2013-07-01 | BWBR0002489 | Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965

This commit is contained in:
Coornhert 2013-07-01 12:00:00 +00:00
parent 3201fdb855
commit d651b98fc7

View file

@ -139,7 +139,7 @@ b. *een aanmerkelijk belang:* een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkom
### Artikel 3a
Ingeval degene die ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan periodieke uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren verstrekt, bij het vaststellen van de hoogte van die uitkeringen rekening houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de zin van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, niet zijnde een termijn van lijfrente, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, wordt deze geacht die uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking als loon in geld ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren te verstrekken.
Ingeval degene die ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan periodieke uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op 31 december 2011, verstrekt, bij het vaststellen van de hoogte van die uitkeringen rekening houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de zin van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, niet zijnde een termijn van lijfrente, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, wordt deze geacht die uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking als loon in geld ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op 31 december 2011, te verstrekken.
### Artikel 4
@ -155,14 +155,14 @@ Vervallen
### Artikel 7
**1.** De belasting naar het belastbare loon dat wordt genoten door de in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde werknemers, bedraagt het in de voor hen geldende loonbelastingtabel aangewezen percentage van het tabelloon, met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd tot 52 ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel, ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, zijn identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, onderdeel e, van de wet, alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
**1.** De belasting naar het belastbare loon dat wordt genoten door de in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde werknemers, bedraagt het in de voor hen geldende loonbelastingtabel aangewezen percentage van het tabelloon, met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd tot 52 ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel, ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, zijn identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, onderdeel f, van de wet, alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
**2.**
Het tabelloon is:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet: het loon in geld, nadat dit is verminderd met de door de inhoudingsplichtige voor zijn rekening genomen belasting;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet: het loon vermeerderd met de bedragen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 2° en 3°, van de wet, en verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet: het loon vermeerderd met de bedragen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 2°, van de wet.
**3.** Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing met betrekking tot uitkeringen ingevolge sociale verzekeringswetten die zonder tussenkomst van de inhoudingsplichtige worden genoten.
@ -264,8 +264,8 @@ g. perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verz
| Indien bij een eindloonloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van | wordt het in artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, bedoelde bedrag vervangen door 70% van | |
| --- | --- | --- |
| meer dan | maar niet meer dan | |
| | 1,8% | € 10 940 |
| 1,8% | 1,9% | € 12 104 |
| | 1,8% | € 10 940 |
| 1,8% | 1,9% | € 12 104 |
**2.**
@ -274,8 +274,8 @@ g. perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verz
| Indien bij een middelloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van | wordt het in artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, bedoelde bedrag vervangen door 70% van | |
| --- | --- | --- |
| meer dan | maar niet meer dan | |
| | 2,05% | € 10 940 |
| 2,05% | 2,15% | € 12 104 |
| | 2,05% | € 10 940 |
| 2,05% | 2,15% | € 12 104 |
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a, derde lid, van de wet.
@ -295,11 +295,11 @@ c. de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan to
voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen.
**2.** Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006, voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen.
**2.** Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006, voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen.
**3.** Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd, voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in aanmerking zijn genomen.
**4.** Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor, met dien verstande dat artikel 10b, derde lid, van overeenkomstige toepassing is.
**4.** Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor, met dien verstande dat artikel 10a, vierde lid, van overeenkomstige toepassing is.
**5.**
@ -329,7 +329,7 @@ Voor de toepassing van artikel 18h, tweede lid, van de wet is een regeling een p
a. loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend;
b. de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen;
c. de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de vakantie-uitkering;
c. de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de vakantie-uitkering;
d. indien de werknemer geen mogelijke partner of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c, van de wet betrekking heeft, de regeling geen partnerpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat;
e. een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a, achtste lid, in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag.
@ -394,7 +394,7 @@ c. uitgezonden werknemer: werknemer in de zin van artikel 2 van de wet, door een
1°. plaatsing als ambtenaar bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland (post);
2°. tewerkstelling als ambtenaar, rechterlijk ambtenaar of militair op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
3°. tewerkstelling als militair buiten het Koninkrijk der Nederlanden;
4°. tewerkstelling in een bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, aangewezen regio;
4°. tewerkstelling in een bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, aangewezen regio;
5°. het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs.
d. looptijd: de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is.
@ -521,7 +521,7 @@ b. aannemelijk is dat de werknemer opnieuw zou worden aangemerkt als ingekomen w
**1.** Indien de werknemer of de gewezen werknemer op enig moment in het voorafgaande kalenderjaar loon heeft genoten van een inhoudingsplichtige en met overeenkomstige toepassing van artikel 13a van de wet in dat kalenderjaar tevens bedragen van dezelfde inhoudingsplichtige heeft genoten die tot de winst uit een onderneming of het resultaat uit overige werkzaamheden van die werknemer of gewezen werknemer worden gerekend, worden die bedragen voor de toepassing van artikel 32bd, eerste lid, van de wet in aanmerking genomen als door de inhoudingsplichtige in het voorafgaande kalenderjaar verstrekt loon.
**2.** Indien de werknemer of de gewezen werknemer in het voorafgaande kalenderjaar meer dan € 150 000 aan loon heeft genoten van een inhoudingsplichtige die op 31 maart van het kalenderjaar niet meer inhoudingsplichtig is, is de gewezen inhoudingsplichtige of diens rechtsopvolger de pseudo-eindheffing, bedoeld in artikel 32bd, eerste lid, van de wet, ter zake van dat loon verschuldigd. Bij de toepassing van de eerste volzin is artikel 32bd, tweede lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
**2.** Indien de werknemer of de gewezen werknemer in het voorafgaande kalenderjaar meer dan € 150 000 aan loon heeft genoten van een inhoudingsplichtige die op 31 maart van het kalenderjaar niet meer inhoudingsplichtig is, is de gewezen inhoudingsplichtige of diens rechtsopvolger de pseudo-eindheffing, bedoeld in artikel 32bd, eerste lid, van de wet, ter zake van dat loon verschuldigd. Bij de toepassing van de eerste volzin is artikel 32bd, tweede lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 5. Aanvullende regelingen (
@ -538,7 +538,7 @@ De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende t
a. de navolgende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en afkoopsommen:
1°. termijnen van lijfrenten verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, alsmede termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 verstrekt door een bank of beheerder als bedoeld in artikel 3.126a van die wet;
2°. periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
2°. periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
3°. negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien de afkoopsom is verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; daarbij wordt de loonbelasting geheven over de afkoopsom;
4°. uitkeringen die worden verstrekt door een bank of beheerder als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die ingevolge artikel 3.133, achtste lid, van die wet worden aangemerkt als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen;
5°. afkoopsommen ter zake van lijfrenten verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, voor zover met betrekking tot die afkoopsommen ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 75 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van toepassing blijven;
@ -548,7 +548,7 @@ c. uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
d. uitkeringen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, ingevolge de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en ingevolge de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet;
e. uitkeringen ingevolge artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
f. uitkeringen ingevolge de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946 (nr. 48) en de beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 5 november 1946, nr. 6 (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946, nr. 118), alsmede op deze uitkeringen betrekking hebbende toe- en bijslagen;
g. uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand en de Wet investeren in jongeren alsmede de in artikel 3a bedoelde uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of verstrekkingen;
g. uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand en de Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op 31 december 2011, alsmede de in artikel 3a bedoelde uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of verstrekkingen;
h. uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet;
i. uitkeringen uit de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland 1940-1945 en de Stichting Hulp voor nagelaten betrekkingen voor illegale strijders (Stichting Sneek 1940-1945);
j. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt;
@ -557,13 +557,14 @@ l. uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en
m. uitkeringen ingevolge de Remigratiewet en de Remigratieregeling 1985;
n. uitkeringen ingevolge de Toeslagenwet;
o. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
p. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars;
p. uitkeringen ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, zoals deze luidde op 31 december 2011;
q. vervallen;
r. uitkeringen als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
s. inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet;
t. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
u. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
v. tegemoetkomingen ingevolge de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen.
v. tegemoetkomingen ingevolge de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen;
w. uitkeringen in verband met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd op grond van de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies.
**2.** De in het eerste lid bedoelde inkomsten worden aangemerkt als loon uit vroegere arbeid.
@ -573,7 +574,7 @@ Vervallen
### Artikel 12
Ten aanzien van de in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet bedoelde werknemers, met uitzondering van degenen die een uitkering ontvangen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, herrekent de inhoudingsplichtige bij het einde van het kalenderjaar volgens bij ministeriële regeling te stellen regels de op de voet van de in die bepaling bedoelde tabel geheven belasting zodanig dat uiteindelijk de belasting zoveel mogelijk wordt geheven als hadden de werknemers loon uit vroegere arbeid genoten niet zijnde uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren. Bij de in de vorige volzin bedoelde herrekening wordt het bedrag van de in aanmerking te nemen heffingskorting, in afwijking in zoverre van artikel 23, tweede lid, van de wet, verminderd met het volgens bij ministeriële regeling te stellen regels te bepalen bedrag aan heffingskorting voor de loonbelasting, met uitzondering van de arbeidskorting, waarmee ten aanzien van de werknemer reeds rekening is gehouden bij de inhouding van belasting op ander loon.
Ten aanzien van de in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet bedoelde werknemers, met uitzondering van degenen die een uitkering ontvangen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, herrekent de inhoudingsplichtige bij het einde van het kalenderjaar volgens bij ministeriële regeling te stellen regels de op de voet van de in die bepaling bedoelde tabel geheven belasting zodanig dat uiteindelijk de belasting zoveel mogelijk wordt geheven als hadden de werknemers loon uit vroegere arbeid genoten niet zijnde uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op 31 december 2011. Bij de in de vorige volzin bedoelde herrekening wordt het bedrag van de in aanmerking te nemen heffingskorting, in afwijking in zoverre van artikel 23, tweede lid, van de wet, verminderd met het volgens bij ministeriële regeling te stellen regels te bepalen bedrag aan heffingskorting voor de loonbelasting, met uitzondering van de arbeidskorting, waarmee ten aanzien van de werknemer reeds rekening is gehouden bij de inhouding van belasting op ander loon.
## Hoofdstuk 6. Belastingheffing van artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen (
@ -600,8 +601,8 @@ b. uiterlijk een maand na afloop van een optreden of sportbeoefening dan wel een
Indien zulks door of namens de artiest of beroepssporter dan wel het gezelschap wordt aangegeven, wordt de inhoudingsplichtige die met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening niet beschikt over een kopie van een kostenvergoedingsbeschikking, geacht te beschikken over:
a. ingeval de artiest of beroepssporter geen deel uitmaakt van een gezelschap: een individuele kostenvergoedingsbeschikking tot het door de artiest of beroepssporter aangegeven bedrag met een maximum van € 163 per optreden of sportbeoefening;
b. in het geval van een gezelschap: een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking tot het door het gezelschap aangegeven bedrag, met per optreden of sportbeoefening een maximum van € 163 vermenigvuldigd met het aantal leden van het gezelschap.
a. ingeval de artiest of beroepssporter geen deel uitmaakt van een gezelschap: een individuele kostenvergoedingsbeschikking tot het door de artiest of beroepssporter aangegeven bedrag met een maximum van € 163 per optreden of sportbeoefening;
b. in het geval van een gezelschap: een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking tot het door het gezelschap aangegeven bedrag, met per optreden of sportbeoefening een maximum van € 163 vermenigvuldigd met het aantal leden van het gezelschap.
**8.**