2007-01-01 | BWBR0011353 | Wet inkomstenbelasting 2001
This commit is contained in:
parent
c0c2e1b44a
commit
ddda9321ee
1 changed files with 331 additions and 191 deletions
|
|
@ -256,7 +256,7 @@ Voor de belastingplichtige die geen premie voor de algemene ouderdomsverzekering
|
|||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk afdeling 7.3) bedraagt 25%.
|
||||
De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk afdeling 7.3) bedraagt 22%, met dien verstande dat de belasting 25% bedraagt op het gedeelte van dit inkomen dat € 250 000 te boven gaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -370,7 +370,7 @@ j. de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).
|
|||
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4).
|
||||
Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4) en de MKB-winstvrijstelling (paragraaf 3.2.5).
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -539,7 +539,7 @@ b. belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst of bestanddelen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van € 4000 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten:
|
||||
Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van € 4100 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten:
|
||||
|
||||
a. voedsel, drank en genotmiddelen;
|
||||
b. representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en
|
||||
|
|
@ -551,7 +551,7 @@ c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.
|
|||
|
||||
**4.** Met betrekking tot de kosten en lasten die vallen onder het eerste lid worden, in afwijking in zoverre van artikel 3.8, ten aanzien van de belastingplichtige zelf geen onttrekkingen in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 75% in aftrek.
|
||||
**5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 73,5% in aftrek.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,19 per kilometer.
|
||||
|
||||
|
|
@ -645,13 +645,13 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van:
|
|||
| --- | --- | --- |
|
||||
| – | € 12 500 | 0,80% van deze waarde, maar niet minder dan € 100 |
|
||||
| € 12 500 | € 25 000 | 1,00% van deze waarde |
|
||||
| € 25 000 | € 50 000 | 1,15% van deze waarde |
|
||||
| € 50 000 | € 75 000 | 1,25% van deze waarde |
|
||||
| € 75 000 | –- | 1,45% van deze waarde, maar ten hoogste € 21 700 |
|
||||
| € 25 000 | € 50 000 | 1,10% van deze waarde |
|
||||
| € 50 000 | € 75 000 | 1,20% van deze waarde |
|
||||
| € 75 000 | –- | 1,40% van deze waarde, maar ten hoogste € 22 300 |
|
||||
|
||||
**3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning.
|
||||
**3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar van de onttrekking. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning.
|
||||
|
||||
**4.** Indien met betrekking tot een woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van die wet en van het derde lid, tweede volzin.
|
||||
**4.** Indien met betrekking tot een woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet en van het derde lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -670,7 +670,7 @@ b. blijft onder woning begrepen een werkruimte waarvan de kosten en lasten, indi
|
|||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, gesteld op de waarde in het economische verkeer.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van genoemde wet. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, gesteld op de waarde in het economische verkeer.
|
||||
|
||||
**6.** De onttrekking wordt in aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto voor eigen rekening heeft genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -788,7 +788,7 @@ De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik,
|
|||
|
||||
Het eerste lid is voor pensioenvoorzieningen alleen van toepassing op betalingen die worden verricht aan een lichaam dat:
|
||||
|
||||
a. bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen of
|
||||
a. een verzekeraar is als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; of
|
||||
b. volgens artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld, volgens welke, zo nodig onder te stellen voorwaarden, kan worden afgeweken van het tweede en het derde lid.
|
||||
|
|
@ -801,11 +801,67 @@ Voor de toepassing van de artikelen 3.26 en 3.27 wordt een verband met wijziging
|
|||
|
||||
De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.29b
|
||||
|
||||
**1.** De waardering van onderhanden werk wordt gesteld op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding voor het aangenomen werk, dat is toe te rekenen aan dat onderhanden werk.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot onderhanden opdrachten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.30
|
||||
|
||||
**1.** De afschrijving op goederen die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt (bedrijfsmiddelen), wordt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend.
|
||||
|
||||
**2.** De werkelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde, waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de lopende uitgaven van een onderneming worden gerekend, worden in het kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens afgeschreven.
|
||||
**2.** Het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend bedraagt op jaarbasis met betrekking tot goodwill ten hoogste 10% en met betrekking tot andere bedrijfsmiddelen ten hoogste 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel.
|
||||
|
||||
**3.** De voortbrengingskosten van immateriële activa kunnen in het kalenderjaar van voortbrenging ineens worden afgeschreven.
|
||||
|
||||
**4.** De werkelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde, waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de lopende uitgaven van een onderneming worden gerekend, worden in het kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens afgeschreven.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.30a
|
||||
|
||||
**1.** Afschrijving op een gebouw in een kalenderjaar is slechts mogelijk indien de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan en bedraagt ten hoogste het verschil daartussen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de afschrijving en de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd. Werktuigen die van een gebouw kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken, worden als een afzonderlijk bedrijfsmiddel beschouwd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De bodemwaarde van een gebouw is:
|
||||
|
||||
a. voor een gebouw dat bestemd is om direct of indirect hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam (gebouw ter belegging): de WOZ-waarde van het gebouw;
|
||||
b. voor een ander gebouw (gebouw in eigen gebruik): 50% van de WOZ-waarde.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De WOZ-waarde van een gebouw is:
|
||||
|
||||
a. de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het gebouw bij één of meer beschikkingen vastgestelde waarde voor het kalenderjaar van de afschrijving;
|
||||
b. indien een gebouw deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken: het gedeelte van de voor die onroerende zaak bij beschikking vastgestelde waarde voor het kalenderjaar van de afschrijving, dat kan worden toegerekend aan het gebouw;
|
||||
c. indien onderdeel a of b geen toepassing vindt vanwege het ontbreken van één of meer beschikkingen: de waarde van het gebouw voor het kalenderjaar van de afschrijving bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
|
||||
|
||||
Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, wordt als waarde genomen de waarde voor het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt.
|
||||
|
||||
**5.** In geval van mede-eigendom van een gebouw wordt de WOZ-waarde van het gebouw over de mede-eigenaren verdeeld naar rato van de mate van mede-eigendom.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de eigendom of economische eigendom van de ondergrond van een gebouw geheel of gedeeltelijk berust bij een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam, is dit artikel onverminderd van toepassing, met dien verstande dat alsdan als WOZ-waarde wordt genomen de WOZ-waarde van het gebouw verminderd met het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan de ondergrond respectievelijk dat deel ervan dat berust bij die ander. Grond die tot de aanhorigheden van een gebouw behoort, wordt geacht deel uit te maken van de ondergrond van het gebouw.
|
||||
|
||||
**7.** Indien zowel de belastingplichtige als een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam investeringen hebben verricht die als investeringen in één gebouw zouden kwalificeren indien zij een en dezelfde persoon zouden zijn, wordt de afschrijving en afwaardering tot lagere bedrijfswaarde met betrekking tot die investeringen bepaald als waren zij één en dezelfde persoon. De aldus met toepassing van het eerste lid bepaalde afschrijving wordt over hen verdeeld naar rato van, en ten hoogste tot het bedrag van, de afschrijvingen met betrekking tot die investeringen die bij hen zonder toepassing van dit artikel zouden hebben plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**8.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verbonden persoon verstaan:
|
||||
|
||||
a. de partner van de belastingplichtige;
|
||||
b. degene die ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract heeft gesloten met de belastingplichtige;
|
||||
c. degene die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld;
|
||||
d. degene die samen met de belastingplichtige een woning bewoont welke voor hen een eigen woning is en aansprakelijk is of mede aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient;
|
||||
e. degene, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de rechte lijn, die samen met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kan kiezen voor kwalificatie als partner als bedoeld in artikel 1.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat geen sprake is van een duurzaam gevoerde gemeenschappelijke huishouding;
|
||||
f. de minderjarige kinderen van de belastingplichtige, van zijn partner of van een onder b tot en met e aangeduide persoon.
|
||||
|
||||
**10.** Indien de belastingplichtige minderjarig is, wordt onder een verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan.
|
||||
|
||||
**11.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verbonden lichaam verstaan: een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 of artikel 4.11.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.31
|
||||
|
||||
|
|
@ -871,7 +927,7 @@ Indien op een bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven en op enig tijdstip bin
|
|||
|
||||
### Artikel 3.39
|
||||
|
||||
Afschrijving op bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin voor de verwerving of de verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt.
|
||||
Willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin voor de verwerving of de verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.40
|
||||
|
||||
|
|
@ -885,19 +941,19 @@ Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaa
|
|||
|
||||
Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
|
||||
|
||||
| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het percentage |
|
||||
| Meer dan | Maar niet meer dan | Bedraagt het percentage |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| – | € 2 100 | 0 |
|
||||
| € 2 100 | € 35 000 | 25 |
|
||||
| € 35 000 | € 67 000 | 22 |
|
||||
| € 67 000 | € 98 000 | 15 |
|
||||
| € 98 000 | € 131 000 | 10 |
|
||||
| € 131 000 | € 163 000 | 6 |
|
||||
| € 163 000 | € 195 000 | 3 |
|
||||
| € 195 000 | € 229 000 | 3 |
|
||||
| € 229 000 | € 261 000 | 0 |
|
||||
| € 261 000 | € 293 000 | 0 |
|
||||
| € 293 000 | – | 0 |
|
||||
| € 35 000 | € 68 000 | 21 |
|
||||
| € 68 000 | € 99 000 | 12 |
|
||||
| € 99 000 | € 132 000 | 8 |
|
||||
| € 132 000 | € 164 000 | 5 |
|
||||
| € 164 000 | € 197 000 | 2 |
|
||||
| € 197 000 | € 230 000 | 1 |
|
||||
| € 230 000 | € 263 000 | 0 |
|
||||
| € 263 000 | € 295 000 | 0 |
|
||||
| € 295 000 | – | 0 |
|
||||
|
||||
**3.** Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -907,14 +963,14 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
|
|||
|
||||
**2.** Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de energie-investeringsaftrek 0 percent.
|
||||
**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de energie-investeringsaftrek 44 percent.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen:
|
||||
|
||||
a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 108 000 000;
|
||||
b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 108 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.
|
||||
a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 110 000 000;
|
||||
b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 110 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
**5.** Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -935,7 +991,7 @@ b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.
|
|||
|
||||
**2.** Milieu-investeringen zijn investeringen, behorend tot categorie I, II respectievelijk III, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 0 percent , voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 0 percent en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 0 percent .
|
||||
**3.** Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 40 percent , voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 30 percent en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 15 percent .
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1172,7 +1228,7 @@ b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid.
|
|||
|
||||
**2.** De terugkeerreserve wordt gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond van artikel 4.24a of artikel 4.42a voor de heffing buiten aanmerking blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het in die volzin bedoelde vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen zonder rekening te houden met de toepassing van artikel 4.24a.
|
||||
|
||||
**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 69% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast.
|
||||
**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 76% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast.
|
||||
|
||||
**4.** Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een gedeelte van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1372,7 +1428,7 @@ e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.68
|
||||
|
||||
**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 11 050. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*.
|
||||
**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 11 227. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1452,8 +1508,9 @@ De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van:
|
|||
|
||||
a. de zelfstandigenaftrek;
|
||||
b. de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk;
|
||||
c. de meewerkaftrek, en
|
||||
d. de stakingsaftrek.
|
||||
c. de meewerkaftrek;
|
||||
d. de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, en
|
||||
e. de stakingsaftrek.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.75
|
||||
|
||||
|
|
@ -1461,36 +1518,38 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt ond
|
|||
|
||||
### Artikel 3.76
|
||||
|
||||
**1.** De zelfstandigenaftrek geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium *voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.
|
||||
**1.** De zelfstandigenaftrek geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium *voldoet.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij een winst
|
||||
Indien de ondernemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, en de winst:
|
||||
|
||||
| gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigenaftrek |
|
||||
| is gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigenaftrek |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| – | € 13 150 | € 8885 |
|
||||
| € 13 150 | € 15 255 | € 8260 |
|
||||
| € 15 255 | € 17 360 | € 7638 |
|
||||
| € 17 360 | € 49 720 | € 6807 |
|
||||
| € 49 720 | € 51 825 | € 6213 |
|
||||
| € 51 825 | € 53 935 | € 5556 |
|
||||
| € 53 935 | € 56 030 | € 4903 |
|
||||
| € 56 030 | – | € 4310 |
|
||||
| – | € 13 360 | € 9 028 |
|
||||
| € 13 360 | € 15 500 | € 8 393 |
|
||||
| € 15 500 | € 17 640 | € 7 761 |
|
||||
| € 17 640 | € 50 515 | € 6 916 |
|
||||
| € 50 515 | € 52 655 | € 6 313 |
|
||||
| € 52 655 | € 54 795 | € 5 645 |
|
||||
| € 54 795 | € 56 930 | € 4 982 |
|
||||
| € 56 930 | – | € 4 379 |
|
||||
|
||||
**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1987. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.
|
||||
**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2019. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet.
|
||||
**4.** Indien de ondernemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van het bedrag van de zelfstandigenaftrek volgens het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.77
|
||||
|
||||
**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 11 255.
|
||||
**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 11 436.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 5628. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.
|
||||
**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 5719. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde en zevende lid, van die wet, vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 13 371, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.
|
||||
**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde en zevende lid, van die wet, vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 13 585, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.78
|
||||
|
||||
|
|
@ -1515,6 +1574,35 @@ a. winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven v
|
|||
b. winst behaald met of bij het staken van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, daaronder mede verstaan staking door overlijden als bedoeld in artikel 3.58 en
|
||||
c. winst als gevolg van de overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland of als gevolg van eindafrekening bedoeld in artikel 3.60 respectievelijk 3.61.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.78a
|
||||
|
||||
**1.** De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt voor de ondernemer die in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was, in het kalenderjaar recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan het urencriterium maar wel aan het verlaagde-urencriterium, bedoeld in het derde lid, en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onder een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verstaan een uitkering op grond van:
|
||||
|
||||
a. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
|
||||
b. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
|
||||
c. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
|
||||
d. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
|
||||
e. een buitenlandse wettelijke regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling genoemd in de onderdelen a, b, c en d;
|
||||
f. een bij ministeriële regeling aangewezen regeling voor zover wegens arbeidsongeschiktheid recht op die uitkering bestaat.
|
||||
|
||||
Onder een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt mede verstaan het genieten van een periodieke uitkering of verstrekking uit een verzekering ter zake van invaliditeit of ongeval.
|
||||
|
||||
**3.** Onder verlaagd-urencriterium wordt verstaan hetgeen op de voet van artikel 3.6 onder urencriterium zou worden verstaan bij vervanging in het eerste lid van dat artikel van 1225 uren door 800 uren.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid bedraagt:
|
||||
|
||||
a. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren deze aftrek niet is toegepast: € 12 000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten;
|
||||
b. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking tot één jaar deze aftrek is toegepast: € 8000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten;
|
||||
c. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking tot twee jaren deze aftrek is toegepast: € 4000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.79
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1530,13 +1618,23 @@ b. door een afneming van de oudedagsreserve na een geruisloze doorschuiving of o
|
|||
|
||||
**4.** Het in het tweede lid bedoelde maximumbedrag van € 3 630 wordt verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.5. MKB-winstvrijstelling
|
||||
|
||||
### Artikel 3.79a
|
||||
|
||||
**1.** De MKB-winstvrijstelling geldt voor de *ondernemer* die aan het *urencriterium* voldoet.
|
||||
|
||||
**2.** De MKB-winstvrijstelling bedraagt 10% van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4).
|
||||
|
||||
**3.** Ingeval de *ondernemer* in een jaar niet voldoet aan het urencriterium en voor hem in dat jaar de stakingsaftrek geldt, geldt voor hem met betrekking tot dat jaar ook de MKB-winstvrijstelling, mits hij in drie of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren wel *ondernemer* was en aan het urencriterium heeft voldaan.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.3. Belastbaar loon
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.1. Belastbaar loon
|
||||
|
||||
### Artikel 3.80
|
||||
|
||||
Belastbaar loon is *loon* verminderd met de*werknemersaftrek *(paragraaf 3.3.2).
|
||||
Belastbaar loon is *loon* verminderd met de *reisaftrek *(paragraaf 3.3.2).
|
||||
|
||||
### Artikel 3.81
|
||||
|
||||
|
|
@ -1557,7 +1655,7 @@ c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisa
|
|||
|
||||
**1.** Tot *loon* wordt gerekend de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een *pensioenregeling*, indien de belastingplichtige die werknemer of gewezen werknemer is in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting en aan wie het pensioen is toegezegd, ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn anders dan door overlijden, of indien na zijn overlijden de gerechtigde tot de uitkeringen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Tot loon wordt gerekend, tenzij het eerste lid toepassing vindt, de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een *pensioenregeling* indien de verplichtingen waarop de aanspraken berusten, geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, van de Wet op de loonbelasting 1964.
|
||||
**2.** Tot loon wordt gerekend, tenzij het eerste lid toepassing vindt, de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een *pensioenregeling* indien de verplichtingen waarop de aanspraken berusten, geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d en f, van de Wet op de loonbelasting 1964.
|
||||
|
||||
**3.** De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste is gekomen van belastbaar inkomen uit werk en woning.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1572,17 +1670,17 @@ c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisa
|
|||
Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van het eerste of tweede lid dan wel artikel 7.2, achtste lid, onderdeel a, is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en
|
||||
|
||||
1°. wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, en
|
||||
2°. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de Wet op de loonbelasting 1964, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
|
||||
2°. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d of f, van de Wet op de loonbelasting 1964, het belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.84
|
||||
|
||||
Tot loon behoren niet voordelen waarover de belasting op grond van artikel 31 of artikel 32ab in verbinding met artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor voor de belastingplichtige ontstaan voordeel.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.2. Werknemersaftrek
|
||||
#### Paragraaf 3.3.2. Reisaftrek
|
||||
|
||||
### Artikel 3.85
|
||||
|
||||
De werknemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van de reisaftrek en de zeedagenaftrek.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.86
|
||||
|
||||
|
|
@ -1604,24 +1702,24 @@ Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde pla
|
|||
| --- | --- | --- |
|
||||
| van meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis |
|
||||
| – | 10 km | – |
|
||||
| 10 km | 15 km | € 396 |
|
||||
| 15 km | 20 km | € 529 |
|
||||
| 20 km | 30 km | € 888 |
|
||||
| 30 km | 40 km | € 1101 |
|
||||
| 40 km | 50 km | € 1437 |
|
||||
| 50 km | 60 km | € 1598 |
|
||||
| 60 km | 70 km | € 1773 |
|
||||
| 70 km | 80 km | € 1834 |
|
||||
| 80 km | – | € 1859 |
|
||||
| 10 km | 15 km | € 403 |
|
||||
| 15 km | 20 km | € 538 |
|
||||
| 20 km | 30 km | € 903 |
|
||||
| 30 km | 40 km | € 1119 |
|
||||
| 40 km | 50 km | € 1460 |
|
||||
| 50 km | 60 km | € 1624 |
|
||||
| 60 km | 70 km | € 1802 |
|
||||
| 70 km | 80 km | € 1864 |
|
||||
| 80 km | – | € 1889 |
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek:
|
||||
|
||||
a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag;
|
||||
b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,21 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1859 per jaar.
|
||||
b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,21 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1889 per jaar.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1859 per jaar.
|
||||
**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1889 per jaar.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1639,17 +1737,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 3.89
|
||||
|
||||
**1.** De zeedagenaftrek geldt voor de belastingplichtige die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel van een zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet in verband met zijn werkzaamheden doorgaans ten minste 180 dagen per jaar aan boord van een dergelijk zeeschip of in een buitenlandse haven of havenplaats verblijft (zeedagen). De dagen van vertrek en van aankomst worden daarbij meegerekend.
|
||||
|
||||
**2.** De zeedagenaftrek bedraagt € 4 per zeedag.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Als zeedagen worden niet in aanmerking genomen:
|
||||
|
||||
a. dagen ten gevolge van reizen met een duur van 14 dagen of minder, tenzij gedurende de reis een buitenlandse haven is aangedaan die voor de vervoerde zaken of personen het karakter van haven van bestemming of van vertrek heeft;
|
||||
b. dagen waarbij het vertrek uit en de aankomst in een Nederlandse haven op dezelfde dag liggen;
|
||||
c. dagen waarop het zeeschip de hele dag in een Nederlandse haven ligt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.4. Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
|
||||
|
||||
|
|
@ -1751,7 +1839,7 @@ Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voo
|
|||
|
||||
### Artikel 3.95
|
||||
|
||||
Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot en met 3.30, 3.55 tot en met 3.58, 3.59, eerste en tweede lid, en 3.60 tot en met 3.62 van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.
|
||||
Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot en met 3.30a, eerste tot en met elfde lid, 3.55 tot en met 3.58, 3.59, eerste en tweede lid, en 3.60 tot en met 3.62 van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.95a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1773,7 +1861,7 @@ c. voordelen die door de belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in artikel
|
|||
|
||||
Het eerste lid is alleen van toepassing indien:
|
||||
|
||||
a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3902 per jaar, en
|
||||
a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 4010 per jaar, en
|
||||
b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.98
|
||||
|
|
@ -1808,6 +1896,23 @@ c. de schuldvordering geheel of gedeeltelijk wordt prijsgegeven.
|
|||
|
||||
**10.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.98b
|
||||
|
||||
**1.** Indien de belastingplichtige een schuldvordering heeft als bedoeld in artikel 3.91 of 3.92 en die schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de winst uit een onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid van hem of van een met hem verbonden persoon, wordt, indien de schuldvordering wordt vervreemd of overgebracht als omschreven in het tweede lid, ter zake van die vervreemding of overbrenging, tot het resultaat van de belastingplichtige gerekend een bedrag gelijk aan die afwaardering voorzover met betrekking tot die schuldvordering niet reeds een bedrag op de voet van dit artikel tot het resultaat van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon is gerekend.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een vervreemding of overbrenging als bedoeld in het eerste lid doet zich voor indien de afgewaardeerde schuldvordering:
|
||||
|
||||
a. wordt vervreemd aan een met de belastingplichtige verbonden persoon of aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, onderscheidenlijk
|
||||
b. wordt overgebracht naar het vermogen van een buiten Nederland gedreven onderneming, dan wel naar het vermogen van een buiten Nederland gedreven gedeelte van een onderneming op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon of aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, wordt bij vervreemding aan een niet in Nederland wonend natuurlijk persoon of een niet in Nederland gevestigd lichaam, die persoon onderscheidenlijk dat lichaam geacht een met de belastingplichtige verbonden persoon te zijn onderscheidenlijk een vennootschap te zijn waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.99
|
||||
|
||||
Indien een werkzaamheid in een kalenderjaar uitgroeit tot een onderneming waaruit de belastingplichtige als *ondernemer* winst geniet, wordt voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat, de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.
|
||||
|
|
@ -1889,8 +1994,9 @@ h. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij minis
|
|||
i. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen;
|
||||
j. uitkeringen krachtens artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
|
||||
k. de zorgtoeslag op grond van de Wet op de zorgtoeslag;
|
||||
l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met k;
|
||||
m. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l.
|
||||
l. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
|
||||
m. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l;
|
||||
n. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met m.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.105
|
||||
|
||||
|
|
@ -1991,17 +2097,17 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van
|
|||
| --- | --- | --- |
|
||||
| – | € 12 500 | nihil |
|
||||
| € 12 500 | € 25 000 | 0,20% van deze waarde |
|
||||
| € 25 000 | € 50 000 | 0,35% van deze waarde |
|
||||
| € 50 000 | € 75 000 | 0,45% van deze waarde |
|
||||
| € 75 000 | – | 0,60% van deze waarde, maar ten hoogste € 8900 |
|
||||
| € 25 000 | € 50 000 | 0,30% van deze waarde |
|
||||
| € 50 000 | € 75 000 | 0,40% van deze waarde |
|
||||
| € 75 000 | – | 0,55% van deze waarde, maar ten hoogste € 9150 |
|
||||
|
||||
**2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning.
|
||||
**2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van die wet en van het tweede lid, tweede volzin.
|
||||
**3.** Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet en van het tweede lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
**4.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil.
|
||||
|
||||
**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8900.
|
||||
**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 9150.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.113
|
||||
|
||||
|
|
@ -2009,7 +2115,7 @@ Met betrekking tot de *eigen woning* die tijdelijk ter beschikking is gesteld aa
|
|||
|
||||
### Artikel 3.114
|
||||
|
||||
**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3902 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen.
|
||||
**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 4010 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2019,7 +2125,7 @@ De voordelen uit een woning die voor twee of meer belastingplichtigen die geen *
|
|||
|
||||
### Artikel 3.116
|
||||
|
||||
**1.** Het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning is de rente die is begrepen in een kapitaalsuitkering uit *levensverzekering*die dient ter aflossing van de eigenwoningschuld.
|
||||
**1.** Het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning is de rente die is begrepen in een kapitaalsuitkering uit *levensverzekering* die dient ter aflossing van de eigenwoningschuld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2028,7 +2134,7 @@ Van een kapitaalverzekering eigen woning is sprake zolang de in het eerste lid b
|
|||
a. in de overeenkomst is bepaald dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld;
|
||||
b. in de overeenkomst is bepaald dat ten minste 15 jaar, of tot het overlijden van de verzekerde, jaarlijks premies ter zake van de verzekering worden voldaan waarbij de hoogste premie niet meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie;
|
||||
c. de verzekering recht geeft op een eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden;
|
||||
d. de premies voor de verzekering verschuldigd zijn aan een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen en
|
||||
d. de premies voor de verzekering verschuldigd zijn aan een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; en
|
||||
e. in de overeenkomst is bepaald dat de in onderdeel a bedoelde woning een eigen woning is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -2070,19 +2176,19 @@ b. bij een uitkering bij overlijden: premies voor bij dezelfde overeenkomst verz
|
|||
|
||||
### Artikel 3.117
|
||||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *levensverzekering*: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder levensverzekering: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.118
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 140 500 indien:
|
||||
Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 143 000 indien:
|
||||
|
||||
a. de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld;
|
||||
b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en
|
||||
c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste.
|
||||
|
||||
In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 31 900, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan.
|
||||
In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 32 500, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2253,7 +2359,7 @@ Als *lijfrenten* die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangem
|
|||
|
||||
a. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden;
|
||||
b. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn *partner* of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt;
|
||||
c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 19 161 per jaar.
|
||||
c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 19 468 per jaar.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2267,7 +2373,7 @@ Premies voor *lijfrenten* worden alleen in aanmerking genomen indien zij zijn ve
|
|||
|
||||
a. een van de volgende verzekeraars die de lijfrenteverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen:
|
||||
|
||||
1°. een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen;
|
||||
1°. een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
|
||||
2°. een in Nederland wonend natuurlijk persoon die niet is de echtgenoot, of een in Nederland gevestigd lichaam, mits de lijfrenten zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming aan die persoon of dat lichaam, maar tot ten hoogste het bedrag van de met of bij die overdracht behaalde winst en het bedrag van de afnemingen van de oudedagsreserve volgens artikel 3.70 in het jaar van de overdracht;
|
||||
b. een lichaam dat volgens artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting;
|
||||
c. een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits de premies worden voldaan ter vrijwillige voortzetting van een *pensioenregeling* of terzake van een lijfrente die gedurende ten minste drie jaar voor het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht is verzekerd bij dat fonds of dat lichaam;
|
||||
|
|
@ -2284,9 +2390,9 @@ d. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, a
|
|||
|
||||
**1.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Het volgens de eerste volzin in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met hetgeen de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar aan spaarloon als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft opgenomen voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6389. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6389 verhoogd tot € 12 621.
|
||||
**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6492. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6492 verhoogd tot € 12 823.
|
||||
|
||||
**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 816. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 148 579 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag.
|
||||
**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 990. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 150 957 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2311,16 +2417,16 @@ Een belastingplichtige met een oudedagsreserve kan, vanwege de omzetting van die
|
|||
|
||||
Het maximum bedraagt:
|
||||
|
||||
a. € 405 214 in de gevallen waarin:
|
||||
a. € 411 698 in de gevallen waarin:
|
||||
|
||||
1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
|
||||
2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of
|
||||
3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer;
|
||||
b. € 202 612 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin:
|
||||
b. € 205 854 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin:
|
||||
|
||||
1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt of
|
||||
2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan;
|
||||
c. € 101 311 in de overige gevallen.
|
||||
c. € 102 932 in de overige gevallen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2543,21 +2649,19 @@ Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit werk en woning en verlie
|
|||
|
||||
### Artikel 3.150
|
||||
|
||||
**1.** Het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en acht volgende kalenderjaren.
|
||||
**1.** Het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en de negen volgende kalenderjaren.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit werk en woning mede verstaan verlies uit werk en woning in Nederland zoals bedoeld in artikel 7.2, derde lid.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid genoemde termijn van acht jaar wordt terzake van ondernemingsverliezen onbepaald verlengd.
|
||||
**3.** De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vierde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vijfde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar.
|
||||
**4.** Het derde lid is van toepassing op ondernemingsverliezen die zijn toe te rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de belastingplichtige, plegen te verzekeren.
|
||||
|
||||
**5.** Het vierde lid is van toepassing op ondernemingsverliezen die zijn toe te rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de belastingplichtige, plegen te verzekeren.
|
||||
**5.** De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten.
|
||||
|
||||
**6.** De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten, met dien verstande dat eerst andere verliezen dan ondernemingsverliezen worden verrekend.
|
||||
**6.** Het verlies uit werk en woning voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit werk en woning van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlands belastingplichtige was.
|
||||
|
||||
**7.** Het verlies uit werk en woning voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit werk en woning van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlands belastingplichtige was.
|
||||
|
||||
**8.** Het ondernemingsverlies dat met toepassing van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht wordt te zijn geleden door de aandeelhouder die de onderneming voortzet, wordt uitsluitend verrekend met de winst uit de voortgezette onderneming.
|
||||
**7.** Het ondernemingsverlies dat met toepassing van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht wordt te zijn geleden door de aandeelhouder die de onderneming voortzet, wordt uitsluitend verrekend met de winst uit de voortgezette onderneming.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.151
|
||||
|
||||
|
|
@ -2801,7 +2905,7 @@ Het forfaitaire voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, is n
|
|||
|
||||
a. kredietinstellingen, hypotheekbanken en verzekeringsmaatschappijen die officieel zijn genoteerd op bij ministeriële regeling aan te wijzen effectenbeurzen;
|
||||
b. vennootschappen waarvan de feitelijke werkzaamheden aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden;
|
||||
c. vennootschappen die zijn onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is.
|
||||
c. vennootschappen die zijn onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Een naar de winst geheven belasting is naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten toepassing blijven.
|
||||
|
||||
**9.** Indien tot het vermogen van een in Nederland gevestigde vennootschap in enigszins belangrijke mate, direct of indirect, aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap als bedoeld in het eerste lid behoren, worden deze aandelen of winstbewijzen voor de toepassing van dit artikel geacht toe te behoren aan diegenen bij wie het belang bij de eerstgenoemde vennootschap berust. De aandelen en winstbewijzen worden toegerekend naar evenredigheid van ieders belang. Het in een kalenderjaar in aanmerking te nemen voordeel wordt verminderd met een evenredig gedeelte van het voordeel dat door de vennootschap of indirect door een andere zodanige vennootschap op de aandelen en winstbewijzen in een in het eerste lid bedoelde vennootschap in dat kalenderjaar als beleggingsopbrengst voor de heffing van de vennootschapsbelasting in aanmerking is genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2987,7 +3091,7 @@ Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op:
|
|||
a. liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
b. het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid.
|
||||
|
||||
**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 31% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil.
|
||||
**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 24% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.35
|
||||
|
||||
|
|
@ -3117,7 +3221,7 @@ Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit aanmerkelijk belang en v
|
|||
|
||||
### Artikel 4.49
|
||||
|
||||
**1.** Het verlies uit aanmerkelijk belang wordt verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang van de drie voorafgaande en alle volgende kalenderjaren.
|
||||
**1.** Het verlies uit aanmerkelijk belang wordt verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande kalenderjaar en de negen volgende kalenderjaren.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit aanmerkelijk belang mede verstaan verlies uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap zoals bedoeld in artikel 7.5, tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3171,7 +3275,7 @@ Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit aanmerkelijk belang en v
|
|||
|
||||
**3.** De inspecteur stelt het bedrag van de belastingkorting vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 4.50, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** De belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang vermindert de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van het in het eerste lid eerstbedoelde kalenderjaar en de daarop volgende jaren.
|
||||
**4.** De belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang vermindert de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van het in het eerste lid eerstbedoelde kalenderjaar en de zeven daarop volgende jaren, maar uiterlijk van het negende jaar volgend op het jaar waarin het verlies is geleden.
|
||||
|
||||
**5.** De belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang voorzover deze is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt, aangemerkt als belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van het eindigen van het partnerschap binnenlands belastingplichtig was.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3209,9 +3313,9 @@ Bezittingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit ee
|
|||
Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is of uit de Invorderingswet 1990, niet in aanmerking worden genomen, en
|
||||
b. overige verplichtingen alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 2700. Het in de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, genoemde bedrag van € 2700 wordt, indien de belastingplichtige een partner heeft en de waarde in het economische verkeer van de overige verplichtingen van de belastingplichtige en van zijn partner tezamen meer bedraagt dan € 2700 bij elk van hen gesteld op € 5400. De tweede volzin is uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 wordt geacht het gehele kalenderjaar die *partner* te hebben gehad.
|
||||
b. overige verplichtingen alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 2800. Het in de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, genoemde bedrag van € 2800 wordt, indien de belastingplichtige een partner heeft en de waarde in het economische verkeer van de overige verplichtingen van de belastingplichtige en van zijn partner tezamen meer bedraagt dan € 2800 bij elk van hen gesteld op € 5600. De tweede volzin is uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 wordt geacht het gehele kalenderjaar die *partner* te hebben gehad.
|
||||
|
||||
**4.** Het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, en tweede volzin zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige en zijn *partner* bij het doen van aangifte gezamenlijk verzoeken om, onverminderd artikel 2.17, tweede lid, bij een van hen, of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5400 hoger is dan het bedrag van de rendementsgrondslag indien het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, geen toepassing zou vinden. Indien de waarde in het economische verkeer van alle overige verplichtingen van de belastingplichtige en zijn *partner* tezamen minder bedraagt dan € 5400, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag van € 5400 gesteld op het bedrag van deze lagere waarde. Op het in de eerste volzin bedoelde verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
**4.** Het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, en tweede volzin zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige en zijn *partner* bij het doen van aangifte gezamenlijk verzoeken om, onverminderd artikel 2.17, tweede lid, bij een van hen, of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5600 hoger is dan het bedrag van de rendementsgrondslag indien het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, geen toepassing zou vinden. Indien de waarde in het economische verkeer van alle overige verplichtingen van de belastingplichtige en zijn *partner* tezamen minder bedraagt dan € 5600, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag van € 5600 gesteld op het bedrag van deze lagere waarde. Op het in de eerste volzin bedoelde verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands belastingplichtige is, wordt bij de bepaling van het forfaitair rendement de begindatum vervangen door het latere tijdstip waarop de belastingplichtige geboren wordt of anders dan door geboorte binnenlands belastingplichtige wordt, of wordt de einddatum vervangen door het eerdere tijdstip waarop de belastingplichtige overlijdt of anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Daarbij wordt het percentage van 4 naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3242,13 +3346,13 @@ b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een g
|
|||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 19 698.
|
||||
**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 20 014.
|
||||
|
||||
**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 39 396 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 40 028 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
**3.** Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 19 698 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 39 396 per minderjarig kind verhoogd met € 2631. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen.
|
||||
**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 20 014 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 40 028 per minderjarig kind verhoogd met € 2674. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -3257,17 +3361,17 @@ b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een g
|
|||
Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien:
|
||||
|
||||
a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en
|
||||
b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 260 677.
|
||||
b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 264 848.
|
||||
|
||||
Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van:
|
||||
|
||||
| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderentoeslag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| – | € 13 326 | € 26 076 |
|
||||
| € 13 326 | € 18 539 | € 13 038 |
|
||||
| € 18 539 | – | nihil |
|
||||
| – | € 13 540 | € 26 494 |
|
||||
| € 13 540 | € 18 836 | € 13 247 |
|
||||
| € 18 836 | – | nihil |
|
||||
|
||||
**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 260 677 verhoogd tot € 521 354.
|
||||
**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 264 848 verhoogd tot € 529 696.
|
||||
|
||||
**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn*partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 5.5, na toepassing van het eerste lid, verhoogd met de ouderentoeslag van de *partner* en wordt de ouderentoeslag van de *partner* verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3305,10 +3409,10 @@ Tot de bezittingen behoren niet:
|
|||
|
||||
a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit *levensverzekering*, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn *partner* of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits:
|
||||
|
||||
1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6389;
|
||||
1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6492;
|
||||
|
||||
dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan € 6389:
|
||||
2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6389;
|
||||
dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan € 6492:
|
||||
2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6492;
|
||||
b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval;
|
||||
c. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3324,7 +3428,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v
|
|||
|
||||
### Artikel 5.13
|
||||
|
||||
**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van € 52 579.
|
||||
**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van € 53 421.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3333,7 +3437,7 @@ Maatschappelijke beleggingen zijn:
|
|||
a. groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.14 en
|
||||
b. sociaal-ethische beleggingen als bedoeld in artikel 5.15.
|
||||
|
||||
**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 105 158 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 106 842 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
**4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3345,8 +3449,8 @@ b. sociaal-ethische beleggingen als bedoeld in artikel 5.15.
|
|||
|
||||
Als groene fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen:
|
||||
|
||||
a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;
|
||||
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.
|
||||
a. banken als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;
|
||||
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3369,8 +3473,8 @@ b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecte
|
|||
|
||||
Als sociaal-ethische fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen:
|
||||
|
||||
a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;
|
||||
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in sociaal-ethische projecten.
|
||||
a. banken als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;
|
||||
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in sociaal-ethische projecten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3390,7 +3494,7 @@ c. de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in ont
|
|||
|
||||
### Artikel 5.16
|
||||
|
||||
**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 52 579.
|
||||
**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 53 421.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3400,7 +3504,7 @@ a. directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17;
|
|||
b. indirecte beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.18;
|
||||
c. culturele beleggingen als bedoeld in artikel 5.18a.
|
||||
|
||||
**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 105 158 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 106 842 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
**4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3470,8 +3574,8 @@ g. de duur van de deelneming.
|
|||
|
||||
Als cultuurfondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen:
|
||||
|
||||
a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van culturele projecten in Nederland, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;
|
||||
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in culturele projecten in Nederland.
|
||||
a. banken als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van culturele projecten in Nederland, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;
|
||||
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in culturele projecten in Nederland.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3500,7 +3604,7 @@ b. de Nederlandse musea.
|
|||
|
||||
### Artikel 5.20
|
||||
|
||||
**1.** De waarde van een woning die een belastingplichtige in belangrijke mate ter beschikking staat, wordt, in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning.
|
||||
**1.** De waarde van een woning die een belastingplichtige in belangrijke mate ter beschikking staat, wordt, in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een woning verstaan een woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, aanhef, die de belastingplichtige niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3746,7 +3850,7 @@ e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte
|
|||
Met betrekking tot de uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, worden:
|
||||
|
||||
a. uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet zijn verstrekt op voorschrift van een arts, in aanmerking genomen tot een bedrag van € 23 per persoon;
|
||||
b. premies als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Zorgverzekeringswet niet in aanmerking genomen;
|
||||
b. premies als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Zorgverzekeringswet in aanmerking genomen voor het bedrag van de standaardpremie van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, verminderd met de in het kalenderjaar ontvangen of ten gunste van de belastingplichtige verrekende zorgtoeslag, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, het voorschot daarop daaronder begrepen, en vermeerderd met de in het kalenderjaar terugbetaalde of verrekende zorgtoeslag, het voorschot daarop daaronder begrepen, die met toepassing van artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen door de Belastingdienst/Toeslagen is teruggevorderd;
|
||||
c. premie en premievervangende belasting voor de volksverzekeringen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen, andere dan de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet in aanmerking genomen;
|
||||
d. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling slechts in aanmerking genomen voorzover het gezamenlijke bedrag betrekking heeft op een tijdvak van hoogstens twaalf maanden;
|
||||
e. de op grond van krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving verschuldigde bijdragen in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen, in aanmerking genomen tot een bedrag van 25% van die bijdragen.
|
||||
|
|
@ -3758,10 +3862,10 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen
|
|||
| Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van | | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| meer dan | maar niet meer dan | worden de uitgaven voor gezinshulp geacht extra te zijn voorzover zij meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek |
|
||||
| – | € 27 977 | 0% |
|
||||
| € 27 977 | € 41 967 | 1% |
|
||||
| € 41 967 | € 55 954 | 2% |
|
||||
| € 55 954 | – | 3% |
|
||||
| – | € 28 425 | 0% |
|
||||
| € 28 425 | € 42 639 | 1% |
|
||||
| € 42 639 | € 56 850 | 2% |
|
||||
| € 56 850 | – | 3% |
|
||||
|
||||
**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een *partner* heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het tweede lid in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3773,9 +3877,15 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen
|
|||
|
||||
De uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd:
|
||||
|
||||
a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,19 per kilometer;
|
||||
a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,20 per kilometer;
|
||||
b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de belastingplichtige op grond van paragraaf 2.1 van de Zorgverzekeringswet niet het gehele kalenderjaar verzekeringsplichtig is, wordt het bedrag van de standaardpremie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, naar tijdsgelang in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**8.** Het eerste lid, onderdeel b, en het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot door de belastingplichtige voor zijn rekening genomen premies als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Zorgverzekeringswet, van de in artikel 6.16 bedoelde partner, jonger dan 27-jarige kinderen, ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder en zorgafhankelijke ouders, broers en zusters.
|
||||
|
||||
**9.** Indien premies als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Zorgverzekeringswet ter zake van één verzekerde op twee of meer belastingplichtigen als uitgaven drukken, wordt het met toepassing van het eerste lid, onderdeel b, het zevende lid en het achtste lid in aanmerking te nemen bedrag over deze belastingplichtigen verdeeld naar rato van de op hen drukkende uitgaven.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.19
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -3791,13 +3901,13 @@ b. de uitgaven voor de reis of het verblijf die zijn gedaan in verband met de la
|
|||
|
||||
**1.** Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795.
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 808.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.20a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij al dan niet tezamen met zijn partner in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 314 aan uitgaven heeft gedaan voor:
|
||||
Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij al dan niet tezamen met zijn partner in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 320 aan uitgaven heeft gedaan voor:
|
||||
|
||||
a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
|
|
@ -3805,22 +3915,23 @@ c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b;
|
|||
d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d;
|
||||
f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen;
|
||||
g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval de belastingplichtige niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of
|
||||
h. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
|
||||
g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval de belastingplichtige niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f;
|
||||
h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 15 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voorzover de belastingplichtige deze verschuldigd is voor huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet of voor een daarvoor bestemd persoonsgebonden budget;
|
||||
i. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
|
||||
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795.
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 808.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.21
|
||||
|
||||
**1.** Uitgaven wegens ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is.
|
||||
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795.
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 808.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige al dan niet tezamen met zijn partner voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 314 aan uitgaven heeft gedaan voor:
|
||||
Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige al dan niet tezamen met zijn partner voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 320 aan uitgaven heeft gedaan voor:
|
||||
|
||||
a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen - als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
|
|
@ -3828,10 +3939,11 @@ c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b;
|
|||
d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d;
|
||||
f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen;
|
||||
g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval het kind niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of
|
||||
h. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
|
||||
g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval het kind niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f;
|
||||
h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 15 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voorzover de belastingplichtige deze verschuldigd is voor huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet of voor een daarvoor bestemd persoonsgebonden budget;
|
||||
i. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
|
||||
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 795.
|
||||
**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 808.
|
||||
|
||||
**3.** Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven wegens chronische ziekte van het kind in aanmerking neemt, wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het bedrag genoemd in het tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3853,17 +3965,18 @@ c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b;
|
|||
d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c;
|
||||
e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d;
|
||||
f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen;
|
||||
g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, bij verblijf buiten een instelling als bedoeld in onderdeel f, of
|
||||
h. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
|
||||
g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, bij verblijf buiten een instelling als bedoeld in onderdeel f;
|
||||
h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 15 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voorzover de belastingplichtige deze verschuldigd is voor huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet of voor een daarvoor bestemd persoonsgebonden budget;
|
||||
i. verschuldigde bijdragen voor subsidies als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge het eerste lid, meer bedragen dan:
|
||||
|
||||
a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6783 niet te boven gaat: € 780 verminderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, en vermeerderd met de zorgtoeslag, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, met dien verstande dat bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek;
|
||||
b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6 783 te boven gaat: 11,5% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek verminderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, en vermeerderd met de zorgtoeslag, met dien verstande dat bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.
|
||||
a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6896 niet te boven gaat: € 793;
|
||||
b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6896 te boven gaat: 11,5% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6 783 vervangen door € 13 566 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 780 vervangen door € 1560.
|
||||
**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6896 vervangen door € 13 792 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 793 vervangen door € 1586.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3887,7 +4000,9 @@ Weekenduitgaven voor gehandicapten worden in aanmerking genomen tot een bedrag b
|
|||
|
||||
**1.** Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.
|
||||
|
||||
**2.** Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning die op zijn *partner* drukken, worden mede als scholingsuitgaven aangemerkt.
|
||||
**2.** Als scholingsuitgaven worden mede aangemerkt uitgaven ter zake van het volgen van een procedure erkenning verworven competenties waarvoor een verklaring is afgegeven door een bij ministeriële regeling aangewezen instantie.
|
||||
|
||||
**3.** Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning die op zijn *partner* drukken, worden mede als scholingsuitgaven aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.28
|
||||
|
||||
|
|
@ -3926,7 +4041,7 @@ d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
|
|||
|
||||
Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen:
|
||||
|
||||
a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 100 en niet meer dan € 12 750 bedraagt;
|
||||
a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 100 en niet meer dan € 13 100 bedraagt;
|
||||
b. indien het een onroerende zaak betreft die volgens artikel 5.1 in de belastingheffing wordt betrokken: het bedrag van de onderhoudskosten, verminderd met 4% van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op de begindatum als bedoeld in artikel 5.2, waarbij de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak wordt bepaald met toepassing van artikel 5.19.
|
||||
|
||||
**2.** Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988.
|
||||
|
|
@ -3964,7 +4079,7 @@ Andere *giften* zijn giften aan in Nederland gevestigde *instellingen*.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.36
|
||||
|
||||
Indien *giften* de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,19 per kilometer.
|
||||
Indien *giften* de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,20 per kilometer.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.37
|
||||
|
||||
|
|
@ -4024,7 +4139,11 @@ f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland, verminderd met de aftr
|
|||
g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, en
|
||||
h. de negatieve persoonsgebonden aftrek.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een niet-ingezetene die ingevolge een overeenkomst van korte duur, dan wel kortstondig krachtens een andere grond, als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een inwoner van een niet-verdragsland die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt onder het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid niet begrepen het verrichten of hebben verricht van arbeid als zodanig door een artiest of sportbeoefenaar die inwoner is van een verdragsland en niet in dienstbetrekking staat tot een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, worden onder werkzaamheden in Nederland niet begrepen de werkzaamheden als zodanig van een artiest of sportbeoefenaar die inwoner is van een verdragsland. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verdragsland verstaan een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten alsmede de Nederlandse Antillen en Aruba, en onder een niet-verdragsland alle overige landen.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning in Nederland leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit werk en woning in Nederland. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van afdeling 3.13.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4034,7 +4153,7 @@ h. de negatieve persoonsgebonden aftrek.
|
|||
|
||||
**7.** De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid wordt geheven. De eerste volzin vindt evenmin toepassing indien de dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland wordt vervuld en het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door een andere mogendheid wordt geheven en het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen is onderworpen. De buiten Nederland vervulde functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, alsmede de dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden dan wel de dienstbetrekking waarbij in het kader van een uitzending op het grondgebied van een andere mogendheid werkzaamheden zijn of worden verricht op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, worden steeds geacht in Nederland te zijn vervuld.
|
||||
|
||||
**8.** a. Tot belastbaar loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit een *pensioenregeling* indien de verplichtingen volgens de *pensioenregeling* waarop die aanspraken berusten geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f van de Wet op de loonbelasting 1964. Tot de waarde in het economische verkeer wordt niet gerekend het met pensioenpremies behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest.
|
||||
**8.** a. Tot belastbaar loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit een *pensioenregeling* indien de verplichtingen volgens de *pensioenregeling* waarop die aanspraken berusten geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d en f van de Wet op de loonbelasting 1964. Tot de waarde in het economische verkeer wordt niet gerekend het met pensioenpremies behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest.
|
||||
b. Indien onderdeel a toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die eerder op grond van:
|
||||
|
||||
1°. onderdeel a in het Nederlandse inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering;
|
||||
|
|
@ -4043,7 +4162,7 @@ c. Indien artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevon
|
|||
d. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van onderdeel a is begrepen in het Nederlandse inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en
|
||||
|
||||
1°. wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, en
|
||||
2°. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de Wet op de loonbelasting 1964, het Nederlandse inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
|
||||
2°. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d of f, van de Wet op de loonbelasting 1964, het Nederlandse inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
|
||||
e. De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste zijn gekomen van Nederlands belastbaar inkomen uit werk en woning.
|
||||
|
||||
**9.** Het bedrag van de belastbare periodieke uitkeringen uit een aanspraak wordt verminderd met de ter zake van die aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen voorzover de belasting die is verschuldigd over die negatieve uitgaven is voldaan.
|
||||
|
|
@ -4192,7 +4311,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin
|
|||
|
||||
**1.** De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige.
|
||||
|
||||
**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1990.
|
||||
**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 2043.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -4202,18 +4321,18 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin
|
|||
|
||||
De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (arbeidskortingsgrondslag). De arbeidskorting bedraagt de som van:
|
||||
|
||||
a. 1,795% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 146, en
|
||||
b. 12,421% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8132.
|
||||
a. 1,781% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 148, en
|
||||
b. 12,354% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8312.
|
||||
|
||||
De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1357.
|
||||
De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1392.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid wordt:
|
||||
|
||||
a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 14,954% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1604;
|
||||
b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 17,467% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1849;
|
||||
c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,990% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 2095.
|
||||
a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 14,836% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1642;
|
||||
b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 17,299% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1890;
|
||||
c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,762% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 2138.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -4222,14 +4341,14 @@ c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd
|
|||
De kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien:
|
||||
|
||||
a. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat in belangrijke mate door hem of zijn *partner* wordt onderhouden en dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en
|
||||
b. het gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner minder bedraagt dan € 44 591.
|
||||
b. het gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner minder bedraagt dan € 45 309.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De kinderkorting bedraagt:
|
||||
|
||||
a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner van niet meer dan € 28 521: € 924;
|
||||
b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 521: € 924, verminderd met 5,75% van het verschil tussen het gezamenlijke verzamelinkomen en € 28 521.
|
||||
a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner van niet meer dan € 28 978: € 939;
|
||||
b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 978: € 939, verminderd met 5,75% van het verschil tussen het gezamenlijke verzamelinkomen en € 28 978.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de belastingplichtige een partner heeft geldt de kinderkorting alleen voor de belastingplichtige met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner geldt de kinderkorting alleen voor de oudste belastingplichtige. Op gezamenlijk verzoek van deze belastingplichtige en zijn partner, wordt het bedrag van de kinderkorting toegekend aan de partner van die belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4247,7 +4366,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
De combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:
|
||||
|
||||
a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4405 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en
|
||||
a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4475 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en
|
||||
b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat:
|
||||
|
||||
1°. bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en
|
||||
|
|
@ -4255,7 +4374,7 @@ b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoo
|
|||
|
||||
Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen niet behoeft te worden voldaan aan het laatste vereiste.
|
||||
|
||||
**2.** De combinatiekorting bedraagt € 146.
|
||||
**2.** De combinatiekorting bedraagt € 149.
|
||||
|
||||
**3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4268,7 +4387,7 @@ De aanvullende combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:
|
|||
a. voor hem de combinatiekorting geldt, en
|
||||
b. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, danwel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid minder aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten dan zijn partner met tegenwoordige arbeid uit die bronnen heeft genoten.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 608.
|
||||
**2.** De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 700.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het in het kalenderjaar uit de in het eerste lid bedoelde bronnen genoten inkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de aanvullende combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4297,7 +4416,7 @@ a. geen *partner* heeft;
|
|||
b. een huishouding voert met een *kind* dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en
|
||||
c. deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1414.
|
||||
**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1437.
|
||||
|
||||
**3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4311,7 +4430,7 @@ a. voor hem de alleenstaande-ouderkorting geldt;
|
|||
b. hij tegenwoordige arbeid verricht, en
|
||||
c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1414.
|
||||
**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1437.
|
||||
|
||||
**3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel c, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4319,25 +4438,25 @@ c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *k
|
|||
|
||||
**1.** De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.
|
||||
|
||||
**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 645.
|
||||
**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 656.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.17
|
||||
|
||||
**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 31 256.
|
||||
**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 31 757.
|
||||
|
||||
**2.** De ouderenkorting bedraagt € 374.
|
||||
**2.** De ouderenkorting bedraagt € 380.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.18
|
||||
|
||||
**1.** De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
|
||||
**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 562.
|
||||
**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 571.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.18a
|
||||
|
||||
**1.** De levensloopverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar beschikt over een ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 opgebouwde voorziening. Voor de belastingplichtige die met toepassing van artikel 19g, zesde lid, beschikt over de opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt beschikt, maar ten hoogste € 185 per kalenderjaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd, verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting die de belastingplichtige in voorafgaande kalenderjaren reeds heeft genoten.
|
||||
**2.** De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt beschikt, maar ten hoogste € 188 per kalenderjaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd, verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting die de belastingplichtige in voorafgaande kalenderjaren reeds heeft genoten.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4389,8 +4508,8 @@ b. deze natuurlijk persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijz
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van het tweede lid:
|
||||
|
||||
- kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde effectenbeurs of markt;
|
||||
- wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen.
|
||||
a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een gereglementeerde effectenbeurs die gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie;
|
||||
b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een voorziening ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4450,7 +4569,7 @@ k. de voorheffing, bedoeld in artikel 9.2, achtste lid.
|
|||
|
||||
Een aanslag wordt vastgesteld indien:
|
||||
|
||||
a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 41 te boven gaat, of
|
||||
a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 42 te boven gaat, of
|
||||
b. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend.
|
||||
|
|
@ -4484,7 +4603,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps
|
|||
|
||||
### Artikel 10.1
|
||||
|
||||
Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.47, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.20a, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.14, 8.14a, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 8.18a, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.42b, tweede lid, 3.47, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.20a, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.14, 8.14a, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 8.18a, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 10.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -4498,15 +4617,15 @@ Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste
|
|||
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 3.19, tweede lid, en 3.112, eerste en vijfde lid, vermelde percentages en het in genoemd tweede lid en eerste lid laatstvermelde bedrag alsmede het in genoemd vijfde lid vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en een ander bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Het in de artikelen 3.19, tweede lid, en 3.112, eerste lid, laatstvermelde percentage en het in die leden laatstvermelde bedrag alsmede het in artikel 3.112, vijfde lid, vermelde bedrag worden berekend door het te vervangen percentage respectievelijk het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de factor i_h.
|
||||
**2.** Het in de artikelen 3.19, tweede lid, en 3.112, eerste lid, laatstvermelde bedrag en het in artikel 3.112, vijfde lid, vermelde bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de factor ih. Het in de artikelen 3.19, tweede lid, en 3.112, eerste lid, laatstvermelde percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te vermenigvuldigen met het product van de factor ih en de factor iw.
|
||||
|
||||
**3.** Onder de factor i_h wordt verstaan: de verhouding van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaande kalenderjaar tot dat indexcijfer over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het begin van het eerste kalenderjaar van een op grond van de Wet waardering onroerende zaken geldend tijdvak worden de volgens het tweede lid berekende percentages bijgesteld met de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande tijdvak en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het eerstbedoelde tijdvak.
|
||||
**4.** Onder de factor iw wordt verstaan: de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**5.** De in de artikel 3.112, eerste lid, eerstvermelde percentages worden achtereenvolgens berekend door het volgens het tweede en vierde lid berekende laatstvermelde percentage in artikel 3.112, eerste lid, te vermenigvuldigen met 0,4, 0,6 en 0,8.
|
||||
**5.** De in de artikel 3.112, eerste lid, eerstvermelde percentages worden achtereenvolgens berekend door het volgens het tweede lid berekende laatstvermelde percentage in artikel 3.112, eerste lid, te vermenigvuldigen met 0,4, 0,6 en 0,8.
|
||||
|
||||
**6.** Het in artikel 3.112, vijfde lid, vermelde percentage wordt berekend door het volgens het tweede en vierde lid berekende laatstvermelde percentage in artikel 3.112, eerste lid, te vermenigvuldigen met 10/6.
|
||||
**6.** Het in artikel 3.112, vijfde lid, vermelde percentage wordt berekend door het volgens het tweede lid berekende laatstvermelde percentage in artikel 3.112, eerste lid, te vermenigvuldigen met 10/6.
|
||||
|
||||
**7.** De in artikel 3.19, tweede lid, eerstvermelde vier percentages worden achtereenvolgens berekend door respectievelijk nihil en de volgens het vijfde lid berekende drie percentages te vermeerderen met het volgens artikel 10.4, tweede lid, berekende percentage.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4514,7 +4633,7 @@ Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste
|
|||
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden het percentage en het laatstgenoemde bedrag in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage en een ander bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Het percentage vermeld in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, wordt berekend door het te vervangen percentage te vermenigvuldigen met de factor i_h, bedoeld in artikel 10.3, derde lid. Bij het begin van het eerste kalenderjaar van een op grond van de Wet waardering onroerende zaken geldend tijdvak wordt het volgens de eerste volzin berekende percentage bijgesteld met de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op het voorafgaande tijdvak en het gemiddelde van die waarden die betrekking hebben op het eerstbedoelde tijdvak.
|
||||
**2.** Het percentage vermeld in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, wordt berekend door het te vervangen percentage te vermenigvuldigen met het product van de factor ih en de factor iw, bedoeld in artikel 10.3, derde en vierde lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het laatstgenoemde bedrag in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de factor i_h, bedoeld in artikel 10.3, derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4542,7 +4661,7 @@ Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste
|
|||
|
||||
Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, derde volzin, genoemde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van:
|
||||
|
||||
a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en € 392, en
|
||||
a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en € 477, en
|
||||
b. het volgens het vierde lid berekende bedrag.
|
||||
|
||||
**4.** Het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
|
|
@ -4551,7 +4670,7 @@ b. het volgens het vierde lid berekende bedrag.
|
|||
|
||||
Het percentage in artikel 8.11, derde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdelen b en c, wordt berekend door het verschil van het in dat onderdeel a, respectievelijk de onderdelen b en c, genoemde bedrag en het in dat artikel, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van
|
||||
|
||||
a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en € 392, en
|
||||
a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en € 477, en
|
||||
b. het volgens het vierde lid berekende bedrag.
|
||||
|
||||
**6.** Indien op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
|
|
@ -4596,10 +4715,31 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**3.** Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die uitsluitend of mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005, ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, is aanwending van opgebouwde aanspraken voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c slechts mogelijk tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op 31 december 2005. Voor zover de in de eerste volzin bedoelde aanspraken tot een hoger bedrag dan de aldaar bedoelde waarde worden aangewend voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c, is artikel 3.133, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 10a.2
|
||||
|
||||
De waardering van onderhanden werk en onderhanden opdrachten overeenkomstig artikel 3.29b vindt voor de eerste keer toepassing aan het einde van het eerste boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari 2007.
|
||||
|
||||
### Artikel 10a.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Artikel 3.30, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.30a, vindt ook toepassing met betrekking tot goodwill en andere bedrijfsmiddelen, onderscheidenlijk gebouwen, ter zake waarvan vóór 1 januari 2007 voor de verwerving of verbetering verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt, met dien verstande dat wat betreft goodwill en andere bedrijfsmiddelen het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend op jaarbasis ten hoogste bedraagt:
|
||||
|
||||
a. met betrekking tot goodwill, 12/(120-V) x boekwaarde van de goodwill op 1 januari 2007, en
|
||||
b. met betrekking tot andere bedrijfsmiddelen, 12/(60-V) x boekwaarde van het bedrijfsmiddel op 1 januari 2007, waarbij V voorstelt: het aantal maanden dat de belastingplichtige vóór 1 januari 2007 reeds heeft afgeschreven op de goodwill, onderscheidenlijk het andere bedrijfsmiddel.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, vinden artikel 3.30, tweede lid, en artikel 3.30a voor het eerst toepassing met betrekking tot het boekjaar dat op of na 1 januari 2007 aanvangt. Alsdan wordt voor de toepassing van het eerste lid en het derde lid voor «1 januari 2007» gelezen de datum van aanvang van het in de eerste volzin bedoelde boekjaar.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot een gebouw dat vóór 1 januari 2007 reeds tot het ondernemingsvermogen of resultaatvermogen van de belastingplichtige behoorde en waarop de belastingplichtige reeds vóór 1 januari 2007 heeft afgeschreven doch nog niet gedurende tenminste drie jaren, vindt artikel 3.30a voor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin die drie jaren zijn geëindigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 10a.4
|
||||
|
||||
Voor auto’s waarvoor het kenteken is opgegeven vóór 1 juli 2006, blijft artikel 3.20, vijfde lid, zoals dit lid op 30 juni 2006 luidde, van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 10a.5
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 19 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet blijven artikel 3.83, tweede lid, en artikel 7.2, achtste lid, zoals deze leden luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, van toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 11.1
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue