From dc6ef129d126cc4a1f35ca59e2051bad4a462cf1 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sun, 1 Jan 2012 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2012-01-01 | BWBR0013042 | Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving --- .../BWBR0013042/README.md | 452 +----------------- 1 file changed, 24 insertions(+), 428 deletions(-) diff --git a/beleidsregel/beleidsregels-arbeidsomstandighedenwetgeving/BWBR0013042/README.md b/beleidsregel/beleidsregels-arbeidsomstandighedenwetgeving/BWBR0013042/README.md index e4711f87882..ae2848e6988 100644 --- a/beleidsregel/beleidsregels-arbeidsomstandighedenwetgeving/BWBR0013042/README.md +++ b/beleidsregel/beleidsregels-arbeidsomstandighedenwetgeving/BWBR0013042/README.md @@ -3,22 +3,18 @@ titel: Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving bwb_id: BWBR0013042 type: beleidsregel status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2005-03-01' +datum_inwerkingtreding: '2012-01-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0013042 citeertitel: Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving --- # Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving -## Hoofdstuk 1. Beleidsregels +## Hoofdstuk A. Beleidsregel Arbeidsomstandighedenwet ### Artikel 8 -**1.** De verplichting van de werkgever om er voor te zorgen dat een werknemer doeltreffend wordt voorgelicht en dat aan werknemers doeltreffend onderricht wordt verstrekt houdt mede in dat specifieke voorlichting en onderricht wordt gegeven aan zwangere werknemers en werknemers tijdens lactatie. - -**2.** De werkgever geeft een zwangere werknemer voorlichting over de risico's van haar werk voor haarzelf en haar (ongeboren) kind en de genomen maatregelen om deze risico's te voorkomen Bij deze voorlichting wordt ook aandacht besteed aan de rustruimte binnen het bedrijf. Deze voorlichting vindt plaats binnen twee weken nadat de zwangere werknemer aan de werkgever gemeld heeft zwanger te zijn. - -**3.** Tevens geeft de werkgever voorlichting aan de werknemer vóór het bevallingsverlof over de risico's van het werk voor de pas bevallen werknemer en de genomen maatregelen om deze risico's te voorkomen. Deze voorlichting betreft ook informatie inzake risico's van het werk voor kwaliteit en kwantiteit van de borstvoeding en de genomen maatregelen om deze risico's te voorkomen. +Vervallen ### Artikel 33 @@ -83,34 +79,9 @@ c. bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete kunnen de drie facto **9.** Indien de verwijtbaarheid ontbreekt, wordt conform artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursecht geen bestuurlijke boete opgelegd. -## Hoofdstuk 2. Beleidsregels - ### Artikel 1.42 -**1.** - -De verplichting van de werkgever om de arbeid van een zwangere werknemer en werknemer tijdens lactatie zodanig te organiseren dat de arbeid voor die werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor haar veiligheid en gezondheid en geen terugslag kan veroorzaken op de zwangerschap of lactatie, houdt ten minste in dat: - -a. de zwangere werknemer bij de arbeid niet wordt blootgesteld aan lichaamstrillingen of schokken met een versnelling van meer dan 0,25 m/s²; -b. de zwangere werknemer bij de arbeid niet wordt blootgesteld aan equivalente geluidsniveaus boven de 80 dB(A) en piekgeluiden boven 200 Pa; -c. de zwangere werknemer niet wordt blootgesteld aan klimaatomstandigheden, die kunnen worden beschouwd als onbehaaglijk; -d. de noodzaak tot bukken, hurken of knielen bij de arbeid voor de zwangere werknemer zoveel mogelijk wordt voorkomen. In de laatste drie maanden mogen zwangere werknemers niet worden verplicht dagelijks meer dan eenmaal per uur te hurken, knielen, bukken of staande voetpedalen te bedienen; -e. de noodzaak tot handmatig tillen van gewichten bij de arbeid door de zwangere of pas bevallen werknemer tot drie maanden na de bevalling zoveel mogelijk wordt beperkt en, als er toch handmatig gewichten getild worden: - -1°. het in één handeling te tillen gewicht gedurende de gehele zwangerschap en de periode tot drie maanden na de bevalling minder dan 10 kilogram bedraagt; -2°. vanaf de twintigste week van de zwangerschap gewichten van meer dan 5 kilogram niet meer dan 10 keer per dag worden getild; -3°. vanaf de dertigste week van de zwangerschap gewichten van meer dan 5 kilogram niet meer dan 5 keer per dag worden getild; -f. de zwangere werknemer of werknemer tijdens lactatie bij de arbeid niet wordt blootgesteld aan stoffen die de gezondheid van henzelf en/of hun (ongeboren) kind kunnen schaden; -g. de zwangere werknemer niet wordt verplicht, om in direct contact te komen met een ultrasonore trillingsbron. Voor ultrasonore luchttrillingen met frequenties boven 20 kHz geldt als voorlopige grenswaarde 110 dB(A) per tertsband. - -**2.** Klimaatomstandigheden worden beschouwd als onbehaaglijk als bedoeld in het eerste lid, onder c wanneer het predicted percentage of dissatisfied (PPD) bepaald op basis van NEN-EN-ISO 7730: 1996 "Gematigde thermische bmnenomstandigheden Bepalingen van de PMV- en de PPD-waarde en specificaties van de voorwaarden voor thermische behaaghjkheid", meer bedraagt dan 20%. - -**3.** - -Tot de stoffen bedoeld in het eerste lid, onder f, worden in elk geval gerekend: - -a. stoffen die de gezondheid schade kunnen toebrengen via een zogenaamd genotoxisch werkingsmechanisme en die via de moeder het ongeboren kind of de zuigeling kunnen bereiken, waaronder alle mutagene en vrijwel alle kankerverwekkende stoffen, -b. stoffen die, via een niet-genotoxisch werkingsmechanisme door blootstelling van de moeder de gezondheid van het ongeboren kind of de zuigeling kunnen schaden. +Vervallen ### Artikel 2-1 @@ -118,138 +89,7 @@ Vervallen ### Artikel 2-2 -**1.** - -Bij de uitwerking van de begripsomschrijving van een installatie voor bewerking, als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en onder g, van het Arbeidsomstandighedenbesluit namelijk het stelsel van vaten, apparaten en leidingen dat ten aanzien van de omsloten gevaarlijke stof als één geheel is te beschouwen, wordt, in volgorde van belangrijkheid, het volgende drietal elementen betrokken. - -a. De procesmatige afbakening. Bij procesmatige afbakening, passend in de begripsomschrijving ‘installatie voor bewerking’, wordt zoveel mogelijk aaneengesloten bij de definitie van proces, zijnde een samenhangend geheel van een of meer bewerkingen en/of reacties, waaraan stof(fen) word(t)(en) onderworpen. Voor de aanwijzing wordt de totale hoeveelheid gevaarlijke stof welke zich in de afgebakende installatie bevindt berekend. -b. De organisatorische afbakening. Geeft het criterium ‘procesmatige afbakening’ onvoldoende duidelijkheid, dan wordt de organisatorische afbakening toegepast. De afgebakende installatie bevat alleen procesapparatuur die wordt bediend door uitvoerend personeel behorende tot één organisatorische eenheid. -c. De ruimtelijke afbakening. Geeft het criterium ‘organisatorische afbakening’ vervolgens onvoldoende duidelijkheid, dan wordt de ruimtelijke afbakening toegepast. Bij de afbakening van installaties voor bewerking wordt rekening gehouden met de ruimterijke ligging van de processen ten opzichte van elkaar. De processtappen bevinden zich binnen een herkenbare ruimtelijke begrenzing van de installatie voor bewerking, dat wil zeggen in de onmiddellijke nabijheid van elkaar. - -**2.** In artikel 2.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is aangegeven dat een installatie voor verlading wordt aangemerkt als een installatie voor bewerking. De hoeveelheid gevaarlijke stof die zich in een transporteenheid bevindt wordt echter niet in de totale hoeveelheid meegenomen, tenzij de transporteenheid zich binnen de ruimtelijke grenzen van de afgebakende installatie bevindt. Indien de transporteenheid zich buiten de ruimtelijke grenzen van de afgebakende installatie bevindt, dient deze te worden aangemerkt als een installatie voor opslag. - -**3.** De afbakening van een installatie voor bewerking, zoals bedoeld in artikel 2.2 onder g, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan bij complexe procesinstallatie met een veelheid aan productieprocessen problemen geven. De nadere uitwerking moet aan die problemen tegemoet komen. Doel is dat de Aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE) een goede en op de praktijk gerichte beschrijving vormt, die recht doet aan de doelstellingen van de regelgeving, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het ARIE-besluit. - -**4.** Voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingseenheden (zakken, drums, flessen enz.) als bedoeld in artikel 2.2, onder h, van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient voor wat betreft de aanwijzing de totale hoeveelheid gevaarlijke stof in de zich op één plaats bevindende eenheden van verpakking beschouwd te worden. Bij het samenstellen van de ARIE kan ervoor gekozen worden de beschrijving van verschillende opslaginstallaties te combineren. Voor een tankpark kan dan met één set scenario’s worden volstaan. De verschillende risico’s moeten wel duidelijk beschreven blijven. - -**5.** - -Het uitgangspunt van de aanwijzing, als bedoeld in artikel 2.3, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is de vergelijking van de gecorrigeerde hoeveelheid gevaarlijke stof in de installatie met de grenswaarde van die stof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: - -a. De installatie is aangewezen als met betrekking tot enige gevarensoort geldt: - -- Q x O ≥ G, of anders geschreven A ≥ 1, waarbij A = (Q x O) / G - -Q = de hoeveelheid in de installatie aanwezige stof (of groep van stoffen) [kg]; - -O = de totale omstandigheidsfactor [-]; - -G = de grenswaarde van de stof (of groep van stoffen) [kg]; en - -A = aanwijzingsgetal [-]. -b. Bij mengsels van stoffen moeten de per stof berekende aanwijzingsgetallen per categorie (brandbaar, extreem toxisch en toxisch) gesommeerd worden. Omdat alleen bij mengsels van toxische stoffen sprake kan zijn van verschillende grenswaarden geldt die bepaling in de praktijk alleen daarvoor. -c. Bij ontplofbare stoffen (onder deze categorie zijn ook mengsels begrepen) schuilt, anders dan bij de hiervoor vermelde categorieÎn van gevaarlijke stoffen, het gevaar in de stof zelf, in die zin, dat de stof niet eerst vrij hoeft te komen alvorens het gevaar voor de werknemer manifest kan worden. Voor deze groep van stoffen zijn de heersende omstandigheden dan ook niet relevant en worden geen omstandigheidsfactoren in rekening gebracht. - -**6.** - -Bij de afleiding van grenswaarden voor toxische stoffen, als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt uitgegaan van het volgende schema: - -| **LC50 IHL-RAT/1h mg/m3** | **Hoedanigheid bij 25 ºC** | **Grenswaarde (kg)** | -| --- | --- | --- | -| 20 < LC ≤ 100 | gasvormig | 3 | -| | vloeibaar (L) | 10 | -| | vloeibaar (M) | 30 | -| | vloeibaar (H) | 100 | -| | vast ¹ | 300 | -| 100 < LC ≤ 500 | gasvormig | 30 | -| | vloeibaar (L) | 100 | -| | vloeibaar (M) | 300 | -| | vloeibaar (H) | 1000 | -| | vast ¹ | 3000 | -| 500 < LC ≤ 2.000 | gasvormig | 300 | -| | vloeibaar (L) | 1000 | -| | vloeibaar (M) | 3000 | -| | vloeibaar (H) | 10000 | -| | vast ¹ | GEEN | -| 2.000 < LC ≤ 20.000 | gasvormig | 3000 | -| | vloeibaar (L) | 10000 | -| | vloeibaar (M) | GEEN | -| | vloeibaar (H) | GEEN | -| | vast ¹ | GEEN | - -¹ als respirabele stof - -L: atmosferisch kookpunt tussen 25 °C en 50 °C - -M: atmosferisch kookpunt tussen 50 °C en 100 °C - -H: atmosferisch kookpunt boven 100 °C - -**7.** Op basis van het gestelde in artikel 2.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is een lijst van grenswaarden van toxische stoffen opgesteld, welke is opgenomen als bijlage 4 bij deze beleidsregels. Tevens is een lijst van explosieve stoffen vastgesteld, welke is opgenomen als bijlage 5a bij deze beleidsregels. De lijsten zijn niet limitatief. Ze kunnen worden aangevuld dan wel gewijzigd indien meer of betere gegevens bekend worden. Het kan daadoor voorkomen dat een installatie op het moment van aanvulling van de lijst ARIE-plichtig wordt. De verplichting tot het opstellen van een ARIE is dan gekoppeld aan het tijdstip waarop de desbetreffende stof met de bijbehorende grenswaarde voor het eerst op de lijst verschijnt’. - -**8.** Als de procestemperatuur bedoeld in artikel 2.5, onder e en f, van het Arbeidsomstandighedenbesluit gelijk is aan de omgevingstemperatuur, wordt een temperatuur van 25 °C aangehouden. - -**9.** - -De in artikel 2.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit omschreven omstandigheidsfactoren kunnen als volgt in tabelvorm samengevat worden: - -| | **Omstandigheidsfactoren** | **Waarde** | -| --- | --- | --- | -| a. | Factor O_s voor stof in opslag | 0,01 | -| b. | Factor O_c voor installatie binnen een omhulling | 10 | -| c. | Factor O_p : voor stof onder procesomstandigheden | | -| 1° | vloeistof met procestemperatuur ¹ boven atmosferisch kookpunt ² | 1 tot 10 (zie tabel) | -| 2° | vloeistof met procestemperatuur ¹ beneden atmosferisch kookpunt ² | 0,1 tot 1 (zie tabel) | -| 3° | stof in de gasfase | 10 | -| 4° | stof in de vaste fase (respirabel poeder) ³ | 0,1 | - -¹ Voor een procestemperatuur beneden 25 °C, zie 10e lid, onder d. - -² Voor gecompliceerde mengsels, zie 10e lid, onder a. - -³ Vaste toxische en extreem toxische stoffen worden alleen in beschouwing genomen voor zover ze in poedervorm voorkomen (respirabel). - -| **Procestemperatuur ten opzichte van het atmosferisch kookpunt:** | **Factor Op** | -| --- | --- | -| meer dan 90 °C lager | 0,1 | -| 80 °C tot 90 °C lager | 0,2 | -| 70 °C tot 80 °C lager | 0,3 | -| 60 ∞C tot 70 °C lager | 0,4 | -| 50 °C tot 60 °C lager | 0,5 | -| 40 °C tot 50 °C lager | 0,6 | -| 30 °C tot 40 °C lager | 0,7 | -| 20 °C tot 30 °C lager | 0,8 | -| 10 °C tot 20 °C lager | 0,9 | -| minder dan 10 °C lager of hoger danwel gelijk aan atm. kpt. | 1 | -| 10 °C tot 20 °C hoger | 2 | -| 20 °C tot 30 °C hoger | 3 | -| 30 °C tot 40 °C hoger | 4 | -| 40 °C tot 50 °C hoger | 5 | -| 50 °C tot 60 °C hoger | 6 | -| 60 °C tot 70 °C hoger | 7 | -| 70 °C tot 80 °C hoger | 8 | -| 80 °C tot 90 °C hoger | 9 | -| meer dan 90 °C hoger | 10 | - -**10.** - -Gecompliceerde mengsels. Bepaling van de factor O_p - -a. Indien sprake is van een mengsel van een groot aantal stoffen met verschillende kookpunten, is het vaak niet doenlijk de berekening voor elke stof afzonderlijk uit te voeren (te denken valt aan aardolieproducten). In die gevallen kan voor het kookpunt van het mengsel het zogenaamde 10% punt aangehouden worden (de temperatuur waarbij tien procent van het mengsel bij een standaard- testmethode overgedestilleerd is). -b. Voor gevaarlijke stoffen die zijn verdund met een ongevaarlijk oplosmiddel, bijvoorbeeld ammoniak in water, zoutzuur in water of alcohol in water, moet uitsluitend de in de installatie aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stof, los van het oplosmiddel beschouwd worden. -c. De factor O_p mag in een dergelijk geval tussen de grenzen 0,1 en 10 worden afgestemd op het onder de procescondities te verwachten dampgenererend vermogen bij de ontsnapping van de oplossing. De factor wordt berekend door de partiële dampspanning van de gevaarlijke stof boven de oplossing bij de procestemperatuur, te delen door de atmosferische druk. Bij de berekening van de factor moet deze op een geheel getal afgerond worden indien het resultaat tussen één en tien ligt en op één decimaal indien het resultaat kleiner dan één is, met dien verstande dat de ondergrens 0,1 is. - -Bij de voorbeelden in de toelichting bij deze beleidsregel is een dergelijk geval uitgewerkt. -d. Bij een procestemperatuur beneden 25°C wordt O_p voor vloeistoffen als volgt verhoogd: - -met dien verstande dat de resulterende O_p maximaal 10 bedraagt. -e. De totale omstandigheidsfactor O is gelijk aan het product van de factor voor opslag (O_s), de factor voor omhulling(O_c) en de procesfactor(O_p) . - -**11.** - -Omstandigheidsfactor voor opslag. - -In of aan installaties voor opslag kunnen voorzieningen zijn getroffen die tot doel hebben de opgeslagen stof onder opslagcondities te houden. (Bijvoorbeeld een warmtewisselaar, roerwerk, circulatiesysteem, doseersysteem). Het in gebruik hebben van een dergelijke voorziening heeft niet tot gevolg dat de installatie voor opslag als een installatie voor bewerking bezien moet worden. De toe te kennen omstandigheidsfactor blijft 0,01. +Vervallen ### Artikel 2.21 @@ -269,17 +109,7 @@ Vervallen ### Artikel 3.5g -1 -**1.** - -Adequaat onderzoek als bedoeld in artikel 3.5g, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in dat voor het betreden van de ruimte in deze ruimte met geschikte meetapparatuur wordt vastgesteld of de feitelijke situatie zodanig is dat gevaren voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie niet zullen optreden. Dit wordt vastgesteld door achtereenvolgens: - -a. bepaling van het zuurstofgehalte als de kans op verstikking of van een met zuurstof verrijkte atmosfeer bestaat; -b. bepaling van de samenstelling van het mengsel dat een risico vormt ten aanzien van brand of explosie; -c. bepalingen van de concentraties van aanwezige stoffen wanneer de kans op vergiftiging of bedwelming bestaat en vergelijking van de gemeten waarden met wettelijke grenswaarden. - -**2.** Gedurende de werkzaamheden worden frequente herhalingsmetingen uitgevoerd van de aanwezige stoffen en zuurstof indien de kans op brand, vergiftiging, verstikking of bedwelming in de ruimte of nabij de toegang van de ruimte tijdens de werkzaamheden blijft bestaan of vergroot wordt. - -**3.** Het onderzoek wordt uitgevoerd door personen, die zowel op de hoogte zijn van de gevaren van bedoelde ruimten als van de van toepassing zijnde meetmethoden en zodanig dat de resultaten eenduidig en betrouwbaar zijn. De resultaten worden schriftelijk vastgelegd. +Vervallen ### Artikel 3.5g -2 @@ -299,32 +129,7 @@ Vervallen ### Artikel 3.16 -**1.** Het tegengaan van valgevaar bij het verrichten van arbeid op pluklorries, die voor 1-1-1992 in gebruik zijn genomen in champignonkwekerijen of kassen, is in overeenstemming met artikel 3.16, eerste lid, indien randbeveiliging is aangebracht bij valgevaar van 1,20 m of meer. - -**2.** Het tegengaan van valgevaar bij montage van liften in liftschachten vanaf een montageplatform of vanaf een bewegende vloer is in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, eerste lid indien wordt voldaan aan de eisen voor bewegende vloeren in liftschachten, zoals werden gepubliceerd in Mededeling 236, derde kwartaal 1992 van het Liftinstituut. - -**3.** - -Hekwerken cq. randbeveiligmgen worden als doelmatig aangemerkt indien: - -a. ten aanzien van de constructie - -1°. zij aan de bovenzijde zijn voorzien van een stevige leuning op tenminste 1,0 m boven het werkvlak, -2°. zij bij open constructies aan de onderzijde aansluitend op het werkvlak zijn voorzien van een kantplank van 15 cm hoog, indien uitsteeksels het aansluiten verhinderen, is hierop enige afwijking (15 cm) toegestaan, mits in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.17 maatregelen zijn genomen die voorkomen, dat personen kunnen worden getroffen door voorwerpen, die door de aldus ontstane opening(-en) vallen of rollen en -3°. in open constructies de openingen zodanig beperkt blijven, dat een kubus met zijden van 47 cm de openingen niet kan passeren. -b. ten aanzien van de sterkte - -1°. zij niet bezwijken bij een op de meest ongunstige plaats aangebrachte neerwaartse belasting van 1,25 kN danwel de vervorming ten gevolge van die belasting van dien aard is dat de functionaliteit van het hekwerk c.q. de randbeveiliging gewaarborgd blijft, -2°. zij zijdelings niet meer dan 3,5 cm doorbuigen en niet worden verplaatst bij een horizontale belasting van 0,3 kN en -3°. zij in functie blijven (niet uit een aanwezige bevestiging worden getild) bij een opwaarts gerichte belasting van 0,3 kN. - -**4.** Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven, indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2,0 m beperkt worden. - -**5.** Werkvloeren zijn altijd gesloten of dichtgelegd. Voor afwateringsdoeleinden e.d. zijn geringe openingen toegestaan, die door een kubus met zijden van 8 cm met kunnen worden gepasseerd. - -**6.** Onder "het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat" wordt ook verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. Doelmatige voorzieningen hiervoor kunnen ladders zijn, mits deze bij klimhoogten van 10 m of meer op maximale afstanden van 7,50 m zijn onderbroken door rustbordessen. Op het te betreden vlak is aan weerszijden van de toegang randbeveiliging aangebracht over een lengte van 4,0 m of sluit de toegang aan op de aanwezige randbeveiliging. - -Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de voorschriften voor de voorzieningen bij valgevaar zoals die in de schepenwetgeving zijn opgenomen. +Vervallen ### Artikel 3.19 @@ -340,21 +145,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.1c -2 -**1.** - -Aan de vermelding op de verpakking van de naam van de stof en van de aanduiding van de aard van de gevaren van een stof, als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, onder i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als de vermelding tenminste omvat: - -a. de naam van de gevaarlijke stof en de relevante gevaarlijke bestanddelen, -b. gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen, -c. waarschuwingszinnen - -**2.** Voor de aanduiding geldt dat een stof niet alleen in een gevaarscategorie wordt ingedeeld als de desbetreffende indelingscriteria van de Wet milieubeheer (Wm) daartoe aanleiding geven, maar ook als onderzoeksresultaten met die stof voldoen aan de criteria van de Wm. - -**3.** In afwijking van het eerste lid worden op laboratoriumhulpmiddelen die voor steeds wisselende chemicaliën worden gebruikt, niet steeds alle voor de werkpleketikettering verplichte aanduidingen aangebracht. In dit geval wordt aan de verplichting als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, onder i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als voor een enkelvoudige stof de officiële stofnaam, en voor een meervoudige stof de gangbare benaming of de gevaarlijke bestanddelen op de bedoelde hulpmiddelen worden aangebracht. Deze aanduidingen zijn niet verplicht wanneer hulpmiddelen alleen gebruikt worden voor kortdurende handelingen. - -**4.** In afwijking van het eerste lid wordt in het geval van opslag van stoffen in grotere hoeveelheden in speciale opslagruimten aan artikel 4.1c, eerste lid, onder i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan, wanneer voor meerdere identieke verpakkingen door middel van één etiket-afdruk (bijvoorbeeld op een bord) opvallend en goed leesbaar de verplichte aanduidingen aangebracht zijn. Deze aanduidingen worden zodanig aangebracht dat voor elke afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter plekke duidelijk is dat de aanduidingen op de betreffende verpakking van toepassing zijn. Wanneer stoffen uitsluitend voor de verkoop zijn opgeslagen kan worden volstaan met het aanbrengen van de aanduidingen welke krachtens de Wm of andere regelgeving bij aflevering in Nederland verplicht zijn. - -**5.** In afwijking van het eerste lid wordt in geval van het vervoer en het laden en lossen van gevaarlijke stoffen aan artikel 4.1c, eerste lid, onder i, voldaan, als de vervoerders (chauffeurs en bijrijders) en de laders en lossers tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de gegevens welke op grond van het tweede lid op het etiket zouden moeten zijn vermeld. Het in het eerste lid gestelde vindt geen toepassing voor die gevallen waarop de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing is. +Vervallen ### Artikel 4.1c -3 @@ -362,37 +153,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.1c -4 -**1.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de ademzone van werknemers de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden overschrijden. - -**2.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage XIII bij de Arbeidsomstandighedenregeling. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - -**3.** - -Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen): - -a. R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid" -b. R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid" -c. R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid" -d. R34: "Veroorzaakt brandwonden" -e. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden" -f. R38: "Irriterend voor de huid" -g. R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid" -h. S36: "Draag geschikte beschermende kleding" -i. S37: "Draag geschikte handschoenen" - -In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - -**4.** - -Maatregelen als bedoeld in artikel 4.1c, eerste lid, en artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veihgheidsaanbevelingen: - -a. R34: "Veroorzaakt brandwonden" -b. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden" -c. R36: "Irriterend voor de ogen" -d. R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel" -e. S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen" In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - -Deze beleidsregel is niet van toepassing op stoffen die in de vorm van lading vervoerd worden. +Vervallen ### Artikel 4.1c -5 @@ -408,18 +169,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.2 -1 -**1.** Aan de verplichting tot het bepalen van de gevaren van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft de blootstelling via inademingslucht voldaan als de werkgever het vastgestelde blootstellingsniveau van een stof toetst aan de voor die stof vastgestelde grenswaarde, volgens de methodiek beschreven in NEN-EN 689:1995 "Werkplekatmosfeer. - -**2.** - -Aan de verplichting tot beoordeling van de aard van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voldaan als de werkgever over die stoffen welke door blootstelling aan werknemers schade aan hun gezondheid kunnen veroorzaken, de volgende gegevens vastlegt: - -a. de identiteit van de stof, -b. de aard van de gevaren, -c. de wijze van mogelijke blootstelling en -d. het werk of de werkwijze die met de blootstelling verband houdt. - -**3.** Als de beoordeling van de mate van de blootstelling, zoals bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van een schatting wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid alleen als hij deze schatting door middel van een berekening kwantitatief goed kan onderbouwen en schriftelijk heeft weergegeven bij de bepaling of een schatting van de mate van blootstelling in een gegeven blootstellingssituatie volstaat dienen de randvoorwaarden zoals genoemd in NEN-EN 689 in acht te worden genomen. +Vervallen ### Artikel 4.2 -2 @@ -463,66 +213,11 @@ Vervallen ### Artikel 4.6 -6 -Ten aanzien van de opslag of toepassing van kooldioxide worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - -**1.** - -In betreedbare ruimten waar kooldioxide wordt opgeslagen of toegepast, waaronder begrepen arbeid aan of verwijderen van reservoirs, installaties of andere verpakkingen waarin zich kooldioxide bevindt, wordt het kooldioxidegehalte permanent gemeten met een vast opgestelde detector in de volgende situaties: - -a. in ruimten kleiner dan 100 m^3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan vier keer per uur bedraagt; -b. in ruimten groter dan 100 m^3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan twee keer per uur bedraagt. - -**2.** Indien ventilatie wordt toegepast vindt afzuiging dicht bij de bodem (op ca 25 cm boven de bodem) plaats. - -**3.** Indien in situaties als bedoeld in het eerste lid een stationaire meting redelijkerwijs niet uitvoerbaar is wordt voordat de ruimte wordt betreden alsmede tijdens het verblijf in die ruimte het kooldioxidegehalte gemeten met een draagbare detector. - -**4.** - -De detectoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn voorzien van CE-markering en hebben. - -a. een vooralarm dat in werking treedt wanneer de kooldioxideconcentratie in de ruimte 30 000 mg/m^3 (1,5 volumeprocent) bedraagt, -b. een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de kooldioxideconcentratie in de ruimte 55 000 mg/m^3 (3,0 volumeprocent) bedraagt. - -**5.** Bij overschrijding van een kooldioxideconcentratie van 55 000 mg/m^3 worden maatregelen getroffen om de toegang tot de ruimte te beletten dan wel wordt de ruimte alleen betreden met gebruik van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen. - -**6.** De goede werking van de detectoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, is gewaarborgd door middel van periodiek onderhoud en deskundige controle. - -**7.** - -Deze beleidsregel is niet van toepassing op - -a. ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid kooldioxide minder dan 3,0 kg bedraagt en -b. kooldioxide in kleine draagbare brandblusapparaten tot 20 kg totale massa - -*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)* +Vervallen ### Artikel 4.6 -7 -Ten aanzien van de opslag en toepassing van vloeibare stikstof worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid. van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - -**1.** - -In betreedbare ruimten waar vloeibare stikstof wordt opgeslagen of toegepast, waaronder begrepen het vullen, leegmaken of verwijderen van reservoirs of installaties, wordt het zuurstofgehalte permanent gemeten met een vast opgestelde detector in de volgende situaties: - -a. in ruimten kleiner dan 100 m^3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan vier keer per uur bedraagt; -b. in ruimten groter dan 100 m^3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan twee keer per uur bedraagt. - -**2.** Indien in situaties als bedoeld in het eerste lid een stationaire meting redelijkerwijs met uitvoerbaar is wordt voordat de ruimte wordt betreden alsmede tijdens het verblijf in die ruimte het zuurstofgehalte gemeten met een draagbare detector. - -**3.** - -De detectoren bedoeld in het eerste en tweede lid zijn voorzien van CE-markering en hebben. - -a. een vooralarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ruimte 19 volumeprocent bedraagt; -b. een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ruimte lager is dan 18 volumeprocent. - -**4.** Bij een zuurstofconcentratie van 18 volumeprocent of lager worden maatregelen getroffen om de toegang tot de ruinte te beletten dan wel wordt de ruimte alleen betreden met gebruik van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen. - -**5.** De goede werking van de detector blijft gewaarborgd door middel van periodiek onderhoud en deskundige controle. - -**6.** Deze beleidsregel is niet van toepassing voor ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid vloeibare stikstof minder dan 3,0 kg bedraagt. - -*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)* +Vervallen ### Artikel 4.14 @@ -534,33 +229,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.18 -1 -Maatregelen als bedoeld in artikel 4.18, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als - -1. het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een niet-genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt; -2. het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt. Bovendien moet een zo laag mogelijk blootstellingsniveau worden nagestreefd; -3. huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld zoals opgenomen in de lijst van grenswaarden in bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling, of die kankerverwekkend zijn voor de huid. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in 4.18, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. -4. huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende of mutagene stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen): - -a. R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid" -b. R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid" -c. R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid" -d. R34: "Veroorzaakt brandwonden" -e. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden" -f. R38: "Irriterend voor de huid" -g. R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid" -h. S36: "Draag geschikte beschermende kleding" -i. S37: "Draag geschikte handschoenen" - -In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in 4.18, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. -5. oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen): - -a. R34: "Veroorzaakt brandwonden" -b. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden" -c. R36: "Irriterend voor de ogen" -d. R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel" -e. S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen" - -In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.18, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. +Vervallen ### Artikel 4.18 -2 @@ -580,20 +249,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.19 -**1.** - -Aan het gestelde in artikel 4.19, onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als mondeling en schriftelijk voorlichting en onderricht wordt gegeven over: - -a. de gevaren van desbetreffende kankerverwekkende en mutagene stoffen en de werkzaamheden ermee; -b. het veilig omgaan met deze stoffen; -c. hoe blootstelling zoveel mogelijk kan worden voorkomen; -d. hoe bij calamiteiten dient te worden gehandeld, een en ander conform de in artikel 4.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde procedure; -e. het voorkomen op de lijst van blootgestelde werknemers en het recht op inzage; -f. het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. De voorlichting en instructie worden tenminste een keer per jaar herhaald. - -**2.** Aan het gestelde in artikel 4.19, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als gevarenzones duidelijk zijn afgebakend en de toegangen tot een gevarenzone zijn gemarkeerd met een doodshoofdsymbool dat met betrekking tot de vormgeving voldoet aan het gestelde in of krachtens artikel 8.4 en dat voorzien is van de tekst "kankerverwekkende stoffen. Verboden voor onbevoegden". - -**3.** Vervallen. +Vervallen ### Artikel 4.45 @@ -605,7 +261,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.47c -Indien de melding als bedoeld in artikel 4.47c, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit schriftelijk wordt verricht, wordt hij als tijdig beschouwd als de melding van de in dit artikel genoemde gegevens schriftelijk wordt gedaan uiterlijk vijf werkdagen vóór het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. In afwijking daarvan kan bij spoedgevallen worden volstaan met een melding met een uiterste termijn van twee werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. Indien de melding elektronisch wordt verricht, wordt hij als tijdig beschouwd, als de melding wordt gedaan uiterlijk twee werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. Als asbest onverwacht wordt aangetroffen tijdens een sloop of bij calamiteiten kan worden volstaan met een onmiddellijke melding. Indien dit laatste betekent dat de melding buiten kantooruren zou moeten plaatsvinden, dient deze te geschieden direct bij het begin van de eerstvolgende werkdag. +Vervallen ### Artikel 4.51 @@ -625,18 +281,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.60 -Onder het bewerken of verwerken van zandsteen dat noodzakelijk is voor het behoud van monumenten als bedoeld in de Monumentenwet 1988 als bedoeld in artikel 4.60, tweede lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt verstaan: - -1. het uitvoeren van herstelwerkzaamheden in de vorm van het bewerken of verwerken van *bestaande* zandsteen-elementen in een monumentl; -2. het gebruik van *nieuwe* zandsteen onder de volgende voorwaarden: - -a. De nieuwe zandsteen is van dezelfde soort als de verwijderde zandsteen. -b. De hoeveelheid nieuwe zandsteen bedraagt met meer dan de hoeveelheid verwijderde zandsteen. -c. De nieuwe zandsteen wordt in het zicht aangebracht. -d. De toepassing van nieuwe zandsteen is noodzakelijk in verband met de eigenschappen van de steen, zowel ten aanzien van zichtbare verweringsaspecten als van verstoring in het watertransport. -e. Er is sprake van het behoud van een architectonische eenheid, die destijds als één bouwfase is gerealiseerd en nagenoeg geheel uit zandsteen bestaat. -f. In geval van een "lappendeken" van verschillende steensoorten wordt geen nieuwe zandsteen toegepast, tenzij de betreffende zandstenen onderdelen een zelfstandige architectonische eenheid vormen. -g. Beschilderde zandsteen wordt niet door nieuwe zandsteen vervangen, tenzij de eigenschappen van de steen in het betreffende object, toepassing van andere steensoorten onmogelijk maken in verband met verstoring in het watertransport. +Vervallen ### Artikel 4.87a @@ -660,44 +305,7 @@ Vervallen ### Artikel 4.113 -**1.** - -Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de individuele ademhalingszone van thuiswerkers de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden overschrijden. Daarnaast wordt in acht genomen dat bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, de zogenaamde additieregel geldt, als bedoeld in bijlage 7, behorend bij beleidsregel 4.2-1, voor het vaststellen van de waarde die niet mag worden overschreden. Daarnaast wordt het volgende in acht genomen: - -a. Als voor de desbetreffende stof geen wettelijke of bestuurlijke grenswaarde is vastgesteld, geldt dat overschrijding van een door de werkgever vast te stellen grenswaarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd, strijdig is met het bepaalde in dit lid. -b. Bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7 bij deze beleidsregels, voor het vaststellen van de waarde die met mag worden overschreden. - -**2.** Het ter beschikking stellen van persoonlijke ademhalingsbeschermingsmiddelen ingeval van voorzienbare overschrijding van de in het eerste lid bedoelde waarde is geen doeltreffende maatregel als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. - -**3.** Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage XIII bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dan wel door de werkgever bij uitvoering van de artikelen 4.3 en 4.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen. - -**4.** - -Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen): - -a. R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid" -b. R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid" -c. R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid" -d. R34: "Veroorzaakt brandwonden" -e. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden" -f. R38: "Irriterend voor de huid" -g. R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid" -h. S36: "Draag geschikte beschermende kleding" -i. S37: "Draag geschikte handschoenen" - -In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen. - -**5.** - -Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen. - -a. R34: "Veroorzaakt brandwonden" -b. R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden" -c. R36: "Irriterend voor de ogen" -d. R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel" -e. S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen". - -In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtbeschermingsmiddelen gedragen. +Vervallen ### Artikel 5.2 -1 @@ -813,13 +421,7 @@ Vervallen ### Artikel 7.4 -3 -**1.** - -Vierwielige trekkers met een massa groter dan 800 kg zijn ter voldoening aan artikel 7.4, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, ter bescherming van de bestuurder of meerijder(s) tegen het gevaar van kantelen of achter overslaan, uitgerust met een doelmatige veiligheids-cabine, -frame of -beugel. - -In geval zij zijn voorzien van een open veiligheidsframe of -beugel zijn zij tevens uitgerust met veiligheidsgordels voor de zitplaatsen van bestuurder en meerijder(s); - -**2.** Ter voldoening aan het gestelde in artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn de in het eerste lid van deze beleidsregel bedoelde trekkers uitgerust met een laag aankoppelpunt om het gevaar voor achteroverslaan te voorkomen. +Vervallen ### Artikel 7.4 -4 @@ -889,17 +491,7 @@ Vervallen Vervallen -## Hoofdstuk 3. Beleidsregels arbeidsomstandighedenregeling - -### Artikel 4.32a - -Vervallen - -### Artikel 5.1 - -Vervallen - -## Hoofdstuk 4. Slotbepalingen +## Hoofdstuk B. Slotbepalingen ## Bijlage 1 @@ -909,13 +501,15 @@ Vervallen ## Bijlage 4 +Vervallen + ## Bijlage 5 Vervallen ## Bijlage 5a -NB In de berekening van bovenstaande grenswaarden is een extra correctiefactor van 0,1 toegepast voor stoffen die zeer gevoelig zijn voor mechanische prikkels of die extra gevaarlijk zijn door hun giftigheid. +Vervallen ## Bijlage 6 @@ -923,6 +517,8 @@ Vervallen ## Bijlage 7 +Vervallen + ## Bijlage 8 Vervallen