2017-09-01 | BWBR0030815 | Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000

This commit is contained in:
Coornhert 2017-09-01 12:00:00 +00:00
parent cf531bc2ae
commit de058b8216

View file

@ -3,40 +3,14 @@ titel: Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000
bwb_id: BWBR0030815
type: beleidsregel
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2012-01-01'
datum_inwerkingtreding: '2017-09-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0030815
citeertitel: Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000
---
# Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt bekend, gehoord hebbende de Stichting van de Arbeid (10 november 2011) en De Nederlandsche Bank N.V. (8 november 2011) de beleidsregels bij aanvragen, wijzigen of intrekken van verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (verder ook verplichtstelling) op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (verder: Wet Bpf 2000) deels te herzien.
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2012.
Hiermee vervalt de bekendmaking van het Toetsingskader Wet Bpf 2000 van 25 april 2006, Stcrt. nr. 80.
Het Toetsingskader Wet Bpf 2000 is na de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 ingevoerd per 1 oktober 2001. Sociale partners, belanghebbenden en derden krijgen inzicht in de criteria waaraan aanvragen in het kader van de verplichtstelling worden getoetst en in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wet Bpf 2000.
Met het Toetsingskader Wet Bpf 2000 werd aangesloten bij het in 1998 tot stand gekomen Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring van CAO-bepalingen (Toetsingskader AVV, Stcrt. 1998, nr. 240, laatstelijk gewijzigd per 1 oktober 2010, Stcrt. 2010, 13489). Omdat de duur en betekenis van een besluit tot verplichtstelling (in beginsel voor onbepaalde tijd) een andere is dan bij een besluit tot algemeen verbindend verklaring (bepaalde tijd met een maximum van 5 jaar voor fonds-caos), zijn de procedures niet helemaal gelijk. Daar waar mogelijk is, wordt in het Toetsingskader Wet Bpf 2000 aansluiting gezocht bij het Toetsingskader AVV.
## . Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie
Met deze gedeeltelijke herziening van het Toetsingskader Wet Bpf 2000 wordt invulling gegeven aan de wijziging van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000.
Nieuw in relatie tot de opgave van de representativiteit is het volgende. Bij een aanvraag om (wijziging/intrekking van de) verplichtstelling moet een nadere toelichting worden gegeven op de wijze waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld. Gebleken is dat de gegeven toelichting niet altijd afdoende is met als gevolg dat daardoor de procedure om verplichtstelling wordt vertraagd. Teneinde op een meer gestructureerde wijze de vereiste toelichting te leveren kan gebruik gemaakt worden van een daarvoor opgesteld formulier representativiteitsgegevens. Aan de hand van deze toelichting zal kunnen worden beoordeeld of de toegepaste onderzoeksmethode voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid en reproduceerbaarheid. Ook de specifieke omstandigheden in de bedrijfstak worden in de beoordeling meegenomen. Gebruik maken van het formulier is vereist ingeval van een percentage representativiteit onder de 60 en ingeval beargumenteerde zienswijzen tegen de representativiteit daartoe aanleiding geven. Naast een kostenreductie in verband met accountantskosten kan dit ook een versnelling in de procedures opleveren. Voor meer specifieke gevallen blijft het mogelijk om een nadere rapportage van een accountant te verlangen.
De invoering van termijnen bij de wijziging van het Toetsingskader per 1 augustus 2006 heeft geleid tot het terugbrengen van de gemiddelde doorlooptijd. Door het explicieter beschrijven van de termijnen wordt beoogd de procedure inzichtelijker te maken. Daarbijwordt ook zichtbaar wie op welk moment verantwoordelijk is voor de doorloop in de procedure.
Nieuw is de beschrijving van een dreigende overlapping waar het de verplichtgestelde werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds betreft met een verplichtgestelde beroepspensioenregeling. Dit is mogelijk in situaties waarin, met betrekking tot een aanvraag in het kader van de Wet Bpf 2000, voor een bepaalde groep werknemers de verplichte deelname op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) al geldt. Ook kan overlap bestaan bij twee aanvragen die gelijktijdig in behandeling zijn, de een in het kader van de Wet Bpf 2000, de ander in het kader van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
In het vorige, volledig herziene, Toetsingskader was al bepaald dat aan de Stichting van de Arbeid in ieder geval om een reactie wordt gevraagd bij (vermeende) overlap van werkingssferen. Indien sprake is van (vermeende) overlap van werkingssferen waarbij het gaat om een aanvraag in het kader van de Wet Bpf 2000 en een aanvraag in het kader van de WVB wordt naast de Stichting van de Arbeid ook de SER om een reactie gevraagd.
In lijn met het Toetsingskader AVV wordt bepaald dat zienswijzen aan de Stichting van de Arbeid worden voorgelegd met een verzoek om reactie, tenzij de zienswijzen in het licht van staand beleid evident kansloos zijn.
Verder is geëxpliciteerd dat de ontheffing van verplichte deelname in een bpf op grond van artikel 15, van de Wet Bpf 2000 ook kan worden aangevraagd ingeval personen, anders dan via detachering, in een andere hoedanigheid slechts tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
Tot slot zijn in de afgelopen jaren een aantal onduidelijkheden in het Toetsingkader Wet Bpf 2000 geconstateerd. Deze worden in deze herziene versie verhelderd.
20174911331-08-201718-08-20172017-000012475820174911331-08-201718-08-20172017-000012475801-09-2017
## 1. Doel van verplichtstelling
@ -46,7 +20,7 @@ Door een besluit tot verplichtstelling wordt de deelname in een bedrijfstakpensi
## 2. Reikwijdte van de verplichtstelling
In de Wet Bpf 2000 is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen (artikel 2, derde lid, van de Wet Bpf 2000). Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn ongeorganiseerden niet gebonden aan arbitrale bedingen in de pensioenregeling van het bpf.
In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen (artikel 2, derde lid, van de Wet Bpf 2000). Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn ongeorganiseerden niet gebonden aan arbitrale bedingen in de pensioenregeling van het bpf.
### . Statutaire werkingssfeer
@ -66,11 +40,11 @@ Ter verduidelijking van de afbakening ten opzichte van andere bpf-en, bedrijfsta
Enkel een opsomming van namen van bedrijven ter omschrijving van de werkingssfeer voldoet niet aan de eisen. Gedachte achter een verplichtstelling is dat deelname verplicht is voor een bepaalde bedrijfstak. Nieuwkomers in de bedrijfstak moeten automatisch onder de werkingssfeer vallen en bedrijven die bedrijfsactiviteiten gaan verrichten in een andere bedrijfstak moeten automatisch buiten de werkingssfeer vallen, zonder dat de verplichtstelling gewijzigd hoeft te worden. Dit is bij een werkingssfeer op basis van een opsomming van namen van bedrijven niet mogelijk.
Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaalde wet, besluit of regeling, dan moet deze worden gefixeerd. Dit betekent dat moet worden aangegeven van welke datum de wet, besluit of regeling is waarnaar verwezen wordt en waar die is terug te vinden. Een verwijzing naar een CAO voor de omschrijving van dewerkingssfeer is niet mogelijk. Indien eenzelfde werkingssfeer als een bepaalde CAO gewenst wordt, zal in plaats van een verwijzing de werkingssfeer van die CAO uitgeschreven moeten worden in de werkingssfeer van de verplichtstelling.
Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaalde wet, besluit of regeling, dan moet deze worden gefixeerd. Dit betekent dat moet worden aangegeven van welke datum de wet, besluit of regeling is waarnaar verwezen wordt en waar die is terug te vinden. Een verwijzing naar een CAO voor de omschrijving van dewerkingssfeer is niet mogelijk. Indien eenzelfde werkingssfeer als een bepaalde CAO gewenst wordt, zal in plaats van een verwijzing de werkingssfeer van die CAO uitgeschreven moeten worden in de werkingssfeer van de verplichtstelling. Wanneer voor de maximumleeftijd voor beëindiging van de deelname in het pensioenfonds verwezen wordt naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet is het opnemen van een fixatie niet vereist.
### . Deelnemer
Uit de werkingssfeer moet ook blijken wie van de in de bedrijfstak werkzame personen als deelnemer in het pensioenfonds verplicht worden deel te nemen. Daarom moet worden omschreven, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, hoe hoog die is. Verder moet de maximumleeftijd voor beëindiging van de deelname in het pensioenfonds worden opgenomen. Ook moet aangegeven worden welke werkzame personen het betreft, bijvoorbeeld werknemers in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) of in de zin van de werknemersverzekeringen. Personen die in een andere hoedanigheid in de bedrijfstak werkzaam zijn, kunnen ook onder de werkingssfeer van een bpf vallen. Indien dit van toepassing is, moet worden gedefinieerd welke personen worden bedoeld.
Uit de werkingssfeer moet ook blijken wie van de in de bedrijfstak werkzame personen als deelnemer in het pensioenfonds verplicht worden deel te nemen. Daarom moet worden omschreven, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, hoe hoog die is. Verder moet de maximumleeftijd voor beëindiging van de deelname in het pensioenfonds worden opgenomen. Bij verwijzing naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zal de maximumleeftijd automatisch meebewegen met het tijdpad dat daarin is opgenomen. Ook moet aangegeven worden welke werkzame personen het betreft, bijvoorbeeld werknemers in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) of in de zin van de werknemersverzekeringen. Personen die in een andere hoedanigheid in de bedrijfstak werkzaam zijn, kunnen ook onder de werkingssfeer van een bpf vallen. Indien dit van toepassing is, moet worden gedefinieerd welke personen worden bedoeld.
### . Overlapping van werkingssferen
@ -92,7 +66,7 @@ Indien overlap wordt geconstateerd bij twee gelijktijdig in behandeling zijnde a
#### . Uitgangspunten
Een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een voldoende representatieve vertegenwoordiging van sociale partners in de bedrijfstak waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. In de artikelen 2, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, tweede en derde lid, van de Wet Bpf 2000 wordt dit geformuleerd als het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.
Een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een voldoende representatieve vertegenwoordiging van sociale partners in de bedrijfstak waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. In de artikelen 2, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, tweede en derde lid, van de Wet Bpf 2000 wordt dit geformuleerd als het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.
Reden hiervoor is dat een besluit in het kader van de verplichtstelling grote gevolgen heeft voor een bedrijfstak, in beginsel voor onbepaalde tijd. Voldoende draagvlak binnen de bedrijfstak voor zon besluit is daarom van belang.
@ -106,7 +80,7 @@ In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf zal per bedrijfstak de
Sociale partners hebben bij de omschrijving van de werkingssfeer de mogelijkheid om bepaalde categorieën werknemers of bedrijven van de werkingssfeer uit te zonderen. Deze vallen dan buiten de werkingssfeer van het bpf en buiten het besluit tot verplichtstelling en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling van de representativiteit.
Op basis van artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000, is het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Stb. 633) tot stand gekomen. Op grond daarvan is het op bepaalde gronden mogelijk door het bpf te worden vrijgesteld van verplichte deelname. De vrijgestelden blijven echter onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen en worden daarom wel meegenomen in de beoordeling van de representativiteit.
Op basis van artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000, is het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Stb. 633) tot stand gekomen. Op grond daarvan is het op bepaalde gronden mogelijk door het bpf te worden vrijgesteld van verplichte deelname. De vrijgestelden blijven echter onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen en worden daarom wel meegenomen in de beoordeling van de representativiteit.
#### . Beoordeling van de representativiteit aan werkgeverszijde
@ -158,7 +132,7 @@ Bij een aanvraag in het kader van de verplichtstelling zal, net als bij verzoeke
Wanneer het bij de aanvraag slechts om een deel van de werkingssfeer gaat of om één van de bedrijfstakken in het geval van een bpf met meerdere bedrijfstakken, dan dient de opgave van de aantallen werknemers en werkgevers (op grond waarvan de representativiteit wordt vastgesteld) betrekking te hebben op de werkingssfeer van het deel van de bedrijfstak of de bedrijfstak waarop de aanvraag zich richt.
De opgave van de representativiteit kan worden ingediend aan de hand van het formulier representativiteitsgegevens (zie artikel 2, 3 en 4,van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Ingeval van een representativiteitspercentage onder de 60 of ingeval beargumenteerde zienswijzen tegen de representativiteit daartoe aanleiding geven is het gebruik maken van dit formulier vereist. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een nadere rapportage, van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent die daartoe is gecertificeerd, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd.
De opgave van de representativiteit kan worden ingediend aan de hand van het formulier representativiteitsgegevens (zie artikel 2, 3 en 4,van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Ingeval van een representativiteitspercentage onder de 60 of ingeval beargumenteerde zienswijzen tegen de representativiteit daartoe aanleiding geven is het gebruik maken van dit formulier vereist. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een nadere rapportage, van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent die daartoe is gecertificeerd, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd.
Indien de werkingssfeer van het bpf zich ook uitstrekt over personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak, dient deze opgave apart melding te maken van de aantallen van deze specifieke groep, en van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen zoals die moet worden meegezonden met de hierboven genoemde toelichting.
@ -207,7 +181,7 @@ Uit de Wet Bpf 2000 blijkt dat de termijn van 8 weken voor het aantonen van de r
In het verzoek van de Minister van SZW wordt aangegeven op welke wijze de representativiteit moet worden aangetoond. Als hulpmiddel zal daartoe een checklist worden meegestuurd waarin een opsomming wordt gegeven van de eisen die aan de gegevens gesteld worden (zie hiervoor: Eisen aan de representativiteitsgegevens in paragraaf 3.1.a.).
De opgave van de representativiteitsgegevens en de hiervoor gehanteerde onderzoeksmethodiek kan worden ingediend aan de hand van het formulier representativiteitsgegevens, als bedoeld in artikel 2, 3 en 4, van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. In geval van een representativiteitspercentage onder de 60 is het gebruik maken van dit formulier vereist. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een nadere rapportage van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent die daartoe gecertificeerd is, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd.
De opgave van de representativiteitsgegevens en de hiervoor gehanteerde onderzoeksmethodiek kan worden ingediend aan de hand van het formulier representativiteitsgegevens, als bedoeld in artikel 2, 3 en 4, van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. In geval van een representativiteitspercentage onder de 60 is het gebruik maken van dit formulier vereist. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een nadere rapportage van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent die daartoe gecertificeerd is, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd.
In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf moet periodiek per bedrijfstak de representativiteit worden aangetoond. Daarbij kan een verschillend moment voor de verschillende delen van het bpf aan de orde zijn. Dit is afhankelijk van tussentijdse wijzigingen in de werkingssfeer. Indien die slechts een deel van de werkingssfeer betroffen, is alleen voor dat deel de representativiteit aangetoond en een nieuwe periode van vijf jaar gestart.
@ -258,11 +232,11 @@ Binnen deze termijn van 26 respectievelijk 39 dan wel maximaal 52 weken worden d
### . Termijn van 6 maanden in
Niet nieuw, maar met de wijziging van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Besluit van 22 juli 2004, Stb. 2004, 397) is de termijn van 6 maanden in artikel 2 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 wel duidelijker geregeld. Op verzoek van een werkgever wordt vrijstelling verleend van de deelname in een verplichtgesteld bpf indien de werknemers van die werkgever al 6 maanden vóór de indiening van een in behandeling genomen aanvraag om (wijziging van de) verplichtstelling in een pensioenregeling deelnemen. Het in behandeling nemen van een aanvraag blijkt uit het ter visie gaan van de aanvraag en is de datum van publicatie van de aanvraag in de Staatscourant.
Niet nieuw, maar met de wijziging van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Besluit van 22 juli 2004, Stb. 2004, 397) is de termijn van 6 maanden in artikel 2 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 wel duidelijker geregeld. Op verzoek van een werkgever wordt vrijstelling verleend van de deelname in een verplichtgesteld bpf indien de werknemers van die werkgever al 6 maanden vóór de indiening van een in behandeling genomen aanvraag om (wijziging van de) verplichtstelling in een pensioenregeling deelnemen. Het in behandeling nemen van een aanvraag blijkt uit het ter visie gaan van de aanvraag en is de datum van publicatie van de aanvraag in de Staatscourant.
Indien een aanvraag om verplichtstelling niet in behandeling kan worden genomen geldt de termijn van 6 maanden niet meer. Die termijn geldt weer bij een nieuwe aanvraaggerekend vanaf het moment van indienen van de in behandeling genomen aanvraag.
Wanneer in de procedure van verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan aanpassingen moeten worden gedaan die leiden tot een nieuwe tervisielegging, dan blijft de oorspronkelijke datum van indienen van de in behandeling genomen aanvraag van belang voor de vrijstelling op grond van artikel 2 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000.
Wanneer in de procedure van verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan aanpassingen moeten worden gedaan die leiden tot een nieuwe tervisielegging, dan blijft de oorspronkelijke datum van indienen van de in behandeling genomen aanvraag van belang voor de vrijstelling op grond van artikel 2 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000.
## 4. De procedures in het kader van de
@ -270,11 +244,11 @@ Wanneer in de procedure van verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan aan
#### . Indienen aanvraag
Op basis van artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan het georganiseerde bedrijfsleven dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid vertegenwoordigt van de in de bedrijfstak werkzame personen een aanvraag om verplichtstelling indienen.
Op basis van artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan het georganiseerde bedrijfsleven dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid vertegenwoordigt van de in de bedrijfstak werkzame personen een aanvraag om verplichtstelling indienen.
Een aanvraag om verplichtstelling moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW).
In het tweede lid van artikel 2, van de Wet Bpf 2000, wordt vermeld welke stukken moeten worden ingediend bij een aanvraag om verplichtstelling. Op basis van artikel 2, vierde lid, Wet Bpf 2000 zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, Stcrt. 2000, 251).
In het tweede lid van artikel 2, van de Wet Bpf 2000, wordt vermeld welke stukken moeten worden ingediend bij een aanvraag om verplichtstelling. Op basis van artikel 2, vierde lid, Wet Bpf 2000 zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, Stcrt. 2000, 251).
Een aanvraag om verplichtstelling wordt pas in behandeling genomen als de aanvraag volledig is en inhoudelijk voldoet aan de vereisten. De datum van in behandeling nemen isde datum waarop de aanvraag in de Staatscourant wordt geplaatst en de termijn van tervisielegging start.
@ -284,7 +258,7 @@ Indien stukken ontbreken, zal de Directie UAW hierover reclameren bij de indiene
#### . Representativiteit
Wanneer de aanvraag om verplichtstelling volledig is, zal worden beoordeeld of de aanvraag is ingediend door een naar de mening van de Minister van SZW voldoende belangrijke meerderheid van het georganiseerde bedrijfsleven. Het georganiseerde bedrijfsleven in de bedrijfstak, zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, Wet Bpf 2000, bestaat uit de partijen die de aanvraag indienen, zijnde één of meer verenigingen van werkgevers samen met één of meer verenigingen van werknemers.
Wanneer de aanvraag om verplichtstelling volledig is, zal worden beoordeeld of de aanvraag is ingediend door een naar de mening van de Minister van SZW voldoende belangrijke meerderheid van het georganiseerde bedrijfsleven. Het georganiseerde bedrijfsleven in de bedrijfstak, zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, Wet Bpf 2000, bestaat uit de partijen die de aanvraag indienen, zijnde één of meer verenigingen van werkgevers samen met één of meer verenigingen van werknemers.
Bij een eerste aanvraag van verplichtstelling wordt de representativiteit berekend over de gehele werkingssfeer van het bpf waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. Het is mogelijk dat partijen aangeven dat een bpf meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat. In zon situatie zal de beoordeling van de representativiteit plaatsvinden per afzonderlijke bedrijfstak en daarmee ook voor het geheel. Het is immers van belang te waarborgen dat binnen alle bij het bpf aangesloten bedrijfstakken een belangrijke meerderheid de verplichtstelling wenst. Het moet niet zo kunnen zijn dat twee grote bedrijfstakken een verplichtstelling kunnen opleggen aan een derde, kleine bedrijfstak.
@ -313,7 +287,7 @@ De Stichting van de Arbeid wordt in ieder geval om een reactie gevraagd als bij
#### . Overleg met DNB
Bij een eerste aanvraag om verplichtstelling zal DNB door de Minister van SZW worden gevraagd aan te geven of de oprichtingsakte, statuten en reglementen aan wet- en regelgeving voldoen. Bij de aanvraag moeten op grond van artikel 2 van de Wet Bpf 2000deze stukken worden meegestuurd.
Bij een eerste aanvraag om verplichtstelling zal DNB door de Minister van SZW worden gevraagd aan te geven of de oprichtingsakte, statuten en reglementen aan wet- en regelgeving voldoen. Bij de aanvraag moeten op grond van artikel 2 van de Wet Bpf 2000deze stukken worden meegestuurd.
Tevens zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd. Daartoe zal een actuariële en bedrijfstechnische nota, die hiervoor als informatie dient, onderdeel uitmaken van de aanvraag.
@ -329,15 +303,15 @@ De aanvragers van de verplichtstelling, de eventuele indieners van zienswijzen e
#### . Indienen aanvraag tot wijziging
Op basis van artikel 10, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen wijziging van de verplichtstelling aanvragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Op basis van artikel 10, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen wijziging van de verplichtstelling aanvragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Een wijziging van de verplichtstelling heeft betrekking op een aanpassing van de werkingssfeer, niet zijnde een inkrimping in de zin dat een bepaalde bedrijfstak of een afgebakend deel van de bedrijfstak uit de werkingssfeer wordt gehaald. Dan is namelijk sprake van intrekking van een deel van de verplichtstelling (zie hierover paragraaf 4c).
Een wijziging van de verplichtstelling kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn bij een naamswijziging.
Bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling moeten de bescheiden genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, met uitzondering van de oprichtingsakte en een gewaarmerkt exemplaar van de reglementen worden meegezonden. Op basis van artikel 10,tweede lid, van de Wet Bpf 2000, zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag om een wijziging van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).
Bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling moeten de bescheiden genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, met uitzondering van de oprichtingsakte en een gewaarmerkt exemplaar van de reglementen worden meegezonden. Op basis van artikel 10,tweede lid, van de Wet Bpf 2000, zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag om een wijziging van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).
Op grond van artikel 9 van de Wet Bpf 2000, moeten de met de wijziging van de verplichtstelling samenhangende statuten- of reglementswijzigingen door het bpf aan DNB worden gezonden.
Op grond van artikel 9 van de Wet Bpf 2000, moeten de met de wijziging van de verplichtstelling samenhangende statuten- of reglementswijzigingen door het bpf aan DNB worden gezonden.
Wanneer de aanvraag om wijziging van de verplichtstelling volledig is en inhoudelijkvoldoet aan de vereisten, wordt metde procedure wat betreft de bekendmaking in de Staatscourant en (eventueel) de zienswijzenprocedure gestart, zoals bij een eerste aanvraag om verplichtstelling (zie paragraaf 4.a.).
@ -376,9 +350,9 @@ De aanvragers om wijziging van de verplichtstelling en de eventuele indieners va
#### . Indienen aanvraag om intrekking
Op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar het oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling indienen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar het oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling indienen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Bij een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).
Bij een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).
Ook een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en tegen een aanvraag om intrekking kunnen zienswijzen worden ingebracht (zie hiervoor paragraaf 4.a.Eerste aanvraag van verplichtstelling).
@ -398,7 +372,7 @@ De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag om intrekking van de verpl
In het geval van een aanvraag om een intrekking zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling.
Op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking als informatie dienen.
Op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking als informatie dienen.
#### . Besluit tot intrekking
@ -410,9 +384,9 @@ De aanvragers om intrekking, de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB
#### . Aanvraag intrekking deel van verplichtstelling
Op basis van artikel 11, derde lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar het oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen intrekking van een deel van de verplichtstelling vragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Op basis van artikel 11, derde lid, van de Wet Bpf 2000 kunnen naar het oordeel van de Minister van SZW voldoende representatieve partijen intrekking van een deel van de verplichtstelling vragen. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Bij een aanvraag om intrekking van een deel van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).
Bij een aanvraag om intrekking van een deel van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).
#### . Een deel van de verplichtstelling
@ -458,7 +432,7 @@ De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag om gedeeltelijke intrekkin
In het geval van een aanvraag om een gedeeltelijke intrekking zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van een deel van de verplichtstelling. DNB zal zich in het bijzonder ook buigen over de consequenties van de gedeeltelijke intrekking voor de financiële positie van het verplichtgestelde bpf en zijn deelnemers.
Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot gedeeltelijke intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking als informatie dienen.
Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot gedeeltelijke intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking als informatie dienen.
#### . Besluit tot gedeeltelijke intrekking
@ -470,7 +444,7 @@ De aanvragers om gedeeltelijke intrekking, de eventuele indieners van zienswijze
#### . Voornemen tot ambtshalve intrekking
Op basis van artikel 11, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW de verplichtstelling of een deel ervan ambtshalve intrekken. De motivering voor zon ambtshalve intrekking ligt in de verantwoordelijkheid die de Minister van SZW heeft ten aanzien van degenen die via een besluit tot verplichtstelling worden gebonden aan een bpf.
Op basis van artikel 11, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW de verplichtstelling of een deel ervan ambtshalve intrekken. De motivering voor zon ambtshalve intrekking ligt in de verantwoordelijkheid die de Minister van SZW heeft ten aanzien van degenen die via een besluit tot verplichtstelling worden gebonden aan een bpf.
Deze bevoegdheid zal naar verwachting niet snel gebruikt worden, omdat het een ingrijpende bevoegdheid is.
@ -478,7 +452,7 @@ De Minister van SZW kan in het uiterste geval waarin een bpf weigert de situatie
Ook in het geval dat, in het kader van een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling, niet langer is aangetoond dat sprake is van representatieve sociale partners in de bedrijfstak waarbinnen deelname aan een bpf is verplichtgesteld, kan deze bevoegdheid uitkomst bieden. De Minister van SZW kan dan overgaan tot ambtshalve intrekking, eventueel na een verzoek daartoe van belanghebbenden, bijvoorbeeld niet-representatieve partijen in die bedrijfstak of het bestuur van het bpf dat verplichtgesteld is.
De niet-representatieve partijen kunnen namelijk geen gebruik maken van het zelf met succes indienen van een aanvraag om intrekking op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, omdat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van representativiteit.
De niet-representatieve partijen kunnen namelijk geen gebruik maken van het zelf met succes indienen van een aanvraag om intrekking op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, omdat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van representativiteit.
Door de mogelijkheid van ambtshalve intrekking, kan worden voorkomen dat een verplichtstelling wordt gehandhaafd tot het moment van de vijfjaarstoets/herhalingstoets waarin zal worden vastgesteld dat niet langer sprake is van een representatieve vertegenwoordiging.
@ -496,7 +470,7 @@ In het geval van een voornemen tot ambtshalve intrekking zal DNB worden gevraagd
Een besluit tot ambtshalve intrekking wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datumvan in werking treden wordt bij het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordtaangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft.Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht.
Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking.
Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking.
De partijen die betrokken zijn bij het bpf waarvan de verplichtstelling wordt ingetrokken, de eventuele indieners van zienswijzen evenals DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen.
@ -508,25 +482,25 @@ Na iedere periode van vijf jaar moeten sociale partners aantonen dat er nog stee
In het geval van een voorgenomen intrekking op grond van onvoldoende representativiteit zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling.
De intrekking kan worden uitgesteld op basis van artikel 12, zesde lid, van de Wet Bpf 2000, gedurende de periode dat tegen de intrekking overwegende bezwaren in verband met de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers bestaan. Hierover zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB.
De intrekking kan worden uitgesteld op basis van artikel 12, zesde lid, van de Wet Bpf 2000, gedurende de periode dat tegen de intrekking overwegende bezwaren in verband met de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers bestaan. Hierover zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB.
Op basis van artikel 12, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW bij de intrekking voorschriften geven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers.
Op basis van artikel 12, zevende lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW bij de intrekking voorschriften geven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers.
De opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking kan hierbij als informatie dienen.
### g. Ontheffing
Op basis van artikel 15 van de Wet Bpf 2000 kan ontheffing van verplichtstelling worden gevraagd aan de Minister van SZW. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Op basis van artikel 15 van de Wet Bpf 2000 kan ontheffing van verplichtstelling worden gevraagd aan de Minister van SZW. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de Directie UAW.
Zon aanvraag kan worden gedaan door of voor een individuele persoon die slechts gedurende een beperkte periode in Nederland werkzaam is.
De wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten ter uitvoering van richtlijn nr. 98/49/EG (Staatsblad 2001, 314) heeft geleid tot een aanpassing van artikel 15 van de Wet Bpf 2000. artikel 15, eerste lid, Wet Bpf 2000, verwijst nu naar dat wat in artikel 97 van de Pensioenwetis bepaald.
De wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten ter uitvoering van richtlijn nr. 98/49/EG (Staatsblad 2001, 314) heeft geleid tot een aanpassing van artikel 15 van de Wet Bpf 2000. artikel 15, eerste lid, Wet Bpf 2000, verwijst nu naar dat wat in artikel 97 van de Pensioenwetis bepaald.
Hierdoor hoeft voor gedetacheerde werknemers van binnen de Europese Unie en van wie de detachering is begonnen op of na 25 juli 2001, niet langer ontheffing te worden aangevraagd indien de betaling van bijdragen in een andere lidstaat wordt voortgezet. Deze werknemers en hun werkgevers zijn op basis van artikel 97, tweede lid, van de Pensioenwet vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van bijdragen aan het verplichtgestelde bpf in Nederland.
Hierdoor hoeft voor gedetacheerde werknemers van binnen de Europese Unie en van wie de detachering is begonnen op of na 25 juli 2001, niet langer ontheffing te worden aangevraagd indien de betaling van bijdragen in een andere lidstaat wordt voortgezet. Deze werknemers en hun werkgevers zijn op basis van artikel 97, tweede lid, van de Pensioenwet vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van bijdragen aan het verplichtgestelde bpf in Nederland.
Artikel 15 van de Wet Bpf 2000 heeft nog betekenis voor die gevallen waarop artikel 97 vande Pensioenwet niet van toepassing is, bijvoorbeeld bij detacheringen die begonnen zijn voor 25 juli 2001 en bij detacheringen van buiten de Europese Unie.Ook houdt artikel 15 nog betekenis voor gevallen waar het gaat om personen die in een andere hoedanigheid (dan detachering) tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
Artikel 15 van de Wet Bpf 2000 heeft nog betekenis voor die gevallen waarop artikel 97 vande Pensioenwet niet van toepassing is, bijvoorbeeld bij detacheringen die begonnen zijn voor 25 juli 2001 en bij detacheringen van buiten de Europese Unie.Ook houdt artikel 15 nog betekenis voor gevallen waar het gaat om personen die in een andere hoedanigheid (dan detachering) tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
In artikel 5 van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000 is aangegeven waaraan zon aanvraag moet voldoen.
In artikel 5 van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000 is aangegeven waaraan zon aanvraag moet voldoen.
### h. Wijziging van statuten en reglementen
@ -534,8 +508,8 @@ Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een wijziging van statuten en reglement
In het geval dat de statuten- en reglementswijziging gevolgen heeft voor het besluit tot verplichtstelling dient een van de procedures zoals hiervoor omschreven te worden gevolgd.
Statuten- en reglementswijzigingen die niet leiden tot aanpassing van de verplichtstelling dienen door het verplichtgestelde bpf rechtstreeks aan DNB te worden gezonden (artikel 9 van de Wet Bpf 2000). DNB beoordeelt, zoals dat ook bij andere pensioenfondsen dan de verplichtgestelde pensioenfondsen gebeurt, of sprake is van strijd met wet- en regelgeving. Indien DNB strijdigheid constateert, meldt hij dit ter kennisname aan de Minister van SZW.
Statuten- en reglementswijzigingen die niet leiden tot aanpassing van de verplichtstelling dienen door het verplichtgestelde bpf rechtstreeks aan DNB te worden gezonden (artikel 9 van de Wet Bpf 2000). DNB beoordeelt, zoals dat ook bij andere pensioenfondsen dan de verplichtgestelde pensioenfondsen gebeurt, of sprake is van strijd met wet- en regelgeving. Indien DNB strijdigheid constateert, meldt hij dit ter kennisname aan de Minister van SZW.
Indien een bpf dit nalaat of de wijziging ondanks een negatieve beoordeling van DNB toch invoert, is in artikel 9, vierde lid, van de Wet Bpf 2000 opgenomen dat het bpf de kosten moet vergoeden aan degene die zijn vrijgesteld op basis van het Vrijstellings- enboetebesluit Wet Bpf 2000. Afhankelijk van de vrijstellingsgrond moet een vrijgestelde namelijk de wijzigingen in statuten en reglementen van het bpf volgen. Wanneer die wijziging niet conform wet- en regelgeving blijkt te zijn en de vrijgestelde vanwege een nieuwe aanpassing van statuten en reglementen van het bpf ook zijn statuten en reglementen opnieuw moet aanpassen, moet het bpf de kosten die daarmee samenhangen, vergoeden.
Indien een bpf dit nalaat of de wijziging ondanks een negatieve beoordeling van DNB toch invoert, is in artikel 9, vierde lid, van de Wet Bpf 2000 opgenomen dat het bpf de kosten moet vergoeden aan degene die zijn vrijgesteld op basis van het Vrijstellings- enboetebesluit Wet Bpf 2000. Afhankelijk van de vrijstellingsgrond moet een vrijgestelde namelijk de wijzigingen in statuten en reglementen van het bpf volgen. Wanneer die wijziging niet conform wet- en regelgeving blijkt te zijn en de vrijgestelde vanwege een nieuwe aanpassing van statuten en reglementen van het bpf ook zijn statuten en reglementen opnieuw moet aanpassen, moet het bpf de kosten die daarmee samenhangen, vergoeden.
Het moment van inwerkingtreding van wijziging van statuten en reglementen wordt bepaald door het bestuur van het bpf.