From dd9c806ecadd4788007678973a108b028d9232b2 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 26 Nov 2011 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2011-11-26 | BWBR0021670 | Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden --- .../BWBR0021670/README.md | 810 +++++++----------- 1 file changed, 294 insertions(+), 516 deletions(-) diff --git a/wet/wet-gewasbeschermingsmiddelen-en-biociden/BWBR0021670/README.md b/wet/wet-gewasbeschermingsmiddelen-en-biociden/BWBR0021670/README.md index dd406fe0dd6..7dd66f2fd01 100644 --- a/wet/wet-gewasbeschermingsmiddelen-en-biociden/BWBR0021670/README.md +++ b/wet/wet-gewasbeschermingsmiddelen-en-biociden/BWBR0021670/README.md @@ -10,7 +10,7 @@ citeertitel: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden # Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden -## Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen +## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ### Artikel 1 @@ -18,71 +18,40 @@ citeertitel: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -basisstof: in bijlage 1B bij richtlijn 98/8/EG opgenomen stof die hoofdzakelijk voor andere dan bestrijdingsdoeleinden wordt gebruikt, maar in ondergeschikte mate als biocide wordt toegepast, hetzij rechtstreeks, hetzij in een product dat bestaat uit die stof en een eenvoudig oplosmiddel, dat zelf geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof is, en die niet rechtsreeks voor gebruik als biocide op de markt wordt gebracht; +apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen: apparaat dat specifiek is bestemd voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, inclusief hulpstukken die essentieel zijn voor de doeltreffende werking daarvan, zoals spuitdoppen, manometers, filters, zeven en toebehoren voor het schoonmaken van tanks; biocide: werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd of aangewend om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden, niet zijnde een gewasbeschermingsmiddel en opgenomen in bijlage V bij richtlijn 98/8/EG; -biocide met een gering risico: biocide die als werkzame stof uitsluitend een of meer in bijlage 1A bij richtlijn 98/8/EG aangewezen, geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevat; - college: College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, genoemd in artikel 3; communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91) betrekking hebbende op gewasbeschermingsmiddelen of biociden; +distributeur: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervoor zorgt dat gewasbeschermingsmiddelen of biociden in de handel verkrijgbaar zijn, met inbegrip van groothandelaren, detailhandelaren, verkopers en leveranciers; + gebruiker: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gewasbeschermingsmiddel of biocide toepast, toedient, doet toepassen, of doet toedienen; -geïntegreerde bestrijding: de rationele toepassing van een combinatie van biologische, biotechnologische, chemische, mechanische en fysische bestrijding, teelt- of gewasveredelingsmaatregelen, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt tot het strikte minimum dat noodzakelijk is om populaties van schadelijke organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht onaanvaardbare schade of verliezen optreden; +geïntegreerde gewasbescherming: de zorgvuldige afweging van alle beschikbare gewasbeschermingsmethoden, gevolgd door de integratie van passende maatregelen die de ontwikkeling van populaties van schadelijke organismen tegengaan, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en andere vormen van interventie tot economisch en ecologisch verantwoorde niveaus beperkt houden en het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu tot een minimum beperken; -gewasbeschermingsmiddel: werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd of aangewend om: - -1°. planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen; -2°. levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen; -3°. plantaardige producten te bewaren; -4°. ongewenste planten te doden; of -5°. delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten af te remmen of te voorkomen; - -juist gebruik: rationele toepassing van een combinatie van fysische, biologische, chemische of andere maatregelen waardoor het gebruik van biociden tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt; - -kaderformulering: specificaties voor een groep van biociden voor hetzelfde gebruik en dezelfde gebruikerssoort, welke groep van producten dezelfde werkzame stoffen met dezelfde specificaties bevat en in samenstelling slechts afwijkingen ten opzichte van een eerder toegelaten biocide vertoont die niet van invloed zijn op het aan die biocide verbonden risico en haar doeltreffendheid; - -milieu: water, lucht, bodem en wilde soorten van dieren en planten alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende organismen; +gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009; Onze Minister: -– voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, alsmede voor de toepassing van hoofdstuk 2: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; -– voor wat betreft biociden alsmede gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; +– voor gewasbeschermingsmiddelen, alsmede voor de toepassing van hoofdstuk 2: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; +– voor biociden: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; +– voor de artikelen 86 en 90: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie met betrekking tot overtredingen met gewasbeschermingsmiddelen of Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot overtredingen met biociden; -Onze Ministers: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; +Onze Ministers: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; -op de markt brengen: iedere vorm van distribueren, leveren, afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van Nederland; - -plant: levende plant en levend deel van een plant met inbegrip van vers fruit en zaden; - -plantaardige producten: van planten afkomstige producten die geen of slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, zoals malen, drogen of persen, voor zover het geen planten zijn; - -preparaat: mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen, waarvan ten minste één een werkzame stof is, en die voor gebruik als gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk als biocide, zijn bestemd; - -registratie: bestuursrechtelijk besluit waarmee toestemming wordt gegeven om een biocide met een gering risico op de markt te brengen; - -residu: één of meer van de in een gewasbeschermingsmiddel of biocide aanwezige stoffen, die als gevolg van het gebruik ervan achterblijven, met inbegrip van de metabolieten van die stoffen en de producten die bij de afbraak of de reactie vrijkomen; - -richtlijn 91/414/EEG: richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230); +professionele gebruiker: persoon die in de landbouwsector of in een andere sector, gewasbeschermingsmiddelen of biociden gebruikt in het kader van zijn beroepsactiviteiten, met inbegrip van bedieners van toepassingsapparatuur, technici, werkgevers en zelfstandigen; richtlijn 98/8/EG: richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123); -schadelijk organisme: elk organisme dat ongewenst aanwezig is of een schadelijke invloed heeft of waarvan uit anderen hoofde bestrijding of afwering wenselijk is; +richtlijn 2009/128/EG: Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU L 309); -stof: chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan; - -toelating: bestuursrechtelijk besluit waarmee wordt toegestaan dat een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt wordt gebracht; - -tot bezorgdheid aanleiding gevende stof: iedere stof, met uitzondering van de werkzame stof, die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het milieu en die in een biocide in voldoende concentratie aanwezig is of ontstaat om een dergelijk effect te veroorzaken; - -verklaring van toegang: document, ondertekend door de rechthebbende op relevante gegevens die door richtlijn 91/414/EEG en richtlijn 98/8/EG beschermd zijn, waarin verklaard wordt dat die gegevens door het college gebruikt mogen worden voor toelating van een gewasbeschermingsmiddel, dan wel toelating of registratie van een biocide; +verordening (EG) nr. 1107/2009: Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309). verpakking: omhulsel waarin een gewasbeschermingsmiddel of biocide aan of ten behoeve van een gebruiker wordt afgeleverd, of dat daartoe is bestemd; -werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met een algemene of specifieke werking op of tegen schadelijke organismen. - **2.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «gebruiken» mede verstaan de aanwezigheid van een werkzame stof, al dan niet in een gewasbeschermingsmiddel of biocide, op of in gebouwen, plaatsen, voorwerpen, de grond dan wel op of in planten of plantaardige producten, met uitzondering van binnen Nederland gebracht uitgangsmateriaal waaronder stekken en zaaizaad, voor zover de werkzame stof in het land van herkomst op het uitgangsmateriaal is toegepast in overeenstemming met de wetgeving van dat land. **3.** Onder een biocide wordt mede verstaan een werkzame stof die door de gebruiker op de plaats van toepassing is gegenereerd door middel van apparatuur die niet bij ministeriële regeling is uitgezonderd van de werking van deze wet. @@ -91,10 +60,14 @@ werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met **1.** Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voor zover daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de artikelen van deze wet waarop de desbetreffende communautaire maatregel betrekking heeft. -**2.** In afwijking van het eerste lid wordt een communautaire maatregel die slechts bepalingen inzake de opneming of niet-opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG alsmede bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG, bevat door het college in de Staatscourant gepubliceerd. +**2.** In afwijking van het eerste lid wordt een communautaire maatregel die bepalingen inzake de opneming of niet-opneming van een werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG bevat, dan wel een wijziging daarvan, door het college in de Staatscourant gepubliceerd. **3.** Een communautaire maatregel of wijziging daarvan gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. +### Artikel 2a + +Een ieder is verplicht op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen, biociden, de daarbij behorende werkzame stoffen of daarbij gebruikte toevoegingsstoffen, alsmede restanten daarvan of de aangebroken verpakkingen. Die zorgvuldigheid houdt in ieder geval in, dat een ieder, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor een mens, voor een dier of voor planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren, voor de bodem of voor het water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, tenzij zulks in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, dan wel onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. + ## Hoofdstuk 2. Het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ### Artikel 3 @@ -103,13 +76,13 @@ Er is een College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. H ### Artikel 4 -Het college is belast met: +**1.** Het college wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit voor Nederland in de zin van artikel 75 van verordening (EG) 1107/2009. Het college is in dat kader belast met het optreden als rapporteur lidstaat voor de beoordeling van werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten, alsmede met de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen, overeenkomstig verordening (EG) 1107/2009. -a. het toelaten van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig hoofdstuk 4 dan wel hoofdstuk 9 van de wet; -b. het toelaten of registreren van biociden overeenkomstig hoofdstuk 5 dan wel hoofdstuk 9 van de wet; -c. het bijhouden van het in artikel 42 bedoelde register; -d. het verlenen van de in de artikelen 37 en 64 bedoelde vrijstellingen voor proefdoeleinden; en -e. andere, bij algemene maatregel van bestuur opgedragen taken, die verband houden met de onder a tot en met d bedoelde taken. +**2.** Het college is belast met de toelating of registratie van een biocide overeenkomstig hoofdstuk 5 of hoofdstuk 9. + +**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het college andere taken worden opgedragen, die samenhangen met het op de markt brengen of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden. + +**4.** In afwijking van het eerste lid is Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie belast met het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 67, eerste lid, derde tekstblok, van verordening (EG) 1107/2009. ### Artikel 5 @@ -164,19 +137,11 @@ Vervallen ### Artikel 10 -**1.** +**1.** Het college stelt zijn tarieven vast in verband met de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde wettelijke taken. Het tarief omvat een jaarlijkse bijdrage ten laste van de houder van een toelating voor ieder toegelaten gewasbeschermingsmiddel en ieder toegelaten of geregistreerde biocide die op 1 februari is opgenomen in het register van het college. -Voor zover de kosten van het college betrekking hebben op de in artikel 4 bedoelde wettelijke taken, worden zij gedekt uit door het college vast te stellen en in rekening te brengen tarieven voor: +**2.** De tarieven, bedoeld in het eerste lid, bedragen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten in verband met de verrichte activiteiten. -a. de behandeling van een aanvraag voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen of voor de toelating of registratie van biociden of een verlenging daarvan als bedoeld in de artikelen 39 en 66; -b. de behandeling van een verzoek om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 37 en 64; -c. de behandeling van een aanvraag tot erkenning als bedoeld in artikel 37, zesde lid, en artikel 64, zesde lid; -d. de behandeling van een verzoek tot wijziging of intrekking van een toelating als bedoeld in de artikelen 41 en 68; -e. elk jaar dat een gewasbeschermingsmiddel of biocide in verband met de toelating of registratie op 1 februari van het kalenderjaar waarvoor het tarief voor de jaarlijkse vergoeding verschuldigd is, staat ingeschreven in het in artikel 42, tweede lid, bedoelde register; -f. het nemen van een besluit tot toelating waarvan een kaderformulering als bedoeld in artikel 62 deel uitmaakt of een verlenging daarvan als bedoeld in artikel 66; en -g. het verrichten van andere taken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, voor zover deze taken niet vallen onder de activiteiten, genoemd in de onderdelen a tot en met f. - -**2.** De in het eerste lid bedoelde tarieven hebben een rechtstreeks verband met de in dat lid bedoelde activiteiten en belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die zijn toe te rekenen aan de onderscheiden activiteiten. +**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over het maximumtarief of de maximale verhoging per jaar, alsmede voor gewasbeschermingsmiddelen over een verlaging van het tarief voor bepaalde vormen van toelating, bepaalde activiteiten en bepaalde groepen aanvragers van een toelating, overeenkomstig artikel 74, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009. ### Artikel 11 @@ -217,121 +182,67 @@ Vervallen Vervallen -## Hoofdstuk 3. Algemene verboden - -### Artikel 18 - -Een ieder is verplicht ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of de tot die middelen behorende werkzame stoffen alsmede ten aanzien van lege verpakkingen voldoende zorg in acht te nemen. Die zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor de mens, voor dieren of planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren of voor bodem of water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. - -### Artikel 19 - -Het is verboden een werkzame stof op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of, al dan niet in een gewasbeschermingsmiddel of biocide, te gebruiken. - -### Artikel 20 - -Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd. - -### Artikel 21 - -**1.** Het verbod, bedoeld in artikel 19, geldt niet voor een werkzame stof die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze wet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of een ingevolge deze wet toegelaten of geregistreerd biocide. - -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid en de artikelen 19 en 20 gelden als toegelaten of geregistreerd: gewasbeschermingsmiddelen of biociden, op de verpakking waarvan de naam van een toegelaten of geregistreerd middel en het nummer van de toelating of de registratie zijn vermeld en die zijn opgenomen in het in artikel 42, tweede lid, bedoelde register. - -### Artikel 22 - -**1.** Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften die krachtens de artikelen 29 en 50 bij de toelating worden vastgesteld. - -**2.** Het is verboden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk toegelaten of geregistreerde biociden, op de markt te brengen of voorhanden of in voorraad te hebben indien de krachtens de artikelen 29 en 50 voor het gebruik gegeven voorschriften niet op de daarbij voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking zijn vermeld of indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling, kleur, vorm, afwerking, verpakking, aanduidingen of vermeldingen niet aan die voorschriften voldoen. - -**3.** Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet voor zover het college een voorziening heeft getroffen voor het op de markt brengen, in voorraad houden, voorhanden hebben of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in artikel 41, derde lid, of artikel 68, derde lid, dan wel voor zover wordt voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 74, tweede lid, en artikel 75, onderdeel c, bepaalde. - -**4.** Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op vrijstellingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, artikel 38, eerste lid, artikel 64, eerste lid, en artikel 65, eerste lid, alsmede erkenningen als bedoeld in artikel 37, zesde lid en artikel 64, zesde lid. +## Hoofdstuk 3 ## Hoofdstuk 4. Gewasbeschermingsmiddelen ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen +### Artikel 18 + +In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: + +- *basisstof:* werkzame stof als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009; +- *milieu:* hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 3, onderdeel 13, van verordening (EG) 1107/2009; +- *niet-chemische methoden:* methoden die een alternatief vormen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en die berusten op landbouwtechnieken als bedoeld in punt 1 van bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG, of fysische, mechanische of biologische bestrijdingsmethoden; +- *op de markt brengen:* hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 3, onderdeel 9, van verordening (EG) 1107/2009; +- *risico-indicator:* het resultaat van een berekeningsmethode die wordt gebruikt bij de beoordeling van risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor de menselijke gezondheid en het milieu; +- *voorlichter:* persoon die beroepsmatig of in het kader van een commerciële dienst advies verstrekt over de bestrijding van schadelijke organismen en het veilig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, in voorkomend geval met inbegrip van particuliere en zelfstandige voorlichtingsdiensten, handelsagenten, levensmiddelenproducenten en detailhandelaren; +- *werkzame stof:* hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 2, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009. + +### Artikel 19 + +Het is verboden een werkzame stof die niet is opgenomen in een toegelaten gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, tenzij de stof is goedgekeurd als basisstof op grond van artikel 23 van verordening (EG) 1107/2009. + +### Artikel 20 + +**1.** Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 28, eerste lid, 52, eerste en vijfde lid, 55, 56, eerste lid, 58, eerste lid, en 64, van verordening (EG) 1107/2009 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen. + +**2.** Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 49, vierde lid, 56, tweede of vierde lid, 65, eerste lid, 66 en 67 van verordening (EG) 1107/2009 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen. + +**3.** Het is verboden een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel of toevoegingsstof voorhanden of op voorraad te hebben. + +### Artikel 21 + +Het is verboden zaad van een plant, dat met een gewasbeschermingsmiddel is behandeld, op de markt te brengen of te gebruiken in Nederland, tenzij aangetoond kan worden dat het zaad is behandeld met een gewasbeschermingsmiddel dat als zodanig is toegelaten in een lidstaat van de Europese Unie. + +### Artikel 22 + +**1.** Het is verboden een toegelaten gewasbeschermingsmiddel op de markt te brengen of te gebruiken, indien de wettelijke of door het college bij de toelating vastgestelde voorschriften of beperkingen niet of niet op de voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking zijn vermeld. + +**2.** Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel op de markt te brengen of te gebruiken, indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling waaronder beschermstoffen, synergisten of formuleringshulpstoffen, kleur, vorm, afwerking, verpakking, andere aanduidingen of vermeldingen afwijken van de toelating of de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet, verordening (EG) 1107/2009 of een ter uitvoering van die verordening vastgestelde verordening. + +**3.** De in artikel 19 of 20 of het eerste en tweede lid bedoelde verboden gelden niet voor zover het college een voorziening heeft getroffen voor het kunnen verwijderen, op de markt brengen, opslaan of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 46 van verordening (EG) 1107/2009. + ### Artikel 23 -**1.** Het college neemt op aanvraag een besluit omtrent toelating van een gewasbeschermingsmiddel. - -**2.** Een besluit omtrent toelating wordt genomen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn. Deze termijn kan krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een communautaire maatregel inzake de opneming of niet opneming van een werkzame stof op bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG. - -**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarbij een op aanvraag te nemen besluit omtrent toelating na de in het tweede lid bedoelde termijn, van rechtswege is verleend of niet verleend. - -**4.** Indien een besluit omtrent toelating niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, kan worden genomen en een eerder verstrekte toelating van het gewasbeschermingsmiddel voor het einde van die termijn vervalt, kan het college het vervallen van de eerder verstrekte toelating opschorten tot de dag waarop het college op de aanvraag heeft besloten, onverminderd artikel 28, vierde lid. - -**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot verlenging, intrekking of wijziging die op aanvraag zijn genomen. +Vervallen ### Artikel 24 -**1.** - -Een aanvraag wordt in behandeling genomen indien de aanvraag in de Nederlandse taal is opgesteld en wordt ingediend door een binnen de Europese Unie gevestigde: - -a. natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van het gewasbeschermingsmiddel; -b. officiële instantie, die zich bezig houdt met landbouwactiviteiten; -c. wetenschappelijke instantie, die zich bezig houdt met landbouwactiviteiten; -d. beroepsinstantie op landbouwgebied; -e. beroepsgebruiker. - -**2.** - -Een aanvraag van een instantie of gebruiker als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, wordt slechts in behandeling genomen indien die aanvraag betreft: - -a. een uitbreiding van de toepassing van een eerder toegelaten gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 31, eerste lid; -b. toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, of 33, eerste lid. +Vervallen ### Artikel 25 -**1.** - -Een aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten: - -a. een dossier betreffende het gewasbeschermingsmiddel dat, voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels voor de uitvoering van richtlijn 91/414/EEG of een voor die richtlijn vastgestelde communautaire maatregel of een verklaring van toegang tot voornoemd dossier; -b. een dossier betreffende elke werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels voor de uitvoering van richtlijn 91/414/EEG of een voor die richtlijn vastgestelde communautaire maatregel of een verklaring van toegang tot een dossier als hiervoor bedoeld. - -**2.** Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kan hij, indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen maatregelen. - -**3.** Een regeling als bedoeld in het tweede lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling. +Vervallen ### Artikel 26 -**1.** Een aanvraag die vergezeld gaat van een dossier waar proeven op gewervelde dieren aan ten grondslag liggen, wordt niet in behandeling genomen tenzij de aanvrager voorafgaand aan die proeven bij het college inlichtingen heeft ingewonnen omtrent proeven op gewervelde dieren die bij een eerdere aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel zijn uitgevoerd. - -**2.** - -Het college verstrekt de volgende informatie: - -a. of de eerdere aanvraag tot een toelating heeft geleid; -b. de naam en het adres van degene op naam van wie de toelating is geregistreerd. - -**3.** Het college maakt de identiteit van de betrokken partijen over en weer bekend, nadat hij zekerheid heeft gekregen over het voornemen tot het doen van proeven op gewervelde dieren. - -**4.** De betrokken partijen als bedoeld in het derde lid, doen al hetgeen redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om overeenstemming te bereiken over de uitwisseling van informatie, ten einde onnodige herhaling van proeven met gewervelde dieren te beperken. - -**5.** Het college stelt op grond van artikel 8 regels over uitwisseling van gegevens, waaronder regels over de vergoeding te betalen door de aanvrager voor de kosten van proeven op gewervelde dieren van degenen die eerder gegevens over deze proeven hebben overgelegd. +Vervallen ### Artikel 27 -**1.** Het college gebruikt bij de behandeling van de aanvraag geen gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt, tenzij de aanvrager met de andere aanvrager schriftelijk is overeengekomen dat deze gegevens mogen worden gebruikt. - -**2.** - -In afwijking van het eerste lid, kan het college, bij de behandeling van de aanvraag gebruik maken van gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt indien: - -a. met betrekking tot de gegevens voor de opneming van de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG een periode van tien jaar is verstreken na de datum van opname in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de in het gewasbeschermingsmiddel werkzame stof, of -b. met betrekking tot andere gegevens dan de gegevens, bedoeld in onderdeel a, een periode van tien jaar is verstreken na de toelating door het college van een gewasbeschermingsmiddel, voor zover voor die toelating door andere aanvragers gegevens zijn verstrekt. - -**3.** - -In afwijking van het eerste lid, kan het college, bij de behandeling van de aanvraag gebruik maken van aanvullende gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt voor: - -a. de opname van een werkzame stof, -b. het wijzigen van de voorwaarden voor de opname van een werkzame stof, of -c. de handhaving van de opname van een werkzame stof, in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG indien een periode van vijf jaar is verstreken na de datum van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen volgend op de ontvangst van de betreffende aanvullende gegevens. - -**4.** Het college gebruikt de in het derde lid bedoelde aanvullende gegevens van een andere aanvrager niet eerder dan nadat de periodes genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, zijn verstreken. +Vervallen ### Paragraaf 2. De toelatingsprocedure @@ -339,304 +250,148 @@ c. de handhaving van de opname van een werkzame stof, in bijlage I bij richtlijn **1.** -Een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten indien het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarde dat: +Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over: -a. de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG zijn vermeld en voldoen aan de voorwaarden van die bijlage, -b. het gewasbeschermingsmiddel na toepassing van de uniforme beginselen van bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis aan de hand van het onderzoek van het dossier, rekening houdend met alle normale omstandigheden waaronder het gewasbeschermingsmiddel kan worden gebruikt en de gevolgen van het gebruik: +a. de wijze van totstandkoming en de inhoud van een afbouwplan, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van verordening (EG) 1107/2009; +b. de erkenning van proeven en analysen, bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009; +c. de specifieke gebruiksomstandigheden in verband met milieu of landbouw en de in verband daarmee te stellen nationale risicobeperkende maatregelen, bedoeld in artikel 36, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009; +d. de vereenvoudiging of stimulering van aanvragen voor toelating in verband met de uitbreiding voor een kleine toepassing van een bestaande toelating, bedoeld in artikel 51 van verordening (EG) 1107/2009; +e. de etikettering van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 65 van verordening (EG) 1107/2009. -1°. voldoende werkzaam is, -2°. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige producten, -3°. geen onnodig lijden of pijn veroorzaakt bij te bestrijden gewervelde dieren, -4°. geen directe of indirecte schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van mens of dier via drinkwater, voedsel, voer of welke andere wijze dan ook of op het grondwater, en -5°. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de volgende aspecten: +De regels, bedoeld in onderdeel b, kunnen inhouden dat proeven en analysen eerst worden erkend of een aanvraag daartoe eerst in behandeling wordt genomen, nadat een daarvoor vastgesteld tarief is voldaan. -– de plaats waar het middel in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, waaronder drinkwater en grondwater, -– de gevolgen voor niet-doelsoorten, -c. de aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en zo nodig de in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht belangrijke onzuiverheden en hulpstoffen worden bepaald overeenkomstig de bij een communautaire maatregel vastgestelde methoden, of, voor zover deze methoden niet zijn vastgesteld, overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde of goedgekeurde methoden, -d. de residuen die het gevolg zijn van geoorloofd gebruik die in toxicologisch opzicht of vanuit milieu oogpunt van belang zijn, kunnen worden bepaald met algemeen gebruikte passende methoden, -e. de fysische en chemische eigenschappen van het gewasbeschermingsmiddel zijn vastgesteld en voor juist gebruik en adequate opslag van het middel aanvaardbaar zijn geacht, en -f. de voorlopige maximum residugehalten op landbouwproducten die zijn bepaald aanvaardbaar zijn en aan de Commissie der Europese Gemeenschappen zijn medegedeeld. +**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van artikel 81 van verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over beschermstoffen, synergisten, formuleringshulpstoffen en toevoegingsstoffen. Deze regels kunnen betrekking hebben op de kwaliteit of samenstelling van deze stoffen en een verbod op of beperking van het op de markt brengen of gebruik inhouden. -**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake de toepassing van uniforme beginselen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aanhef, voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen. - -**3.** - -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordelingsmethoden bij de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, bedoeld in het eerste lid, alsmede regels inzake onder meer: - -a. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers; -b. de methode waarmee de op grond van artikel 29 vast te stellen voorschriften worden bepaald. - -**4.** Een toelating geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. - -**5.** Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede en derde lid kan hij, indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen maatregelen. - -**6.** Een regeling als bedoeld in het vijfde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling. +**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, regels worden vastgesteld over de toepassing van de in dat artikel bedoelde uniforme beginselen, voor zover voor de toepassing van die beginselen geen beoordelingsmethoden in richtsnoeren als bedoeld in artikel 77 van die verordening zijn gesteld. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. ### Artikel 29 **1.** -Het college geeft bij de toelating voorschriften omtrent: +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2009/128/EG regels worden gesteld voor de toelating of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor niet-professioneel gebruik, teneinde gevaarlijke situaties te vermijden. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op: -a. de doeleinden waarvoor het gewasbeschermingsmiddel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden, -b. de voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde, -c. goede praktijken alsmede waar mogelijk, de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding, en -d. de samenstelling, kleur, grootte, vorm, afwerking, verpakking, aanduidingen en vermeldingen op, aan, bij of van de verpakking van het gewasbeschermingsmiddel. +a. de mate van toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel; +b. gebruiksklare formuleringen; +c. beperkingen aan het formaat van de verpakking. -**2.** +**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanpassing van het etiket van een gewasbeschermingsmiddel nadat de gevaarsclassificatie van een gewasbeschermingsmiddel is gewijzigd, overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009. -Het college kan bij de toelating voorts voorschriften geven over onder meer: +**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van artikel 31, tweede en vierde lid, van verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over de door het college bij de toelating te stellen voorschriften, waaronder in ieder geval bij gebruik van het gewasbeschermingsmiddel in acht te nemen herbetredingstermijnen, voorzorgsmaatregelen en veiligheidsadviezen ter bescherming van de gebruiker of andere personen, die tijdens of na het gebruik met het gewasbeschermingsmiddel zelf of een daarmee behandeld product of materiaal in aanraking kunnen komen. -a. het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel voor een aangewezen categorie van personen of rechtspersonen, -b. het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel voor een aangewezen categorie van personen of rechtspersonen alsmede: - -1°. de tijden en plaatsen waarop, -2°. de klimatologische omstandigheden waaronder, -3°. de doseringen waarin, -4°. de wijze waarop, of -5°. de technische hulpmiddelen waarmede, het gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast, -c. het gebruik van technische veiligheidsmaatregelen, of -d. door de gebruiker van het gewasbeschermingmiddel in acht te nemen veiligheidstermijnen, voorzorgsmaatregelen en veiligheidsadviezen met betrekking tot de bescherming van zichzelf, andere gebruikers, leveranciers, werknemers, consumenten, dieren of het milieu bij: - -1°. het oogsten of in het verkeer brengen van behandelde planten of delen daarvan, -2°. het gebruik van behandelde planten of delen daarvan, -3°. het telen van gewassen op behandelde grond, -4°. het gebruik van behandeld water, -5°. het betreden of gebruiken van behandelde ruimten, oppervlakken en goederen, -6°. het betreden of gebruiken van ruimten, waarin zich behandelde goederen bevinden of bevonden, of -7°. het informeren van gebruikers, leveranciers en werknemers over de gevaren en de maatregelen tot voorkoming van gevaar bij handelingen als bedoeld onder 1° tot en met 6°. - -**3.** - -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste en tweede lid alsmede over te stellen voorschriften inzake: - -a. de toepassing van beginselen van geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 78, -b. de uitvoering van goede praktijken als bedoeld in artikel 79, -c. het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken, materialen bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 80, -d. een ingevolge artikel 81 aan te vragen vergunning, vrijstelling, ontheffing of meldingsplicht. - -**4.** Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid kan hij, indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen maatregelen. - -**5.** Een regeling als bedoeld in het vierde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling. +**4.** De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. ### Paragraaf 3. Bijzondere vormen van toelating ### Artikel 30 -**1.** Aanvragen voor bijzondere vormen van toelating als bedoeld in deze paragraaf worden overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk in behandeling genomen voor zover in deze paragraaf geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen. - -**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bijzondere vormen van toelating als bedoeld in deze paragraaf nadere regels worden gesteld in verband met de bijzondere aard van die vormen van toelating. +Vervallen ### Artikel 31 -**1.** Het college kan op aanvraag besluiten tot uitbreiding van de toepassing van een eerder toegelaten gewasbeschermingsmiddel aan de hand van de voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 5°, wanneer het voorgenomen gebruik een kleine omvang heeft in vergelijking met het gebruik dat verband houdt met de eerdere toelating. - -**2.** Het college besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid of op verzoek van Onze Minister tot uitbreiding van een toepassing als bedoeld in het eerste lid, wanneer dit in het openbaar belang is en het voorgenomen gebruik van kleine omvang is. - -**3.** De aanvrager deelt het college bij de aanvraag mede hoe de voorschriften voor de uitbreiding van de toepassing aan de gebruikers wordt medegedeeld. - -**4.** Het college kan in het belang van de volksgezondheid, arbeidsbescherming en het milieu ambtshalve een wijze van mededelen bepalen. - -**5.** Onze Minister kan regels stellen voor de toepassing van het tweede en vierde lid. +Vervallen ### Artikel 32 -**1.** Het college besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel indien op grond van een ander toelatingsbesluit dat middel in dezelfde samenstelling onder een andere handelsnaam maar voor een zelfde doeleinde is toegelaten. - -**2.** De artikelen 25, eerste en derde lid, alsmede 26 tot en met 29 zijn niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. - -**3.** Het in het eerste lid bedoelde andere toelatingsbesluit geldt eveneens voor het gewasbeschermingsmiddel dat krachtens het eerste lid is toegelaten. +Vervallen ### Artikel 33 -**1.** - -Het college besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat: - -a. in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is toegelaten, -b. wordt ingevoerd vanuit een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar het middel is toegelaten, -c. niet wezenlijk verschilt van een reeds in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel en -d. afkomstig is van de onderneming die het in onderdeel c, bedoelde gewasbeschermingsmiddel vervaardigt, een daarmee gelieerde onderneming, een onderneming die onder licentie het gewasbeschermingsmiddel vervaardigt of een onderneming die beschikt over de verklaringen van toegang, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b. - -**2.** De artikelen 25, eerste en derde lid, alsmede 26 tot en met 29 zijn niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. - -**3.** Alle besluiten inzake toelating van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde toegelaten gewasbeschermingsmiddel gelden eveneens voor het gewasbeschermingsmiddel dat op grond van dit artikel wordt toegelaten. +Vervallen ### Artikel 34 -**1.** - -In afwijking van artikel 28 besluit het college tot voorlopige toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat die niet is vermeld in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG en die op 26 juli 1993 nog niet in een lidstaat van de Europese Unie op de markt was en daarmee niet ingevolge een communautaire maatregel is gelijkgesteld, indien: - -a. de werkzame stof naar het oordeel van het college voldoet aan de voorwaarden om in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG geplaatst te mogen worden en -b. het gewasbeschermingsmiddel naar het oordeel van het college voldoet aan het gestelde bij of krachtens artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde. - -**2.** Een toelating als bedoeld in het eerste lid geldt in afwijking van artikel 28, vierde lid, voor een termijn van maximaal drie jaar. - -**3.** Het college doet onverwijld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten een kennisgeving van de beoordeling van het dossier en de toelatingsvoorwaarden. +Vervallen ### Artikel 35 -In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan het college op aanvraag van Onze Minister besluiten tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel indien: - -a. de werkzame stof niet met het oog op gebruik als gewasbeschermingsmiddel op de markt wordt gebracht, -b. de fabrikant of importeur niet beweert dat sprake is van een voldoende werkzaamheid ter bescherming van planten of gewassen, en -c. het gewasbeschermingsmiddel naar het oordeel van het college onder door het college te stellen voorschriften aan het gestelde bij of krachtens artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde voldoet. +Vervallen ### Artikel 36 -**1.** Het college besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een of meer werkzame stoffen bevat die zijn vermeld in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG en waarvan de werkzame stoffen deel uitmaken van een in een andere lidstaat van de Europese Unie toegelaten gewasbeschermingsmiddel. De aanvrager verstrekt gegevens om de vergelijkbaarheid van het gewasbeschermingsmiddel met het in een andere lidstaat van de Europese Unie toegelaten gewasbeschermingsmiddel te staven. +Vervallen -**2.** Het college kan geen herhaling van proeven of analyses vragen van de in het eerste lid genoemde gewasbeschermingsmiddelen voor zover de agrarische, fytosanitaire, ecologische, met inbegrip van klimatologische omstandigheden bij de proeven of analyses die in de andere lidstaat zijn uitgevoerd met betrekking tot het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel, vergelijkbaar zijn met de Nederlandse omstandigheden. - -**3.** - -Het college neemt bij de toelating voorschriften op die voortvloeien uit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels indien: - -a. die verband houden met verschillen in voedingsgewoonten en noodzakelijk zijn in verband met de consumptie van behandelde producten of -b. de agrarische, fytosanitaire en ecologische met in begrip van klimatologische omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden die zich in de in het eerste lid genoemde lidstaat voordoen. - -**4.** Het college stelt de aanvrager, Onze Minister en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van de gevallen waarin herhaling van een proef wordt geëist en van de gevallen waarin het college voornemens is toelating van een reeds in een lidstaat van de Europese Unie toegelaten gewasbeschermingsmiddel te weigeren, terwijl de aanvrager aanvoert dat de agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden met betrekking tot het gebruik van het middel in de gebieden van de lidstaat waar de proef is uitgevoerd of waarvoor de toelating is verstrekt vergelijkbaar zijn met die in Nederland. - -**5.** Het college geeft bij zijn voornemen, bedoeld in het vierde lid, de naam en specificaties van het gewasbeschermingsmiddel alsmede de redenen van het voornemen tot weigering van de toelating. - -**6.** Wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen een communautaire maatregel heeft genomen naar aanleiding van een kennisgeving van het college als bedoeld in het vierde lid of een kennisgeving van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, deelt Onze Minister aan het college mede of er redenen zijn om in afwijking van de communautaire maatregel het gewasbeschermingsmiddel voorlopig toe te laten, toelating van het gewasbeschermingsmiddel te weigeren, de toelating van het gewasbeschermingsmiddel te beperken of in te trekken. - -**7.** Het college besluit tot toelating, weigert een toelating, beperkt een toelating of trekt een toelating in ingevolge daartoe door de Commissie van de Europese Gemeenschappen genomen communautaire maatregelen, overeenkomstig de mededeling van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid. - -### Paragraaf 4. Vrijstelling +### Paragraaf 4. Afwijkingen ### Artikel 37 -**1.** Het college kan op aanvraag vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 19 en 20, voor een gewasbeschermingsmiddel met betrekking tot een proef of experiment voor onderzoek of ontwikkelingsdoeleinden, indien de proef of het experiment naar het oordeel van het college onder gecontroleerde omstandigheden en voor beperkte hoeveelheden en oppervlakten wordt uitgevoerd. +**1.** Op aanvraag kan het college ontheffing verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 19, 20, eerste lid, en 22, eerste en tweede lid, in verband met het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een proef of experiment voor onderzoek of ontwikkelingsdoeleinden als bedoeld in artikel 54 van verordening (EG) 1107/2009. -**2.** De aanvrager verstrekt het college alle beschikbare gegevens op grond waarvan de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier alsmede het effect op het milieu kunnen worden beoordeeld. +**2.** Onze Minister kan op aanvraag een bedrijf of instelling waar proeven of experimenten worden uitgevoerd, erkennen. Op erkende bedrijven en instellingen zijn de artikelen 19, 20, eerste lid, met betrekking tot de daarin genoemde artikelen 28, eerste lid, en 55 van verordening (EG) 1107/2009, en 22, eerste en tweede lid, niet van toepassing. -**3.** Het college besluit niet tot vrijstelling indien de voorgenomen proef of het voorgenomen experiment schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare nadelige effecten op het milieu kan hebben zonder dat deze gevolgen of effecten onder het stellen van voorschriften voorkomen kunnen worden. +**3.** Aan een ontheffing of erkenning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. -**4.** Het college kan aan een vrijstelling voorschriften verbinden en verbindt in ieder geval aan een vrijstelling voorschriften die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van gemeenschappelijke voorwaarden als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van richtlijn 91/414/EEG, voor zover deze voorwaarden zijn vastgesteld. +**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van artikel 54 van verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over de voorwaarden voor de verlening van een ontheffing of erkenning, bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid. -**5.** Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. - -**6.** Onze Minister kan instanties erkennen met het oog op het verrichten van bepaalde proeven en experimenten en daarbij voorschriften stellen voor de wijze waarop de proeven of experimenten worden verricht. Onze Minister kan de erkenning naar zijn oordeel schorsen, wijzigen of intrekken. - -**7.** Onze Minister kan bij regeling voorwaarden stellen voor de erkenning van instanties. Onze Minister geeft bij het vaststellen van voornoemde voorwaarden onder meer uitvoering aan gemeenschappelijke voorwaarden als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van richtlijn 91/414/EEG, voor zover deze voorwaarden zijn vastgesteld. - -**8.** Onze Minister kan bij regeling bepalen dat hij een aanvraag tot erkenning als bedoeld in het zesde lid eerst in behandeling neemt, nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan. +**5.** Bij de regeling bedoeld in het vierde lid kan tevens worden bepaald dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan en dat alvorens een ontheffing of erkenning kan worden verleend een onderzoek ter plaatse noodzakelijk is, waarvan de kosten ten laste van de begunstigde worden gebracht. ### Artikel 38 -**1.** Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag in bijzondere omstandigheden vrijstelling verlenen met het oog op een beperkt en gecontroleerd gebruik van de verboden, bedoeld in de artikelen 19 en 20, voor ten hoogste 120 dagen, voor het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, indien de plantaardige productie door onvoorziene, op geen enkele andere wijze te bestrijden gevaren wordt bedreigd. +**1.** Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 19, 20 en 22, voor het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig artikel 53 van verordening (EG) 1107/2009. -**2.** De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt in ieder geval verleend ter uitvoering van een communautaire maatregel, die is gericht op een te bestrijden gevaar. +**2.** Een vrijstelling wordt in ieder geval verleend ter uitvoering van een communautaire maatregel, die is gericht op een te bestrijden gevaar. -**3.** Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. +**3.** Aan een vrijstelling kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. -**4.** Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. +**4.** Indien een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan Onze Minister bepalen dat de vrijstelling onmiddellijk in werking treedt. In dat geval wordt het vrijstellingsbesluit, in afwijking van artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht op elektronische wijze bekendgemaakt. -**5.** Indien naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan Onze Minister bepalen dat de vrijstelling onmiddellijk in werking treedt. In dat geval kan hij de vrijstelling, in afwijking van artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht op een andere wijze bekend maken. - -**6.** Onze Minister kan bij regeling bepalen dat hij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid eerst in behandeling neemt, nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan. - -### Paragraaf 5. Verandering van besluiten en informatieplicht +**5.** Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan. Tevens kunnen regels worden gesteld omtrent de te volgen procedure en minimumvoorwaarden voor vrijstelling. ### Artikel 39 -**1.** Het college kan op aanvraag iedere toelating met toepassing van de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk verlengen of opnieuw verlengen met maximaal tien jaar. +Het college kan ter uitvoering van artikel 71, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 het op de markt brengen of het gebruik van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van met een gewasbeschermingsmiddel behandeld zaaizaad, of een goedgekeurde werkzame stof, beschermstof, synergist of formuleringshulpstof tijdelijk beperken of verbieden, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat het gewasbeschermingsmiddel, het met een gewasbeschermingsmiddel behandelde zaaizaad of de stof een ernstig risico inhoudt voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu. -**2.** In afwijking van het eerste lid kan een toelating als bedoeld in artikel 34, eerste lid, slechts worden verlengd na toepassing van de in artikel 19 van richtlijn 91/414/EEG genoemde procedure voor de bij die procedure bepaalde voorwaarden en termijnen of voor zover voornoemde procedure nog niet tot een communautaire maatregel heeft geleid voor een periode die nodig is om het dossier en eventueel aanvullende informatie volledig te kunnen onderzoeken. +### Paragraaf 5 -**3.** Een vrijstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, kan door Onze Minister worden verlengd na toepassing van de in artikel 19 van richtlijn 91/414/EEG genoemde procedure voor de bij die procedure bepaalde voorwaarden en termijnen. +### Paragraaf 6. Bekendmaking ### Artikel 40 -**1.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een gewasbeschermingsmiddel op de markt brengt dat is toegelaten, of waarvoor een vrijstelling is verstrekt, is verplicht het college onmiddellijk op de hoogte te stellen van alle nieuwe gegevens betreffende mogelijk gevaarlijke gevolgen van het gewasbeschermingsmiddel of de residuen daarvan voor de gezondheid van mens, dier of het milieu. - -**2.** De in het eerste lid genoemde plicht tot verstrekken van gegevens richt zich eveneens tot andere aanvragers als bedoeld in artikel 24, eerste lid. - -**3.** Het college kan ambtshalve het op de markt brengen, binnen Nederland brengen, op voorraad hebben, voorhanden hebben of gebruiken van een gewasbeschermingsmiddel tijdelijk beperken of verbieden indien er gegronde redenen zijn om te oordelen dat een toegelaten gewasbeschermingsmiddel gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier dan wel onaanvaardbare effecten heeft op het milieu. - -**4.** - -Het college brengt onverwijld: - -a. Onze Minister, -b. de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en -c. andere lidstaten van de Europese Unie, op de hoogte van nieuwe gegevens als bedoeld in het eerste lid, alsmede een beperking of een verbod als bedoeld in het derde lid. - -### Artikel 41 - -**1.** Het college kan een toelating intrekken op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid. - -**2.** Het college kan een toelating wijzigen met toepassing van de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid. - -**3.** - -Het college trekt een toelating of een toepassing van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel ambtshalve of op aanvraag geheel of gedeeltelijk in indien: - -a. er aanwijzingen bestaan dat met in achtneming van de voorschriften bedoeld in artikel 29, niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 28 gestelde regels, -b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan het gewasbeschermingsmiddel is toegelaten, of -c. de natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid, de jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, niet voldoet. - -**4.** Het college wijzigt een toelating ambtshalve of op aanvraag indien naar het oordeel van het college op grond van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis de wijze van gebruik en de gebruikte hoeveelheden kunnen worden gewijzigd. - -**5.** Bij wijziging of intrekking van een toelating bepaalt het college of, in hoeverre, en voor welke termijn het is toegestaan om een niet meer voor bepaalde toepassingen te gebruiken of niet meer toegelaten gewasbeschermingsmiddel in afwijking van artikel 20 op de markt te brengen, in voorraad te houden, voorhanden te hebben of te gebruiken. - -**6.** Vrijstellingen kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd en ingetrokken. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op vrijstellingen. - -**7.** Onverminderd het zesde lid besluit het college bij wijziging of intrekking van vrijstellingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, overeenkomstig het vierde lid van dat artikel. - -**8.** Onverminderd het eerste tot en met zevende lid worden toelatingen of vrijstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen gewijzigd of ingetrokken indien voor de in het betrokken gewasbeschermingsmiddel opgenomen werkzame stof een communautaire maatregel is genomen om te voldoen aan de bij die communautaire maatregel bepaalde voorwaarden en termijnen. - -### Paragraaf 6. Bekendmaking en openbaarmaking - -### Artikel 42 - -**1.** Een besluit omtrent toelating of vrijstelling met betrekking tot een gewasbeschermingsmiddel, dan wel verlenging, wijziging of intrekking daarvan alsmede een tijdelijke beperking of verbod tot het op de markt brengen of gebruik van een gewasbeschermingsmiddel worden in de Staatscourant bekendgemaakt en medegedeeld aan de aanvrager. - -**2.** Het college draagt zorg voor een register dat volgens door Onze Minister te stellen regels wordt ingericht. - -**3.** Alle in het eerste lid genoemde besluiten worden in het register vermeld. - -**4.** De door het college via elektronische weg openbaar gemaakte informatie inzake de registratie van besluiten geeft een weerlegbaar vermoeden van de inhoud van de geregistreerde besluiten. - -### Artikel 43 - -**1.** Het college of Onze Minister besluit in afwijking van de Wet openbaarheid van bestuur en in afwijking van de artikelen 3:7, tweede lid, 3:11, tweede lid, 7:4, zevende lid, 7:18, zevende lid, en 8:29, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht over de openbaarmaking van bij het college onderscheidenlijk Onze Minister aanwezige gegevens inzake toelating of vrijstelling van gewasbeschermingsmiddelen op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde. - -**2.** Een aanvrager van een toelating kan het college gemotiveerd meedelen welke commercieel gevoelige informatie waarvan bekendmaking hem op industrieel of commercieel gebied zou kunnen schaden, voor iedereen behalve het college en de Commissie van de Europese Gemeenschappen vertrouwelijk blijft. Het college behandelt voornoemde commercieel gevoelige informatie vertrouwelijk als het college de motivering aanvaardt. - -**3.** Het college neemt de nodige stappen om de vertrouwelijkheid van de volledige samenstelling van productformules te garanderen. - -**4.** Het college behandelt informatie, die door andere lidstaten als vertrouwelijk is gekwalificeerd, vertrouwelijk. - -**5.** - -De volgende informatie wordt niet als vertrouwelijk beschouwd: - -a. de naam en het adres van de aanvrager; -b. de naam en het adres van de fabrikant van het gewasbeschermingsmiddel; -c. de naam en het adres van de fabrikant van de werkzame stof; -d. de naam en het gehalte van de werkzame stof en de naam van het gewasbeschermingsmiddel; -e. de namen van andere stoffen die uit hoofde van titel 9.2 van de Wet milieubeheer als gevaarlijk worden beschouwd en een rol spelen bij de indeling van het product; -f. de fysische en chemische eigenschappen van de werkzame stof en het gewasbeschermingsmiddel; -g. de wijzen waarop het gewasbeschermingsmiddel onschadelijk kan worden gemaakt; -h. een beknopt overzicht van de resultaten van de krachtens artikel 28 vereiste proeven die ertoe strekken de werkzaamheid en de onschadelijkheid van het middel voor mens, dier, plant en milieu vast te stellen; -i. de methoden en voorzorgsmaatregelen die worden aanbevolen om de risico's van hantering, opslag, vervoer, brand en andere risico's te beperken; -j. veiligheidsinformatiebladen; -k. de analysemethoden die bij de beoordeling als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 4 en 5 en onderdelen c en d, alsmede het derde lid, onderdeel a, zijn toegepast; -l. de methoden voor het verwijderen van het middel en de verpakking daarvan; -m. de te volgen procedures en de te nemen maatregelen bij morsen of lekken; -n. de te verlenen eerste hulp en de medische behandeling bij persoonlijke ongevallen. - -**6.** Indien de aanvrager, fabrikant of importeur van het gewasbeschermingsmiddel of van de werkzame stof op een later tijdstip informatie vrijgeeft die voordien vertrouwelijk was, wordt het college daarvan op de hoogte gebracht. - -**7.** Onze Minister kan voor de uitvoering van communautaire maatregelen regels stellen over de openbaarmaking van informatie. +Een besluit tot toelating of vrijstelling van een gewasbeschermingsmiddel, alsmede een tijdelijke beperking van of verbod op het op de markt brengen of gebruik van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel, wordt in de Staatscourant bekendgemaakt en medegedeeld aan de aanvrager. ## Hoofdstuk 5. Biociden ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen +### Artikel 41 + +In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: + +- *basisstof:* in bijlage 1B bij richtlijn 98/8/EG opgenomen stof die hoofdzakelijk voor andere dan bestrijdingsdoeleinden wordt gebruikt, maar in ondergeschikte mate als biocide wordt toegepast, hetzij rechtstreeks, hetzij in een product dat bestaat uit die stof en een eenvoudig oplosmiddel, dat zelf geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof is, en die niet rechtstreeks voor gebruik als biocide op de markt wordt gebracht; +- *biocide met een gering risico:* biocide die als werkzame stof uitsluitend een of meer in bijlage 1A bij richtlijn 98/8/EG aangewezen, geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevat; +- *juist gebruik:* rationele toepassing van een combinatie van fysische, biologische, chemische of andere maatregelen waardoor het gebruik van biociden tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt; +- *kaderformulering:* specificaties voor een groep van biociden voor hetzelfde gebruik en dezelfde gebruikerssoort, welke groep van producten dezelfde werkzame stoffen met dezelfde specificaties bevat en in samenstelling slechts afwijkingen ten opzichte van een eerder toegelaten biocide vertoont die niet van invloed zijn op het aan die biocide verbonden risico en haar doeltreffendheid; +- *milieu:* water, lucht, bodem en wilde soorten van dieren en planten, alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende organismen; +- *op de markt brengen:* iedere vorm van distribueren, leveren, afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van Nederland; +- *preparaat:* mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen, waarvan ten minste één een werkzame stof is, en die voor gebruik als biocide is bestemd; +- *registratie:* bestuursrechtelijk besluit waarmee toestemming wordt gegeven om een biocide met een gering risico op de markt te brengen; +- *residu:* één of meer van de in een biocide aanwezige stoffen, die als gevolg van het gebruik ervan achterblijven, met inbegrip van de metabolieten van die stoffen en de producten die bij de afbraak of de reactie vrijkomen; +- *schadelijk organisme:* elk organisme dat ongewenst aanwezig is of een schadelijke invloed heeft of waarvan uit anderen hoofde bestrijding of afwering wenselijk is; +- *stof:* chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan; +- *toelating:* bestuursrechtelijk besluit waarmee wordt toegestaan dat een biocide op de markt wordt gebracht; +- *tot bezorgdheid aanleiding gevende stof:* iedere stof, met uitzondering van de werkzame stof, die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het milieu en die in een biocide in voldoende concentratie aanwezig is of ontstaat om een dergelijk effect te veroorzaken; +- *verklaring van toegang:* document, ondertekend door de rechthebbende op relevante gegevens die door richtlijn 98/8/EG beschermd zijn, waarin verklaard wordt dat die gegevens door het college gebruikt mogen worden voor de toelating of registratie van een biocide; +- *werkzame stof:* stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met een algemene of specifieke werking op of tegen schadelijke organismen. + +### Artikel 42 + +**1.** Het is verboden een werkzame stof met het oog op gebruik als biocide op de markt te brengen, voorhanden te hebben of te gebruiken. + +**2.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een werkzame stof die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze wet toegelaten of geregistreerde biocide. Het verbod geldt evenmin voor een werkzame stof die is goedgekeurd als basisstof, bedoeld in artikel 63. + +### Artikel 43 + +Het is verboden een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, tenzij deze ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd. + +### Artikel 43a + +**1.** Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of beperkingen die bij de toelating, vergunning, melding, erkenning, registratie, vrijstelling, voorziening of goedkeuring zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteit. + +**2.** Het is verboden een toegelaten of geregistreerde biocide op de markt te brengen, voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, in Nederland te brengen of te gebruiken, indien de wettelijke of door het college bij de toelating of registratie vastgestelde voorschriften voor het gebruik niet of niet op de voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking zijn vermeld. + +**3.** Het is verboden een toegelaten of geregistreerde biocide op de markt te brengen, voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, in Nederland te brengen of te gebruiken, indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling waaronder kleur, vorm, afwerking, verpakking, andere aanduidingen of vermeldingen afwijkt van de toelating of de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet. + +**4.** De in de artikelen 42, eerste lid, 43 en het tweede en derde lid bedoelde verboden gelden niet voor zover het college een voorziening heeft getroffen voor het op de markt brengen, voorhanden hebben of gebruiken van de biocide als bedoeld in artikel 68, vijfde lid. + ### Artikel 44 **1.** Het college neemt op aanvraag een besluit omtrent toelating van een biocide. @@ -705,6 +460,8 @@ in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG of een nieuw productsoort voor die **4.** Het college gebruikt de in het derde lid bedoelde aanvullende gegevens van een andere aanvrager niet eerder dan nadat de periodes genoemd in het tweede lid, onderdelen a, b, en c, zijn verstreken. +**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een andere periode worden vastgesteld dan genoemd in het tweede lid, onderdeel b, in verband met de verlenging van het werkprogramma van de Commissie van de Europese Unie voor het onderzoek naar de goedkeuring van werkzame stoffen voor biociden, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van richtlijn 98/8/EG. + ### Paragraaf 2. De toelatingsprocedure ### Artikel 48 @@ -944,7 +701,7 @@ Stoffen die in bijlage IB bij richtlijn 98/8/EG opgenomen zijn, vallen niet onde ### Artikel 64 -**1.** Het college kan op aanvraag vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 19 en 20, voor een biocide met betrekking tot een proef of experiment voor onderzoek of ontwikkelingsdoeleinden, indien de proef of het experiment naar het oordeel van het college onder gecontroleerde omstandigheden en voor beperkte hoeveelheden en oppervlakten wordt uitgevoerd. +**1.** Het college kan op aanvraag vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 42, 43 en 43a, voor een biocide met betrekking tot een proef of experiment voor onderzoek of ontwikkelingsdoeleinden, indien de proef of het experiment naar het oordeel van het college onder gecontroleerde omstandigheden en voor beperkte hoeveelheden en oppervlakten wordt uitgevoerd. **2.** De aanvrager verstrekt het college alle beschikbare gegevens op grond waarvan de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier alsmede het effect op het milieu kunnen worden beoordeeld. @@ -964,7 +721,7 @@ Stoffen die in bijlage IB bij richtlijn 98/8/EG opgenomen zijn, vallen niet onde ### Artikel 65 -**1.** Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag in bijzondere omstandigheden vrijstelling verlenen met het oog op een beperkt en gecontroleerd gebruik van de verboden, bedoeld in de artikelen 19 en 20, voor ten hoogste 120 dagen, voor het gebruik van een biocide voor zover noodzakelijk wegens een, niet op andere wijze te bestrijden gevaar. +**1.** Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag in bijzondere omstandigheden vrijstelling verlenen met het oog op een beperkt en gecontroleerd gebruik van de verboden, bedoeld in de artikelen 42, 43 of 43a, voor ten hoogste 120 dagen, voor het gebruik van een biocide voor zover noodzakelijk wegens een onvoorzien, niet op andere wijze te bestrijden gevaar. **2.** De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt in ieder geval verleend voor de uitvoering van een communautaire maatregel die is gericht op een te bestrijden gevaar. @@ -1012,9 +769,9 @@ op de hoogte van nieuwe gegevens als bedoeld in het eerste lid, alsmede een bepe ### Artikel 68 -**1.** Het college kan een toelating intrekken op verzoek van de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid. +**1.** Het college kan een toelating intrekken op verzoek van de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid. -**2.** Het college kan een toelating wijzigen met toepassing van de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid. +**2.** Het college kan een toelating wijzigen met toepassing van de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid. **3.** @@ -1022,11 +779,11 @@ Het college trekt een toelating of een toepassing van een toegelaten biocide amb a. er aanwijzingen bestaan dat met in achtneming van de voorschriften bedoeld in artikel 50, niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 49 gestelde regels en de bij artikel 58 gestelde toelatingsvoorwaarden, b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de biocide is toegelaten, of -c. de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid, de jaarlijkse vergoeding bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, niet voldoet. +c. de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, de jaarlijkse vergoeding bedoeld in artikel 10, eerste lid, niet voldoet. **4.** Het college wijzigt een toelating ambtshalve of op aanvraag indien naar het oordeel van het college blijkt dat op grond van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis de wijze van gebruik en de gebruikte hoeveelheden kunnen worden gewijzigd. -**5.** Bij wijziging of intrekking van een toelating bepaalt het college of, in hoeverre, en voor welke termijn het is toegestaan een niet meer voor bepaalde toepassingen te gebruiken of niet meer toegelaten biocide in afwijking van artikel 20 op de markt te brengen, in voorraad te houden, voorhanden te hebben of te gebruiken. +**5.** Bij wijziging of intrekking van een toelating bepaalt het college of, in hoeverre, en voor welke termijn het is toegestaan een niet meer voor bepaalde toepassingen te gebruiken of niet meer toegelaten biocide in afwijking van artikel 43 op de markt te brengen, in voorraad te houden, voorhanden te hebben of te gebruiken. **6.** Vrijstellingen kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd en ingetrokken. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op vrijstellingen. @@ -1040,7 +797,7 @@ c. de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in **1.** Een besluit omtrent toelating, of vrijstelling van een biocide, een kaderformulering, dan wel verlenging, wijziging of intrekking daarvan alsmede een tijdelijke beperking of verbod tot het op de markt brengen of gebruik van een biocide worden in de Staatscourant bekendgemaakt en medegedeeld aan de aanvrager. -**2.** Het college registreert besluiten als bedoeld in het eerste lid in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid. +**2.** Het college registreert besluiten als bedoeld in het eerste lid in een elektronisch en voor het publiek toegankelijk register, dat volgens door Onze Minister te stellen regels wordt ingericht. Alle in het eerste lid genoemde besluiten worden in dat register vermeld. **3.** De door het college via een elektronische weg openbaar gemaakte informatie inzake de registratie van besluiten geeft een weerlegbaar vermoeden van de inhoud van de geregistreerde besluiten. @@ -1079,112 +836,109 @@ n. de te verlenen eerste hulp en medisch advies bij persoonlijke ongevallen. ## Hoofdstuk 6. Handel en gebruik -### Paragraaf 1. Handel en opslag +### Paragraaf 1. Vakbekwaamheidseisen, reclame en opslag ### Artikel 71 -**1.** Het is verboden zonder geldig bewijs van vakbekwaamheid een gewasbeschermingsmiddel of biocide op de markt te brengen. +**1.** Het is verboden zonder een geldig bewijs van vakbekwaamheid een gewasbeschermingsmiddel, toegelaten voor professioneel gebruik, te ontvangen, te gebruiken of voorhanden te hebben, behoudens in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen. **2.** -Het eerste lid is niet van toepassing bij: +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van artikel 5 van richtlijn 2009/128/EG regels gesteld over: -a. het op de markt brengen van een middel dat door het college bij de toelating als geschikt voor niet-professioneel gebruik is aangemerkt of -b. een producent van een middel die het middel levert aan een leverancier die over een geldig bewijs van vakbekwaamheid beschikt. +a. de eisen en procedures voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid; +b. de geldigheidsduur van een bewijs van vakbekwaamheid, +c. de eisen en procedures voor het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 85, en +d. het vernieuwen van een bewijs van vakbekwaamheid. **3.** -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over onder meer: +Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over: -a. de instanties die een bewijs van vakbekwaamheid kunnen verstrekken; -b. de wijze waarop een bewijs van vakbekwaamheid kan worden verkregen; -c. de eisen die voor een bewijs van vakbekwaamheid gelden; -d. de geldigheidsduur, de verlenging en de voorwaarden tot verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid; -e. het tijdelijk of permanent intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 85; -f. de aanwijzing van het voor het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid bevoegde bestuursorgaan; -g. de wijze waarop wederom een bewijs van vakbekwaamheid verkregen kan worden; -h. de vergoeding van kosten gemaakt voor het verstrekken van een bewijs van vakbekwaamheid; en -i. de categorieën van handelingen waarvoor geen bewijs van vakbekwaamheid vereist is. +a. de instanties die een bewijs van vakbekwaamheid kunnen verlenen of intrekken, +b. het tarief dat in rekening wordt gebracht voor het verkrijgen of wederom verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid, +c. overige eisen en procedures in verband met de implementatie van artikel 5 van richtlijn 2009/128/EG. + +**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op biociden, toegelaten voor professioneel gebruik, in de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. ### Artikel 72 -**1.** Het is verboden een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide aan te bevelen of aan te prijzen. +**1.** Het is verboden een niet toegelaten biocide aan te bevelen of aan te prijzen. -**2.** Het is verboden gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden aan te bevelen of aan te prijzen in strijd met voorschriften gegeven bij een besluit tot toelating of vrijstelling van een middel of een verlenging, wijziging of intrekking daarvan, dan wel een besluit tot een tijdelijk verbod op of een beperking van het op de markt brengen of gebruiken van een middel. +**2.** Het is verboden het gebruik van een biocide aan te bevelen of aan te prijzen in strijd met de voor dat gebruik geldende voorschriften. -**3.** Het is verboden misleidende informatie te geven over de gevaren van een middel voor mens, dier, plant of milieu. +**3.** Het is verboden misleidende informatie te geven over de gevaren van een biocide voor de gezondheid van mens of dier, of voor het milieu. **4.** -Als misleidende informatie als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval beschouwd de vermeldingen: +Als misleidende informatie als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval beschouwd de aanduidingen: -a. middel met een gering risico, -b. niet-vergiftig, +a middel met een gering risico; +b, niet-vergiftig; en c. ongevaarlijk. -**5.** Een aanprijzing of aanbeveling van een biocide bevat de zin: «Gebruik biociden veilig. Lees vóór gebruik eerst het etiket en de productinformatie». De term «biociden» kan door de adverteerder worden vervangen door een nauwkeuriger aanduiding van de productsoort. Voor gewasbeschermingsmiddelen is dit lid van overeenkomstige toepassing. +**5.** Een reclametekst voor een biocide bevat duidelijk leesbaar de zinnen: «Gebruik biociden veilig. Lees vóór gebruik eerst het etiket en de productinformatie.» De term «biociden» mag worden vervangen door een nauwkeuriger aanduiding van de desbetreffende productsoort. ### Artikel 73 -**1.** De leverancier is verplicht zich er bij het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden van te vergewissen dat de gebruiker over een geldig bewijs van vakbekwaamheid beschikt en zich bij aflevering te vergewissen van de identiteit van de gebruiker of diens vertegenwoordiger die het middel ontvangt. +**1.** Een distributeur brengt een gewasbeschermingsmiddel, niet zijnde een gewasbeschermingsmiddel toegelaten voor niet-professioneel gebruik, uitsluitend op de markt voor een klant die over een geldig bewijs van vakbekwaamheid beschikt. -**2.** Het eerste lid geldt niet voor de distributie of aflevering van een middel dat door het college als geschikt voor niet-professioneel gebruik is aangemerkt. +**2.** Een distributeur zorgt ervoor dat hij of voldoende van zijn personeel over een bewijs van vakbekwaamheid beschikt, alsmede dat hij of dat personeel op het tijdstip van verkoop beschikbaar is voor klanten, in verband met de voorlichtende taak, bedoeld in het derde lid. Deze verplichting is niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die zijn toegelaten voor niet-professioneel gebruik. + +**3.** + +Een distributeur of zijn personeel geeft voorlichting aan klanten over: + +a. het juiste gebruik van een gewasbeschermingsmiddel; +b. de risico’s van dat gebruik voor de gezondheid en voor het milieu; en +c de geldende veiligheidsinstructies voor het gewasbeschermingsmiddel. + +**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van algemene informatie door distributeurs of producenten aan niet-professionele gebruikers over de risico's van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu. De informatieverplichting omvat ten minste blootstelling, een veilige opslag, een veilig gebruik en veilige verwijdering van restanten volgens de geldende regels, alsmede informatie over alternatieve bestrijdingsmethoden die minder risico opleveren. + +**5.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een distributeur van biociden in de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. ### Artikel 74 -**1.** +**1.** Het binnen Nederland brengen, de productie, de opslag en het vervoer van niet-toegelaten biociden zijn in afwijking van de artikelen 42 en 43 toegestaan, indien aangetoond kan worden dat de biociden zijn bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de Europese Unie waar de biociden wel zijn toegelaten, of voor gebruik in een derde land en aldaar niet verboden zijn, en is voldaan aan bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften. -Het binnen Nederland brengen van een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide is in afwijking van de artikelen 19 en 20 toegestaan wanneer het middel gezien het bijgeleverde etiket of gezien de samenstelling van de werkzame stof of preparaat bestemd is voor: +**2.** De productie, de opslag en het vervoer van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen zijn in afwijking van artikel 20 toegestaan, indien aangetoond kan worden dat de gewasbeschermingsmiddelen zijn bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de Europese Unie en het bewuste gewasbeschermingsmiddel daar is toegelaten, of voor gebruik in een derde land, en is voldaan aan bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften in verband met het kunnen controleren dat het bewuste middel niet op het Nederlandse grondgebied wordt gebruikt dan wel daadwerkelijk wordt uitgevoerd. -a. een lidstaat van de Europese Unie en voldoet aan de voorschriften inzake controle die in die lidstaat zijn vastgesteld ter implementatie van artikel 3, eerste lid, van richtlijn 91/414/EEG onderscheidenlijk artikel 3, eerste lid, van richtlijn 98/8/EG of -b. een land buiten de Europese Unie en aldaar niet verboden is. +**3.** -**2.** De importeur van een middel als bedoeld in het eerste lid en de opvolgende eigenaar of houder van het middel dragen zorg voor de aanwezigheid op het bedrijf van een administratie, die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Daarbij kunnen regels worden gesteld inzake leveringen voor opslag en daarop volgende verzending vanaf het grondgebied van Nederland naar het buitenland. +De voorschriften bedoeld in het eerste en het tweede lid hebben betrekking op: -**3.** Een importeur kan een middel als bedoeld in het eerste lid binnen Nederland leveren voor opslag mits daarop door de importeur en opvolgende eigenaar of houder van het middel vervoer tot buiten het Nederlands grondgebied plaatsvindt en de importeur, opvolgend eigenaar of houder de opslag overeenkomstig het tweede lid administreert. - -**4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een in Nederland gevestigde producent die een middel produceert dat gezien het bijgeleverde etiket of gezien de samenstelling van werkzame stof of preparaat niet bestemd is voor de Nederlandse markt voor zover de producent het middel op een met een importeur vergelijkbare wijze binnen het Nederlands grondgebied levert voor opslag als bedoeld in het derde lid. +a. de bescheiden waarmee kan worden aangetoond dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide is bestemd voor een andere lidstaat of een derde land; +b. eisen met betrekking tot de verpakking, de etikettering, de opslag, het vervoer en de administratie van de bewuste partij gewasbeschermingsmiddelen of biociden; en +c. andere eisen voor zover nodig voor een goede uitvoering van artikel 28, tweede lid, onderdelen c en d, van verordening (EG) 1107/2009 of artikel 3, eerste lid, van richtlijn 98/8/EG. ### Artikel 75 -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels worden gesteld over onder meer: +**1.** -a. het aanbevelen of aanprijzen van middelen, -b. de administratie van middelen, -c. het vervoer en de opslag van middelen niet bestemd voor de handel, of -d. de wijze van afleveren van middelen. +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het op de markt brengen of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels worden gesteld over onder meer: + +a. het aanbevelen of aanprijzen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden; +b. de administratie van biociden en gewasbeschermingsmiddelen; +c. het vervoer en de opslag van gewasbeschermingsmiddelen of biociden; +d. de wijze van afleveren van gewasbeschermingsmiddelen of biociden. + +**2.** De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. ### Paragraaf 2. Gebruik ### Artikel 76 -**1.** Het is verboden zonder geldig bewijs van vakbekwaamheid een gewasbeschermingsmiddel of biocide te ontvangen, te gebruiken of voorhanden te hebben. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing, wanneer het middel door het college bij de toelating als geschikt voor niet-professioneel gebruik is aangemerkt. - -**3.** - -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over onder meer: - -a. de instanties die een bewijs van vakbekwaamheid kunnen verstrekken; -b. de wijze waarop een bewijs van vakbekwaamheid kan worden verkregen; -c. de eisen die voor een bewijs van vakbekwaamheid gelden; -d. de geldigheidsduur, de verlenging en de voorwaarden tot verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid; -e. het tijdelijk of permanent intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 85; -f. de aanwijzing van het voor het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid bevoegde bestuursorgaan; -g. de wijze waarop wederom een bewijs van vakbekwaamheid verkregen kan worden; -h. de vergoeding van kosten gemaakt voor het verstrekken van een bewijs van vakbekwaamheid; en -i. de categorieën van handelingen waarvoor geen bewijs van vakbekwaamheid vereist is. +Vervallen ### Artikel 77 -De gebruiker of degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide namens de gebruiker ontvangt, legitimeert zich, op verzoek van de leverancier, bedoeld in artikel 73, of zijn vertegenwoordiger, met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, onverminderd het bepaalde in artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht. +De klant, bedoeld in artikel 73, legitimeert zich op verzoek van de distributeur of zijn personeel met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. ### Artikel 78 -**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over juist gebruik van biociden of het toepassen van beginselen van geïntegreerde bestrijding. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over juist gebruik van biociden of geïntegreerde gewasbescherming overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2009/128/EG en artikel 55 van verordening (EG) 1107/2009. -**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden wordt geadministreerd. +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het gebruik van biociden wordt geadministreerd. ### Artikel 79 @@ -1192,9 +946,31 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ove ### Artikel 80 -**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken en materialen bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen of biociden waaronder bepalingen inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden vanuit vliegtuigen of in besloten ruimten. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de productie, het op de markt brengen of het gebruik van voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen, apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen of andere methoden, technieken en materialen, zowel in de open lucht als in besloten ruimten. Deze regels kunnen een verbod of beperking van het gebruik inhouden. -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kan een verbod worden ingesteld. +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van artikel 8 van richtlijn 2009/128/EG regels worden gesteld over een keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Deze regels omvatten de keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties, het in rekening te brengen tarief voor de keuring en de mogelijkheid van vrijstelling voor aan te wijzen types apparatuur. + +**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter uitvoering van het tweede lid de medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de bedrijfsorganisatie. + +**4.** Indien de in het derde lid bedoelde medewerking bestaat uit het stellen van regels of nadere regels bij verordening, behoeft zodanige verordening de goedkeuring van Onze Minister. + +**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld op overtreding van de in het vierde lid bedoelde regels of nadere regels. + +**6.** In afwijking van artikel 46 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, is in voorkomend geval de instemming vereist van Onze Minister. + +**7.** In afwijking van artikel 82 kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de regels of nadere regels waarvoor tuchtrechtelijke maatregelen zijn gesteld, de bij besluit van het betrokken bedrijfslichaam aangewezen personen zijn belast. Dat besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister. + +**8.** Een tuchtrechtelijke maatregel vindt geen toepassing, indien, na overleg met het bedrijfslichaam, Onze Minister besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete of de officier van justitie besluit dat de desbetreffende overtreding strafrechtelijk wordt afgedaan. + +**9.** De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. + +### Artikel 80a + +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van richtlijn 2009/128/EG. Deze regels kunnen een verbod inhouden dan wel zijn gericht op een vermindering van het gebruik van alle of een bepaald type gewasbeschermingsmiddelen of biociden in bij die maatregel aangewezen gebieden. + +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter uitvoering van artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2009/128/EG de medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de bedrijfsorganisatie. + +**3.** Op de in het tweede lid bedoelde medewerking is artikel 80, vierde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 81 @@ -1206,6 +982,14 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ove **4.** Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op ontheffingen, vrijstellingen of meldingen als bedoeld in het eerste lid. +### Artikel 81a + +**1.** Onze Ministers stellen een nationaal actieplan op ter uitvoering van artikel 4 van richtlijn 2009/128/EG. + +**2.** Het plan wordt ten minste iedere vijf jaren herzien. + +**3.** Op de voorbereiding en wijziging van een nationaal actieplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. + ## Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving ### Titel 1. Algemeen @@ -1240,11 +1024,11 @@ Een toezichthouder is bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een won **4.** Bij een intrekking als bedoeld in het derde lid kan het bestuursorgaan bepalen dat degene tot wie het bewijs van vakbekwaamheid was gericht gedurende een door dat bestuursorgaan te bepalen termijn niet in aanmerking komt voor een zelfde bewijs van vakbekwaamheid. -**5.** Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning die ingevolge deze wet wordt verleend. +**5.** Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning, ontheffing of erkenning die ingevolge deze wet wordt verleend. ### Artikel 86 -Onze Minister is, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels en artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het de verplichting betreft tot het verlenen van medewerking aan de ingevolge artikel 82 aangewezen ambtenaren. +Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels en artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het de verplichting betreft tot het verlenen van medewerking aan de ingevolge artikel 82 aangewezen ambtenaren. ### Artikel 87 @@ -1285,9 +1069,7 @@ Vervallen ### Artikel 90 -**1.** Onze Minister kan, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, 19, 20, 22, eerste, tweede of vierde lid, 40, derde lid, 64, achtste lid, 67, tweede lid, 71, eerste lid, 72, eerste, tweede of derde lid, 73, eerste lid, 74, tweede lid, 75, 76, eerste lid, 77 tot en met 81, 115 of 118. - -**2.** Onze Minister stelt regels ter uitvoering van het eerste lid. +Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 2a, 19, 20, 21, 22, 28, 29, 37, derde lid, 38, derde lid, 39, 42, 43, 43a, 64, tweede, vierde, vijfde, zesde of achtste lid, 65, derde of vierde lid, 67, eerste of tweede lid, 71 tot en met 81, 87, zesde lid, 115 of 118. ### Artikel 91 @@ -1317,9 +1099,11 @@ Vervallen ### Artikel 97 -**1.** Ingeval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 18, 19, 20, 22, eerste lid, 22, vierde lid, in samenhang met 22, eerste lid, 40, derde lid, 64, achtste lid, 67, tweede lid, 74, tweede lid, 75, 78 tot en met 81, en 118 bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste € 45 000 per overtreding begaan door een natuurlijke persoon en ten hoogste € 450 000 per overtreding begaan door een rechtspersoon, een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of een maatschap. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen ten hoogste kan worden opgelegd. -**2.** Ingeval van overtreding van het bij of krachtens de artikelen 22, tweede lid, 22, vierde lid, in samenhang met 22, tweede lid, 71, eerste lid, 72, eerste tot en met derde lid, 73, eerste lid, 76, eerste lid, 77 en 115 bepaalde bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste € 11 250 per overtreding begaan door een natuurlijke persoon en ten hoogste € 45 000 per overtreding begaan door een rechtspersoon, een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of een maatschap. +**2.** De op grond van het eerste lid te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht per overtreding, begaan door een rechtspersoon of een vennootschap, of, indien dat meer is, 10 procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan het boekjaar waarin de boete wordt opgelegd. + +**3.** De berekening van de omzet, bedoeld in het tweede lid, geschiedt op voet van het bepaalde in artikel 377, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet. #### Paragraaf 3. De procedure @@ -1438,8 +1222,8 @@ Een ieder is tot naleving van een voor hem geldende algemeen verbindend verklaar In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -a. EG-verordening: verordening van de Raad van de Europese Unie of van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 37, 95, 152, 153, of 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en waarin voorschriften zijn neergelegd betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of biociden behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten; -b. EG-richtlijn: richtlijn van de Raad van de Europese Unie of het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 37, 95, 152, 153, of 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en waarin voorschriften zijn neergelegd betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of biociden behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten. +a. EG-verordening: verordening van de Raad van de Europese Unie of van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 12, 43, 114, 168, 169, of 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of 37, 95, 152, 153, of 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en waarin voorschriften zijn neergelegd betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of biociden behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten; +b. EG-richtlijn: richtlijn van de Raad van de Europese Unie of het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 12, 43, 114, 168, 169, of 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of 37, 95, 152, 153, of 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en waarin voorschriften zijn neergelegd betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of biociden behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten. **2.** Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen gelden de begripsomschrijvingen zoals die zijn neergelegd in EG-verordeningen. Daar waar deze begripsbepalingen afwijken van de in artikel 1 van deze wet opgenomen begripsbepalingen, gelden de begripsbepalingen zoals die zijn neergelegd in de EG-verordening. @@ -1483,7 +1267,7 @@ i. het op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of bi **2.** Een ministeriële regeling op grond van deze wet wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dan wel Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor zover belangen van arbeidsomstandigheden, volksgezondheid, dan wel waterbeheer in het geding zijn. -## Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlage I bij +## Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlagen I, IA of IB bij ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen @@ -1491,49 +1275,47 @@ i. het op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of bi **1.** -Aanvragen voor besluiten inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden die +Aanvragen voor besluiten inzake biociden die -a. werkzame stoffen bevatten die vóór 26 juli 1993 onderscheidenlijk 15 mei 2000 in een lidstaat van de Europese Unie op de markt zijn gebracht of ingevolge een communautaire maatregel daarmee zijn gelijkgesteld, en -b. waarvan de werkzame stoffen ingevolge een communautaire maatregel zijn of worden onderzocht voor opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG onderscheidenlijk in bijlage I, IA, of IB bij richtlijn 98/8/EG, +a. werkzame stoffen bevatten die vóór 15 mei 2000 in een lidstaat van de Europese Unie op de markt zijn gebracht of ingevolge een communautaire maatregel daarmee zijn gelijkgesteld, en +b. waarvan de werkzame stoffen ingevolge een communautaire maatregel zijn of worden onderzocht voor opneming in bijlage I, IA, of IB bij richtlijn 98/8/EG, -worden met uitzondering van de artikelen 25, eerste lid, 28, eerste lid, onderdeel a, en onderdeel b, aanhef, met betrekking tot de uniforme beginselen, 45, tweede lid, 49, eerste lid, onderdeel a, en onderdeel b, aanhef, eerste zinsdeel met betrekking tot de gemeenschappelijke beginselen, overeenkomstig hoofdstuk 4 onderscheidenlijk hoofdstuk 5 van deze wet in behandeling genomen voor zover in dit hoofdstuk geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen. +worden met uitzondering van de artikelen 45, tweede lid, 49, eerste lid, onderdeel a, en onderdeel b, aanhef, eerste zinsdeel met betrekking tot de gemeenschappelijke beginselen, overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze wet in behandeling genomen voor zover in dit hoofdstuk geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen. **2.** Een aanvraag voor een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt op grond van dit hoofdstuk in behandeling genomen tot: a. de termijn bedoeld in artikel 127, tweede lid, is verstreken, onder de voorwaarden, opgenomen bij de communautaire maatregel, bedoeld in artikel 127, tweede lid of -b. de uiterste termijn van herbeoordeling van een gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 128, derde lid. +b. de uiterste termijn van herbeoordeling van een biocide als bedoeld in artikel 128, derde lid. -**3.** Aanvragen voor besluiten inzake gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in het eerste lid die een combinatie van werkzame stoffen bevatten, worden beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 4 of 5 voor zover in dit hoofdstuk geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen voor een in de combinatie opgenomen werkzame stof als bedoeld in het eerste lid. +**3.** Aanvragen voor besluiten inzake biociden als bedoeld in het eerste lid die een combinatie van werkzame stoffen bevatten, worden beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 5 voor zover in dit hoofdstuk geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen voor een in de combinatie opgenomen werkzame stof als bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 121a -**1.** Het college houdt bij de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 121, eerste lid, naar behoren rekening met de effecten die een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk een biocide, kan hebben op de gezondheid van mens en dier, alsmede op het milieu en beoordeelt of deze effecten niet onaanvaardbaar zijn. +**1.** Het college houdt bij de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 121, eerste lid, naar behoren rekening met de effecten die een biocide kan hebben op de gezondheid van mens en dier, alsmede op het milieu en beoordeelt of deze effecten niet onaanvaardbaar zijn. -**2.** Het college beoordeelt een aanvraag als bedoeld in artikel 121, eerste lid, aan de hand van een dossier dat de nodige informatie bevat om de effecten, bedoeld in het eerste lid, daadwerkelijk te kunnen onderzoeken en aan de hand van gegevens die bij het college over het middel bekend zijn, onverminderd de artikelen 27 en 47. +**2.** Het college beoordeelt een aanvraag als bedoeld in artikel 121, eerste lid, aan de hand van een dossier dat de nodige informatie bevat om de effecten, bedoeld in het eerste lid, daadwerkelijk te kunnen onderzoeken en aan de hand van gegevens die bij het college over de biocide bekend zijn, onverminderd artikel 47. -**3.** Het college neemt een aanvraag voor een besluit inzake een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 121, eerste lid, slechts in behandeling onder de voorwaarde dat het dossier, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het college ten minste voldoet aan de voorschriften inzake de te verstrekken gegevens die ter uitvoering van artikel 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op 19 augustus 1991 bestonden en met in achtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. +**3.** Het college neemt een aanvraag voor een besluit inzake een biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, slechts in behandeling onder de voorwaarde dat het dossier, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het college ten minste voldoet aan de voorschriften inzake de te verstrekken gegevens die ter uitvoering van de artikelen 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op 15 mei 1998 bestonden en met in achtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. -**4.** Het college neemt een aanvraag voor een besluit inzake een biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, slechts in behandeling onder de voorwaarde dat het dossier, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het college ten minste voldoet aan de voorschriften inzake de te verstrekken gegevens die ter uitvoering van de artikelen 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op 15 mei 1998 bestonden en met in achtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. +**4.** Voor de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met de gevolgen van het gebruik bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°. -**5.** Voor de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met de gevolgen van het gebruik bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 5°, onderscheidenlijk artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°. - -### Paragraaf 2. Bepalingen inzake nog niet in bijlage I bij +### Paragraaf 2. Bepalingen inzake nog niet in bijlagen I, IA of IB bij ### Artikel 122 -**1.** Het college stelt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels lijsten van gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk biociden vast, waarvoor onder de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 een aanvraag tot verlenging van de toelating of registratie als bedoeld in artikel 25d, zesde lid, onderdeel e, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is ingediend en verlengt de voor deze gewasbeschermingsmiddelen en biociden op grond van artikel 129, tweede lid, eerste volzin, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten tot toelating met een in de lijsten opgenomen termijn. Het college kan de geldende besluiten tot toelating opnieuw verlengen door deze lijsten te wijzigen of opnieuw vast te stellen. +**1.** Het college stelt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels lijsten van biociden vast, waarvoor onder de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 een aanvraag tot verlenging van de toelating of registratie als bedoeld in artikel 25d, zesde lid, onderdeel e, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is ingediend en verlengt de voor deze biociden op grond van artikel 129, tweede lid, eerste volzin, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten tot toelating met een in de lijsten opgenomen termijn. Het college kan de geldende besluiten tot toelating opnieuw verlengen door deze lijsten te wijzigen of opnieuw vast te stellen. -**2.** Een gewasbeschermingsmiddel of biocide wordt slechts op een lijst als bedoeld in het eerste lid opgenomen indien het college van oordeel is dat het gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk de biocide, als bedoeld in artikel 122, eerste lid, aan artikel 121a voldoet. +**2.** Een biocide wordt slechts op een lijst als bedoeld in het eerste lid opgenomen indien het college van oordeel is dat de biocide, als bedoeld in artikel 122, eerste lid, aan artikel 121a voldoet. -**3.** De verlenging, bedoeld in het eerste lid, eindigt in ieder geval op de uiterste datum dat aan een communautaire maatregel inzake de opneming of niet opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG onderscheidenlijk in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG gevolg moet zijn gegeven, tenzij het college een besluit als bedoeld in artikel 127, eerste of derde lid, of een besluit als bedoeld in artikel 128, eerste of derde lid, neemt. +**3.** De verlenging, bedoeld in het eerste lid, eindigt in ieder geval op de uiterste datum dat aan een communautaire maatregel inzake de opneming of niet opneming van een werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG gevolg moet zijn gegeven, tenzij het college een besluit als bedoeld in artikel 127, eerste of derde lid, of een besluit als bedoeld in artikel 128, eerste of derde lid, neemt. -**4.** Het college besluit ambtshalve tot een nieuw onderzoek inzake de toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in het tweede lid, indien het college op basis van de haar bekende gegevens tot het oordeel komt dat er aanwijzingen bestaan dat niet wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 5°, alsmede onderdelen d en e, genoemde voorwaarden. Het college kan na voornoemd onderzoek besluiten tot een tijdelijke beperking, een wijziging dan wel intrekking van de toelating of tot een verbod van het gewasbeschermingsmiddel. +**4.** Het college besluit ambtshalve tot een nieuw onderzoek inzake de toelating van een biocide als bedoeld in het tweede lid, indien het college op basis van de haar bekende gegevens tot het oordeel komt dat er aanwijzingen bestaan dat niet wordt voldaan aan de in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder 1 tot en met 4, alsmede onderdelen c en d, genoemde voorwaarden. Het college kan na voornoemd onderzoek besluiten tot een tijdelijke beperking, een wijziging dan wel intrekking van de toelating of tot een verbod van het biocide. ### Artikel 123 -**1.** Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels op aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel of biocide, als bedoeld in artikel 121, eerste lid, indien het belang van de landbouw of een andere economische sector dit volgens voornoemde regels vereist. +**1.** Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels op aanvraag tot toelating van een biocide, als bedoeld in artikel 121, eerste lid, indien het belang van de landbouw of een andere economische sector dit volgens voornoemde regels vereist. **2.** Artikel 122, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -1541,20 +1323,15 @@ b. de uiterste termijn van herbeoordeling van een gewasbeschermingsmiddel of bio ### Artikel 124 -**1.** - -Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels op aanvraag tot toelating van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 121, eerste lid: - -– waarvan de werkzame stoffen zijn opgenomen in communautaire maatregelen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn 91/414/EEG, of -– die volgens bijlage II, onderdeel B, bij Verordening nr. 2092/91/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen (PbEG L 198), onder de bij deze verordening gestelde voorwaarden voor gebruik bij biologische productiemethoden in aanmerking kunnen komen en waarvan de werkzame stof is opgenomen in bijlage II, onderdeel B, bij genoemde verordening. +**1.** Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels op aanvraag tot toelating van een biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, die volgens verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PbEU, L 250) in aanmerking kunnen komen als biocide, en waarvan de werkzame stof is opgenomen in bijlage VII of een andere bijlage daarvan. **2.** Artikel 122, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 125 -**1.** Het college besluit op aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, waarvan de samenstelling in vergelijking met een eerder besluit tot toelating gewijzigd is, indien het college van oordeel is dat bij de gewijzigde samenstelling van dat middel sprake is van minder risico voor mens, dier, plant of milieu of van een middel met een grotere werkzaamheid bij een voor mens, dier, plant of milieu vergelijkbaar risico in vergelijking tot de samenstelling van het reeds toegelaten middel. +**1.** Het college besluit op aanvraag tot toelating van een biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, waarvan de samenstelling in vergelijking met een eerder besluit tot toelating gewijzigd is, indien het college van oordeel is dat bij de gewijzigde samenstelling van dat middel sprake is van minder risico voor mens, dier, plant of milieu of van een middel met een grotere werkzaamheid bij een voor mens, dier, plant of milieu vergelijkbaar risico in vergelijking tot de samenstelling van het reeds toegelaten middel. -**2.** Alleen aanvragen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie een eerdere toelating als bedoeld in het eerste lid is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid, alsmede van aanvragers die een verklaring van toegang als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b, of artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, kunnen overleggen, worden in behandeling genomen. +**2.** Alleen aanvragen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie een eerdere toelating als bedoeld in het eerste lid is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, alsmede van aanvragers die een verklaring van toegang als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, kunnen overleggen, worden in behandeling genomen. **3.** Artikel 122, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -1562,7 +1339,7 @@ Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te s **1.** Het college kan in afwijking van artikel 49 een aanvraag tot vereenvoudigde uitbreiding van de toepassing van een biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, in behandeling nemen. -**2.** Alleen een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie een besluit tot toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 42, tweede lid, kan een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indienen met betrekking tot voornoemd besluit tot toelating. +**2.** Alleen een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie een besluit tot toelating is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, kan een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indienen met betrekking tot voornoemd besluit tot toelating. **3.** Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, is artikel 49, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, niet van toepassing, wanneer het voorgenomen gebruik een kleine omvang heeft in vergelijking met het gebruik dat verband houdt met de eerdere toelating. @@ -1582,10 +1359,10 @@ Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te s **1.** -Het college besluit ambtshalve volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels tot wijziging of intrekking van een toelating, als bedoeld in de artikelen 28, 49, 122 tot en met 126 van een gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 121, indien bij communautaire maatregel een besluit is genomen tot: +Het college besluit ambtshalve volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels tot wijziging of intrekking van een toelating, als bedoeld in de artikelen 49, 122 tot en met 126 van een biocide als bedoeld in artikel 121, indien bij communautaire maatregel een besluit is genomen tot: -a. niet opneming van de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG onderscheidenlijk in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG, of -b. beëindiging van het onderzoek bedoeld in artikel 8, tweede lid, van richtlijn 91/414/EEG onderscheidenlijk artikel 16, tweede lid, van richtlijn 98/8/EG. +a. niet opneming van de werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG, of +b. beëindiging van het onderzoek bedoeld in artikel 16, tweede lid, van richtlijn 98/8/EG. **2.** Een besluit tot wijziging of intrekking als bedoeld in het eerste lid, wordt genomen binnen de termijn alsmede met in achtneming van de binnen die termijn toe te passen voorwaarden, opgenomen bij de communautaire maatregel, bedoeld in het eerste lid. @@ -1593,11 +1370,11 @@ b. beëindiging van het onderzoek bedoeld in artikel 8, tweede lid, van richtlij ### Artikel 128 -**1.** Het college besluit ambtshalve volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels tot wijziging, verlenging of intrekking van besluiten, als bedoeld in de artikelen 28, 49, 122 tot en met 126 met betrekking tot de termijn van toelating, indien bij communautaire maatregel een besluit is genomen tot opneming van de in het gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk in de biocide, werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG, onderscheidenlijk in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG. +**1.** Het college besluit ambtshalve volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels tot wijziging, verlenging of intrekking van besluiten, als bedoeld in de artikelen 49, 122 tot en met 126 met betrekking tot de termijn van toelating, indien bij communautaire maatregel een besluit is genomen tot opneming van de in de biocide, werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG. -**2.** Het college bepaalt bij zijn wijzigingsbesluit bedoeld in het eerste lid, ambtshalve een termijn voor de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk in artikel 44, eerste lid, voor een biocide. +**2.** Het college bepaalt bij zijn wijzigingsbesluit bedoeld in het eerste lid, ambtshalve een termijn voor de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 44, eerste lid, voor een biocide. -**3.** Het college kan een termijn voor de indiening van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, op aanvraag of ambtshalve opnieuw wijzigen of verlengen tot een bij de in het eerste lid genoemde communautaire maatregel bepaalde uiterste termijn van herbeoordeling van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide. Het verstrijken van de uiterste termijn van herbeoordeling van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide leidt van rechtswege tot intrekking van de toelating. +**3.** Het college kan een termijn voor de indiening van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, op aanvraag of ambtshalve opnieuw wijzigen of verlengen tot een bij de in het eerste lid genoemde communautaire maatregel bepaalde uiterste termijn van herbeoordeling van een toegelaten biocide. Het verstrijken van de uiterste termijn van herbeoordeling van een toegelaten biocide leidt van rechtswege tot intrekking van de toelating. **4.** Besluiten tot wijziging, verlenging of intrekking als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden genomen binnen de termijn opgenomen bij de communautaire maatregel, bedoeld in het eerste lid, alsmede met in achtneming van de binnen die termijn toe te passen voorwaarden. @@ -1642,35 +1419,43 @@ b. het middel toelaat op grond van artikel 35 of 55. **8.** De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven aanhangige zaken worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. +### Artikel 130a + +**1.** De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235) blijft voor zover nodig van toepassing in de in artikel 80, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 bedoelde gevallen. + +**2.** Op de voet van artikel 8o, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009 blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 25 en 27 van toepassing zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235). + +**3.** De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235), blijft van toepassing op aanvragen tot toelating, in de in artikel 80, vijfde lid, van verordening (EG) 1107/2009 bedoelde gevallen, totdat op die aanvragen is beslist. + ### Paragraaf 2. Wijzigingsbepalingen ### Artikel 131 -Wijzigt de Wet op de economische delicten. +Vervallen ### Artikel 132 -Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. +Vervallen ### Artikel 133 -Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. +Vervallen ### Artikel 134 -Wijzigt de Diergeneesmiddelenwet. +Vervallen ### Artikel 135 -Wijzigt de Flora- en faunawet. +Vervallen ### Artikel 136 -Wijzigt de Wet milieubeheer. +Vervallen ### Artikel 137 -Wijzigt de Wet milieugevaarlijke stoffen. +Vervallen ### Paragraaf 3. Slotbepalingen @@ -1680,14 +1465,7 @@ Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet en verv ### Artikel 139 -De volgende wetten worden ingetrokken: - -a. de Bestrijdingsmiddelenwet 1962; -b. de Wet van 15 december 1994 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (implementatie richtlijn gewasbeschermingsmiddelen) (Stb. 1995, 4); -c. de Wet van 17 december 1997, houdende wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 709); -d. de Wet van 12 november 1998 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stb. 689); -e. de Wet van 25 januari 2001, houdende wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen) (Stb. 68); -f. de Wet van 20 juni 2002 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (implementatie biociden richtlijn) (Stb. 461). +Vervallen ### Artikel 140