2008-09-01 | BWBR0022751 | Wet op het kindgebonden budget

This commit is contained in:
Coornhert 2008-09-01 12:00:00 +00:00
parent 622ca76b0d
commit d5ec3c31e4

View file

@ -28,9 +28,17 @@ c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.
**1.** Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Financiën worden regels gesteld omtrent de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Na plaatsing in het Staatsblad van deze algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
**2.**
**3.** Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan € 29 413 wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede lid verminderd met 5,75% van het verschil tussen het gezamenlijke toetsingsinkomen en € 29 413.
Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:
a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind : € 994;
b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 1299;
c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 1479;
d. indien de ouder aanspraak heeft voor vier kinderen: € 1584;
e. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan vier kinderen: € 1 584, verhoogd met zoveel maal € 50 als het aantal kinderen meer bedraagt dan vier.
**3.** Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan € 29 413 wordt het bedrag waarop recht bestaat op grond van het tweede lid verminderd met 6,5% van het verschil tussen het gezamenlijke toetsingsinkomen en € 29 413.
**4.** Een ouder als bedoeld in het eerste lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
@ -40,10 +48,14 @@ c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.
### Artikel 3
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de bedragen die op grond van artikel 2, tweede lid, zijn vastgesteld en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, derde lid, bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, derde lid, bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**2.** Indien er aanleiding is om de bedragen, bedoeld in het eerste lid, te verhogen op een andere wijze dan op grond van het eerste lid, worden de bedragen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
**3.** De overeenkomstig het eerste en tweede lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 2, tweede en derde lid.
**4.** Indien een verhoging als bedoeld in het tweede lid wordt toegepast, vindt deze verhoging plaats nadat het eerste lid toepassing heeft gevonden.
### Artikel 4
Het kindgebonden budget blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.