From de5430d02f6d6bab2d225e3f2b63e63ef7a6b7c9 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 14 Nov 2007 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2007-11-14 | BWBR0020674 | Besluit inburgering --- .../besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md | 87 ++++++++++++++++--- 1 file changed, 77 insertions(+), 10 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md index 5a86aeda871..f2db7d71e15 100644 --- a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md +++ b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md @@ -968,6 +968,8 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c ## Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen +### Afdeling 1. Vaststelling rijksbijdrage + ### Artikel 7.1 **1.** De rijksbijdrage voor een gemeente omvat een vast deel, een prestatie-afhankelijk deel en een variabel deel. @@ -978,15 +980,15 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c Het prestatie-afhankelijke deel, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op de grondslag van: -a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; b. het aantal in onderdeel a bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; d. het aantal in onderdeel c bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; f. het aantal in onderdeel e bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; h. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -i. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +i. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; j. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen. **4.** @@ -999,6 +1001,10 @@ c. het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college een inburge d. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; e. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid. +### Artikel 7.1a + +De inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, worden voor de berekening van de rijksbijdrage in deze afdeling niet meegerekend. + ### Artikel 7.2 **1.** Onze Minister stelt jaarlijks per gemeente een indicatief voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage vast. @@ -1074,15 +1080,15 @@ A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ waarin wordt voorgesteld: – met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage; -– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet; -– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; – met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; – met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L; @@ -1192,6 +1198,67 @@ b. het verrekenen van de middelen met nog te betalen rijksbijdragen. **4.** Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast. +### Afdeling 2. Vaststelling rijksbijdrage ten behoeve van inburgeringsplichtigen als bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt + +### Artikel 7.11 + +In deze afdeling wordt verstaan onder: + +nieuwe inburgeringsplichtigen: inburgeringsplichtigen als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt. + +### Artikel 7.12 + +**1.** Op de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen zijn de artikelen 7.1 tot en met 7.7 niet van toepassing. + +**2.** Op de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen zijn de artikelen 7.8 tot en met 7.10 van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 7.13 + +De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend op de grondslag van: + +a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen. + +### Artikel 7.14 + +**1.** Het college dient voor 15 december ten behoeve van het komende kalenderjaar een aanvraag tot verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen in bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van een prognose met betrekking tot de door de gemeente in het voornoemde kalenderjaar vast te stellen inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in artikel 7.13, onderdeel a. + +**2.** Aan de hand van de aanvraag verleent Onze Minister een voorschot. Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. + +**3.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 maart van het jaar waarop de prognose betrekking heeft vast. Het voorschot wordt binnen 6 maanden na de vaststelling betaald. + +### Artikel 7.15 + +**1.** + +De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van de nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend met de formule: + +A = [ B x C ] + [ D x E] + +waarin wordt voorgesteld: + +– met de letter A: de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen; +– met de letter B: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen; +– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; +– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen. + +**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B en D van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het tweede jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. + +**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nul. + +**4.** Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen uiterlijk 1 oktober van het derde jaar volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast. + +**5.** De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het derde jaar volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. + +**6.** De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot. + +### Artikel 7.16 + +**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening en de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.15, vast. + +**2.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 november bekend. + ## Hoofdstuk 8. Wijziging van andere besluiten ### Artikel 8.1