2014-01-01 | BWBR0002515 | Wet op de dividendbelasting 1965

This commit is contained in:
Coornhert 2014-01-01 12:00:00 +00:00
parent a127f7d755
commit dadb5d13fc

View file

@ -67,7 +67,7 @@ h. het bedrag dat als storting wordt toegerekend aan elk van de bewijzen van dee
**3.** Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is een tijdelijke belegging. Ingeval deze aandelen drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren, worden zij op dat tijdstip geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Voor de toepassing van dit lid wordt onder een optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is van een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.
**4.** Inkoop van aandelen in een kalenderjaar door een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht wordt aangemerkt als een tijdelijke belegging, tenzij de instelling de inkoop terstond aanmerkt als een inkoop in de zin van het eerste lid, onderdeel a. Ingeval aan het einde van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging zijn ingekocht dan in dat jaar door de instelling in het economische verkeer zijn gebracht, worden de meer ingekochte aandelen geacht een inkoop van aandelen te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van de in de loop van het kalenderjaar als tijdelijke belegging ingekochte aandelen. Voor de toepassing van dit lid blijven aandelen die zijn ingekocht met het oog op de nakoming van een optieverplichting als bedoeld in het derde lid, en aandelen die in het economische verkeer zijn gebracht in het kader van een zodanige optieverplichting of ter voldoening van de in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde uitdelingsverplichting, buiten beschouwing.
**4.** Inkoop van aandelen in een kalenderjaar door een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht wordt aangemerkt als een tijdelijke belegging, tenzij de instelling de inkoop terstond aanmerkt als een inkoop in de zin van het eerste lid, onderdeel a. Ingeval aan het einde van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging zijn ingekocht dan in dat jaar door de instelling in het economische verkeer zijn gebracht, worden de meer ingekochte aandelen geacht een inkoop van aandelen te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van de in de loop van het kalenderjaar als tijdelijke belegging ingekochte aandelen. Voor de toepassing van dit lid blijven aandelen die zijn ingekocht met het oog op de nakoming van een optieverplichting als bedoeld in het derde lid, en aandelen die in het economische verkeer zijn gebracht in het kader van een zodanige optieverplichting of ter voldoening van de in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde uitdelingsverplichting, buiten beschouwing.
### Artikel 3a
@ -115,7 +115,7 @@ c. op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenom
**5.** Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verstrekt aan aangewezen banken en beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 5.14 van de Wet Inkomstenbelasting 2001.
**6.** Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**6.** Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**7.**
@ -168,7 +168,7 @@ b. met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde inflatiebijstelling.
### Artikel 4d
**1.** Bij een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
**1.** Bij een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
**2.**
@ -298,7 +298,7 @@ Artikel 3a, eerste lid, vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op a
### Artikel 16a
In aanvulling op artikel 4, zesde lid, mag bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 10bis.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
In aanvulling op artikel 4, zesde lid, mag bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 10bis.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 alsmede ten aanzien van de opbrengsten van stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 39f van de Wet op de loonbelasting 1964.
### Artikel 17