2024-12-14 | BWBR0047436 | Wet hersteloperatie toeslagen

This commit is contained in:
Coornhert 2024-12-14 12:00:00 +00:00
parent 44afe8123b
commit d90c1b72ad

View file

@ -28,6 +28,11 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. nog in leven zou zijn geweest op het moment van toepassing van de herstelmaatregel naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; of
b. daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en is overleden voor 1 januari 2024;
- *overleden kind:* een kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat is overleden voordat aan hem een tegemoetkoming als bedoeld in afdeling 2.2 is toegekend en van wie aannemelijk is dat aan hem die tegemoetkoming zou zijn toegekend indien:
a. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoetkoming ambtshalve zou zijn toegekend;
b. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoetkoming zou zijn toegekend naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; of
c. hij daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en hij is overleden voordat de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, is verlopen;
- * partner: * partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 5 van die wet;
- * pleegkind: * pleegkind als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet of een kind dat met een pleegkind wordt gelijkgesteld krachtens artikel 4, vierde lid, van die wet;
- * toeslag: * kinderopvangtoeslag, huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget;
@ -158,65 +163,6 @@ b. een verlaging, vaststelling op nihil of naar rato vaststelling als bedoeld in
### Afdeling 2.1a. Compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag
### Artikel 2.9a
**1.**
Aan degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag van overlijden wordt een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend:
a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen:
1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
b. op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 op de daar bedoelde geldschulden van een overleden aanvrager voor zover deze ten laste van de partner zijn gekomen, en op de daar bedoelde schulden van die partner;
c. ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de artikelen 3.1 tot en met 3.12:
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3 op de geldschulden, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.12, van een overleden aanvrager voor zover deze ten laste van de partner zijn gekomen, en de daar bedoelde schulden van die partner.
**2.** Aan degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag van overlijden wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag van overlijden, dit niet meer was op de eerste dag van de maand die volgt op de dag van overlijden van de aanvrager als gevolg van een omstandigheid anders dan het overlijden van de aanvrager.
### Artikel 2.9b
**1.**
Indien een overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden, indien degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a, of indien de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet, worden aan het kind van de overleden aanvrager een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend:
a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen:
1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
b. op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 op de daar bedoelde geldschulden van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen;
c. ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de artikelen 3.1 tot en met 3.12:
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3 op de geldschulden, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.12, van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen.
**2.**
Aan het kind van een overleden aanvrager wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden, in het geval dat:
a. de overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden;
b. degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a; of
c. de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet.
**3.** Indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1b, eerste lid, een aanvraag indienen voor de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt het bedrag van de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verminderd naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die compensatie of tegemoetkoming.
**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van het tweede lid, indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn die op grond van artikel 6.1b op hen van toepassing is, een aanvraag daartoe indienen.
**5.**
Het eerste tot en met vierde lid alsmede hoofdstuk 4a, artikel 5.3 en hoofdstuk 6 voor zover die betrekking hebben op aanvragen als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kind van een overleden aanvrager:
a. indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, overlijdt op of na de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a;
b. voor zover die partner is overleden voordat toekenning heeft plaatsgevonden van de voorzieningen, de aanvullende compensatie of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming die aan die partner zouden zijn toegekend op grond van artikel 2.9a indien deze niet was overleden;
c. met dien verstande dat:
1°. voor de toepassing van artikel 6.1b, eerste lid, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager;
2°. artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°.
### Afdeling 2.2. Tegemoetkoming voor kind, pleegkind en voormalig pleegkind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner en voor kind, pleegkind en voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
### Artikel 2.10
@ -324,11 +270,7 @@ c. de ex-partner is overleden en ten aanzien van hem aannemelijk is dat een comp
### Artikel 2.14b
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een overleden kind verstaan een kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat is overleden voordat aan hem een tegemoetkoming als bedoeld in afdeling 2.2 is toegekend en van wie aannemelijk is dat aan hem die tegemoetkoming zou zijn toegekend indien:
a. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoetkoming ambtshalve zou zijn toegekend;
b. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoetkoming zou zijn toegekend naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; of
c. hij daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en hij is overleden voordat de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, is verlopen.
Vervallen
### Artikel 2.14c
@ -350,7 +292,7 @@ Indien het overleden kind geen partner had op de dag van overlijden of indien de
**1.** De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.14c, artikel 2.14d of artikel 2.14e, is gelijk aan het bedrag dat ingevolge artikel 2.12 bij leven aan het overleden kind zou zijn toegekend, met dien verstande dat bij de vaststelling van dat bedrag wordt uitgegaan van de leeftijd van het overleden kind op 1 juli 2023, dan wel op de dag van overlijden indien deze dag ligt voor 1 juli 2023.
**2.** Indien meerdere personen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1a een aanvraag indienen voor de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.14d of artikel 2.14e, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd naar evenredigheid met het aantal personen dat in aanmerking komt voor de tegemoetkoming.
**2.** Indien meerdere personen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1a, een aanvraag indienen voor de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.14d of artikel 2.14e, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd naar evenredigheid met het aantal personen dat in aanmerking komt voor de tegemoetkoming.
### Afdeling 2.3. Compensatie en noodvoorziening ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
@ -403,7 +345,7 @@ Indien de Dienst Toeslagen niet op korte termijn overgaat tot uitbetaling van co
Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, ten behoeve van die aanvrager, diens partner en het kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een van beiden, indien:
a. die aanvrager op 7 juli 2020 niet in Nederland woonde;
a. die aanvrager op 31 december 2021 niet in Nederland woonde;
b. die aanvrager, die partner en dat kind, pleegkind of voormalig pleegkind van een van beiden op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont.
**2.** Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning.
@ -425,7 +367,7 @@ b. de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen
Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, ten behoeve van die ex-partner en diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner, indien:
a. die ex-partner op 7 juli 2020 niet in Nederland woonde;
a. die ex-partner op 31 december 2021 niet in Nederland woonde;
b. die ex-partner, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont.
**2.** Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning.
@ -443,28 +385,7 @@ b. de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen
### Artikel 2.15b
**1.**
Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden:
a. op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een partner van een overleden aanvrager die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9a, ten behoeve van die partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner, indien:
1°. die partner van een overleden aanvrager op 31 december 2021 niet in Nederland woonde;
2°. die partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont;
b. op de vier leefgebieden financiën, werk, wonen en zorg aan een kind van een overleden aanvrager dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9b, indien dat kind op 7 juli 2020 niet in Nederland woonde en op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont.
**2.** Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning.
**3.**
In geval van een wens tot remigratie naar Nederland die binnen drie maanden na het ambtshalve aanbod, bedoeld in het eerste lid, kenbaar is gemaakt aan Onze Minister kan Onze Minister op verzoek van:
a. de partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner eenmalig de redelijke reiskosten van remigratie van ieder van hen vergoeden of voor zijn rekening nemen, mits voornoemde gezinsleden voor de remigratie naar Nederland op hetzelfde adres buiten Nederland wonen als die partner van een overleden aanvrager en eenmalig de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen; of
b. het kind van een overleden aanvrager eenmalig de redelijke reiskosten van remigratie vergoeden of voor zijn rekening nemen en eenmalig de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen.
**4.** Onze Minister verleent de ondersteuning, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, op basis van een plan van aanpak dat in overleg met de partner of het kind van een overleden aanvrager van een kinderopvangtoeslag is opgesteld.
**5.** Onze Minister vergoedt of neemt voor zijn rekening de kosten, bedoeld in het derde lid, indien het plan van aanpak is vastgesteld binnen drie maanden nadat de wens tot remigratie kenbaar is gemaakt en indien de remigratie naar Nederland plaatsvindt uiterlijk een jaar nadat het plan van aanpak is vastgesteld.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 2.5. Tegemoetkomingen gedupeerde aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget
@ -885,48 +806,6 @@ Artikel 3.14 is van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van het bedr
## Hoofdstuk 4A. Persoonlijke bijstand bij afhandeling herstel voor nabestaanden van een overleden aanvrager
### Artikel 4a.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- *betrokkene:*
a. de partner van een overleden aanvrager die in aanmerking kan komen voor toekenning van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.9a;
b. het kind van een overleden aanvrager dat in aanmerking kan komen voor toekenning van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.9b;
- *persoonlijke bijstand:* bijstand door de Dienst Toeslagen bij aanvragen en regelingen waar de betrokkene op grond van deze wet aanspraak kan maken.
### Artikel 4a.2
**1.** De betrokkene krijgt persoonlijke bijstand.
**2.** Tijdens de persoonlijke bijstand coördineert een persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers van de Dienst Toeslagen de procedure en fungeert voor de betrokkene tevens als aanspreekpunt.
### Artikel 4a.3
**1.** In het kader van de persoonlijke bijstand vinden tussen de betrokkene en de Dienst Toeslagen een of meerdere persoonlijke gesprekken plaats, waarbij de persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers eveneens aanwezig is.
**2.**
Een persoonlijk gesprek ziet desgewenst in ieder geval op:
a. uitleg over de regelingen waarop de persoonlijke bijstand betrekking heeft;
b. uitleg over de mogelijkheden voor persoonlijke bijstand;
c. informatie over het gebruik van de regelingen waar de betrokkene recht op heeft;
d. het door de betrokkene overleggen van informatie met betrekking tot een aanvraag op grond van de artikelen 2.9a of 2.9b;
e. het ondersteunen bij het doen van een aanvraag op grond van de artikelen 2.9a of 2.9b.
### Artikel 4a.4
De Dienst Toeslagen draagt zorg voor een goede afhandeling van de persoonlijke bijstand en zorgt dat hierover afstemming plaatsvindt met andere personen of organen, voor zover de verantwoordelijkheid voor de uitvoering hiervan bij die personen of organen ligt en voor zover afstemming het belang van de betrokkene dient.
### Artikel 4a.5
Onze Minister verleent mandaat aan de Dienst Toeslagen om een beschikking als bedoeld in artikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, te nemen, indien de betrokkene een verzoek als bedoeld in artikel 4a.2, derde lid, heeft gedaan dat ook betrekking heeft op een dergelijke beschikking.
### Artikel 4a.6
Op verzoek van de betrokkene voegt de Dienst Toeslagen voor zover mogelijk alle beschikkingen op grond van deze wet die de betrokkene betreffen samen tot één beschikking, die bestaat uit één of meer besluitonderdelen.
## Hoofdstuk 5. Commissies
### Artikel 5.1
@ -949,17 +828,23 @@ Op verzoek van de betrokkene voegt de Dienst Toeslagen voor zover mogelijk alle
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de commissies.
### Artikel 5.3
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## Hoofdstuk 6. Bepalingen van procedurele aard; verkrijgen, gebruiken en verstrekken van gegevens
### Afdeling 6.1. Bepalingen van procedurele aard
### Artikel 6.1
**1.** Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, 2.6, eerste of derde lid, 3.13, eerste lid, 4.1, eerste lid, 4.2, 4.3, eerste lid, 4.4, eerste lid, 4.6, eerste lid, of 4.7, eerste lid, wordt ingediend voor 1 januari 2024.
**1.** Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, 2.6, eerste lid, 3.13, eerste lid, 4.1, eerste lid, 4.2, 4.3, eerste lid, 4.4, eerste lid, 4.6, eerste lid, of 4.7, eerste lid, wordt ingediend voor 1 januari 2024. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of 2.6, derde lid, wordt ingediend voor 1 april 2025.
**2.** Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.13, 2.14 of 2.14a wordt ingediend bij de Dienst Toeslagen binnen een jaar na de uiterste datum voor het doen van een aanvraag van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7. In afwijking van de eerste zin wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.13 ingediend tot een jaar na de dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, indien die beschikking een dagtekening heeft van na 31 december 2023.
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, 2.6, derde lid, 3.13, eerste lid, of 4.3, eerste lid, indien een beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na 1 juli 2023 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend.
**3.** In afwijking van het eerste lid, eerste zin, wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, of 4.3, eerste lid, indien een beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na 1 juli 2023 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend.
**3a.** In afwijking van het eerste lid, tweede zin, wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of 2.6, derde lid, indien een beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na 1 oktober 2024 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend.
**4.** In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in 4.1, eerste lid, 4.2, 4.4, eerste lid, 4.6, eerste lid, of 4.7, eerste lid, indien de eerste beschikking tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na 1 juli 2023 onherroepelijk vast komt te staan, uiterlijk zes maanden na de datum waarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan, ingediend.
@ -978,29 +863,30 @@ b. binnen zes maanden na de datum waarop die aanvraag voor het eerst gedaan kan
### Artikel 6.1a
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e, wordt ingediend:
a. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 2.14c, artikel 2.14d, onderscheidenlijk artikel 2.14e, indien het overleden kind, bedoeld in artikel 2.14b, is overleden voor inwerkingtreding van die artikelen; of
b. binnen zes maanden na de datum van overlijden van het overleden kind, bedoeld in artikel 2.14b.
### Artikel 6.1b
**1.**
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, of 2.9b, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, wordt ingediend:
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e, wordt ingediend:
a. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, indien de overleden aanvrager is overleden voor of op de datum van inwerkingtreding van die artikelen; of
b. bij overlijden na de inwerkingtreding van artikel 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, binnen zes maanden na de datum van overlijden van de overleden aanvrager.
a. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 2.14c, artikel 2.14d, onderscheidenlijk artikel 2.14e, indien het overleden kind is overleden voor of op de datum van inwerkingtreding van die artikelen; of
b. binnen zes maanden na de datum van overlijden van het overleden kind, indien het overleden kind is overleden na de datum van inwerkingtreding van afdeling 2.2a.
**2.**
Indien voorafgaand aan het overlijden van de overleden aanvrager aan die overleden aanvrager geen toekenning heeft plaatsgevonden van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, wordt een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, in afwijking van het eerste lid ingediend:
In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e ingediend tot zes maanden na de dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 door de partner, het kind, onderscheidenlijk de ouder van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van de artikelen 2.10 of 2.11, indien:
a. niet eerder dan na toekenning van een voorziening als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, of 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, aan de nabestaande; en
b. uiterlijk zes maanden na de datum waarop:
a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; en
b. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking.
1°. de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk vast komt te staan indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid; of
2°. de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid.
**3.**
In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e ingediend tot zes maanden na de dagtekening van de beschikking tot het toekennen van compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, door de partner, het kind, onderscheidenlijk de ouder van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van de artikelen 2.11a of 2.11b, indien:
a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; en
b. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking.
### Artikel 6.1b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 6.2
@ -1024,33 +910,29 @@ b. nog geen beschikking is gegeven op de aanvraag, bedoeld in onderdeel a, op:
### Artikel 6.2bis
**1.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, besluit de Belastingdienst/Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**1.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**2.** In afwijking van het eerste lid besluit de Belastingdienst/Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**2.** In afwijking van het eerste lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**3.** Op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14d of 2.14e, eerste lid, besluit de Belastingdienst/Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1a geldende aanvraagtermijnen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**3.**
In afwijking van het eerste en tweede lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijn van zes maanden na dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, indien het een aanvraag betreft van de partner van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van de artikelen 2.10 of 2.11, indien:
a. die aanvraag is gedaan voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking; en
b. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024.
**4.**
In afwijking van het eerste en tweede lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijn van zes maanden na dagtekening van de beschikking tot het toekennen van compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, indien het een aanvraag betreft van de partner van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van de artikelen 2.11a of 2.11b, indien:
a. die aanvraag is gedaan voorafgaand aan de datum van dagtekening van die beschikking; en
b. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024.
**5.** Op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14d of 2.14e, eerste lid, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1a geldende aanvraagtermijnen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
### Artikel 6.2ter
**1.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**2.** In afwijking van het eerste lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**3.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel b, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager kinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien die gedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**4.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid, waarop de in artikel 6.1b, eerste lid, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**5.** In afwijking van het vierde lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.9a, tweede lid, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**6.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid, waarop artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, onherroepelijk is geworden. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**7.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b geldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**8.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel b, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b geldende aanvraagtermijn, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager kinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien die gedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**9.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid, waarop de in artikel 6.1b, eerste lid, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b, eerste lid, geldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
**10.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid, waarop de in artikel 6.1b, tweede lid, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 6.2a
@ -1107,9 +989,11 @@ De Dienst Toeslagen verleent de kwijtschelding, bedoeld in artikel 3.1, uiterli
**6.** Uitbetaling van een vergoeding als bedoeld in artikel 4.7, vijfde lid, en betaling van de schulden, bedoeld in 4.7, tweede lid, vindt plaats op een daartoe door de werkgever, de persoon, de instelling of de gemeentelijke kredietbank, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, bestemde bankrekening.
**7.** Een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, een kind, pleegkind of voormalig pleegkind als bedoeld in het tweede lid, een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het derde lid, een curator of bewindvoerder als bedoeld in het vierde lid, een bewindvoerder als bedoeld in het vijfde lid, of een werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank als bedoeld in het zesde lid kan niet meer dan één bankrekening bestemmen voor de uitbetaling.
**7.** Een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, een kind, pleegkind of voormalig pleegkind als bedoeld in het tweede lid, een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het derde lid, een curator of bewindvoerder als bedoeld in het vierde lid, een bewindvoerder als bedoeld in het vijfde lid, een werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank als bedoeld in het zesde lid, of een rechthebbende of een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het negende lid kan niet meer dan één bankrekening bestemmen voor de uitbetaling.
**8.** Indien een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, een kind, pleegkind of voormalig pleegkind als bedoeld in het tweede lid, een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het derde lid, een curator of bewindvoerder als bedoeld in het vierde lid, een bewindvoerder als bedoeld in het vijfde lid, of een werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank als bedoeld in het zesde lid niet binnen een redelijke termijn een bankrekening heeft bestemd voor de uitbetaling, vindt de uitbetaling plaats op een bankrekening die op naam staat van de rechthebbende, het kind, pleegkind of voormalige pleegkind, de wettelijke vertegenwoordiger, de curator, de bewindvoerder onderscheidenlijk de werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank.
**8.** Indien een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, een kind, pleegkind of voormalig pleegkind als bedoeld in het tweede lid, een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het derde lid, een curator of bewindvoerder als bedoeld in het vierde lid, een bewindvoerder als bedoeld in het vijfde lid, een werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank als bedoeld in het zesde lid, of een rechthebbende of een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in het negende lid niet binnen een redelijke termijn een bankrekening heeft bestemd voor de uitbetaling, vindt de uitbetaling plaats op een bankrekening die op naam staat van de rechthebbende, het kind, pleegkind of voormalige pleegkind, de wettelijke vertegenwoordiger, de curator, de bewindvoerder, de werkgever, persoon, instelling of gemeentelijke kredietbank, onderscheidenlijk de rechthebbende of de wettelijke vertegenwoordiger, bedoeld in het negende lid.
**9.** Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.14f vindt plaats op een daartoe door de rechthebbende bestemde bankrekening die op diens naam staat. Indien de rechthebbende minderjarig is, vindt de uitbetaling plaats op een bankrekening die daartoe is bestemd door diens wettelijke vertegenwoordiger en die op naam staat van de rechthebbende.
### Artikel 6.9
@ -1123,7 +1007,7 @@ De Dienst Toeslagen verleent de kwijtschelding, bedoeld in artikel 3.1, uiterli
**5.** Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of, indien het kind, pleegkind of voormalig pleegkind dan wel, als hij minderjarig is, diens wettelijke vertegenwoordiger daarom heeft verzocht, op een latere datum, doch niet later dan 31 december 2025. In afwijking van de eerste zin kan een kind, pleegkind of voormalig pleegkind, dan wel als hij minderjarig is, diens wettelijk vertegenwoordiger, verzoeken om uitstel van uitbetaling tot een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van een tegemoetkoming indien die beschikking na 31 december 2024 is bekendgemaakt.
**6.** Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.16 of 2.17 vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of, indien de rechthebbende daarom heeft verzocht, op een latere datum, doch niet later dan 31 december 2025.
**6.** Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.16 of 2.17 vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of, indien de rechthebbende daarom heeft verzocht, op een latere datum, doch niet later dan een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van die compensatie.
**7.** Uitbetaling van een tegemoetkoming of vergoeding als bedoeld in artikel 2.15, tweede of derde lid, of artikel 2.15a, tweede of derde lid, door Onze Minister en uitbetaling door de Dienst Toeslagen van een vergoeding als bedoeld in artikel 4.6, zesde lid, of artikel 4.7, vijfde lid, en betaling van schulden als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, of 4.7, tweede lid, vindt plaats binnen vier weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt.
@ -1131,6 +1015,8 @@ De Dienst Toeslagen verleent de kwijtschelding, bedoeld in artikel 3.1, uiterli
**9.** Uitbetaling van de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen zes weken nadat de beschikking tot toekenning is bekendgemaakt of op een later moment indien de ex-partner daarom heeft verzocht, doch niet later dan een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van die compensatie.
**10.** Uitbetaling van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.14f vindt plaats door de Dienst Toeslagen binnen zes weken nadat de beschikking tot toekenning van die voorziening, onderscheidenlijk die tegemoetkoming, is bekendgemaakt of op een later moment indien de rechthebbende daarom heeft verzocht, doch niet later dan een jaar na dagtekening van die beschikking.
### Artikel 6.10
**1.** De Dienst Toeslagen kan compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.14h, eerste lid, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, terugvorderen van de aanvrager, indien hij de aanvraag heeft ingediend nadat dit artikel in werking is getreden en hij bij de aanvraag opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of geen recht had op toekenning van de compensatie, de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, de O/GS-tegemoetkoming of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade en hij dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten.
@ -1143,7 +1029,13 @@ De Dienst Toeslagen verleent de kwijtschelding, bedoeld in artikel 3.1, uiterli
### Artikel 6.10a
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het maken van bezwaar tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen die op grond van deze wet is gegeven aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
**1.** In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift dat is gericht tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen die op grond van deze wet is gegeven zestien weken.
**2.** In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het maken van bezwaar tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen die op grond van deze wet is gegeven aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
### Artikel 6.10aa
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de beslistermijn op een bezwaar gericht tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen op grond van deze wet aan op de dag na ontvangst van het bezwaarschrift, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder aanvangt dan zes weken nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen.
### Artikel 6.10b
@ -1171,7 +1063,7 @@ In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn
**9.** De inspecteur of ontvanger verstrekken desgevraagd aan de Dienst Toeslagen de gegevens en inlichtingen, die nodig zijn voor de uitvoering van deze wet, onder vermelding van het burgerservicenummer van degene op wie de gegevens of inlichtingen betrekking hebben.
**10.** Een gerechtsdeurwaarder die optreedt namens een schuldeiser met een opeisbare vordering van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, en voor wie de afkoelingsperiode, bedoeld in artikel 2.20, meer dan zes maanden geleden aangevangen is of van de ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, kan de naam, de geboortedatum, de adresgegevens, het bedrag aan schulden en bijkomende kosten en het burgerservicenummer van de schuldenaar op wie de opeisbare vordering betrekking heeft, verstrekken aan de Belastingdienst/ToeslagenDienst Toeslagen, om de Belastingdienst/ToeslagenDienst Toeslagen in staat te stellen die schuldenaar te benaderen om voor de opeisbare vordering tot een oplossing te komen.
**10.** Een gerechtsdeurwaarder die optreedt namens een schuldeiser met een opeisbare vordering van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, en voor wie de afkoelingsperiode, bedoeld in artikel 2.20, meer dan zes maanden geleden aangevangen is of van de ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, kan de naam, de geboortedatum, de adresgegevens, het bedrag aan schulden en bijkomende kosten en het burgerservicenummer van de schuldenaar op wie de opeisbare vordering betrekking heeft, verstrekken aan de Dienst Toeslagen, om de Dienst Toeslagen in staat te stellen die schuldenaar te benaderen om voor de opeisbare vordering tot een oplossing te komen.
### Artikel 6.12
@ -1279,9 +1171,15 @@ Op een beschikking die is gebaseerd op artikel 49g van de Algemene wet inkomens
### Artikel 8.8
**1.** De artikelen 3.6 tot en met 3.9, zoals zij luidden op 31 december 2023, blijven van toepassing op de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend.
Vervallen
**2.** In afwijking van het eerste lid worden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het college van burgemeester en wethouders en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schulden die ontstaan zijn na 31 december 2023, slechts kwijtgescholden of gerestitueerd na een voorafgaande aanvraag van de aanvrager.
### Artikel 8.9
De artikelen 6.10a, eerste lid, en 6.10aa zijn niet van toepassing ter zake van een beschikking die is gegeven voor de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Y, onderscheidenlijk artikel I, onderdeel Z, van de Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen en een bezwaar gericht tegen die beschikking.
### Artikel 8.10
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
@ -1325,11 +1223,13 @@ l. de artikelen 2.15, 6.5, 6.8, eerste lid, en 6.9, zevende lid, met betrekking
In afwijking van het eerste lid:
a. treedt artikel 8.7 in werking met ingang van 1 januari 2024;
b. treedt artikel 8.4, onderdelen C en D, in werking met ingang van 1 januari 2025 of op een bij koninklijk besluit te bepalen eerder tijdstip;
a. treedt artikel 8.7 in werking met ingang van 1 januari 2024 en werkt terug tot en met 26 januari 2021;
b. treedt artikel 8.4, onderdelen C en D, in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip;
c. treedt artikel 8.4, onderdeel E, in werking op het tijdstip waarop artikel IV, onderdeel H, van de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen in werking treedt; en
d. treedt artikel 8.4, onderdeel G, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat niet ligt voor 1 januari 2024;
e. treedt artikel 8.4, onderdeel F, in werking met ingang van 1 januari 2026.
e. treedt artikel 8.4, onderdeel F, in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
**3.** De artikelen 6.8, negende lid, en 6.9, tiende lid, zoals deze luiden direct na inwerkingtreding van artikel I, onderdelen SSa, onder 3, en TTa, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen, werken terug tot en met 22 april 2024 met betrekking tot een tegemoetkoming op grond van afdeling 2.2A.
### Artikel 9.3