2011-01-01 | BWBR0008807 | Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit
This commit is contained in:
parent
7f678e9944
commit
db187f5def
1 changed files with 30 additions and 69 deletions
|
|
@ -16,7 +16,7 @@ citeertitel: Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit
|
|||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
|
||||
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
|
||||
b. college: het in artikel 2 bedoelde college.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Instelling, samenstelling en werkwijze van het college
|
||||
|
|
@ -27,41 +27,31 @@ b. college: het in artikel 2 bedoelde college.
|
|||
|
||||
**2.** Het college bezit rechtspersoonlijkheid.
|
||||
|
||||
**3.** De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Het college bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf vaste leden, de voorzitter daaronder begrepen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de vaste leden van het college.
|
||||
**2.** Onze Minister benoemt een van de vaste leden van het college tot voorzitter en een tot plaatsvervangend voorzitter.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister benoemt een van de vaste leden van het college tot voorzitter en een tot plaatsvervangend voorzitter.
|
||||
**3.** De vaste leden van het college worden benoemd voor een periode van vier jaar.
|
||||
|
||||
**4.** De vaste leden van het college worden benoemd voor een periode van vier jaar.
|
||||
**4.** Een vast lid kan worden herbenoemd.
|
||||
|
||||
**5.** Een vast lid kan worden herbenoemd.
|
||||
**5.** De vaste leden van het college hebben op persoonlijke titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last.
|
||||
|
||||
**6.** De vaste leden van het college hebben op persoonlijke titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last.
|
||||
**6.** De persoon die tussentijds tot lid wordt benoemd treedt af op het tijdstip waarop de reeds benoemde vaste leden aftreden.
|
||||
|
||||
**7.** De vaste leden van het college kunnen tussentijds, op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen worden ontslagen. Als zwaarwichtige redenen gelden in elk geval ongeschiktheid voor de functie, alsmede de onverenigbaarheden van functies of belangen, genoemd in artikel 4.
|
||||
|
||||
**8.** De persoon die tussentijds tot lid wordt benoemd treedt af op het tijdstip waarop de reeds benoemde vaste leden aftreden.
|
||||
|
||||
**9.** Zolang in een vacature van het college niet is voorzien, vormen de overblijvende vaste leden het college, met de bevoegdheden van het voltallige college.
|
||||
**7.** Zolang in een vacature van het college niet is voorzien, vormen de overblijvende vaste leden het college, met de bevoegdheden van het voltallige college.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Met het lidmaatschap van het college zijn onverenigbaar:
|
||||
|
||||
a. het werkzaam zijn bij een ministerie of bij een instelling, een dienst of een bedrijf, ressorterende onder de verantwoordelijkheid van een minister;
|
||||
b. het zitting hebben in een der Kamers der Staten-Generaal, in een provinciaal bestuur of in een gemeentebestuur;
|
||||
c. het hebben van financiële of andere belangen bij instellingen of bedrijven, waardoor de onpartijdigheid van het betrokken lid in het geding kan zijn.
|
||||
|
||||
**2.** De vaste leden leggen ten aanzien van het gestelde in het eerste lid, onder c, aan Onze Minister een verklaring af.
|
||||
Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is het lidmaatschap van het college onverenigbaar met het hebben van financiële of andere belangen bij instellingen of bedrijven, waardoor de onpartijdigheid van het betrokken lid in het geding kan zijn. De vaste leden leggen hierover een verklaring af aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling wordt de rechtspositie van de vaste leden van het college vastgesteld.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
|
|
@ -71,37 +61,35 @@ Bij ministeriële regeling wordt de rechtspositie van de vaste leden van het col
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Het college kan geassocieerde leden benoemen die op één of meer taakgebieden van het college een bijzondere deskundigheid bezitten.
|
||||
**1.** Op voordracht van het college kan Onze Minister geassocieerde leden benoemen die op één of meer taakgebieden van het college een bijzondere deskundigheid bezitten. Onze Minister schorst en ontslaat geassocieerde leden. Artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Geassocieerde leden nemen op uitnodiging van het college deel aan de vergaderingen van het college. Zij kunnen door het college worden betrokken bij de behandeling van aangelegenheden op de taakgebieden ten aanzien waarvan zij bijzondere deskundigheid bezitten. De geassocieerde leden hebben een adviserende stem.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing op de geassocieerde leden van het college.
|
||||
**3.** Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de geassocieerde leden van het college.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid, kunnen geassocieerde leden worden benoemd die beperkte belangen hebben bij instellingen of bedrijven in de post- of telecommunicatiemarkt. In dit geval ziet het college erop toe dat deze leden niet worden betrokken bij de behandeling van aangelegenheden ten aanzien waarvan belangenverstrengeling zou kunnen optreden.
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 4 kunnen geassocieerde leden worden benoemd die beperkte belangen hebben bij instellingen of bedrijven in de post- of telecommunicatiemarkt. In dit geval ziet het college erop toe dat deze leden niet worden betrokken bij de behandeling van aangelegenheden ten aanzien waarvan belangenverstrengeling zou kunnen optreden.
|
||||
|
||||
**5.** Het college kent aan de geassocieerde leden een vergoeding toe voor de door hen verrichte werkzaamheden. Deze vergoeding behoeft de instemming van Onze Minister. De geassocieerde leden hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing op de geassocieerde leden van het college.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
Het college stelt een reglement vast. Het reglement behoeft de instemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Het college stelt een bestuursreglement vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
De inkomsten van het college bestaan uit:
|
||||
|
||||
a. opbrengsten uit door belanghebbenden verschuldigde vergoedingen;
|
||||
b. een vergoeding door Onze Minister ten laste van de begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat;
|
||||
b. een vergoeding door Onze Minister ten laste van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken;
|
||||
c. andere baten.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Het college stelt voor 1 november een begroting vast voor het volgende kalenderjaar. De begroting behoeft de instemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Het college stelt voor 1 november de meerjarenraming vast voor de komende vijf kalenderjaren. De meerjarenraming behoeft de instemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Het college stelt voor 1 november de meerjarenraming vast voor de komende vijf kalenderjaren. De meerjarenraming behoeft de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
De vergaderingen van het college waarin de begroting, de meerjarenraming en het financiële verslag worden vastgesteld zijn openbaar.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
|
|
@ -109,17 +97,15 @@ De vergaderingen van het college waarin de begroting, de meerjarenraming en het
|
|||
|
||||
**2.** De secretaris is geen lid van het college. Hij heeft evenwel in de vergaderingen van het college een adviserende stem.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing op de secretaris van het college.
|
||||
**3.** Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de secretaris van het college.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** De rechtspositie van het personeel van het college is in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het college.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde regels.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
Het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994 is van overeenkomstige toepassing op het college, zijn secretaris en zijn personeel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Taken van het college
|
||||
|
||||
|
|
@ -146,29 +132,21 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** Het college stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde verslag omvat tevens, met ingang van het tweede verslagjaar, een globale beschrijving van de ontwikkeling van de markt in de post- en telecommunicatiesector.
|
||||
Het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, omvat tevens een globale beschrijving van de ontwikkeling van de markt in de post- en telecommunicatiesector.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
|
||||
**1.** Onze Minister verstrekt het college de inlichtingen die het voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister verstrekt het college de inlichtingen die het voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot gegevensstromen tussen Onze Minister en het college, die voor een goede uitvoering van deze wet noodzakelijk zijn.
|
||||
**2.** Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot gegevensstromen tussen Onze Minister en het college, die voor een goede uitvoering van deze wet noodzakelijk zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan, na overleg met het college, beleidsregels vaststellen met betrekking tot de door het college uit te oefenen taken. Indien de beleidsregels betrekking hebben op het opleggen van boetes geeft Onze Minister deze in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde beleidsregels worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Het college brengt jaarlijks aan Onze Minister voor 1 april een financieel verslag uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**2.** Het college stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
|
|
@ -176,28 +154,11 @@ Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de begroting, het financ
|
|||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De volgende handelingen van het college behoeven de instemming van Onze Minister:
|
||||
|
||||
a. het sluiten van overeenkomsten die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan;
|
||||
b. het handelen in registerzaken;
|
||||
c. investeringen die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan.
|
||||
|
||||
De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het is het college verboden:
|
||||
|
||||
a. dit onderdeel is nog niet in werking;
|
||||
b. rechtspersonen of vennootschappen op te richten of mede op te richten, dan wel daarin deel te nemen, tenzij het betreft een rechtspersoon waarin uitsluitend in het kader van de aan het college opgedragen taak wordt samengewerkt met andere nationale regelgevende instanties als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn nr. 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatiediensten (Kaderrichtlijn) (PbEG L 108), van overheidswege ingestelde toezichthoudende instellingen op het terrein van de elektronische communicatie uit landen behorende tot de Europese Vrijhandelsassociatie, of vergelijkbare instellingen uit landen die een verzoek hebben gedaan als bedoeld in artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie dat door de Raad van de Europese Unie is aanvaard.
|
||||
Het sluiten van overeenkomsten of het doen van investeringen door het college die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan, behoeven zijn voorafgaande instemming.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.** Indien naar het oordeel van Onze Minister het college de uitoefening van zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister bepalen dat de bevoegdheden die met die taken verband houden niet langer aan het college toekomen. De betrokken taken en bevoegdheden gaan in dat geval over op Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister doet binnen drie maanden een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur, waarbij wordt vastgesteld dat het college zijn taken niet langer naar behoren verrichtte.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Onderlinge verhouding tussen het college en andere diensten
|
||||
|
||||
|
|
@ -218,7 +179,7 @@ b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden g
|
|||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de wet en vervolgens na iedere vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het college. Dit verslag omvat mede een rapportage betreffende de wenselijkheid van het al dan niet voortzetten van het college. Het college is gehouden aan deze evaluatie medewerking te verlenen.
|
||||
In afwijking van artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zendt Onze Minister elke vier jaar een verslag aan de beide kamers der Staten-Generaal ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van het college. Dit verslag omvat mede een rapportage betreffende de wenselijkheid van het al dan niet voortzetten van het college. Het college is gehouden aan deze evaluatie medewerking te verlenen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue