongevallen-1999/BWBR0010475/README.md
Normal file
412
amvb/besluit-risicos-zware-ongevallen-1999/BWBR0010475/README.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,412 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Besluit risico’s zware ongevallen 1999
|
||||
bwb_id: BWBR0010475
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1999-07-19'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0010475
|
||||
citeertitel: Besluit risico’s zware ongevallen 1999
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Besluit risico’s zware ongevallen 1999
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Begripsbepaling en werkingssfeer
|
||||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. inrichting: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort;
|
||||
b. gevaarlijke stoffen: stoffen, mengsels of preparaten, genoemd in bijlage I, deel 1, of behorend tot een categorie, genoemd in bijlage I, deel 2, en aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenprodukt, met inbegrip van stoffen, mengsels of preparaten waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces ontstaan;
|
||||
c. opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen: opslag van verpakte gevaarlijke stoffen gedurende korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van die stoffen en de overbrenging daarvan naar of van een andere tak van vervoer, voor zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien en de betrokken gevaarlijke stoffen in hun oorspronkelijke verpakking blijven;
|
||||
d. werkgever: werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
e. werknemer: werknemer, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
f. zwaar ongeval: gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken;
|
||||
g. Onze Ministers: Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
h. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting waarop dit besluit van toepassing is;
|
||||
i. inspecteur: inspecteur bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
|
||||
j. veiligheidsrapport: rapport als bedoeld in artikel 10;
|
||||
k. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
|
||||
l. installatie: technische eenheid binnen een inrichting waar gevaarlijke stoffen worden vervaardigd, gebruikt, gebezigd, verwerkt of opgeslagen; daartoe wordt mede gerekend alle uitrusting, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, eigen spoorwegemplacementen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende constructies, die nodig zijn voor de werking van de installatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. inrichtingen in gebruik bij de krijgsmacht;
|
||||
b. inrichtingen voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Kernenergiewet;
|
||||
c. 1°. inrichtingen waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is;
|
||||
2°. inrichtingen waarop de Mijnwet continentaal plat van toepassing is;
|
||||
d. inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om ze daar te laten;
|
||||
e. inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
|
||||
f. spoorwegemplacementen, voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting waarop dit besluit van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Indien de werkgever een ander is dan degene die de inrichting drijft, is het bij en krachtens dit besluit bepaalde van overeenkomstige toepassing op de werkgever voor zover het betreft de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf, de inrichting of een onderdeel daarvan werkzame werknemers.
|
||||
|
||||
**2.** De werkgever en degene die de inrichting drijft, geven onverminderd hun eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk en in overleg uitvoering aan het bij en krachtens dit besluit bepaalde met betrekking tot de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het eerste lid bedoelde werknemers.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in deze paragraaf gegeven voorschriften gelden ten aanzien van inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen krachtens vergunning aanwezig mogen zijn of ten gevolge van het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden gevormd:
|
||||
|
||||
a. in een hoeveelheid, gelijk aan of groter dan de in bijlage I, deel 1, tweede kolom, dan wel bijlage I, deel 2, tweede kolom, bij de desbetreffende stof of categorie vermelde hoeveelheid;
|
||||
b. in kleinere dan de onder a bedoelde hoeveelheden, waarvan de som na toepassing van de formule die in bijlage I, deel 3, is weergegeven, gelijk is aan of groter is dan de daar genoemde waarde.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een gevaarlijke stof of groep van gevaarlijke stoffen genoemd in bijlage I, deel 1, tevens behoort tot een categorie genoemd in bijlage I, deel 2, geldt voor de toepassing van het eerste lid de in deel 1 bij die stof of groep van stoffen vermelde drempelwaarde.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een inrichting drijft, heeft in de inrichting een document voorhanden waarin het door hem gevoerde beleid ter voorkoming van zware ongevallen, rekening houdend met de aanwezigheid en de omvang van de risico's, is vastgelegd. Dit document bevat de algemene doelstellingen en beginselen van het beleid inzake de beheersing van de risico's van zware ongevallen. Degene die een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 8, mag het document opnemen in het veiligheidsrapport.
|
||||
|
||||
**3.** Ten einde het in het tweede lid bedoelde beleid te bepalen en uit te voeren, voert degene die een inrichting drijft, een veiligheidsbeheerssysteem in. In het veiligheidsbeheerssysteem komen de elementen, genoemd in bijlage II aan de orde.
|
||||
|
||||
**4.** Indien in de inrichting of een onderdeel daarvan of in de werking van de inrichting of van dat onderdeel een verandering wordt aangebracht die voor de risico's van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kan hebben, draagt degene die de inrichting drijft, er voor zorg dat het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en het veiligheidsbeheerssysteem opnieuw worden beoordeeld en indien nodig worden herzien en dat het document, bedoeld in het tweede lid, dienovereenkomstig wordt gewijzigd. Een zodanige beoordeling onderscheidenlijk herziening vindt tevens plaats indien een verandering in het veiligheidsinzicht daartoe aanleiding geeft.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Degene die de inrichting drijft, stelt het bevoegd gezag onverwijld schriftelijk in kennis van:
|
||||
|
||||
a. iedere significante wijziging van de inrichting die betrekking heeft op een of meer onderwerpen waaromtrent in of bij de aanvraag gegevens zijn verstrekt als bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, onder a tot en met f, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, of waaromtrent in de kennisgeving, bedoeld in artikel 26, eerste lid, gegevens zijn verstrekt;
|
||||
b. iedere significante wijziging van de processen waarbij een gevaarlijke stof wordt gebruikt;
|
||||
c. de sluiting van een installatie.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst, een exemplaar van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
b. de inspecteur;
|
||||
c. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
d. gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn;
|
||||
e. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente en
|
||||
f. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, reeds op grond van een ander wettelijk voorschrift aan het bevoegd gezag zijn verstrekt, kan in de kennisgeving worden volstaan met een verwijzing naar die gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag wijst op grond van de gegevens, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste lid, 26, eerste lid, van dit besluit en 5.15a, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, inrichtingen of groepen inrichtingen aan ten aanzien waarvan de risico's van een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan ten gevolge van de ligging van die inrichtingen ten opzichte van elkaar en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in die inrichtingen groter kunnen zijn dan op grond van de in die afzonderlijke inrichtingen aanwezige hoeveelheden kan worden verwacht. De aanwijzing geschiedt in overeenstemming met:
|
||||
|
||||
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen, en
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer of de besturen van de regionale brandweren in wier gebied de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid stelt het bevoegd gezag diegenen die de betrokken inrichtingen drijven, in kennis.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft, als bedoeld in het eerste lid, wisselt met diegenen die de andere op grond van het eerste lid aangewezen inrichtingen drijven de gegevens uit die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het in dat lid bedoelde risico. Hij houdt in zijn beleid ter voorkoming van zware ongevallen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, en, voor zover van toepassing, in het intern noodplan, bedoeld in artikel 22, en in het veiligheidsrapport rekening met de aard en de omvang van de risico's van een zwaar ongeval bij de naburige inrichtingen.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag doet een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid voor de eerste maal uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens tenminste om de vijf jaar.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en het derde lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Veiligheidsrapport en intern noodplan
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in deze paragraaf gegeven voorschriften gelden ten aanzien van inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen krachtens vergunning aanwezig mogen zijn of ten gevolge van het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden gevormd:
|
||||
|
||||
a. in een hoeveelheid, gelijk aan of groter dan de in bijlage I, deel 1, derde kolom, dan wel bijlage I, deel 2, derde kolom, bij de desbetreffende stof of categorie vermelde hoeveelheid;
|
||||
b. in kleinere dan de onder a bedoelde hoeveelheden, waarvan de som na toepassing van de formule die in bijlage I, deel 3, is weergegeven, gelijk is aan of groter is dan de daar genoemde waarde.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een gevaarlijke stof of groep van gevaarlijke stoffen genoemd in bijlage I, deel 1, tevens behoort tot een categorie genoemd in bijlage I, deel 2, geldt voor de toepassing van het eerste lid de in deel 1 bij die stof of groep van stoffen vermelde drempelwaarde.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
Degene die een inrichting drijft, zorgt er voor dat in de inrichting een veiligheidsrapport aanwezig is dat de actuele stand van zaken met betrekking tot de veiligheid van de betrokken inrichting weergeeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een veiligheidsrapport bevat de gegevens en beschrijvingen, bedoeld in bijlage III, op zodanige wijze dat wordt aangetoond dat:
|
||||
|
||||
a. een beleid ter voorkoming van zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem is ingevoerd;
|
||||
b. de gevaren van zware ongevallen geïdentificeerd zijn en de nodige maatregelen zijn getroffen om die te voorkomen en de gevolgen van dergelijke ongevallen voor mens en milieu te beperken;
|
||||
c. het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van alle met de werking van de inrichting samenhangende installaties, opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die samenhangen met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de inrichting voldoende veilig en betrouwbaar zijn;
|
||||
d. een intern noodplan, als bedoeld in artikel 22, is gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gegevens en beschrijvingen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij door Onze Ministers te stellen regels kan aan het bevoegd gezag onder daarbij te stellen voorwaarden de bevoegdheid worden verleend te besluiten dat het veiligheidsrapport geen betrekking behoeft te hebben op een in de inrichting of een onderdeel daarvan aanwezige stof, ten aanzien waarvan degene die de inrichting drijft ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat die stof onder zodanige omstandigheden in de inrichting of het betrokken onderdeel aanwezig is, dat deze geen gevaar voor een zwaar ongeval kan opleveren.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing in overeenstemming met:
|
||||
|
||||
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente;
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van een besluit, als bedoeld in het vierde lid, aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
De artikelen 15, 16 en 18 zijn niet van toepassing op de onderdelen van een veiligheidsrapport die bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 5.15, 5.17 of 5.18 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 12 wordt ingediend, bevat het veiligheidsrapport mede de gegevens, bedoeld in bijlage III, onder 1, onder e, 3°, en onder r. Artikel 5.15, derde en vierde lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is van overeenkomstige toepassing op de gegevens, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een inrichting gaat drijven, zendt voordat de inrichting of een onderdeel daarvan in werking wordt gebracht, ter completering van de onderdelen van het veiligheidsrapport bedoeld in artikel 5.15 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan het bevoegd gezag de gegevens die een veiligheidsrapport dient te bevatten en die nog niet krachtens dat artikel en krachtens het eerste lid zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft zendt telkens voordat een verandering van de inrichting of van de werking daarvan of een verandering van de installatie of van de werking daarvan wordt aangebracht die voor de risico's van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kan hebben aan het bevoegd gezag die onderdelen van het veiligheidsrapport die nodig zijn voor de beoordeling van de risico's die samenhangen met die verandering. Daartoe zendt hij, voor zover van toepassing, ter completering van de onderdelen van het veiligheidsrapport bedoeld in artikel 5.17 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, dan wel ter completering van de gegevens die bij de melding overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer zijn verstrekt, aan het bevoegd gezag de gegevens die een veiligheidsrapport dient te bevatten en die nog niet krachtens die artikelen en krachtens het eerste lid zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**4.** De artikelen 16 tot en met 18 zijn van overeenkomstige toepassing op de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** De artikelen 15 tot en met 18 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvullende gegevens, bedoeld in het tweede lid en het derde lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft, evalueert het veiligheidsrapport tenminste eenmaal per vijf jaar en zendt daarna onverwijld een bijgewerkt veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid zendt degene die een inrichting drijft op enig ander tijdstip op eigen initiatief dan wel op verzoek van het bevoegd gezag een veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag, indien nieuwe feiten, nieuwe kennis over veiligheid of ontwikkelingen in de kennis inzake de evaluatie van gevaren daartoe aanleiding geven. Het bevoegd gezag doet dit verzoek na overleg met de in artikel 6, tweede lid, onder b en c bedoelde ambtenaren en de onder d tot en met f genoemde bestuursorganen.
|
||||
|
||||
**3.** Voor die onderdelen van het veiligheidsrapport die ten opzichte van het vorige veiligheidsrapport niet zijn gewijzigd, kan worden volstaan met een verwijzing naar het veiligheidsrapport waarin die onderdelen volledig zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de gegevens die in een geval als bedoeld in het derde lid in ieder geval moeten worden overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag tekent na ontvangst van een veiligheidsrapport daarop onverwijld de datum van ontvangst aan.
|
||||
|
||||
**2.** Het zendt degene die het rapport heeft ingediend onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag zendt uiterlijk binnen twee weken het veiligheidsrapport of de gewijzigde gedeelten daarvan, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 16, vierde lid, de aanvullingen op het rapport, en elk verzoek krachtens artikel 14, tweede lid, aan:
|
||||
|
||||
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente;
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag stelt de inspecteur en het bestuursorgaan dat tot het verlenen van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd is, in de gelegenheid advies uit te brengen over het veiligheidsrapport onderscheidenlijk die onderdelen van het veiligheidsrapport, die betrekking hebben op de risico's voor het oppervlaktewater.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** De in artikel 15, derde lid, genoemde bestuursorganen en de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, beoordelen het veiligheidsrapport en stellen door tussenkomst van het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft, binnen zes maanden na de ontvangst van het veiligheidsrapport schriftelijk in kennis van hun oordeel over de aanvaardbaarheid van de in het rapport weergegeven risico's.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde termijn kan eenmaal met ten hoogste drie maanden worden verlengd. Van deze verlenging wordt door tussenkomst van het bevoegd gezag mededeling gedaan aan degene die de inrichting drijft.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid bedoelde beoordeling vindt plaats nadat onderzocht is of het veiligheidsrapport voldoet aan artikel 10, eerste lid, aan bijlage III en aan het gestelde krachtens artikel 10, tweede lid, en na een op dat rapport gebaseerde inspectie ter plaatse.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een van de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen of de daar bedoelde ambtenaar van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvoldoende is om de aanvaardbaarheid te beoordelen verzoekt dat bestuursorgaan of die ambtenaar, door tussenkomst van het bevoegd gezag, binnen acht weken na de ontvangst van het veiligheidsrapport om aanvullende inlichtingen te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken. De in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden wordt opgeschort met ingang van de dag dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek is gedaan tot de dag waarop de aanvullende inlichtingen zijn verstrekt of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het bevoegd gezag stelt de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen en de daar bedoelde ambtenaar van het verzoek in kennis.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
De stukken bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16, vierde lid, worden in zevenvoud ingediend. Op verzoek van het bevoegd gezag worden meer exemplaren daarvan verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Uiterlijk twee weken nadat het bevoegd gezag de bevindingen, bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft bekendgemaakt, doet het bevoegd gezag van deze bevindingen en van het veiligheidsrapport gelijktijdig mededeling door:
|
||||
|
||||
a. terinzagelegging;
|
||||
b. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
|
||||
|
||||
**2.** De mededeling strekt mede ter voldoening aan de verplichting die ingevolge artikel 25a, eerste lid, van de Wet rampen en zware ongevallen rust op het college van burgemeester en wethouders en ter voldoening aan de verplichting die ingevolge artikel 7 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 rust op de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van die wet.
|
||||
|
||||
**3.** Gedurende vier weken vanaf de dag waarop het veiligheidsrapport ter inzage is gelegd, kunnen de stukken worden ingezien op een tijd en plaats die bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is vermeld.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het eerste lid, zendt het bevoegd gezag een exemplaar van het veiligheidsrapport aan:
|
||||
|
||||
a. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8 individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, en de burgemeester van die gemeenten;
|
||||
c. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder a of b is gelegen;
|
||||
d. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied een gemeente als bedoeld onder a of b is gelegen;
|
||||
e. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
f. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt, indien de lijn van 10^-8 individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, zich uitstrekt over het grondgebied van een andere staat een exemplaar aan die staat. In dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
|
||||
|
||||
**6.** In een geval als bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, zendt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, indien krachtens artikel 19.3 van de Wet milieubeheer een tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de betrokken staat.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer worden persoonlijke gegevens aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een inrichting waarop dit besluit van toepassing is beziet het bevoegd gezag telkens of de beperkingen waaronder de vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, aanpassing behoeven op grond van de in het veiligheidsrapport genoemde maatregelen en op grond van de gegevens met betrekking tot de risico's, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder b en c.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft, houdt een bijgewerkte lijst van in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij en zorgt er voor dat deze lijst door een ieder kan worden geraadpleegd.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft, stelt een intern noodplan op voor bij een zwaar ongeval binnen de inrichting ten uitvoer te leggen maatregelen, gericht op het beperken en beheersen van zware ongevallen en de gevolgen ervan voor de werknemers. Het interne noodplan bevat tenminste de gegevens en beschrijvingen, bedoeld in bijlage IV.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een inrichting drijft draagt er zorg voor dat het interne noodplan tenminste eens per drie jaar wordt geëvalueerd, beproefd en zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de inrichting hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten omtrent de bij een zwaar ongeval te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
**3.** Het interne noodplan en de wijziging daarvan worden opgesteld met raadpleging van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het interne noodplan wordt vastgesteld:
|
||||
|
||||
a. voor inrichtingen die na de inwerkingtreding van dit besluit worden opgericht: voor de inbedrijfstelling er van;
|
||||
b. voor inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dit besluit niet verplicht waren tot opstelling van een rapport inzake de externe veiligheid op grond van de Wet milieubeheer of een arbeidsveiligheidsrapport op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998: binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit;
|
||||
c. voor andere inrichtingen: binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Verdere bepalingen, overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Een inrichting of een onderdeel daarvan mag niet in werking worden gebracht of gehouden, indien degene die de inrichting drijft duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan, voor zover het betreft de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf, de inrichting onderscheidenlijk het betrokken onderdeel daarvan werkzame werknemers.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt op grond van de gegevens, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste lid, en 26, eerste lid, in overeenstemming met de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen, een zodanig inspectieprogramma vast dat daarmee een planmatig en systematisch onderzoek van de in de inrichting gebruikte systemen van technische, organisatorische en bedrijfskundige aard kan worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij een inspectie die in het kader van het inspectieprogramma wordt uitgevoerd, wordt in ieder geval gecontroleerd of hetgeen in de inrichting wordt aangetroffen in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 5, 6, 10 en 26, teneinde na te gaan of:
|
||||
|
||||
a. degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij passende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen;
|
||||
b. degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij in passende middelen heeft voorzien om de gevolgen van zware ongevallen op en buiten het bedrijfsterrein te beperken;
|
||||
c. de verstrekte gegevens en informatie de situatie in de inrichting trouw weergeven.
|
||||
|
||||
**3.** Na iedere inspectie als bedoeld in het tweede lid stelt het bestuursorgaan dat, of de aangewezen ambtenaar die de inspectie heeft uitgevoerd een rapport op dan wel, indien de inspectie door meer dan één bestuursorgaan, al dan niet tezamen met de aangewezen ambtenaar, is uitgevoerd, stellen deze een gezamenlijk rapport op. Een exemplaar van het rapport wordt gezonden aan degene die de inrichting drijft. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, wordt dit binnen een redelijke termijn na de inspectie met degene die de inrichting drijft, besproken.
|
||||
|
||||
**4.** Binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit stelt het bevoegd gezag voor de eerste maal een inspectieprogramma vast als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Een inspectie als bedoeld in het tweede lid wordt met betrekking tot een inrichting waarop paragraaf 3 van toepassing is, tenminste eenmaal per jaar uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**6.** Het vijfde lid is niet van toepassing indien het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde inspectieprogramma heeft vastgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** De handeling of het nalaten in strijd met het ter uitvoering van artikel 2c, eerste lid, van de Wet rampen en zware ongevallen in de artikelen 13, eerste lid, 14, 16, vierde lid, en de nadere regels, bedoeld in artikel 14, vierde lid, bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.
|
||||
|
||||
**2.** De handeling of het nalaten in strijd met het ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, tweede volzin, Arbeidsomstandighedenwet 1998 in de artikelen 3, tweede lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste lid, 7, derde lid, 9, 13, tweede en derde lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vierde lid, 17, 21, eerste lid, 22, eerste tot en met derde lid, 23, 26, eerste lid, 27, eerste en derde lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, en 29 bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 3° van de Wet op de economische delicten.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit zendt degene die een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 4, een kennisgeving aan het bevoegd gezag. Deze kennisgeving bevat de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. het adres van de inrichting;
|
||||
b. de naam of de handelsnaam van degene die de inrichting drijft en zijn adres;
|
||||
c. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene die de inrichting drijft;
|
||||
d. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;
|
||||
e. per stof genoemd in bijlage I, deel 1, en per categorie stoffen en preparaten genoemd in bijlage I, deel 2:
|
||||
|
||||
1°. de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning is verleend dan wel, indien de vergunning hierin niet voorziet, de hoeveelheid behorend bij de vergunde maximale capaciteit van de inrichting;
|
||||
2°. de hoeveelheid die bij een normale bedrijfsvoering in de inrichting aanwezig is;
|
||||
3°. de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen;
|
||||
f. met het oog op de vaststelling van domino-effecten: voor gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld in bijlage I, deel 2:
|
||||
|
||||
1°. een aanduiding van het grootste insluitsysteem;
|
||||
2°. de maximale hoeveelheid van de betrokken gevaarlijke stof die daarin aanwezig kan zijn;
|
||||
3°. een aanduiding van de betrokken gevaarlijke stof alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die stof behoort;
|
||||
4°. de plaats van het insluitsysteem in de inrichting;
|
||||
5°. de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem;
|
||||
g. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend;
|
||||
h. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting samenhangende omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen daarvan ernstiger kunnen maken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens op grond van een ander wettelijk voorschrift schriftelijk aan het bevoegd gezag zijn verstrekt op een tijdstip, niet eerder dan 5 jaar voorafgaande aan het in het eerste lid genoemde tijdstip, en ten aanzien van de onderwerpen waarop die gegevens betrekking hebben geen wijzigingen zijn opgetreden, kan worden volstaan met een schriftelijke mededeling aan het bevoegd gezag, waarin naar die gegevens wordt verwezen.
|
||||
|
||||
**3.** Op een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid of een mededeling als bedoeld in het tweede lid, is artikel 6, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien overeenkomstig het tweede lid wordt verwezen naar eerder verstrekte gegevens, draagt het bevoegd gezag tevens zorg voor de verzending van die gegevens.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste lid, onder f, bedoelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat voor een verhoging van de risico's, bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet behoeft te worden gevreesd.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** Degene die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 4, stelt binnen een jaar na dat tijdstip voor de eerste keer het document, bedoeld in artikel 5, tweede lid, op.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is eveneens van toepassing indien het document wordt opgenomen in het veiligheidsrapport.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 8, stelt binnen drie maanden na dat tijdstip voor de eerste keer de stoffenlijst, bedoeld in artikel 21, op.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Degene die op het tijdstip, waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting drijft als bedoeld in artikel 8, waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen dan wel artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing was, zendt uiterlijk 3 februari 2002 een veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die op het tijdstip, waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 8, waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen dan wel artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing was, zendt uiterlijk 3 februari 2001 een veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien op degene die een inrichting drijft het tweede lid van toepassing is en deze op enig tijdstip in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan de dag van de indiening van het veiligheidsrapport heeft zorggedragen voor:
|
||||
|
||||
a. opstelling of wijziging van een arbeidsveiligheidsrapport als bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals dat op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit luidde, en voor verzending ervan aan de daartoe aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, of
|
||||
b. de indiening van een rapport inzake de externe veiligheid als bedoeld in artikel 4 van het in het tweede lid genoemde besluit,
|
||||
|
||||
is artikel 14, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing voor zover de in het arbeidsveiligheidsrapport onderscheidenlijk de in het rapport inzake de externe veiligheid opgenomen gegevens en beschrijvingen voldoen aan hetgeen bij en krachtens dit besluit is bepaald omtrent de inhoud van het veiligheidsrapport.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bij de verzending van het veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag met toepassing van het derde lid is verwezen naar een arbeidsveiligheidsrapport als bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet of naar een rapport inzake de externe veiligheid als bedoeld in artikel 4 van het in het tweede lid genoemde besluit, worden de in die rapporten vervatte gegevens waarnaar is verwezen ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in artikel 14, eerste lid, geëvalueerd en wordt een bijgewerkt veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag gezonden binnen vijf jaar nadat de gegevens waarnaar verwijzing heeft plaatsgevonden werden verzonden aan de daartoe aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 onderscheidenlijk binnen vijf jaar nadat die gegevens werden verzonden aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die diegene die een inrichting drijft na een zwaar ongeval verstrekt aan de aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en met betrekking tot het toezicht door die ambtenaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
Het Besluit risico's zware ongevallen wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit milieuverslaglegging.
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit bedrijfsbrandweren.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit risico's zware ongevallen 1999.
|
||||
|
||||
## Bijlage I
|
||||
|
||||
## Bijlage II
|
||||
|
||||
In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 5, derde lid, komen aan de orde:
|
||||
|
||||
## Bijlage III
|
||||
|
||||
1. Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 10, eerste lid, bevat tenminste:
|
||||
|
||||
2. De onder 1, onder o, bedoelde risico-analyse bevat:
|
||||
|
||||
## Bijlage IV
|
||||
|
||||
Het interne noodplan, bedoeld in artikel 22, eerste lid, bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue