2026-01-01 | BWBR0004163 | Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
This commit is contained in:
parent
f8ed888c77
commit
d97529d35d
1 changed files with 62 additions and 17 deletions
|
|
@ -24,7 +24,12 @@ d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6
|
|||
e. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
f. netto minimumloon: het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet;
|
||||
g. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht;
|
||||
h. uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het college, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
|
||||
h. uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het college, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
|
||||
i. eIDAS-verordening: verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257);
|
||||
j. elektronisch identificatiemiddel:
|
||||
|
||||
1°. een elektronisch identificatiemiddel dat in Nederland is uitgegeven op grond van een overeenkomstig de eIDAS-verordening aangemeld stelsel voor elektronische identificatiemiddelen met ten minste betrouwbaarheidsniveau substantieel als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b, van de eIDAS-verordening; of
|
||||
2°. een elektronisch identificatiemiddel dat is uitgegeven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte op grond van een stelsel voor elektronische identificatiemiddelen met ten minste betrouwbaarheidsniveau substantieel als bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b, van de eIDAS-verordening, en dat ten behoeve van de grensoverschrijdende authenticatie is erkend overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de eIDAS-verordening.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -66,7 +71,7 @@ d. gehuwde: als partner geregistreerde.
|
|||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
|
||||
|
||||
a. als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de gewezen zelfstandige met wie hij gehuwd is;
|
||||
b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
|
||||
b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een gewezen zelfstandige, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.
|
||||
|
||||
**3.** Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
|
||||
|
||||
|
|
@ -74,7 +79,7 @@ b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde pe
|
|||
|
||||
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
|
||||
|
||||
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
|
||||
a. zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van de uitkering met elkaar gehuwd zijn geweest of voor de verlening van de uitkering als gehuwden zijn aangemerkt;
|
||||
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
|
||||
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
|
||||
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
|
@ -143,10 +148,10 @@ c. de alleenstaande gewezen zelfstandige die met een of meer meerderjarige perso
|
|||
|
||||
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2:
|
||||
|
||||
1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht;
|
||||
2°. het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan € 30.968,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan € 35.807,00 per jaar bedragen; en
|
||||
4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag.
|
||||
1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, of, indien die aanvraag uiterlijk drie maanden na beëindiging van het bedrijf of beroep is ingediend, gedurende drie jaar voor die beëindiging, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht;
|
||||
2°. het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan € 33.467,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan € 36.090,00 per jaar bedragen; en
|
||||
4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag of de aanvraag is ingediend uiterlijk drie maanden na beëindiging van het bedrijf of beroep.
|
||||
|
||||
**3.** Het recht op uitkering komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -154,9 +159,9 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed
|
|||
|
||||
De grondslag bedoeld in het eerste lid, wordt zodanig vastgesteld dat voor:
|
||||
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 977,90;
|
||||
b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige netto gelijk is aan € 1.369,06;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de grondslag netto gelijk is aan € 977,90.
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 1.001,07;
|
||||
b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige netto gelijk is aan € 1.401,50;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de grondslag netto gelijk is aan € 1.001,07.
|
||||
|
||||
**5.** De in het tweede lid, onderdelen 2 en 3, genoemde bedragen worden gewijzigd met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wordt gewijzigd met het percentage van deze wijziging, zodanig dat deze netto gelijk zijn aan het netto minimumloon.
|
||||
|
||||
|
|
@ -225,9 +230,9 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan:
|
|||
a. voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en zijn echtgenoot;
|
||||
b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.
|
||||
|
||||
**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van € 170.725,00 buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% per 1 januari 2025: 3% per jaar van het vermogen.
|
||||
**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van € 175.864,00 buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% per 1 januari 2025: 3% per jaar van het vermogen.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes maanden tot 25 procent van dit inkomen, met een maximum van € 434,54 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes maanden tot 25 procent van dit inkomen, met een maximum van € 448,22 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -241,7 +246,7 @@ b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit arbeid of overig
|
|||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 271,32 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
|
||||
In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 276,66 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
|
||||
|
||||
a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,
|
||||
b. de periode van zes maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, en
|
||||
|
|
@ -249,18 +254,31 @@ c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
|
|||
|
||||
**10.** Het bedrag, genoemd in het negende lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Participatiewet genoemde bedrag wordt gewijzigd.
|
||||
|
||||
**11.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van dit inkomen uit arbeid, met een maximum van € 275,49 per maand, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het derde of negende lid van toepassing is.
|
||||
**11.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van dit inkomen uit arbeid, met een maximum van € 280,98 per maand, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het derde of negende lid van toepassing is.
|
||||
|
||||
**12.** Het bedrag, genoemd in het elfde lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het in artikel 31, tweede lid, onderdeel y, van de Participatiewet genoemde bedrag wordt gewijzigd.
|
||||
|
||||
**13.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 275,49 per maand, gedurende een periode van twaalf maanden nadat de periode van zes maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het elfde lid van toepassing is.
|
||||
**13.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 280,98 per maand, gedurende een periode van twaalf maanden nadat de periode van zes maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het elfde lid van toepassing is.
|
||||
|
||||
**14.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 275,49 per maand, nadat de periode van twaalf maanden, bedoeld in het dertiende lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt en het college gelet op de in de persoon gelegen omstandigheden een uitbreiding van zijn arbeidsomvang niet mogelijk acht.
|
||||
**14.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 280,98 per maand, nadat de periode van twaalf maanden, bedoeld in het dertiende lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt en het college gelet op de in de persoon gelegen omstandigheden een uitbreiding van zijn arbeidsomvang niet mogelijk acht.
|
||||
|
||||
**15.** De bedragen, genoemd in het dertiende en veertiende lid, worden gewijzigd met ingang van de dag waarop de in artikel 31, tweede lid, onderdelen z en aa, van de Participatiewet genoemde bedragen wordt gewijzigd.
|
||||
|
||||
**16.** De gewijzigde bedragen en de dag waarop de wijzigingen ingaan, worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 8a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De inkomsten uit arbeid worden niet met de uitkering verrekend:
|
||||
|
||||
a. gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden voor 15 procent van deze inkomsten per maand, indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van deze persoon;
|
||||
b. ten aanzien van degene die medisch urenbeperkt is: voor 15 procent van deze inkomsten per maand;
|
||||
|
||||
**2.** Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, is verstreken zonder dat deze is verlengd, kan het college nogmaals toepassing geven aan het eerste lid indien de persoon nadien een nieuw dienstverband is aangegaan.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. De hoogte van de uitkering
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
|
@ -339,6 +357,14 @@ b. wordt de belanghebbende voor de toepassing van de artikelen 37a, tweede lid,
|
|||
|
||||
**2.** De uitkering wordt door de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk aangevraagd, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een belanghebbende zich onverwijld na afwijzing van een aanvraag voor een uitkering op grond van de artikelen 43 of 78f van de Participatiewet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers meldt voor een aanvraag voor een uitkering, geldt de datum van melding voor de aanvraag voor die uitkering tevens als melding bedoeld in artikel 16a.
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
**1.** Indien na het eindigen van de uitkering binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere verlening van de uitkering gebruiken, indien dit leidt tot een, voor de belanghebbende, minder belastende aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.** Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
@ -349,6 +375,8 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid kan het college een uitkering toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -468,7 +496,7 @@ d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkr
|
|||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** het college betaalt de uitkering in het algemeen per maand.
|
||||
**1.** het college betaalt de uitkering in het algemeen per maand. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald wanneer de uitkering wordt betaald binnen de maand, bedoeld in de eerste zin.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de vakantie-uitkering, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande maanden, dan wel in de maand waarin de uitkering eindigt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -760,6 +788,23 @@ d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleens
|
|||
|
||||
Het college kan ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, degene die uitkering op grond van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met zesde en achtste tot en met tiende lid, van de Participatiewet alsmede de regels, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdelen c en d, van die wet, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 38b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het college kan op basis van individuele omstandigheden voor degene die inkomen uit arbeid en een uitkering ontvangt, ambtshalve een bufferbudget tot maximaal € 1.000 per kalenderjaar inzetten, indien:
|
||||
|
||||
a. de belanghebbende als gevolg van inkomstenverrekening instabiliteit in inkomen heeft of zal hebben waardoor die persoon of het gezin gedurende een of meer maanden op maandbasis minder dan de grondslag tot zijn beschikking heeft of daar redelijkerwijs over kan beschikken; en
|
||||
b. het bufferbudget naar het oordeel van het college bijdraagt aan het werken in deeltijd of aan volledige arbeidsinschakeling van deze persoon.
|
||||
|
||||
**2.** Het college wendt het bufferbudget aan om betalingen aan de belanghebbende te doen, of om een onverschuldigd betaalde uitkering te vereffenen vanwege het in aanmerking nemen van inkomsten uit arbeid, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de stabiliteit van de inkomensvoorziening in een of meer maanden.
|
||||
|
||||
**3.** Bij aanwending van het bufferbudget is artikel 5, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantiebijslag, wijzigt, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, gewijzigd met het percentage van deze wijziging.
|
||||
|
||||
**5.** Het gewijzigde bedrag en de dag waarop de wijziging ingaat, wordt door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
Gereserveerd.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue