2023-08-01 | BWBR0044212 | Wet voortgezet onderwijs 2020
This commit is contained in:
parent
f3bf8d0d78
commit
ddb03ef23e
1 changed files with 52 additions and 31 deletions
|
|
@ -1681,6 +1681,8 @@ Op een schoolsoort of leerweg die minder dan 2 schooljaren wordt bekostigd en wa
|
|||
a. tekortschiet in de naleving van drie of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en dientengevolge
|
||||
b. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien uit een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat een bevoegd gezag niet of niet volledig heeft voldaan aan een aanwijzing wegens wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, onderdeel f of g, en dat het wanbeheer niet is beëindigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.96
|
||||
|
||||
**1.** Indien de inspectie in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 WOT, tot het oordeel is gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs «zeer zwak» is, als bedoeld in artikel 2.94, eerste of derde lid, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover in elk geval door hen de samenvatting van het inspectierapport toe te zenden die de inspectie heeft opgesteld en die gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag. De toezending vindt plaats binnen vier weken nadat het inspectierapport is vastgesteld.
|
||||
|
|
@ -2512,31 +2514,49 @@ b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.38
|
||||
|
||||
**1.** Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister het bevoegd gezag een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
|
||||
**1.** Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onder wanbeheer wordt verstaan:
|
||||
|
||||
a. financieel wanbeleid;
|
||||
b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 2.87, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van voortgezet onderwijs in gevaar komt;
|
||||
c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de school in stand houdt, van de bestuurder of toezichthouder, of van een derde;
|
||||
d. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan dat men in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelt in strijd met wettelijke voorschriften of de kennelijke geest van wettelijke voorschriften, waarmee financieel voordeel wordt behaald voor de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf of een derde; of
|
||||
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder.
|
||||
b. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 2.87, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
|
||||
c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
|
||||
d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
|
||||
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder;
|
||||
f. het handelen in strijd met de zorgplicht voor de veiligheid, bedoeld in artikel 3.40, dat leidt of dreigt te leiden tot het toebrengen van ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan een of meer leerlingen;
|
||||
g. het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopdracht, bedoeld in artikel 2.2, dat leidt of dreigt te leiden tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
|
||||
|
||||
**3.** In een aanwijzing geeft Onze Minister gemotiveerd aan op welke punten sprake is van wanbeheer en vermeldt hij de maatregelen die het bevoegd gezag in verband daarmee dient te nemen.
|
||||
**3.** Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
|
||||
|
||||
**4.** Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het bevoegd gezag aan de aanwijzing moet voldoen.
|
||||
**4.** De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**5.** Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft:
|
||||
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 WOT verricht;
|
||||
b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, WOT uitgebracht; en
|
||||
c. heeft Onze Minister het bevoegd gezag vier weken in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze over de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.
|
||||
### Artikel 3.38a
|
||||
|
||||
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
|
||||
b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, volgt; en
|
||||
c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
|
||||
|
||||
**3.** De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**4.** De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.
|
||||
|
||||
**7.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 10. Veiligheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -2610,6 +2630,10 @@ d. het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van de in d
|
|||
|
||||
**7.** De geschillencommissie brengt binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders of aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies als bedoeld in het derde lid uit. Het college van burgemeester en wethouders deelt dit advies mede aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.43
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Voorzieningenplanning
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Aanspraak op bekostiging
|
||||
|
|
@ -4026,10 +4050,11 @@ b. vakbekwaamheid.
|
|||
Bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in enig vak is de leraar die in het bezit is van:
|
||||
|
||||
a. een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven;
|
||||
b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, die zijn verleend voor van het onderwijs dat de leraar zal geven; of
|
||||
c. een buiten de Europese Economische Ruimte of Zwitserland behaald bewijs van bekwaamheid op grond waarvan Onze Minister de leraar, al dan niet onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorwaarden, een bevoegdheid heeft verleend tot het geven van voortgezet onderwijs.
|
||||
b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, die zijn verleend voor van het onderwijs dat de leraar zal geven;
|
||||
c. een buiten de Europese Economische Ruimte of Zwitserland behaald bewijs van bekwaamheid op grond waarvan Onze Minister de leraar, al dan niet onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorwaarden, een bevoegdheid heeft verleend tot het geven van voortgezet onderwijs; of
|
||||
d. een verklaring afgelegde vakken en opgedane bekwaamheid die is afgegeven op grond van artikel 7.11, vijfde lid, van de WHW, waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden de getuigschriften aangewezen die zijn afgegeven op grond van de WHW en die een bevoegdheid geven voor algemeen gebruikelijke vakken waarvoor die bevoegdheid niet rechtstreeks op grond van het betreffende getuigschrift kan worden vastgesteld. In de ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over bij- of nascholing.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden de getuigschriften en verklaringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d aangewezen die zijn afgegeven op grond van de WHW en die een bevoegdheid geven voor algemeen gebruikelijke vakken waarvoor die bevoegdheid niet rechtstreeks op grond van het betreffende getuigschrift of verklaring kan worden vastgesteld. In de ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over bij- of nascholing.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4050,12 +4075,14 @@ b. niet blijkt uit de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, waaruit blijkt dat betrokkene:
|
||||
Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, waaruit blijkt dat betrokkene:
|
||||
|
||||
a. ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt; en
|
||||
b. heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat hij zal geven.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over welke getuigschriften van de bacheloropleidingen, bedoeld in het eerste lid, de bevoegdheid verlenen tot het geven van de daarbij aan te wijzen vakken.
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die blijkens een verklaring als bedoeld in artikel 7.11, vijfde lid, van de WHW of blijkens een certificaat dat is afgegeven op basis van artikel 27, vierde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt en waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over welke getuigschriften van de bacheloropleidingen, bedoeld in het eerste lid, en over welke verklaringen en certificaten, bedoeld in het tweede lid, de bevoegdheid verlenen tot het geven van de daarbij aan te wijzen vakken.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -4457,7 +4484,7 @@ c. een andere school, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag beslist over de toelating als leerling tot de school, met inachtneming van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag van een school voor vwo, havo, mavo of vbo baseert zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, eerste volzin, WPO, of artikel 43, tweede lid, eerste volzin, WEC. Indien het schooladvies naar aanleiding van het resultaat van de centrale eindtoets of een andere eindtoets wordt gewijzigd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing op dat gewijzigde schooladvies.
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag van een school voor vwo, havo, mavo of vbo baseert zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op het definitieve schooladvies, bedoeld in artikel 45d, derde lid, WPO, artikel 48e, derde lid, WEC of artikel 51d, derde lid, WPO BES.
|
||||
|
||||
**3.** De toelating tot het eerste leerjaar van een school kan niet voorwaardelijk geschieden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4467,7 +4494,7 @@ c. een andere school, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
|
|||
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
|
||||
|
||||
a. de beslissing tot toelating tot het eerste leerjaar indien geen schooladvies is vastgesteld; en
|
||||
a. de beslissing tot toelating tot het eerste leerjaar indien geen definitief schooladvies is vastgesteld; en
|
||||
b. de beslissing tot toelating tot het eerste leerjaar indien specifieke kennis of vaardigheden van de leerling noodzakelijk zijn.
|
||||
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het toelaten van leerlingen.
|
||||
|
|
@ -4500,6 +4527,8 @@ Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan dien
|
|||
|
||||
**7.** De toelating tot een school wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde financiële bijdrage.
|
||||
|
||||
**8.** In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, melden de ouders de leerling die afkomstig is van een school als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, en voor wie toelating wordt gevraagd tot het eerste leerjaar, aan in de periode van 25 maart tot en met 31 maart.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.9
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag beoordeelt of de leerling die is aangemeld extra ondersteuning nodig heeft. Voor die beoordeling kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen over stoornissen of handicaps van de leerling of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning om de beheersing van de Nederlandse taal te bevorderen voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.
|
||||
|
|
@ -4978,7 +5007,7 @@ Een krachtens deze paragraaf vast te stellen ministeriële regeling wordt niet e
|
|||
|
||||
### Artikel 10.1
|
||||
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, waaronder ook wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.38, kan Onze Minister de bekostiging geheel of gedeeltelijk opschorten of inhouden. Onder bekostiging zijn ook voorschotten begrepen.
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, waaronder ook wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.38 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 3.38a, kan Onze Minister de bekostiging geheel of gedeeltelijk opschorten of inhouden. Onder bekostiging zijn ook voorschotten begrepen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kent de bekostiging opnieuw toe indien er geen reden meer is het eerste lid toe te passen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5847,13 +5876,7 @@ Artikel 7.37a is niet van toepassing.
|
|||
|
||||
### Artikel 11.89
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 8.6, tweede lid, is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een beslissing over de toelating van een leerling tot het eerste leerjaar betrekt het bevoegd gezag het onderwijskundig rapport dat op grond van artikel 48 WPO BES is opgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag van een school voor vwo, havo of mavo baseert zijn beslissing over de toelating van een leerling tot het eerste leerjaar ook op een onderzoek naar de geschiktheid voor het volgen van het onderwijs aan de school waarvoor de toelating wordt gevraagd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het onderzoek, bedoeld in het derde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 11.90
|
||||
|
||||
|
|
@ -6190,9 +6213,7 @@ Tot het tijdstip waarop voor het eerst kerndoelen Friese taal en cultuur in werk
|
|||
|
||||
### Artikel 12.40
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 4.26, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een profiel als bedoeld in artikel 118bb, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 1 augustus 2016, dat in aanmerking is gebracht voor bekostiging op grond van een in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen opgenomen afdeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel f, van die wet, zoals die bepaling op 31 juli 2016 luidde, indien die afdeling na 1 augustus 2014 voor het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 augustus 2023.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 14. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue