diff --git a/wet/natuurbeschermingswet-1998/BWBR0009641/README.md b/wet/natuurbeschermingswet-1998/BWBR0009641/README.md index 28eee86ef03..6822672b3d5 100644 --- a/wet/natuurbeschermingswet-1998/BWBR0009641/README.md +++ b/wet/natuurbeschermingswet-1998/BWBR0009641/README.md @@ -21,14 +21,22 @@ b. natuurmonument: terrein of water, dan wel samenstel van terreinen of wateren, c. eigenaar: degene, die in de basisregistratie kadaster als eigenaar staat vermeld, met dien verstande dat indien op een onroerende zaak een eeuwig durend recht van erfpacht of een recht van beklemming rust, daaronder wordt verstaan de erfpachter of de beklemde meier, en dat bij onroerende zaken die aan een niet eeuwig durend recht van erfpacht, een recht van vruchtgebruik of een recht van opstal zijn onderworpen, daaronder mede zijn begrepen degenen, die in de basisregistratie kadaster als erfpachter, vruchtgebruiker of opstalhouder staan vermeld, een en ander voorzover niet de rechtstoestand is gebleken een andere te zijn dan de basisregistratie kadaster aangeeft; d. gebruiker: degene, die uit hoofde van een andere rechtsverhouding dan onder d genoemd een onroerende zaak in gebruik heeft; e. landschapsgezicht: samenstel van onbebouwde terreinen of van bebouwde en onbebouwde terreinen dat vanwege zijn structuren, patronen of elementen danwel anderszins vanwege zijn uiterlijke verschijningsvorm, historisch-landschappelijk van algemeen belang is; -f. richtlijn (EEG) nr. 79/409: richtlijn (EEG) nr. 79/409 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103); -g. richtlijn (EEG) nr. 92/43: richtlijn (EEG) nr. 92/43 van de Raad van Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); -h. prioritaire soort: als prioritair aangeduide soort in bijlage II van de richtlijn (EEG) nr. 92/43; -i. prioritaire type natuurlijke habitat: als prioritair type aangeduide natuurlijke habitat in bijlage I van de richtlijn (EEG) nr. 92/43; -j. initiatiefnemer: degene die het initiatief neemt tot een plan, project of andere handeling als bedoeld in artikel 19d, eerste lid; +f. richtlijn 79/409/EEG: richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103); +g. richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); +h. prioritaire soort: als prioritair aangeduide soort in bijlage II van de richtlijn 92/43/EEG; +i. prioritaire type natuurlijke habitat: als prioritair type aangeduide natuurlijke habitat in bijlage I van de richtlijn 92/43/EEG; +j. initiatiefnemer: degene die het initiatief neemt tot een plan als bedoeld in artikel 19j of tot een project of andere handeling als bedoeld in artikel 19d, eerste lid; k. instandhoudingsdoelstelling: doelstelling of doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, tweede lid; -l. Natura 2000: Europees ecologische netwerk dat bestaat uit de speciale beschermingszones als bedoeld in de richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43; -m. bestaande gebruik: een activiteit, die al dan niet jaarlijks vergunning behoeft, en op het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument of ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43 bestond en sedertdien onafgebroken heeft plaatsgevonden. +l. Natura 2000: Europees ecologische netwerk dat bestaat uit de speciale beschermingszones, bedoeld in de richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG; +m. bestaand gebruik: + +1°. iedere handeling die op 1 oktober 2005 werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd. +2°. Iedere handeling die op het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument of ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG dan wel op het moment van aanmelding bij de Europese Commissie van een gebied ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd, voor zover die aanwijzing of aanmelding plaatsvindt na 1 oktober 2005; +n. Natura 2000-gebied: + +1°. gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid, +2°. gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, of +3°. gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG. ### Artikel 2 @@ -36,11 +44,17 @@ m. bestaande gebruik: een activiteit, die al dan niet jaarlijks vergunning behoe **2.** Gedeputeerde staten wijzen landschapsgezichten, die mede zijn gelegen in een andere provincie, niet aan als beschermd landschapsgezicht dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van die andere provincies. -**3.** Gedeputeerde staten beslissen niet over een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16 of over de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 8.39b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dan wel stellen een beheersplan als bedoeld in artikel 17 niet vast, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het beschermd natuurmonument mede is gelegen. +**3.** Gedeputeerde staten beslissen niet over een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16 dan wel stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 17 niet vast, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het beschermd natuurmonument mede is gelegen. -**4.** Gedeputeerde staten stellen een beheersplan als bedoeld in artikel 19a niet vast dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, mede is gelegen. +**4.** Gedeputeerde staten stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 19a niet vast dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, mede is gelegen. -**5.** Gedeputeerde staten beslissen niet op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, mede is gelegen voorzover die vergunning betrekking heeft op delen van het gebied, gelegen in die andere provincies. +**5.** Gedeputeerde staten beslissen niet op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het Natura 2000-gebied mede is gelegen voorzover die vergunning betrekking heeft op delen van het gebied, gelegen in die andere provincies. + +### Artikel 2a + +**1.** Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, betrekking heeft op een handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een deel van een beschermd natuurmonument dat is gelegen binnen de grenzen van één provincie, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin dat deel van het beschermd natuurmonument is gelegen over de aanvraag. + +**2.** Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat of andere handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een deel van een Natura 2000-gebied dat is gelegen binnen de grenzen van één provincie, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin dat deel van het Natura 2000-gebied is gelegen over de aanvraag. ## Hoofdstuk II. Natuurbeleidsplan @@ -56,7 +70,7 @@ Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de acht jaar een natuurbeleidsplan **1.** -Het natuurbeleidsplan bevat tenminste de hoofdlijnen van het beleid terzake van: +Het natuurbeleidsplan bevat ten minste de hoofdlijnen van het beleid terzake van: a. de algemene natuur- en landschapswaarden; b. bescherming van de in het plan aangeduide gebieden en gebiedscategorieën waar sprake is van bijzondere natuur- en landschapswaarden; @@ -73,7 +87,7 @@ b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het ### Artikel 6 -**1.** In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid inzake natuur en landschap is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale waterhuishoudingsbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationaal milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet milieubeheer en de nota voor de waterhuishouding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding, te herzien. +**1.** In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid inzake natuur en landschap is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale waterhuishoudingsbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationaal milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet milieubeheer, en de nota voor de waterhuishouding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding, te herzien. **2.** Met het geldende natuurbeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de vaststelling van rijksbeleid op andere terreinen van beleid dan bedoeld in het eerste lid, voorzover daarbij het belang van duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden wordt geraakt. @@ -85,7 +99,7 @@ b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het ### Artikel 8 -**1.** Het plan geldt voor een tijdvak van acht jaar nadat het is vastgesteld, behoudens ingeval in dat tijdvak een nieuw plan is vastgesteld. +**1.** Het plan geldt voor een tijdvak van acht jaar, nadat het is vastgesteld, behoudens ingeval in dat tijdvak een nieuw plan is vastgesteld. **2.** Na het verstrijken van de eerste vier jaar van de geldingsduur kan naar aanleiding van een beoordeling van de in die periode opgedane ervaringen het plan door Onze Ministers worden aangepast met inachtneming van artikel 7. @@ -103,23 +117,23 @@ b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het ### Artikel 9a -**1.** Het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, hierna aan te duiden als RIVM, brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de toestand van natuur, bos en landschap, alsmede de ten aanzien daarvan meest waarschijnlijke en mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen voor een door Onze Minister aan te geven periode worden beschreven. +**1.** Het Milieu- en Natuurplanbureau brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de toestand van natuur, bos en landschap, alsmede de ten aanzien daarvan meest waarschijnlijke en mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen voor een door Onze Minister aan te geven periode worden beschreven. -**2.** Het RIVM brengt jaarlijks aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin, mede in het licht van in eerdere rapporten beschreven ontwikkelingen, de stand van zaken in de beleidsuitvoering, de voortgang en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven. Indien zich onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van natuur, bos en landschap op langere termijn, neemt het RIVM, indien Onze Minister daarom verzoekt, in een rapport tevens een beschrijving op van die mogelijke ontwikkeling. +**2.** Het Milieu- en Natuurplanbureau brengt jaarlijks aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin, mede in het licht van in eerdere rapporten beschreven ontwikkelingen, de stand van zaken in de beleidsuitvoering, de voortgang en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven. Indien zich onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van natuur, bos en landschap op langere termijn, neemt het Milieu- en Natuurplanbureau, indien Onze Minister daarom verzoekt, in een rapport tevens een beschrijving op van die mogelijke ontwikkeling. ### Artikel 9b -**1.** Onze Minister wijst, tezamen met – ieder voorzover het hem aangaat – Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, overheidsinstellingen aan, die door het RIVM in ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de in artikel 9a bedoelde rapporten. +**1.** Onze Minister wijst, tezamen met – ieder voorzover het hem aangaat – Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, overheidsinstellingen aan, die door het Milieu- en Natuurplanbureau in ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de in artikel 9a bedoelde rapporten. **2.** Onze Minister kan, tezamen met – ieder voorzover het hem aangaat – Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken, regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de krachtens het eerste lid aangewezen overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden betrokken. -**3.** Het RIVM en de op grond van het eerste lid aangewezen instellingen verschaffen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken voorzover dat voor het opstellen van de rapporten, bedoeld in artikel 9a, eerste en tweede lid, redelijkerwijs noodzakelijk is. +**3.** Het Milieu- en Natuurplanbureau en de op grond van het eerste lid aangewezen instellingen verschaffen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken voorzover dat voor het opstellen van de rapporten, bedoeld in artikel 9a, eerste en tweede lid, redelijkerwijs noodzakelijk is. ### Artikel 9c **1.** Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, moeten worden aangenomen, alsmede omtrent onderwerpen die in ieder geval in een rapport als bedoeld in dat artikellid, moeten worden beschreven. -**2.** Behoudens artikel 9a, tweede lid, en het eerste lid, geven Onze betrokken Ministers het RIVM en de krachtens artikel 9b, eerste lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten. +**2.** Behoudens artikel 9a, tweede lid, en het eerste lid, geven Onze betrokken Ministers het Milieu- en Natuurplanbureau en de krachtens artikel 9b, eerste lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten. ### Artikel 9d @@ -127,7 +141,7 @@ b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het **2.** Onze Minister doet een rapport als bedoeld in artikel 9a, tweede lid, eveneens toekomen aan de Staten-Generaal, en wel gelijktijdig met de begroting. -**3.** Het RIVM draagt er zorg voor dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld. +**3.** Het Milieu- en Natuurplanbureau draagt er zorg voor dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld. ## Hoofdstuk III. Beschermde gebieden @@ -137,32 +151,32 @@ b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het **1.** Onze Minister kan, mede op grondslag van de structuurvisie, bedoeld in artikel 9, bij besluit een natuurmonument aanwijzen als beschermd natuurmonument. Het besluit gaat vergezeld van een kaart waarop het beschermd natuurmonument is aangegeven en een toelichting. -**2.** Indien het beheer over een natuurmonument of een gedeelte daarvan berust bij een van Onze andere Ministers, dan neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid niet, dan in overeenstemming met die andere Minister. +**2.** Indien het beheer over een natuurmonument of een gedeelte daarvan berust bij een van Onze andere Ministers, dan neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid niet dan in overeenstemming met die andere Minister. -**3.** Indien in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, een van Onze andere Ministers op grond van enig wettelijk voorschrift bevoegd is besluiten te nemen met betrekking tot het natuurmonument, vindt voorafgaand aan een besluit als bedoeld in het eerste lid overleg plaats met die andere Minister. +**3.** Indien in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, een van Onze andere Ministers op grond van enig wettelijk voorschrift bevoegd is besluiten te nemen met betrekking tot het natuurmonument, vindt voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid overleg plaats met die andere Minister. ### Artikel 10a -**1.** Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43. +**1.** Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG. **2.** -Een besluit als bedoeld in het eerste lid, bevat de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval: +Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval: -a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover vereist ingevolge richtlijn (EEG) nr. 79/409 of -b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge richtlijn (EEG) nr. 92/43. +a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover vereist ingevolge richtlijn 79/409/EEG of +b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge richtlijn 92/43/EEG. **3.** De instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in het tweede lid, kan mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid. -**4.** Een besluit als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting. +**4.** Een besluit als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting. **5.** Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 11 -**1.** Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 10a, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat daaraan toepassing wordt gegeven door gedeputeerde staten. +**1.** Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 10a, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. -**2.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. +**2.** Zienswijzen met betrekking tot de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, worden naar voren gebracht bij gedeputeerde staten. **3.** Binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn zenden gedeputeerde staten de naar voren gebrachte zienswijzen, vergezeld van hun beschouwingen, aan Onze Minister. Op verzoek van gedeputeerde staten kan Onze Minister de in de eerste volzin bedoelde termijn met acht weken verlengen. @@ -176,7 +190,7 @@ b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habita ### Artikel 13 -Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd, beslist Onze Minister over de aanwijzing als beschermd natuurmonument, doch niet alvorens hij de beschouwingen, bedoeld in artikel 11, tweede lid, heeft ontvangen dan wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken. +Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd, beslist Onze Minister over de aanwijzing als beschermd natuurmonument, doch niet alvorens hij, voor zover van toepassing, de zienswijzen en beschouwingen, bedoeld in artikel 11, derde lid, heeft ontvangen dan wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken. ### Artikel 14 @@ -184,25 +198,23 @@ Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmon **2.** Onze Minister maakt een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12, bekend in de Staatscourant. -**3.** Indien Onze Minister niet tot aanwijzing als beschermd natuurmonument overgaat, maakt hij dit bekend en doet daarvan mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid en de artikelen 3:42 en 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht. - -**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid. +**3.** Indien Onze Minister niet tot aanwijzing als beschermd natuurmonument of als gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, overgaat, maakt hij dit bekend en doet daarvan mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid en de artikelen 3:42 en 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht. ### Artikel 15 -**1.** Onze Minister kan bij besluit een aanwijzing als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen. Het besluit gaat vergezeld van een toelichting alsmede in geval van gedeeltelijke intrekking of wijziging van een kaart waarop het gedeelte van het natuurmonument, waarop de intrekking of de wijziging betrekking heeft, is aangegeven. +**1.** Onze Minister kan bij besluit een aanwijzing als bedoeld in artikel 10 of 10a geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen. Het besluit gaat vergezeld van een toelichting alsmede in geval van gedeeltelijke intrekking of wijziging van een kaart waarop het gedeelte van het natuurmonument, waarop de intrekking of de wijziging betrekking heeft, is aangegeven. -**2.** Artikel 10, tweede en derde lid, en de artikelen 11 tot en met 14 zijn van toepassing. +**2.** Onze Minister kan bij besluit de instandhoudingsdoelstellingen onderscheidenlijk de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis, bedoeld in artikel 15a, derde lid, wijzigen. -**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid. +**3.** Artikel 10, tweede en derde lid, en de artikelen 11 tot en met 14 zijn van toepassing. ### Artikel 15a -**1.** Een gebied dat is aangewezen als gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, dan wel een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, kan niet worden aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid. +**1.** Een Natura 2000-gebied kan niet worden aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid. **2.** Een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, vervalt met ingang van het tijdstip waarop doch slechts voorzover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid. -**3.** Indien met toepassing van het tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit. +**3.** Indien met toepassing van het tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, voor het gedeelte van het gebied waarop de aanwijzing als beschermd natuurmonument betrekking had, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit. ### Titel 2. Rechtsgevolgen @@ -214,9 +226,9 @@ Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmon **2.** Als schadelijke handelingen worden in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten. -**3.** Voorzover een vergunning als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op het verrichten, doen verrichten of gedogen van handelingen die significante gevolgen kunnen hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten in een beschermd natuurmonument, wordt deze slechts verleend indien met zekerheid vaststaat dat die handelingen de natuurlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument niet aantasten, tenzij dwingende redenen van groot openbaar belang tot het verlenen van een vergunning noodzaken. +**3.** Voorzover een vergunning als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op het verrichten, doen verrichten of gedogen van handelingen die significante gevolgen kunnen hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten in een beschermd natuurmonument, wordt deze slechts verleend indien met zekerheid vaststaat, dat die handelingen de natuurlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument niet aantasten, tenzij dwingende redenen van groot openbaar belang tot het verlenen van een vergunning noodzaken. -**4.** Het in het eerste lid bedoelde verbod is tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid, die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot voorlopige aanwijzing, bedoeld in artikel 12. Bij de vermelding van handelingen kunnen beperkingen worden gesteld en uitzonderingen worden opgenomen met betrekking tot het tijdvak waarin, de omstandigheden waaronder, de doeleinden waarvoor en met betrekking tot de personen door wie zij worden verricht. +**4.** Het in het eerste lid bedoelde verbod is tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12. Bij de vermelding van handelingen kunnen beperkingen worden gesteld en uitzonderingen worden opgenomen met betrekking tot het tijdvak waarin, de omstandigheden waaronder, de doeleinden waarvoor en met betrekking tot de personen door wie zij worden verricht. **5.** Dit artikel is niet van toepassing op handelingen die worden verricht overeenkomstig een beheersplan als bedoeld in artikel 17. @@ -226,13 +238,13 @@ Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmon ### Artikel 17 -**1.** Gedeputeerde staten kunnen in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker voor een beschermd natuurmonument of een gedeelte daarvan een beheersplan vaststellen, dat het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument ten doel heeft. +**1.** Gedeputeerde staten kunnen in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker voor een beschermd natuurmonument of een gedeelte daarvan een beheerplan vaststellen, dat het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument ten doel heeft. -**2.** Voorzover de kosten en lasten die voor de eigenaar en de gebruiker aan de uitvoering van het beheersplan zijn verbonden redelijkerwijze niet of niet geheel te hunnen laste behoren te komen, wordt in het beheersplan een door gedeputeerde staten te betalen subsidie vastgesteld. +**2.** Voorzover de kosten en lasten die voor de eigenaar en de gebruiker aan de uitvoering van het beheerplan zijn verbonden redelijkerwijze niet of niet geheel te hunnen laste behoren te komen, wordt in het beheerplan een door gedeputeerde staten te betalen subsidie vastgesteld. -**3.** Gedeputeerde staten brengen het plan ter kennis van Onze Minister en van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het beschermd natuurmonument of het gedeelte daarvan waarop het beheersplan betrekking heeft, is gelegen. +**3.** Gedeputeerde staten brengen het plan ter kennis van Onze Minister en van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het beschermd natuurmonument of het gedeelte daarvan waarop het beheerplan betrekking heeft, is gelegen. -**4.** De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheersplan, ieder voorzover dat uit de aard van zijn recht voortvloeit. +**4.** De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan, ieder voorzover dat uit de aard van zijn recht voortvloeit. ### Artikel 17a @@ -252,23 +264,23 @@ Vervallen ### Artikel 18 -**1.** Het beheersplan, bedoeld in artikel 17, wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. +**1.** Het beheerplan, bedoeld in artikel 17, wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. -**2.** Het beheersplan wordt van rechtswege verlengd met een tijdvak gelijk aan het laatst verstreken tijdvak waarvoor het beheersplan werd vastgesteld. +**2.** Het beheerplan wordt van rechtswege verlengd met een tijdvak gelijk aan het laatst verstreken tijdvak waarvoor het beheerplan werd vastgesteld. -**3.** Verlenging vindt niet van rechtswege plaats wanneer gedeputeerde staten, de eigenaar of de gebruiker uiterlijk vier weken voor het einde van het geldend beheersplan schriftelijk te kennen heeft gegeven dat verlenging niet wordt verlangd. +**3.** Verlenging vindt niet van rechtswege plaats wanneer gedeputeerde staten, de eigenaar of de gebruiker uiterlijk vier weken voor het einde van het geldend beheerplan schriftelijk te kennen heeft gegeven dat verlenging niet wordt verlangd. **4.** Gedeputeerde staten kunnen de kennisgeving slechts doen indien: -a. de eigenaar of de gebruiker de uit het beheersplan voortvloeiende verplichtingen in het afgelopen tijdvak niet of niet op de juiste wijze is nagekomen; -b. ongewijzigde verlenging van het beheersplan zou leiden tot een beheer dat naar hun oordeel het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument onvoldoende waarborgt; -c. een andere zwaarwichtige reden bestaat om niet tot verlenging van het beheersplan over te gaan. +a. de eigenaar of de gebruiker de uit het beheerplan voortvloeiende verplichtingen in het afgelopen tijdvak niet of niet op de juiste wijze is nagekomen; +b. ongewijzigde verlenging van het beheerplan zou leiden tot een beheer dat naar hun oordeel het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument onvoldoende waarborgt; +c. een andere zwaarwichtige reden bestaat om niet tot verlenging van het beheerplan over te gaan. ### Artikel 19 -**1.** Gedeputeerde staten kunnen een vastgesteld beheersplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen. +**1.** Gedeputeerde staten kunnen een vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen. **2.** Artikel 17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -276,46 +288,64 @@ c. een andere zwaarwichtige reden bestaat om niet tot verlenging van het beheers ### Artikel 19a -**1.** Gedeputeerde staten stellen na overleg met de eigenaar, gebruiker en andere belanghebbenden, voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, een beheersplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. +**1.** Gedeputeerde staten stellen, na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een op grond van artikel 12, derde lid, voorlopig aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen. -**2.** Een beheersplan als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. Een beheersplan kan telkenmale voor een gelijk tijdvak worden verlengd. +**2.** Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. Een beheerplan kan telkenmale voor een gelijk tijdvak worden verlengd. **3.** -Tot de inhoud van een beheersplan behoren ten minste: +Tot de inhoud van een beheerplan behoren ten minste: -a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied; +a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten; b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a bedoelde resultaten. -**4.** Op de voorbereiding van een beheersplan als bedoeld in het eerste lid is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. +**4.** Bij de noodzakelijke maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden. -**5.** Beheersplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheersplannen betrekking hebben. +**5.** Op de voorbereiding van een beheerplan als bedoeld in het eerste lid is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. -**6.** Een beheersplan als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk drie jaar na dagtekening van het in artikel 10a, eerste lid, genoemde besluit voor het eerst vastgesteld. +**6.** Beheerplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen betrekking hebben. + +**7.** Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk drie jaar na dagtekening van het in artikel 10a, eerste lid, genoemde besluit voor het eerst vastgesteld. + +**8.** Indien een gebied voorlopig is aangewezen op grond van artikel 12, derde lid, wordt in afwijking van het zevende lid, een beheerplan als bedoeld in het eerste lid uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot voorlopige aanwijzing voor het eerst vastgesteld. ### Artikel 19b -**1.** In afwijking van het bepaalde in artikel 19a wordt een beheersplan, als bedoeld in dat artikel, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, dat geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid valt van Onze Minister of één van Onze andere Ministers, voor het geheel onderscheidenlijk het betreffende gedeelte vastgesteld door Onze Minister of door Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister, en voor zover nodig na overleg met betrokken eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden. +**1.** In afwijking van het bepaalde in artikel 19a wordt een beheerplan als bedoeld in dat artikel, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, dat geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid valt van Onze Minister of één van Onze andere Ministers, voor het geheel onderscheidenlijk het betreffende gedeelte vastgesteld door Onze Minister of door Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister, en voor zover nodig na overleg met betrokken eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden. -**2.** Een beheersplan als bedoeld in het eerste lid kan in voorkomende gevallen deel uit maken van een plan gericht op het beheer van een gebied als bedoeld in het eerste lid, dat al dan niet op grond van enig ander wettelijk voorschrift is vastgesteld. +**2.** Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid kan in voorkomende gevallen deel uit maken van een plan gericht op het beheer van een gebied als bedoeld in het eerste lid, dat al dan niet op grond van enig ander wettelijk voorschrift is vastgesteld. -**3.** Beheersplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheersplannen betrekking hebben. +**3.** Beheerplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen betrekking hebben. -**4.** Artikel 19a, tweede, derde, vierde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. +**4.** Artikel 19a, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 19c -Vervallen +**1.** In de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden draagt Onze Minister ervoor zorg dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. + +**2.** + +Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister degene die bestaand gebruik uitoefent in de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden, waardoor de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of waardoor er storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen: + +a. verplichten binnen een door Onze Minister te stellen termijn informatie te verstrekken over het gebruik; +b. verplichten binnen een door Onze Minister te stellen termijn en met inachtneming van door Onze Minister te geven instructies de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen; of +c. verplichten dat gebruik binnen een door Onze Minister te stellen termijn te staken of te beperken. + +**3.** Onze Minister stelt belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in het tweede lid, tenzij de verslechtering of verstoring het opleggen van een verplichting terstond noodzakelijk maakt. + +**4.** Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het tweede lid. ### Artikel 19d -**1.** Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het derde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. +**1.** Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. -**2.** Het verbod bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen overeenkomstig een beheersplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b. +**2.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b. -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen projecten of andere handelingen of categorieën van gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze Minister. +**3.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. -**4.** De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen projecten of andere handelingen of categorieën van gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze Minister. + +**5.** De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. ### Artikel 19da @@ -329,26 +359,27 @@ Vervallen Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening -a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of het gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, en -b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheersplan. +a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een Natura 2000-gebied; +b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en +c. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale bijzonderheden. ### Artikel 19f -**1.** Voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, of het gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. +**1.** Voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. -**2.** De passende beoordeling terzake van een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, kan onderdeel uitmaken van een voor dat project of die handeling voorgeschreven milieu-effectrapportage. +**2.** De passende beoordeling terzake van een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, kan onderdeel uitmaken van een voor dat project voorgeschreven milieu-effectrapportage. -**3.** De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin degene die een project of een handeling waarop dat besluit betrekking heeft, onderneemt, daarmee een project of handeling ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, herhaalt of voortzet, voorzover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat project of die handeling. +**3.** De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin degene die een project waarop dat besluit betrekking heeft, onderneemt, daarmee een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, herhaalt of voortzet, voorzover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat project. ### Artikel 19g -**1.** Een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, kan slechts worden verleend indien gedeputeerde staten uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet zullen worden aangetast. +**1.** Indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. -**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of handeling gedeputeerde staten ten aanzien van aangewezen gebieden, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, en gebieden waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren of verrichten van het desbetreffende project of de desbetreffende handeling, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. +**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. **3.** -Ten aanzien van aangewezen gebieden, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, en gebieden waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, kunnen gedeputeerde staten bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren of verrichten van het desbetreffende project of de desbetreffende handeling, slechts verlenen: +Ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, kunnen gedeputeerde staten bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen: a. op argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang. @@ -357,13 +388,13 @@ b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende ### Artikel 19h -**1.** Indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren of verrichten van projecten of handelingen, waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten of handelingen de natuurlijke kenmerken van het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, niet aantasten, verbinden gedeputeerde staten aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen. +**1.** Indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten, waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten, verbinden gedeputeerde staten aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen. **2.** De initiatiefnemer wordt door gedeputeerde staten tijdig tevoren in de gelegenheid gesteld om voorstellen voor compenserende maatregelen te doen. **3.** In de voorstellen voor compenserende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen op welke wijze en in welk tijdsbestek de compenserende maatregelen zullen worden getroffen. -**4.** Voor zover compenserende maatregelen worden voorgeschreven met het oog op de doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, dient het met deze maatregelen beoogde resultaat als bedoeld in het tweede lid, te zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich voordoen, tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen. +**4.** Voor zover compenserende maatregelen worden voorgeschreven met het oog op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, dient het met deze maatregelen beoogde resultaat te zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich voordoen, tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen. **5.** Bij ministeriële regeling kan Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Ministers, wie het mede aangaat nadere eisen stellen ten aanzien van compenserende maatregelen. @@ -373,73 +404,60 @@ In de gevallen waarin Onze Minister bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor ### Artikel 19j -**1.** Een besluit tot het vaststellen van een plan, dat gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Voor zover dat plan door één van Onze andere Ministers wordt voorbereid geschiedt de vaststelling van dat plan in overeenstemming met Onze Minister. +**1.** -**2.** In afwijking van het eerste lid worden besluiten tot het vaststellen van plannen als bedoeld in het eerste lid, van bestuursorganen van gemeenten en waterschappen goedgekeurd door gedeputeerde staten. +Een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening -**3.** Bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in het eerste lid, zijn, ongeacht de beperkingen in het wettelijke voorschrift waarop dat besluit berust, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing. +a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en +b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan. -**4.** In afwijking van het eerste lid behoeven plannen als bedoeld in artikel 19a geen goedkeuring van Onze Minister. +**2.** Voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. -**5.** Het eerste en tweede lid van dit artikel blijven buiten toepassing voor zover het betreft besluiten tot vaststelling van structuurvisies als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening. +**3.** In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h. -**6.** Indien het plan, bedoeld in het eerste lid, een bestemmings- of inpassingsplan betreft, als bedoeld in de artikelen 3.1 of 3.19 dan wel 3.20 van de Wet ruimtelijke ordening, een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet hieronder begrepen, kan hieraan goedkeuring worden onthouden voor zover dat plan of besluit de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het in het plan of besluit begrepen gebied verslechtert of een verstorend effect heeft op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. +**4.** De passende beoordeling van deze plannen maakt deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieu-effectrapportage. -**7.** Gedeputeerde staten dan wel de inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, brengen een zienswijze, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening, naar voren ter zake van een ontwerp voor een bestemmings- of inpassingsplan, als bedoeld in de artikelen 3.1 of 3.19 dan wel 3.20 van de Wet ruimtelijke ordening, een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet hieronder begrepen, indien geen passende beoordeling overeenkomstig artikel 19f is gemaakt. +**5.** De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een plan als bedoeld in het tweede lid geldt niet in gevallen waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. -**8.** - -Indien gedeputeerde staten dan wel de inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, op de grondslag, genoemd in het zesde en zevende lid, - -a. geen zienswijzen hebben ingediend en het plan ongewijzigd wordt vastgesteld, of -b. zienswijzen hebben ingediend en deze volledig worden overgenomen, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. Tenzij anderszins artikel 3.8, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening toepassing is, is het derde lid van dat artikel van toepassing, met dien verstande dat het besluit tot vaststelling van het bestemmings- of inpassingsplan, een projectbesluit hieronder begrepen, samen met het besluit omtrent goedkeuring of een mededeling van het feit dat de goedkeuring is verleend, wordt bekendgemaakt. - -**9.** - -Indien gedeputeerde staten dan wel de inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, op de grondslag, genoemd in het zesde lid, - -a. geen zienswijzen hebben ingediend en het plan gewijzigd is vastgesteld, of -b. zienswijzen hebben ingediend, die bij de vaststelling niet volledig zijn overgenomen, en binnen de termijn genoemd in artikel 3.8, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening geen besluit tot onthouding van goedkeuring is bekendgemaakt, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. - -**10.** Indien gedeputeerde staten dan wel de inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, op de grondslag, genoemd in het zevende lid, zienswijzen hebben ingediend die bij de vaststelling niet of onvolledig zijn overgenomen, wordt de goedkeuring geacht te zijn onthouden indien binnen de termijn genoemd in artikel 3.8, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening geen besluit tot onthouding van goedkeuring is bekendgemaakt. - -**11.** Een goedkeuring als bedoeld in het achtste of negende lid wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Onthouding van goedkeuring wordt gelijkgesteld met een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 3.8, zesde lid, vierde, vijfde en zesde volzin, van die wet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het besluit tot vaststelling van het bestemmings- of inpassingsplan, een projectbesluit hieronder begrepen, samen met het besluit tot goedkeuring of een mededeling van het feit dat de goedkeuring is verleend, wordt bekendgemaakt. +**6.** Het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op projectbesluiten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening. ### Artikel 19k -**1.** Gedeputeerde staten stellen Onze Minister in kennis van projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, en van plannen als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, en zenden een afschrift van vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, en besluiten tot goedkeuring als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, die met toepassing van artikel 19g zijn genomen en van besluiten als bedoeld in artikel 19j, achtste of negende lid, naar Onze Minister en brengen Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 19h. +**1.** Gedeputeerde staten stellen Onze Minister in kennis van projecten als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, en zenden een afschrift van vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, die met toepassing van artikel 19g zijn genomen naar Onze Minister en brengen Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h. -**2.** Door Onze Minister wordt de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de hoogte gesteld van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in het eerste lid. +**2.** Een bestuursorgaan dat een plan vaststelt als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, dat met toepassing van artikel 19g is genomen zendt een afschrift van het besluit tot vaststelling van het plan naar Onze Minister en brengt Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h. + +**3.** Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Artikel 19ka -**1.** Indien voor het realiseren of verrichten van een project of andere handeling naast de vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, andere besluiten vereist zijn, bevordert het bestuursorgaan waarbij de initiatiefnemer met betrekking tot dat project of die handeling een aanvraag heeft ingediend dat hij in kennis wordt gesteld van die andere besluiten, waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn. +**1.** Indien voor het realiseren of verrichten van een project of andere handeling naast de vergunning , bedoeld in artikel 19d, eerste lid, andere besluiten vereist zijn, bevordert het bestuursorgaan waarbij de initiatiefnemer met betrekking tot dat project of die handeling een aanvraag heeft ingediend dat hij in kennis wordt gesteld van die andere besluiten, waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn. **2.** De initiatiefnemer kan bij één van de betrokken bestuursorganen schriftelijk om coördinatie van besluitvorming verzoeken. **3.** Tot coördinatie van besluitvorming kan ook ambtshalve door de betrokken bestuursorganen in onderling overleg worden besloten. De initiatiefnemer wordt hiervan in kennis gesteld. -**4.** Indien een verzoek als bedoeld in het tweede lid is ingediend of indien ambtshalve tot coördinatie is besloten, wijzen de betrokken bestuursorganen uit hun midden een coördinerend bestuursorgaan aan. Indien, nadat er een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, geen coördinerend bestuursorgaan is aangewezen wordt als zodanig aangemerkt het bestuursorgaan dat als hogere gezag kan worden aangemerkt. +**4.** Indien een verzoek als bedoeld in het tweede lid is ingediend of indien ambtshalve tot coördinatie is besloten, wijzen de betrokken bestuursorganen uit hun midden een coördinerend bestuursorgaan aan. Indien, nadat er een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, geen coördinerend bestuursorgaan is aangewezen, wordt als zodanig aangemerkt het bestuursorgaan dat als het hogere gezag kan worden aangemerkt. -**5.** Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming. De andere betrokken bestuursorganen verlenen medewerking die voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming nodig is. +**5.** Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming. De andere betrokken bestuursorganen verlenen alle medewerking die voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming nodig is. #### Paragraaf 3. Overige rechtsgevolgen ### Artikel 19l -**1.** Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de instandhouding van een gebied aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, artikel 10a, eerste lid of waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12. +**1.** Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de instandhouding van een gebied aangewezen op grond van artikel 10 of een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 12. -**2.** De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, voor zover het een gebied betreft, aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid, dan wel gelet op de wezenlijke kenmerken van een gebied, aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, nadelige gevolgen voor het gebied, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. +**2.** De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, voor zover het een Natura 2000-gebied betreft dan wel gelet op de wezenlijke kenmerken van een gebied, aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, nadelige gevolgen voor het gebied, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. ### Artikel 20 -**1.** Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12 of delen van bedoelde gebieden, voorzover dit noodzakelijk is voor de bescherming van natuurwaarden, beperken. +**1.** Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of delen van bedoelde gebieden, voorzover dit noodzakelijk is voor de bescherming van natuurwaarden, beperken. **2.** Indien een gebied als bedoeld in het eerste lid geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Minister. -**3.** Het is verboden in strijd met de beperkingen die ingevolge het eerste en tweede lid zijn opgelegd, zich te bevinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12 of gedeelten daarvan. +**3.** Het is verboden in strijd met de beperkingen die ingevolge het eerste en tweede lid zijn opgelegd, zich te bevinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of gedeelten daarvan. -**4.** Het verbod in het derde lid geldt niet voor de eigenaar en de gebruiker van een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld gebruiksrecht zich daarover uitstrekt. +**4.** Het verbod in het derde lid geldt niet voor de eigenaar en de gebruiker van een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid of een Natura 2000-gebied, indien bedoeld gebruiksrecht zich daarover uitstrekt. ### Artikel 21 @@ -449,7 +467,7 @@ b. zienswijzen hebben ingediend, die bij de vaststelling niet volledig zijn over **3.** Gedeputeerde staten gaan niet over tot het treffen van de maatregelen dan nadat zij de eigenaar en gebruiker het voornemen daartoe schriftelijk hebben medegedeeld en, behoudens onverwijlde noodzaak, na de mededeling ten minste vier weken zijn verstreken. -**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, en een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, met dien verstande dat de noodzakelijke maatregelen worden getroffen, indien gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied verslechtert of indien er verstorende factoren optreden die een significant effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In het geval het gebied wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, worden zodanige maatregelen getroffen door Onze Minister onderscheidenlijk Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister. +**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied met dien verstande dat de noodzakelijke maatregelen worden getroffen, indien gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied verslechtert of indien er verstorende factoren optreden die een significant effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In het geval het gebied wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, worden zodanige maatregelen getroffen door Onze Minister onderscheidenlijk Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister. ### Artikel 22 @@ -457,7 +475,7 @@ b. zienswijzen hebben ingediend, die bij de vaststelling niet volledig zijn over **2.** De eigenaar en gebruiker zijn verplicht het aanbrengen van de kentekenen te gedogen. -**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, en een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid. +**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied. ## Hoofdstuk IV. Beschermde landschapsgezichten @@ -502,7 +520,7 @@ b. een aanduiding van handelingen die de kenmerken, bedoeld in onderdeel a, kunn ### Artikel 27 -**1.** Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud met uitzondering van de richtlijn (EEG) nr. 79/409 en de richtlijn (EEG) nr. 92/43, voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen. +**1.** Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud met uitzondering van de richtlijn 79/409/EEG en de richtlijn 92/43/EEG, voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen. **2.** Een besluit als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting. In de toelichting wordt in ieder geval vermeld op welke wijze de instandhouding van het gebied, overeenkomstig het bepaalde in de bedoelde verplichtingen, wordt verwezenlijkt. @@ -538,7 +556,7 @@ Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder het bevoegd gezag: het **1.** Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van deze wet, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, kent het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. -**2.** Het bevoegd gezag kan omtrent het verzoek om schadevergoeding het advies van de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in artikel 32 inwinnen. +**2.** Het bevoegd gezag kan omtrent het verzoek om schadevergoeding het advies van de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in artikel 32, inwinnen. ### Artikel 32 @@ -548,7 +566,7 @@ Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder het bevoegd gezag: het **3.** Een lid van een door Onze Minister ingestelde schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze Minister. -**4.** Met ambtenaar als bedoeld in het derde lid, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. +**4.** Met ambtenaar als bedoeld in het derde lid worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. **5.** @@ -558,7 +576,7 @@ a. commissaris van de Koning; b. lid van gedeputeerde staten; c. ambtenaar, door of vanwege het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt. -**6.** Met ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die in dienst van de provincie op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. +**6.** Met ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die in dienst van de provincie op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. ### Artikel 33 @@ -584,7 +602,7 @@ De schadebeoordelingscommissie brengt binnen dertien weken na de dag waarop het **1.** Het bevoegd gezag stelt de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk of mondeling in tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie, zijn zienswijze omtrent het advies naar voren te brengen. -**2.** Het mondeling naar voren brengen van een zienswijze als bedoeld in het eerste lid, geschiedt indien de schadebeoordelingscommissie is ingesteld door gedeputeerde staten, ten overstaan van één of meer leden van gedeputeerde staten met inbegrip van de voorzitter. +**2.** Het mondeling naar voren brengen van een zienswijze als bedoeld in het eerste lid geschiedt, indien de schadebeoordelingscommissie is ingesteld door gedeputeerde staten, ten overstaan van één of meer leden van gedeputeerde staten met inbegrip van de voorzitter. **3.** De schadebeoordelingscommissie verstrekt het bevoegd gezag desgevraagd nadere toelichting op het advies en geeft desgevraagd haar mening omtrent de zienswijze daarover van de verzoeker. @@ -604,6 +622,32 @@ Het bevoegd gezag geeft een beschikking binnen negen weken na ontvangst van het **2.** De werking van een besluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt geschorst totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. +### Artikel 39a + +**1.** Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep gegrond verklaart, kan zij bij tussenuitspraak het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen opdragen de aangeduide gebreken weg te nemen. + +**2.** Het eerste lid vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld. + +**3.** De Afdeling kan ook mondeling tussenuitspraak doen. Artikel 8:67, tweede tot en met vijfde lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 39b + +**1.** De tussenuitspraak vermeldt in hoeverre het bestreden besluit in strijd met het recht is genomen, alsmede welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden is. + +**2.** De tussenuitspraak vermeldt de termijn binnen welke de gebreken moeten zijn weggenomen. + +**3.** De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van het bestuursorgaan verlengen. + +### Artikel 39c + +**1.** Het bestuursorgaan stelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State schriftelijk in kennis van de wijze waarop de gebreken zijn weggenomen. + +**2.** De Afdeling stelt de andere partijen in de gelegenheid binnen een door haar te stellen termijn schriftelijk te reageren op de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid. + +**3.** De Afdeling doet uitspraak binnen twaalf weken nadat de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen, tenzij de Afdeling nader onderzoek nodig acht. + +**4.** Indien de Afdeling een onderzoek ter zitting nodig acht, deelt zij dit zo spoedig mogelijk aan partijen mede. + ### Artikel 40 Vervallen @@ -612,15 +656,15 @@ Vervallen ### Artikel 41 -**1.** In de aanvrage van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d wordt het belang van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning gemotiveerd. +**1.** In de aanvraag van de vergunningen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d, wordt het belang van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning gemotiveerd. -**2.** De ontvangst van de aanvrage wordt schriftelijk bevestigd. +**2.** De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd. ### Artikel 42 -**1.** Op de vergunningaanvrage wordt binnen dertien weken na de datum van ontvangst beslist. +**1.** Op de vergunningaanvraag wordt binnen dertien weken na de datum van ontvangst beslist. -**2.** Het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is, kan de termijn eenmaal met dertien weken verlengen. Van zodanige verlenging wordt mededeling gedaan aan de aanvrager en aan burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 44. +**2.** Het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is, kan de termijn eenmaal met dertien weken verlengen. Van zodanige verlenging wordt mededeling gedaan aan de aanvrager en aan burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 44. **3.** Van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d wordt door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud. @@ -645,13 +689,13 @@ d. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning is verleend zodani **1.** Indien Onze Minister bevoegd is tot verlening van een vergunning zendt hij een afschrift van het verzoek om een vergunning en van de ontvangstbevestiging aan gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarin de handeling, waarvoor de vergunning wordt verlangd, zal geschieden. -**2.** Indien gedeputeerde staten bevoegd zijn tot verlening van een vergunning zenden zij een afschrift van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, alsmede aan Onze Minister. +**2.** Indien gedeputeerde staten bevoegd zijn tot verlening van een vergunning, zenden zij een afschrift van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, alsmede aan Onze Minister. **3.** Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, kunnen binnen acht weken na de op de ontvangstbevestiging vermelde datum bij het tot verlening van de vergunning bevoegd orgaan hun zienswijze naar voren brengen. ### Artikel 45 -**1.** Onze Minister kan, indien dat in het algemeen belang geboden is, gedeputeerde staten een aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d, een reeds verleende vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d en een beheersplan als bedoeld in de artikelen 17 en 19a. +**1.** Onze Minister kan, indien dat in het algemeen belang geboden is, gedeputeerde staten een aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d, een reeds verleende vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d en een beheerplan als bedoeld in de artikelen 17 en 19a. **2.** Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met de betrokken gedeputeerde staten. @@ -663,7 +707,7 @@ d. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning is verleend zodani **1.** Onze Minister kan, indien dat in het algemeen belang geboden is, het bevoegde bestuursorgaan een aanwijzing geven ter zake van een besluit als bedoeld in artikel 19j, eerste lid. -**2.** De in het eerste lid genoemde bevoegdheid geldt niet ten aanzien van bestuursorganen die behoren tot de Staat. +**2.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van bestuursorganen die behoren tot de Staat. **3.** Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met de betrokken bestuursorganen. @@ -727,12 +771,14 @@ Vervallen ### Artikel 57 -**1.** Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en andere handelingen waarvoor hij ingevolge de artikelen 16 en 19d bevoegd is vergunning te verlenen. +**1.** Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en andere handelingen waarvoor hij ingevolge de artikelen 16 en 19d bevoegd is vergunning te verlenen, alsmede ter zake van de verplichtingen en instructies die hij krachtens artikel 19c bevoegd is op te leggen onderscheidenlijk te geven. **2.** Gedeputeerde staten geven op verzoek van Onze Minister een beschikking tot toepassing van bestuursdwang indien de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen niet worden nageleefd. Bij het verzoek kan Onze Minister bepalen waarbinnen aan zijn verzoek wordt voldaan. **3.** Gedeputeerde staten zenden aan Onze Minister een exemplaar van de in het tweede lid bedoelde beschikking. +**4.** Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en andere handelingen waarvoor zij ingevolge de artikelen 16 en 19d bevoegd zijn vergunning te verlenen. + ## Hoofdstuk XI. Slot- en overgangsbepalingen ### Artikel 58 @@ -747,21 +793,31 @@ Vervallen ### Artikel 59 -Onze Minister, alsmede gedeputeerde staten, kan onderscheidenlijk kunnen ambtenaren aanwijzen die toegang hebben tot alle natuurmonumenten voorzover dat voor de uitvoering van hun taak nodig is. +Vervallen ### Artikel 60 -**1.** Besluiten die zijn genomen op grond van de artikelen 7, 11, 12, 14, 18, 21, eerste lid, 28, 29, eerste lid, 30 en 31 van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van onderscheidenlijk de artikelen 10, 15, 16, 17, 31, 10, 49, eerste lid, 59 en 58 van deze wet. - -**2.** Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Natuurbeschermingswet, gelden als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16 van deze wet. +Besluiten die zijn genomen op grond van de artikelen 7, 11, 12, 14, 18, 21, eerste lid, 28, eerste lid, 29, en 31 van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van onderscheidenlijk de artikelen 10, 15, 16, 17, 31, 10, 49, eerste lid, 57 en 58 van deze wet. ### Artikel 60a -**1.** Besluiten, die zijn genomen op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, gelden terzake van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 19d. +**1.** Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, gelden ter zake van een Natura 2000-gebied als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 19d. -**2.** Ten aanzien van het nemen van besluiten, waarbij artikel 6 van de richtlijn (EEG) nr. 92/43 aan de orde is, op voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvragen om vergunning of ontheffing en ingediende verzoeken om toestemming anderszins blijft deze wet buiten toepassing totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist. +**2.** Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16 of artikel 19d van deze wet. -**3.** Een beheersplan, dat is vastgesteld op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet behoudt zijn gelding gedurende de periode waarvoor het plan is aangegaan. +**3.** Het eerste en het tweede lid gelden niet met betrekking tot de toepassing van artikel 31 van deze wet. + +**4.** De besluiten van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG gelden als besluiten als bedoeld in artikel 10a. + +**5.** Voor zover een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10 geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een gebied als bedoeld in het vierde lid, vervalt in afwijking van artikel 15a, tweede lid, een besluit houdende de aanwijzing van dat beschermde natuurmonument geheel of gedeeltelijk met ingang van 1 oktober 2005. Artikel 15a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +**6.** Op besluiten, waarbij artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG aan de orde is, op voor 1 oktober 2005 ingediende aanvragen om vergunning of ontheffing en ingediende verzoeken om toestemming anderszins blijft deze wet buiten toepassing, totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist. + +**7.** Een beheerplan dat is vastgesteld op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet, behoudt zijn gelding gedurende de periode waarvoor het plan is aangegaan. + +**8.** Een beheerplan als bedoeld in artikel 19a voor een gebied dat ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG voor 1 oktober 2005 is aangewezen, wordt uiterlijk drie jaar na het vaststellen van de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied voor het eerst vastgesteld. + +**9.** Besluiten die zijn genomen op basis van artikel 19d, derde lid, (oud) gelden als besluiten die zijn genomen op basis van artikel 19d, vierde lid (nieuw). ### Artikel 61 @@ -801,6 +857,10 @@ Ten aanzien van voor de datum van inwerkingtreding van deze wet genomen besluite Wijzigt de Wet op de economische delicten. +### Artikel 68a + +Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet. + ### Artikel 69 Wijzigt de Wet op de waterhuishouding.