2020-01-01 | BWBR0013131 | Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak

This commit is contained in:
Coornhert 2020-01-01 12:00:00 +00:00
parent 0dcac1a98f
commit d56cbe60b4

View file

@ -12,25 +12,19 @@ citeertitel: Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechts
### Artikel 1
**1.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter onderscheidenlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn ingedeeld.
**1.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter onderscheidenlijk rechterlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn ingedeeld.
**2.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van voorzitter van het bestuur van een gerechtshof, voorzitter van het bestuur van de Centrale Raad van Beroep en voorzitter van het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
**3.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
**4.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het derde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 4 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
**4.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het derde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 4 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
**5.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid, niet zijnde voorzitter, van het bestuur van een gerechtshof, de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam, de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 5 zijn ingedeeld.
**6.** Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid, niet zijnde voorzitter, van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het vijfde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 6 zijn ingedeeld.
**7.** Voor de niet-rechterlijke leden van de besturen van de rechtbanken Amsterdam, Den Haag en Rotterdam geldt salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
**8.** Voor de niet-rechterlijke leden van de besturen van de gerechtshoven, de rechtbanken, anders dan die genoemd in het zevende lid, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven geldt salarisschaal 16 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
**9.** Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, wordt het salaris behorende bij een in het eerste tot en met zesde lid bedoelde functie vermenigvuldigd met de voor hem als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of lid met rechtspraak belast geldende arbeidsduurfactor.
**10.** Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 is, met uitzondering van de artikelen 1, tweede en derde lid, 5, tweede, derde en vijfde lid, onderdeel b, 5a, 7, zevende lid, 8, vierde lid, en 24 van overeenkomstige toepassing op de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en de niet-rechterlijke leden van de besturen van de gerechten.
**7.** Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, wordt het salaris behorende bij een in het eerste tot en met zesde lid bedoelde functie vermenigvuldigd met de voor hem als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of lid met rechtspraak belast geldende arbeidsduurfactor.
### Artikel 2
@ -48,17 +42,7 @@ citeertitel: Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechts
### Artikel 4
**1.** Ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak worden de bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet berustende bepalingen, met uitzondering van de aan Ons, Onze Minister-President, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën toegekende bevoegdheden, alsmede met uitzondering van de bevoegdheden tot aanstelling, disciplinaire bestraffing, schorsing en ontslag, uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken niet-rechterlijk lid.
**2.** Ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen worden de bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet berustende bepalingen, met uitzondering van de aan Ons, Onze Minister-President, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën toegekende bevoegdheden, alsmede met uitzondering van de bevoegdheden tot aanstelling, disciplinaire bestraffing, schorsing en ontslag, uitgeoefend door het bestuur van het gerecht, uitgezonderd de het betrokken niet-rechterlijk lid, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt uitgeoefend met inachtneming van het derde lid.
**3.** Het bestuur van een gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van het niet-rechterlijk lid voorgenomen besluit tot schadeloosstelling, kostenvergoeding of verlening van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad voor de rechtspraak.
**4.** In afwijking van het tweede lid worden de in de op de Ambtenarenwet berustende bepalingen aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels, de daarin aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het verlenen van mandaat van een bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter, de daarin aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het doen van een voordracht voor een regeling, alsmede de in de artikelen 113 tot en met 117 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement aan Onze Minister toegekende bevoegdheden, ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
**5.** Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden in de ingevolge artikel 1, negende lid, overeenkomstig toepasselijke bepalingen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
**6.** Artikel 98, eerste lid, onderdeel g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is niet van toepassing op de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen.
Het bestuur van een gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van het niet-rechterlijk lid voorgenomen toekenning van een schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, een afschrift van de vervolgens gedane toekenning aan de Raad voor de rechtspraak.
### Artikel 5
@ -66,39 +50,35 @@ Ten aanzien van de rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak worden de
### Artikel 6
Het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur of het niet-rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak dat niet op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld en ten gevolge van een ontslag, anders dan op grond van artikel 81, eerste lid, onder l, 94a, eerste lid, of 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, wordt aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
Vervallen
### Artikel 7
**1.** Het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak besteedt een keer per jaar aandacht aan het functioneren van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak alsmede aan het functioneren van de afzonderlijke leden daarvan.
**2.** De artikelen 71 en 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn niet van toepassing op de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen en de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak.
Het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak besteedt een keer per jaar aandacht aan het functioneren van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak alsmede aan het functioneren van de afzonderlijke leden daarvan.
### Artikel 8
**1.** Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast onderscheidenlijk de gerechtsambtenaar die belast is met de vervanging van de voorzitter van het gerechtsbestuur of het andere rechterlijk lid van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur, wordt, wanneer de vervanging ten minste dertig dagen heeft geduurd, voor de duur van de vervanging door het bestuur van het betrokken gerecht een toelage toegekend.
**1.** Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast belast is met de vervanging van de voorzitter van het gerechtsbestuur of het andere rechterlijk lid van het gerechtsbestuur wordt, wanneer de vervanging ten minste dertig dagen heeft geduurd, voor de duur van de vervanging door het bestuur van het betrokken gerecht een toelage toegekend.
**2.** Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de vervanging is ingegaan tevens als voorzitter of ander rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd. Voor de gerechtsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de vervanging is ingegaan als niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd.
**2.** Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de vervanging is ingegaan tevens als voorzitter of ander rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd.
### Artikel 9
**1.** Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat tevens is benoemd als voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak, voorzitter van het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht wordt, in plaats van de onkostenvergoeding overeenkomstig artikel 7 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, een onkostenvergoeding van € 4702, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 4.907, € 2711, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 2.829 onderscheidenlijk € 1807, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 1.887 per jaar toegekend.
**1.** Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat tevens is benoemd als voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak, voorzitter van het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht wordt, in plaats van de onkostenvergoeding overeenkomstig artikel 7 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, een onkostenvergoeding van € 4702, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 4.907, € 2711, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 2.829 onderscheidenlijk € 1807, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 1.887 per jaar toegekend.
**2.** Aan de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak onderscheidenlijk de niet-rechterlijke leden van het bestuur van een gerecht wordt een onkostenvergoeding van € 4611, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 4.812 onderscheidenlijk € 1807, per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 1.887 per jaar toegekend.
**3.** Toekenning van een onkostenvergoeding als bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt door de Raad voor de rechtspraak, uitgezonderd het betrokken lid, onderscheidenlijk, indien het een lid van een gerechtsbestuur betreft, het gerechtsbestuur, uitgezonderd het betrokken lid.
**2.** Toekenning van een onkostenvergoeding als bedoeld in het eerste lid geschiedt door de Raad voor de rechtspraak, uitgezonderd het betrokken lid, onderscheidenlijk, indien het een lid van een gerechtsbestuur betreft, het gerechtsbestuur, uitgezonderd het betrokken lid.
### Artikel 9a
**1.** De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, heeft, wanneer hij voor meer dan 50% van een volledige arbeidsduur ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, maar niet volledig arbeidsongeschikt is, in afwijking van artikel 9, eerste en tweede lid, na ommekomst van het kalenderjaar waarin de ongeschiktheid is aangevangen en het kalenderjaar daaropvolgend, aanspraak op een onkostenvergoeding die een met zijn arbeidsduur overeenkomend deel bedraagt van de vergoeding die hij zou hebben ontvangen indien hij in het geheel niet ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zou zijn.
**1.** De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft, wanneer hij voor meer dan 50% van een volledige arbeidsduur ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, maar niet volledig arbeidsongeschikt is, in afwijking van artikel 9, eerste lid, na ommekomst van het kalenderjaar waarin de ongeschiktheid is aangevangen en het kalenderjaar daaropvolgend, aanspraak op een onkostenvergoeding die een met zijn arbeidsduur overeenkomend deel bedraagt van de vergoeding die hij zou hebben ontvangen indien hij in het geheel niet ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zou zijn.
**2.** In afwijking van artikel 9, eerste of tweede lid, heeft de persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, in geval van volledige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, na ommekomst van het kalenderjaar volgend op dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, geen aanspraak op een onkostenvergoeding.
**2.** In afwijking van artikel 9, eerste lid, heeft de persoon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, in geval van volledige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, na ommekomst van het kalenderjaar volgend op dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, geen aanspraak op een onkostenvergoeding.
### Artikel 9aa
**1.** De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, heeft, wanneer aan hem voor zijn volledige arbeidsduur buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste en tweede lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof geen aanspraak op een onkostenvergoeding.
**1.** De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft, wanneer aan hem voor zijn volledige arbeidsduur buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof geen aanspraak op een onkostenvergoeding.
**2.** De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, heeft, wanneer aan hem voor 50% of meer van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste en tweede lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof, aanspraak op de onkostenvergoeding naar rato van het aantal uren dat hij geen buitengewoon verlof geniet.
**2.** De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft, wanneer aan hem voor 50% of meer van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof, aanspraak op de onkostenvergoeding naar rato van het aantal uren dat hij geen buitengewoon verlof geniet.
### Artikel 9b
@ -110,21 +90,7 @@ Voor de toepasselijkheid van artikel 16, eerste lid, vierde volzin, van de Wet o
### Artikel 9c
**1.** Te rekenen vanaf de datum waarop de benoeming van het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur, die op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld, op grond van het verstrijken van de benoemingsduur en het achterwege blijven van een herbenoeming, is geëindigd, worden door het bestuur van het gerecht waarbij hij benoemd was als niet-rechterlijk lid, gedurende een periode van achttien maanden inspanningen verricht om te komen tot plaatsing van hem in een andere passende functie.
**2.** Het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende de periode dat hij nog niet is geplaatst in een andere passende functie in het genot van het bij zijn benoeming als niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur behorende salaris.
**3.** Onverminderd het eerste lid is het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden. Hij is bovendien verplicht een hem aangeboden passende functie te aanvaarden. Indien nog geen passende functie is gevonden, kunnen aan hem door het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk andere werkzaamheden worden opgedragen. Hij is verplicht deze werkzaamheden te verrichten.
**4.** Aan het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslag worden verleend indien hij heeft geweigerd te voldoen aan een in het derde lid bedoelde verplichting. Ontslag als bedoeld in de eerste volzin wordt verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. Artikel 16, vijfde lid, tweede volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing.
**5.** Het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, kan het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding toekennen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen, indien aan hem binnen de in het eerste lid bedoelde periode van achttien maanden op zijn verzoek ontslag wordt verleend.
**6.** Aan het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslag verleend, indien hij niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van achttien maanden is geplaatst in een nieuwe functie. Artikel 16, vijfde lid, tweede volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing.
**7.** In geval van ontslag als bedoeld in het zesde lid wordt aan het niet-rechterlijk lid een uitkering ten laste van het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, toegekend. Deze uitkering bedraagt 110% van het voor hem geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Op deze uitkering zijn de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing. Indien het niet-rechterlijk lid tevens recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in de eerste volzin bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
**8.** Onder passende functie wordt in dit artikel verstaan: een functie ten aanzien waarvan het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur beschikt over de voor het naar behoren vervullen hiervan noodzakelijk geachte kennis en kunde dan wel waarvoor hij binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en die hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.
Vervallen
### Artikel 10