2017-04-01 | BWBR0012066 | Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
This commit is contained in:
parent
769cfbd266
commit
dedcd543d7
1 changed files with 7 additions and 7 deletions
|
|
@ -96,11 +96,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 11b
|
||||
|
||||
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, van artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, tweede volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 is artikel 10aa van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, van artikel 18a, zevende lid, onderdeel a, tweede volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 is artikel 10aa van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 11c
|
||||
|
||||
**1.** Ingeval een belastingplichtige op jaarbasis minder dan 1.750 uren besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij verplicht deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, van artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 het aldaar bedoelde bedrag vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
|
||||
**1.** Ingeval een belastingplichtige op jaarbasis minder dan 1.750 uren besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij verplicht deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, van artikel 18a, zevende lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 het aldaar bedoelde bedrag vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder deeltijdfactor verstaan: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren dat de belastingplichtige op jaarbasis besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet en de noemer door 1.750, waarbij de uitkomst ten hoogste 1 bedraagt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -124,7 +124,7 @@ Ingeval het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderde
|
|||
|
||||
### Artikel 11g
|
||||
|
||||
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel f, van de wet, van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt voor «de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83, eerste of tweede lid, artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001» gelezen: de belasting die is verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.135, 3.136, eerste tot en met vijfde lid, of 7.2, tweede lid, van de wet.
|
||||
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel f, van de wet, van artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt voor «de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83, eerste of tweede lid, artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001» gelezen: de belasting die is verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.135, 3.136, eerste tot en met vijfde lid, of 7.2, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 12bis
|
||||
|
||||
|
|
@ -176,11 +176,11 @@ De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenr
|
|||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
**1.** Als een onderneming of instelling die bevoegd als bank of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
|
||||
**1.** Als een onderneming of instelling die bevoegd als bank of beleggingsonderneming of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden lijfrentespaarrekeningen, onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde lijfrentebeleggingsrechten, bedoeld in artikel 3.126a van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de overeenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
|
||||
**2.** Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden lijfrenterekeningen, onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde lijfrentebeleggingsrechten, bedoeld in artikel 3.126a van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de overeenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
|
||||
|
||||
**3.** De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk van de aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding.
|
||||
**3.** De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op het tegoed van een lijfrenterekening, onderscheidenlijk van de aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 14, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -562,7 +562,7 @@ f. met betrekking tot een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 v
|
|||
1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
|
||||
2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet;
|
||||
3°. de restituties in het kalenderjaar van in een eerder kalenderjaar betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet;
|
||||
g. met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de wet:
|
||||
g. met betrekking tot een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de wet:
|
||||
|
||||
1°. de in het kalenderjaar overgemaakte bedragen;
|
||||
2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, achtste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet;
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue