2007-03-01 | BWBR0012287 | Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

This commit is contained in:
Coornhert 2007-03-01 12:00:00 +00:00
parent c75124b618
commit df132ec5b0

View file

@ -3,14 +3,16 @@ titel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
bwb_id: BWBR0012287
type: circulaire
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2006-07-16'
datum_inwerkingtreding: '2007-03-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0012287
citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
---
# Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
## . Afkortingenlijst
##
### . Afkortingenlijst
| ABRvS | Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State |
| --- | --- |
@ -28,7 +30,7 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
| CAO | Collectieve arbeidsovereenkomst |
| COA | Centraal Orgaan opvang Asielzoekers |
| CWI | Centrale organisatie Werk en Inkomen |
| DJI | Dienst Justitiële Inrichtingen |
| DJI | Dienst Justitiele Inrichtingen |
| DNRI | Dienst Nationale Recherche Informatie |
| DT&V | Dienst Terugkeer en Vertrek |
| EG | Europese Gemeenschap |
@ -36,8 +38,6 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
| EU | Europese Unie |
| EVRM | Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden |
| EZ | (Ministerie/Minister van) Economische Zaken |
| FAA | Forças Armadas Angolanas |
| FLEC | Frente de Libertaçao do Enclave de Cabinda |
| GBA | Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens |
| GG&GD | Geneeskundige en gezondheidsdienst |
| GVI | Gemeenschappelijke Visuminstructies |
@ -48,13 +48,12 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
| KMar | Koninklijke Marechaussee |
| KLPD | Korps Landelijke Politiediensten |
| KLM | Koninklijke Luchtvaart Maatschappij |
| MPLA | Movimento Popular de Libertaçao de Angola |
| MTV | Mobiel Toezicht Vreemdelingen |
| mvv | Machtiging tot voorlopig verblijf |
| NGO | Non-gouvernementele organisatie |
| (N)SIS | (Nationaal) Schengen Informatie Systeem |
| NVVB | Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken |
| OCW | (Ministerie/Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen |
| OCW | (Ministerie/Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| OM | Openbaar Ministerie |
| OPS | Opsporingsregister |
| PIL | Protocol Identificatie en Labeling |
@ -80,7 +79,6 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
| TWV | Tewerkstellingsvergunning |
| UNDP | United Nations Development programme |
| UNHCR | United Nations High Commissioner for Refugees |
| UNITA | Uniao Nacional para a Independencia Total de Angola |
| UNRWA | United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East |
| UWV | Uitvoeringsinstelling werknemersverzekering |
| Vb | Vreemdelingenbesluit |
@ -112,6 +110,131 @@ citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
| ZHP | Dienst Zeehavenpolitie van de politieregio Rotterdam-Rijnmond |
| ZW | Ziektewet |
### . Richtlijnen, Verordeningen en Verdragen
| Citeertitel | Officiële benaming | Publicatie nr |
| --- | --- | --- |
| Richtlijn 2001/55 | Richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen | PbEG L 212 |
| | | |
| Richtlijn 2003/109 | richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen | PbEU L 16 |
| | | |
| Richtlijn 2003/110 | Richtlijn 2003/110/EG d.d. 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij de doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht | Pb EU L 321 |
| | | |
| Richtlijn 2003/86 | de Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 van de Raad van de EU inzake het recht op gezinshereniging | Pb EU L 51/12 |
| | | |
| Richtlijn 2003/9 | Richtlijn nr. 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten | PbEG L 031 |
| | | |
| Richtlijn 2004/38 | Richtlijn 2004/38/EG d.d. 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG | Pb EU L 229 |
| Citeertitel | Officiële benaming | Publicatie nr |
| --- | --- | --- |
| Schengengrenscode | Verordening (EG) Nr. 562/2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen | PB EU L 105 |
| | | |
| Verordening 2133/2004 | Verordening (EG) nr. 2133/2004 van de Raad van 13 december 2004 waarbij voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de verplichting wordt ingevoerd om in de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten systematisch een stempel aan te brengen, en waarbij de bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en het gemeenschappelijk handboek daartoe worden gewijzigd | Pb EU L 369/5 |
| | | |
| Verordening 1560/2003 | Verordening (EG) 1560/2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de lidstaten wordt ingediend. | Pb L 222 |
| | | |
| Verordening 1612/68 | Verordening 1612/68/EEG betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap | Pb EU L 257 |
| | | |
| Verordening 2725/2000 | Verordening 2725/2000 van de raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van Eurodacvoor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin | Pb EU PB L 316 |
| | | |
| Verordening 343/2003 | Verordening (EG) 343/2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend | PbEU L 50 |
| | | |
| Verordening 415/2003 | Verordening (EG) Nr. 415/2003 d.d. 27 februari 2003 betreffende de afgifte van visa aan de grens, inclusief aan transiterende zeelieden | Pb EU L 64/1 |
| Citeertitel | Officiële benaming | Publicatie nr |
| --- | --- | --- |
| Antifolterverdrag | Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing | Trb. 1985, 69, 1963, 184 en 1964, 71 |
| | | |
| Associatiebesluit 1/80 | Associatiebesluit van de Associatieraad EEG/ Turkije 1/80 | |
| | | |
| Associatieovereenkomst EEG-Israël | Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de staat Israël betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de vervanging van de Protocollen nrs. 1 en 2 bij de assiociatieovereenskomst tussen de EG en Israël | Pb EU 2003 L 346 en Trb 2004, 144 |
| | | |
| | | |
| Associatieovereenkomst EEG-Jordanië | Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, anderzijds | Pb EU L 283 en Trb 2002,115 |
| | | |
| Associatieovereenkomst EEG-Marokko | Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderling handelsverkeer en de vervanging van de landbouwprotocollen bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en het Koninkrijk Marokko | PB EU 2003 L 345 en Trb 2004, 144 |
| | | |
| Associatieovereenkomst EG/Turkije | Associatieovereenkomst tussen de EG en de Republiek Turkije | Pb EU 1964, 217 |
| | | |
| Benelux Verdrag | Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie | C 11 en Trb 1958, 18 |
| | | |
| Benelux-overeenkomst | Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied | Trb. 1960/40 |
| | | |
| BuPo | Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten | Trb 1990.46; Nederlandse vertaling Trb 1990, 170 |
| | | |
| Consulaire verdrag | Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen | Trb. 1981/143 |
| | | |
| Diplomatenverdrag | Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer | Trb. 1962/159 |
| | | |
| EER-overeenkomst | Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gewijzigd bij het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte | Trb. 1992, 132 en 1993, 203 |
| | | |
| EG-Verdrag | Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap | Trb. 1957, 9 |
| | | |
| ESH | Europees Sociaal Handvest | Trb 2004/13 |
| | | |
| Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand | Europese Verdrag betreffende sociale en medische bijstand | Trb. 1954/200 |
| | | |
| Europees verdrag migrerende werknemers | Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers | Trb. 1978, 70 |
| | | |
| Europees vestigingsverdrag | Europees vestigingsverdrag | Trb 1957, 20 |
| | | |
| Europese overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen | Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen | Trb 1959-153, 1960-111, 1968-48, 1995-232 |
| | | |
| Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen | Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen | Trb. 1982,24 |
| | | |
| EU-Verdrag | Verdrag betreffende de Europese Unie | Pb EU C 191 en Trb 1992/74, Trb 1993/159 |
| | | |
| EVRM | Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Zoals gewijzigd door Protocol nr 11 met de aanvullende Protocollen 1, 4, 6, 7, 12 en 13 | Trb 1951, 154 en 2004, 285 |
| | | |
| Gewijzigd Nederlands-Zwitsers Traktaat | Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat | Trb. 1996, nr. 217 |
| | | |
| Haags adoptieverdrag | Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie | Trb. 1993, 197 en 1996, 94 |
| | | |
| Internationaal Verdrag voor de beveiling van mensenlevens op zee | Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee | Trb. 1978/189 |
| | | |
| IVKR | Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind | Trb. 1990, 46 |
| | | |
| Nationaliteitenverdrag | Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit | Trb.1964, 4 en 1985, 75 |
| | | |
| Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag | Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika; het Nederlands Amerikaans Vriendschapsverdrag | Trb. 1956, 40 en 1957m 234 |
| | | |
| Nederlands-Duits Vestigingsverdrag | Nederlands-Duits Vestigingsverdrag | Stb. 1906, 279 |
| | | |
| Nederlands-Zwitsers Traktaat | Traktaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondstaat | Stb 1878, 137 |
| | | |
| Overeenkomst EEG-Tunesië | Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Tunesië inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de wijziging van de landbouwprotocollen bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en de Republiek Tunesië | Pb EU 1978 L 336 |
| | | |
| Overeenkomst EG-Zwitserland | Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake het vrije verkeer van personen | Trb. 2000, 16 en 86 en Trb 2002, 104 |
| | | |
| Overeenkomst Nederland-Suriname 1975 | Overeenkomst tussen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen | Trb. 1975, 133 |
| | | |
| Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 | Overeenkomst tussen Nederland en Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen | Trb. 1981, 35 en 1983, 171 |
| | | |
| Overeenkomst van Dublin | Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend | PB Eu 1997 C 254 en Trb 1991, 129, Trb 1997,236 |
| | | |
| Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko | Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko | PB EU L264 |
| | | |
| Samenwerkingsovereenkomst EEG-Tunesië | Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de republiek Tunesië | PB EU L 265 |
| | | |
| Samenwerkingsovereenkomst EEG- Algerije | Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de democraties volksrepubliek Algerije | Pb EU L 263 |
| | | |
| Schengenakkoord | het Akkoord van Schengen inzake vrij personenverkeer tussen de deelnemende landen | Trb 1990, 145 |
| | | |
| Staatlozenverdrag | Verdrag betreffende de Status van Staatlozen | Trb 1957,22 |
| | | |
| SUO | Schengen Uitvoeringsovereenkomst | SCH/Com-ex(94) 29, 2e herz. |
| | | |
| Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname | Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname | Trb 1975, 132 |
| | | |
| Verdrag van Amsterdam | Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten | Trb. 1998, 11 en Trb 2002, 153 |
| | | |
| Verdrag van Chicago | Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart | Stb 1947/H 165 |
| | | |
| Verdrag van Chigaco | Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart | Stb. 1947/ H 165 |
| | | |
| Vluchtelingenverdrag | Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en bijbehorend Protocol van New York van 1967 | Trb 1954, 88 en Trb. 1967, 76 |
## 1. Algemeen
### 1. Karakter en indeling Vc
@ -138,7 +261,20 @@ Deel C bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen
### 2. Bevoegdheden
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving (KB van 22 juli 2002, nr. 02.003340). Daar waar in deze circulaire wordt verwezen naar de verantwoordelijke bewindspersoon zal deze worden aangeduid als “de Minister”.
De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving. Daar waar in deze circulaire wordt verwezen naar de verantwoordelijke bewindspersoon zal deze worden aangeduid als “de Minister”.
De Minister heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot de coördinatie, regie en de uitvoering van het gezag binnen de vreemdelingenketen gemandateerd aan de Secretaris-Generaal, die dit op zijn beurt heeft doorgemandateerd aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden, Integratie en Vreemdelingenzaken. Laatstgenoemde geeft op grond van artikel 48 Vw namens de Minister aanwijzingen aan de uitvoeringsorganisaties, inclusief aanwijzingen omtrent de behandeling van individuen en bijzondere groepen. In spoedeisende individuele gevallen ligt deze aanwijzingsbevoegdheid bij het Hoofd van de IND teneinde een effectief optreden mogelijk te maken, voor zover dit niet ligt op het terrein van vertrek en uitzetting. De aanwijzigingsbevoegdheid ligt waar het gaat om vertrek en uitzetting in spoedeisende individuele gevallen bij de Directeur van de DT&V. Voorts is het geven van een bijzondere aanwijzing in het geval van een voorgenomen toegangsweigering aan een vreemdeling die asiel aanvraagt (zie artikel 3, derde lid, Vw) of een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb) een bevoegdheid die aan het Hoofd van de IND is doorgemandateerd. Tevens is de uitvoering van de Vw gemandateerd aan het Hoofd van de IND, voor zover dit ligt op het terrein van toelating. Deze mandatering ziet onder meer op het nemen van beslissingen op toelatingsaanvragen. De uitvoering van de Vw op het terrein van vertrek en uitzetting is gemandateerd aan de Directeur DT&V. Zie voor de uitwerking van de mandatering binnen het Ministerie van Justitie de Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005, nr. 5332529/05/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005, nr. 97), de Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005, nr. 5295095/04/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005 nr. 97) en het besluit van het Hoofd van de IND van 24 juni 2005, nr. INDUIT05-4081 (AUB) (Stcrt. d.d. 18 juli 2005, nr. 136).
De Minister van BuZa is, op grond van het Soeverein Besluit 1813, bevoegd tot visumverlening. Het Hoofd van de IND is tevens Hoofd van de Visadienst en als onbezoldigd ambtenaar van BuZa gemandateerd om namens de Minister van BuZa te beslissen op visumaanvragen en mvvs.
Voorts zijn ingevolge de Vw aan de Korpschef en de Commandant der KMar bevoegdheden toegekend en taken opgedragen op het gebied van:
toegang (zie A2);
toezicht (zie A3);
vertrek en uitzetting (zie A4);
vrijheidsbeneming (zie A6).
In hoofdstuk 4 Vw is vastgelegd dat de Korpschef en de Commandant der KMar hun bevoegdheden en taken niet uitoefenen naar eigen beleidsinzicht, maar met inachtneming van de (algemene en bijzondere) aanwijzingen van de Minister (zie ook hoofdstuk 4 Vb).
### 3. Informatie en contactgegevens
@ -307,7 +443,7 @@ De gegevens die binnen de vreemdelingenketen worden geregistreerd dienen actueel
Het werken volgens het PIL geeft inhoud aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ketenpartners voor de kwaliteit van de persoonsgegevens.
Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website www.vreemdelingenketen.nl, onder producten.
Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website van de vreemdelingenketen, onder producten.
De ketenpartners, die het protocol onderschrijven, verplichten zich daarmee tot het werken volgens het PIL, overeenkomstig hun taken en bevoegdheden in de identificatie en registratie, zoals beschreven in het PIL. De organisaties:
@ -319,8 +455,8 @@ De ketenpartners, die het protocol onderschrijven, verplichten zich daarmee tot
De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:
De persoonsidentificatie en eerste registratie geschieden bij het eerste contact met de vreemdeling.
Het gebruik van een biometrisch kenmerk biedt de beste mogelijkheid tot unieke identificatie en verificatie. Waar wet- en regelgeving dat toestaan wordt de identificatie en verificatie met behulp van biometrie uitgevoerd (zie bijvoorbeeld A3/3.6.2, A3/7.4.2 en C1/2.4.4).
De partijen in de vreemdelingenketen die als eerste met een vreemdeling in aanraking kunnen komen, zijn: BuZa, de vreemdelingenpolitie, de KMar en de ZHP.
Het gebruik van een biometrisch kenmerk biedt de beste mogelijkheid tot unieke identificatie en verificatie. Waar wet- en regelgeving dat toestaan wordt de identificatie en verificatie met behulp van biometrie uitgevoerd (zie A3/3.6.2, A3/7.4.2 en C11/1.2.
De partijen in de vreemdelingenketen die als eerste met een vreemdeling in aanraking kunnen komen, zijn: het ministerie van BuZa, de vreemdelingenpolitie, de KMar en de ZHP.
De organisatie die de persoonsgegevens registreert of wijzigt, is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de set persoonsgegevens van de betreffende vreemdeling die hij op dat moment registreert.
De vreemdeling beschikt over het unieke vreemdelingennummer waaronder zijn identificerende gegevens zijn geregistreerd.
Een nieuw uniek vreemdelingennummer wordt pas uitgegeven als niet vast te stellen is dat de vreemdeling eerder is geregistreerd.
@ -328,7 +464,7 @@ De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:
In het PIL worden bovengenoemde uitgangspunten uitgewerkt in algemene aanwijzingen voor het identificeren en registreren, het verifiëren en het wijzigen van persoonsgegevens.
Deze aanwijzingen zijn vervolgens meer specifiek uitgewerkt in proces- en productbeschrijvingen voor het identificeren en registreren in de volgende processen:
Deze aanwijzingen zijn vervolgens meer specifiek uitgewerkt in processen productbeschrijvingen voor het identificeren en registreren in de volgende processen:
het asielproces;
visaverlening en reguliere immigratie;
@ -482,21 +618,35 @@ Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder e, SGC kan toegang worden verleend aan vr
Vreemdelingen die visumplichtig zijn en zich naar Nederland willen begeven voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden moeten in beginsel in het bezit zijn van een paspoort. Het paspoort dient te zijn voorzien van:
hetzij een geldig luchthaventransitvisum (A-visum), indien tijdens een tussenlanding verblijf in de internationale transitzone van een luchthaven wordt beoogd. Dit behelst geen verdere toegang tot het nationale grondgebied;
• hetzij een geldig doorreisvisum (B-visum)indien doorreis door het Schengengebied of Nederland wordt beoogd, met een oponthoud van ten hoogste vijf dagen; of
hetzij een geldig reisvisum (C-visum), indien kort verblijf in het Schengengebied of in Nederland wordt beoogd.
hetzij een geldig luchthaventransitvisum (A-visum), indien tijdens een tussenlanding verblijf in de internationale transitzone van een luchthaven wordt beoogd. Dit behelst geen verdere toegang tot het nationale grondgebied;
hetzij een geldig doorreisvisum (B-visum) indien doorreis door het Schengengebied of Nederland wordt beoogd, met een oponthoud van ten hoogste vijf dagen; of
hetzij een geldig reisvisum (C-visum), indien kort verblijf in het Schengengebied of in Nederland wordt beoogd.
De strekking van het (Schengen)visum is om de vreemdeling reeds vóór zijn komst naar Nederland aan een onderzoek te onderwerpen naar reisdoel, reispapieren, antecedenten en bestaansmiddelen.
Bij artikel 10 SUO is een eenvormig visum vastgesteld dat geldig is voor het gehele Schengengebied. De Schengenstaten geven het Schengenvisum af in de vorm van een sticker. Bepalingen omtrent visa zijn verder opgenomen in de GVI.
Zie voor modellen van visa, afgegeven in het buitenland of aan de grens, de website van de vreemdelingenketen en bijlage 13 en BNL bijlage VI, GVI.
In hoofdstuk VI GVI en bijlage 9, 10, 11 en 13 GVI is aangegeven op welke wijze een visumsticker moet worden ingevuld en aangebracht.
Indien de vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland wenst te verblijven en mvv-plichtig is, dient hij een D-visum (een mvv) dan wel een combinatievisum (D+C) aan te vragen (zie B1/1).
Op basis van overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht van de Benelux- of Schengenstaten met derde landen, bestaan uitzonderingen op de visumplicht. Vrijgesteld zijn:
• onderdanen van de EU, de EER, Zwitserland en Liechtenstein (zie bijlage 1, onderdeel 1, BNL-kader, GVI);
• onderdanen van de landen opgesomd in bijlage 1, II, onderdeel 1, GVI;
• onderdanen van speciale administratieve regios in China opgesomd in bijlage 1, II, onderdeel 2, GVI;
• houders van diplomatieke, officiële en dienstpaspoorten van de landen vermeld in bijlage 2, overzicht A, GVI;
• vreemdelingen die houder zijn van een geldig, door een Schengenstaat afgegeven (verblijfs)document opgesomd in bijlage 4 GVI (zie ook artikel 21 SUO);
• houders van een reisdocument voor vluchtelingen die rechtmatig verblijven in een van de landen als bedoeld in bijlage 3, onder F, sub 1, VV; en
• overige categorieën genoemd in GVI, bijlage 1, II, onderdeel 1, BNL-kader, zoals houders van een crew member licence of een crew member certificate (zie A2/6.2.5) en zeelieden (zie A2/6.2.7).
onderdanen van de EU, de EER, Zwitserland en Liechtenstein (zie bijlage 1, onderdeel 1, BNL-kader, GVI);
onderdanen van de landen opgesomd in bijlage 1, II, onderdeel 1, GVI;
onderdanen van speciale administratieve regios in China opgesomd in bijlage 1, II, onderdeel 2, GVI;
houders van diplomatieke, officiële en dienstpaspoorten van de landen vermeld in bijlage 2, overzicht A, GVI;
vreemdelingen die houder zijn van een geldig, door een Schengenstaat afgegeven (verblijfs)document opgesomd in bijlage 4 GVI (zie ook artikel 21 SUO);
houders van een reisdocument voor vluchtelingen die rechtmatig verblijven in een van de landen als bedoeld in bijlage 3, onder F, sub 1, VV; en
overige categorieën genoemd in GVI, bijlage 1, II, onderdeel 1, BNL-kader, zoals houders van een crew member licence of een crew member certificate (zie A2/6.2.5) en zeelieden (zie A2/6.2.7).
In aanvulling op bovenstaande kan een vreemdeling in bepaalde gevallen ook op grond van een unilaterale regel van de visumplicht worden ontheven. Dit geldt ook voor wat betreft het luchthaventransitvisum. Onderdanen van de landen opgesomd in bijlage 3 GVI zijn vrijgesteld van het luchthaventransitvisum.
In artikel 2.4 Vb zijn bepalingen opgenomen over de omstandigheden waaronder (transit)passagiers van vliegtuigen, zonder in het bezit te zijn van het vereiste visum, toegang kan worden verleend (zie A2/6.2.6).
Tot slot, zoals is neergelegd in artikel 8.9 Vb, zijn personen die normaal gesproken visumplichtig zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij een familielid zijn als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht inzake vrij verkeer uitoefent. Hierbij geldt als voorwaarde dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige verblijfskaart afgegeven door één van de EU-/EER-landen of Zwitserland. (Hier wordt gedoeld op het document vermeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.)
##### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
@ -514,24 +664,77 @@ Op de eerste plaats is een onderscheid te maken tussen Schengenvisa en nationale
Als invulling van het bepaalde in artikel 10 SUO is een eenvormig visum (in de vorm van een sticker) ingesteld dat in beginsel geldig is voor het grondgebied van alle Schengenstaten. Vreemdelingen die houder zijn van een geldig Schengenvisum en die het grondgebied van één van de Schengenstaten op rechtmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich in beginsel vrij verplaatsen op het grondgebied van alle Schengenstaten. Uitzondering hierop vormt het territoriaal beperkte visum, zie hieronder.
Een reisvisum kan worden afgegeven voor één of meerdere binnenkomsten. Voor houders van reisvisa geldt dat de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijfsperioden meer dan drie maanden per zes maanden te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst mag bedragen (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI). De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de eerste binnenkomst (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).
De volgende typen Schengenvisa worden onderscheiden:
Het visum met territoriaal beperkte geldigheid is een visum waarbij verblijf uitsluitend is toegestaan op het grondgebied van één of meer Schengenstaten. Zie voor gevallen waarin dergelijke visa kunnen worden afgegeven artikel 10, derde lid, SUO, artikel 11, tweede lid, SUO, artikel 14, eerste lid SUO, en artikel 16 SUO alsmede hoofdstuk I, § 2.3 en hoofdstuk V, § 3, GVI. Voor wat betreft de afgifte van visa met territoriaal beperkte geldigheid aan de grens, wordt verwezen naar eerdergenoemde Verordening (EG) Nr. 415/2003, BNL-bijlage I GVI en hoofdstuk I, § 2.4, BNL-kader, GVI. Zie verder bijlage 14 GVI voor wat betreft de melding aan de overige Schengenstaten omtrent de afgifte van deze visa.
het luchthaventransitvisum (type A) (zie hoofdstuk I, § 2.1.1, GVI);
het doorreisvisum (type B) (zie artikel 11, eerste lid, onder b, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.2, en hoofdstuk V, § 2.1, GVI); en
het reisvisum (type C) (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).
Een reisvisum kan worden afgegeven voor één of meerdere binnenkomsten. Voor houders van reisvisa geldt dat de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijfsperioden meer dan drie maanden per zes maanden, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, mag bedragen (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI). De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de eerste binnenkomst (zie artikel 11, eerste lid, onder a, SUO en hoofdstuk I, § 2.1.3 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).
Met betrekking tot het doorreisvisum bestaat voor transiterende zeelieden een separate regeling met een standaardformulier. Hiervoor wordt verwezen naar Verordening 415/2003 alsmede naar hoofdstuk V, § 4, BNL-kader, GVI.
De geldigheidsduur van een visum voor één reis bedraagt ten hoogste drie maanden. Een visum voor meerdere reizen kan worden afgegeven met een geldigheidsduur van één jaar. Voor bepaalde categorieën van personen kan de geldigheidsduur langer zijn, met een maximum van vijf jaar (zie hoofdstuk I, § 2.13 en hoofdstuk V, § 2.1, GVI).
Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.
Het visum met territoriaal beperkte geldigheid is een visum waarbij verblijf uitsluitend is toegestaan op het grondgebied van één of meer Schengenstaten. Zie voor gevallen waarin dergelijke visa kunnen worden afgegeven artikel 10, derde lid, SUO, artikel 11, tweede lid, SUO, artikel 14, eerste lid SUO, en artikel 16 SUO alsmede hoofdstuk I, § 2.3 en hoofdstuk V, § 3, GVI. Voor wat betreft de afgifte van visa met territoriaal beperkte geldigheid aan de grens, wordt verwezen naar eerdergenoemde Verordening 415/2003, BNL-bijlage I GVI en hoofdstuk I, § 2.4, BNL-kader, GVI. Zie verder bijlage 14 GVI voor wat betreft de melding aan de overige Schengenstaten omtrent de afgifte van deze visa.
In de regel wordt het visum in het paspoort gesteld. Artikel 14, eerste lid, SUO en bijlage 11 GVI bepalen wanneer een visum in een reisdocument kan worden aangebracht. In bepaalde gevallen worden het luchthaventransit-, reis- en doorreisvisum niet in het paspoort, maar op een afzonderlijk vel papier gesteld: een visumverklaring (zie voor het model BNL-bijlage VI GVI). Aan een visumverklaring wordt dezelfde betekenis toegekend als aan een visum, met dien verstande, dat de houder van een dergelijke visumverklaring te allen tijde in het bezit dient te zijn van het identiteitsdocument waarnaar in het visum wordt verwezen. Deze visumverklaringen kunnen geldig gemaakt worden voor één of meerdere Schengenstaten.
In de volgende gevallen moet het visum in de vorm van een visumverklaring worden afgegeven:
collectief reizende vreemdelingen die overigens in het bezit zijn van de vereiste individuele documenten voor grensoverschrijding;
vreemdelingen wier document voor grensoverschrijding door de betreffende Schengenstaat niet als geldig document voor grensoverschrijding is erkend (zie artikel 14, tweede lid, SUO en hoofdstuk VI, § 5.4, GVI).
Voor een overzicht van reisdocumenten welke recht geven op overschrijding van de buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht, wordt verwezen naar het overzicht van reisdocumenten bij de GVI.
Het kan hier een doorreisvisum of een reisvisum voor een verblijfsduur van ten hoogste dertig dagen betreffen, afgegeven aan vreemdelingen die:
met gebruikmaking van een collectief document voor grensoverschrijding in groepsverband reizen (zie A2/6.2.4);
met gebruikmaking van een collectief document voor grensoverschrijding in groepsverband reizen (zie A2/6.2.4);
een groep vormen van minimaal vijf en maximaal vijftig personen;
in het bezit zijn van de vereiste individuele documenten voor grensoverschrijding, maar waarvan kan worden vastgesteld dat zij gezamenlijk reizen en een gezamenlijk reisdoel hebben. Het visum wordt in dit geval gesteld op een losse verklaring.
een groep vormen van minimaal vijf en maximaal vijftig personen;
Zie ook hoofdstuk I, § 2.1.4, GVI. Voor wat betreft de afgifte van collectieve visa aan de grens zie verder Verordening 415/2003, BNL-bijlage I GVI en hoofdstuk V, § 4.5, BNL-kader, GVI.
in het bezit zijn van de vereiste individuele documenten voor grensoverschrijding, maar waarvan kan worden vastgesteld dat zij gezamenlijk reizen en een gezamenlijk reisdoel hebben. Het visum wordt in dit geval gesteld op een losse verklaring.
Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in bijlage 3b VV.
Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het Besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in bijlage 3b VV.
Met de reizigerslijst kunnen scholieren uit derde landen die rechtmatig verblijf hebben in een van de lidstaten in de eerste plaats visumvrij reizen tussen de lidstaten, maar zij moeten wel nog voldoen aan de overige voorwaarden voor toegang. Lidstaten kunnen dan ook scholieren, die niet aan de nationale voorwaarden voor toegang voldoen, de toegang weigeren.
Daarnaast hebben de lidstaten van de EU de lijst tevens erkend als geldig document voor grensoverschrijding, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de lijst is voorzien van recente fotos van de op de lijst vermelde scholieren die niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs met foto;
de verantwoordelijke instantie van de lidstaat moet de verblijfsstatus van de betrokken scholieren en hun recht om opnieuw tot het land te worden toegelaten hebben bevestigd en ervoor hebben gezorgd dat het document dienovereenkomstig gewaarmerkt is;
de lidstaat van verblijf van de scholier in kwestie moet de andere lidstaten hebben meegedeeld dat hij de lijst als geldig document voor grensoverschrijding wenst te gebruiken.
De scholieren komen voor visumvrijstelling, door plaatsing op de reizigerslijst, in aanmerking indien:
zij in het kader van een schoolexcursie deelnemen aan een groepsreis van leerlingen van een school voor algemeen vormend onderwijs (basisscholen, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs);
zij deel uitmaken van een groep die begeleid wordt door een leerkracht van de desbetreffende school;
de leerlingenlijst volledig is ingevuld en gewaarmerkt door het schoolhoofd en is voorzien van recente fotos van de op de lijst vermelde scholieren voor zover deze niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs met foto; en
zij rechtmatig in een van de Schengenstaten verblijven.
De criteria voor visumverlening zijn in beginsel gelijk aan de algemene criteria die gelden voor toegang zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, SGC. De criteria voor visumverlening zijn nader uitgewerkt in de GVI en de daartoe behorende bijlagen.
Een van de basiscriteria bij visumverlening is het voorkomen van illegale immigratie (zie ook hoofdstuk V, § 1.4, GVI). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken zo nodig door middel van het overleggen van documenten dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Bij de beoordeling of de tijdige terugkeer voldoende gewaarborgd kan worden geacht, kunnen meerdere wegingsfactoren een rol spelen. De onderstaande factoren moeten in samenhang worden gezien, maar kunnen ook reeds op zichzelf leiden tot de conclusie dat de tijdige terugkeer onvoldoende is gewaarborgd:
het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van de visumaanvrager met het land van herkomst;
eerdere bezoeken van de visumaanvrager aan een of meer Schengenstaten, waarbij de regels omtrent de duur van het verblijf en aanmelding niet zijn gerespecteerd;
“visumshoppen”: aanvrager die in een relatief korte tijd bij verschillende vertegenwoordigingen heeft getracht in het bezit gesteld te worden van een visum;
het overleggen van valse dan wel vervalste documenten bij de visumaanvraag;
het afleggen van valse of onjuiste verklaringen, ten einde de vertegenwoordiging ertoe te bewegen een visum te verstrekken;
gebruik maken van een minder geloofwaardige referent of garantsteller. Dit wil zeggen een persoon waarvan vast staat dat deze eerder vreemdelingen heeft uitgenodigd dan wel hiervoor garant heeft gestaan die niet (tijdig) zijn teruggekeerd.
De hierboven weergegeven opsomming is niet limitatief.
Zoals reeds in A2/4.2.3 werd vermeld, is in artikel 5, eerste lid, onder c, SGC aangegeven dat een vreemdeling dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bijlage 7 GVI is voor Nederland aangegeven dat het uitgangspunt hierbij een bedrag is van € 34 per persoon per dag. Tevens dient de vreemdeling in het bezit te zijn van een medische reisverzekering voor de duur van zijn verblijf in het Schengengebied (zie hoofdstuk V, § 1.4, GVI, de Benelux-Bijlage V en deel I, punt 4.1.2. GVI).
In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, kan desondanks aan het middelenvereiste worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV). Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een netto maandinkomen minimaal gelijk aan het bestaansminimum voor de categorie echtparen en gezinnen in de zin van de Wwb. De begrippen zelfstandig en duurzaam zijn nader uitgewerkt in artikel 3.73 Vb en artikel 3.75 Vb en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.
In geval een solvabele derde zich garant stelt voor meer dan één persoon, kunnen aanvullende voorwaarden gesteld worden. In die gevallen kan bijvoorbeeld verlangd worden dat een bankgarantie ter hoogte van het lijnvluchttarief KLM en/of meerdere separate garantverklaringen worden overlegd. Voor elke aanvullend aangedragen visumaanvrager voor wie de solvabele derde zich garant wil stellen, geldt dat de solvabele derde zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan dient te beschikken.
Indien een solvabele derde zich reeds eerder garant heeft gesteld voor een visumaanvrager en hij niet of onvoldoende aannemelijk kan maken dat deze visumaanvrager tijdig is teruggekeerd naar het land van herkomst of een land waar de toelating is gewaarborgd, kan dit mede aanleiding vormen de aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen.
###### 4.3.3.2. Nationale visa
Er kunnen drie soorten nationale visa worden onderscheiden:
@ -648,7 +851,7 @@ Ook aan de grens worden onder voorwaarden reis- en doorreisvisa afgegeven. Bevoe
###### 4.3.8.1. Soorten visa
Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie Verordening (EG) Nr. 415/2003 en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:
Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie Verordening 415/2003 en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:
eenvormige visa, zonder territoriaal beperkte geldigheid;
visa met territoriaal beperkte geldigheid;
@ -656,7 +859,9 @@ Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaar
###### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
De voorwaarden voor verlening van een visum aan de grens zijn opgenomen in artikel 1 van Verordening (EG) Nr. 415/2003 (zie ook BNL-bijlage I GVI). De belangrijkste voorwaarde hierbij is dat de vreemdeling kan aantonen dat door onvoorziene en dringende redenen hij niet in de gelegenheid is geweest een visum aan te vragen voorafgaand aan zijn komst naar de betreffende Schengen- staat. Overigens kan dit niet worden tegengeworpen aan familieleden van EU, EER of Zwitserse onderdanen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen.
De voorwaarden voor verlening van een visum aan de grens zijn opgenomen in artikel 1 van Verordening 415/2003 (zie ook BNL-bijlage I GVI). De belangrijkste voorwaarde hierbij is dat de vreemdeling kan aantonen dat door onvoorziene en dringende redenen hij niet in de gelegenheid is geweest een visum aan te vragen voorafgaand aan zijn komst naar de betreffende Schengenstaat. Overigens kan dit niet worden tegengeworpen aan familieleden van EU, EER of Zwitserse onderdanen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen.
Zie voor de visumafgifte aan de grens aan zeelieden Verordening Nr. 415/2003 en hoofdstuk V, § 4, BNL-kader, GVI.
###### 4.3.8.3. Praktische handelingen
@ -699,7 +904,7 @@ Het recht op verblijf in de vrije termijn vervalt van rechtswege zodra:
de vreemdeling niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoet, of
de duur van de vrije termijn is verstreken.
Sinds de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, wordt ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland die hun recht op vrij verkeer van personen uitoefenen niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie A2/6.2.2 en B10).
Sinds de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38 wordt ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland die hun recht op vrij verkeer van personen uitoefenen niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie A2/6.2.2 en B10).
##### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
@ -771,7 +976,7 @@ Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning
Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen inzake mensenhandel. Een dergelijke aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. De procedure als beschreven in B9 (met uitzondering van de bedenktijd van maximaal drie maanden) is van toepassing.
Indien een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient gehandeld te worden overeenkomstig het gestelde in C3/11.3.
Indien een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient gehandeld te worden overeenkomstig het gestelde in C10/3.
#### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
@ -815,6 +1020,19 @@ Ingevolge artikel 3, derde lid, Vw dient in het geval een vreemdeling te kennen
De toegangsweigering van een onderdaan van een derde land geschiedt schriftelijk door uitreiking van een standaardformulier aan de vreemdeling. De toegang wordt geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.
In een weigeringsformulier conform het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang wordt geweigerd. Verder dient op het standaardformulier melding te worden gemaakt van:
de betreffende Staat (in casu de Staat der Nederlanden);
de betreffende instantie, inclusief logo (in casu KMar of ZHP);
de toepasselijke bepalingen van de vigerende nationale wetgeving met betrekking tot de reden voor toegangsweigering (in casu artikel 3 Vw);
de nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep. Op het formulier dient te worden vermeld: “Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 77, eerste lid, van de Vreemdelingenwet administratief beroep worden ingesteld bij de Minister van Justitie. Het beroep kan worden ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzonder gemachtigde, of een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Het beroep moet worden ingesteld binnen vier weken na de dag waarop de beschikking is gemaakt. Daarbij is aan te bevelen dat een afschrift van de beschikking wordt overlegd”. Tevens dient het adres vermeld te worden waarheen het beroepschrift gezonden kan worden.
Gedetailleerde voorschriften inzake weigering van toegang zijn opgenomen in bijlage V, deel A, SGC.
Indien de vreemdeling weigert het formulier te ondertekenen, maakt de ambtenaar belast met de grensbewaking daarvan melding in het vak opmerkingen op het formulier. De vreemdeling ontvangt een kopie.
Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (inclusief familieleden) wordt verwezen naar A2/6.2.2.2. Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van België en Luxemburg wordt verwezen naar A2/6.2.2.3.
##### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd wegens gevaar voor de openbare orde omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.
@ -847,8 +1065,12 @@ Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen het afwachten van vertrek op de gr
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is. Voor meer bijzonderheden zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.
##### 5.5.9. Registratie
Iedere weigering van toegang (onder opgave van de personalia, de nationaliteit, het grensoverschrijdingsdocument, de reden en de datum van weigering van toegang alsmede het tijdstip van uitreiking van de folder Rechtsmiddelen) dient te worden geregistreerd.
@ -877,25 +1099,72 @@ Voor de definities van de begrippen interne vlucht en vervoerder wor
Een persoon die beweert Nederlander te zijn, kan op grond van artikel 4.7 Vb worden verplicht op een of andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. Zonodig kan, voor vaststelling van de nationaliteit, contact worden opgenomen met de bevolkingsadministratie van de gemeente waar de betrokkene zegt te zijn ingeschreven.
De Wet van 9 september 1976 (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers (hierna: de Faciliteitenwet) is op 1 januari 1977 in werking getreden.
Het bezit van de Nederlandse nationaliteit mag onder meer worden aangenomen op grond van onderstaande documenten:
een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding;
een Nederlands laissez-passer waarin de Nederlandse nationaliteit is vermeld;
een recent bewijs van Nederlanderschap;
een bewijs van naturalisatie tot Nederlander;
een kennisgeving tot verkrijging van het Nederlanderschap;
op grond van de Rwn (Stb. 1984, 628);
op grond van de Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname.
De Wet van 9 september 1976 (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers (hierna: de Faciliteitenwet) is op 1 januari 1977 in werking getreden.
Voor de personen die niet onder de Faciliteitenwet vallen, is de Vw onverkort van toepassing. Voor deze Molukkers gelden de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen en voorschriften.
Personen op wie de Faciliteitenwet van toepassing is, worden als Nederlander behandeld en zijn derhalve geen vreemdeling in de zin van de Vw (zie ook artikel 1, aanhef en onder m, Vw).
Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de documenten, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander dienen aan te tonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de Rwn.
Nederlanders moeten de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaren in acht nemen (zie artikel 4.6 Vb). Nederlanders moeten desgevorderd hun document voor grensoverschrijding tonen en overhandigen of op andere wijze hun Nederlanderschap aannemelijk maken (zie artikel 4.7 Vb).
De verplichtingen omschreven in artikel 4 Vw en de artikelen 4.8 tot en met 4.14 Vb (verplichtingen voor vervoerders) zijn eveneens van toepassing op Nederlanders.
Aan Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen kan de toegang niet worden geweigerd. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie artikel 8.10 Vb). Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept Nederlander (of een daarmee gelijkgestelde persoon) te zijn, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, vindt in beginsel geen controle plaats in het kader van de Vw. Slechts wanneer het vermoeden bestaat dat betrokkene vreemdeling is, kan hiervan sprake zijn en kan betrokkene op grond van artikel 4.7 Vb worden verzocht zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken door het tonen van reis- of identiteitspapieren of op andere wijze.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, dient het op grond van de Paspoortwet te worden ingehouden. Dit is onder meer het geval indien de geldigheidsduur is verstreken. Het is niet toegestaan naar het buitenland te reizen met een Nederlands document voor grensoverschrijding (paspoort, toeristenkaart) waarvan de geldigheidsduur is verstreken.
Voor wat betreft de ambtenaren van de KMar is een en ander vastgelegd in de artikelen 30 en 32 Paspoortuitvoeringsregeling KMar.
De volgende situaties zijn denkbaar (dit is geen limitatieve opsomming):
uit het document zelf blijkt dat het van rechtswege is vervallen, omdat de geldigheidsduur is verstreken of het is gewijzigd door de houder zonder echt frauduleuze bedoelingen;
uit het document zelf blijkt dat het kan worden ingehouden, omdat het is beschadigd of het van een niet langer gelijkende pasfoto is voorzien;
de personalia van de houder zijn in het OPS vermeld ter inhouding van zijn/haar document voor grensoverschrijding. In het OPS wordt dit aangegeven met de vermelding PASP.
Uitsluitend documenten die zijn ingeleverd wegens het verstrijken van de geldigheidsduur kunnen onbruikbaar worden gemaakt (zie artikel 32, vierde en vijfde lid, Paspoortuitvoeringsregeling KMar) en aan de houder worden teruggegeven. Ten behoeve van de kennisgeving aan de Minister van BZK is een apart standaardformulier ontworpen.
Indien een document voor grensoverschrijding wordt ingehouden in de gevallen als bedoeld onder b, dan wel indien het een ingeleverd of gevonden document voor grensoverschrijding betreft, wordt het document per aangetekende post en met een begeleidende brief doorgezonden aan de burgemeester van de woonplaats van de houder. De begeleidende brief vermeldt de volgende gegevens:
naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de houder;
het nummer van het document voor grensoverschrijding;
de autoriteit die het document voor grensoverschrijding heeft verstrekt en het einde van de geldigheidsduur die in het document is vermeld;
de datum en de reden van inhouding of inlevering van het document voor grensoverschrijding.
Er wordt terstond contact opgenomen met het Ministerie van BZK indien:
de houder niet in Nederland woonachtig is of geen bekende woonplaats heeft;
de personalia van de houder in het OPS vermeld staan met de aanduiding PASP;
het een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort betreft.
De houder van het ingehouden of ingeleverde document voor grensoverschrijding wordt een ontvangstbewijs verstrekt.
##### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
###### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
Voor onderdanen van de Benelux-landen, de Schengenstaten, alsmede onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en hun familieleden) gelden op grond van de ter zake gesloten internationale overeenkomsten afwijkende gunstigere regels voor wat betreft toelating en verblijf. Ditzelfde geldt voor toegang en grenscontrole, waarvan de weigering van de toegang een bijzonder aspect is. Deze afwijkende regels vloeien voort uit:
de Overeenkomst tussen België, Nederland en Luxemburg van 11 april 1960 inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied (Trb. 1960, 135 en 1963,164);
de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter Uitvoering van het Akkoord van Schengen;
het Verdrag tot oprichting van de EEG (Trb. 1957, 74 en 91) en het Verdrag van Maastricht en de daaruit voortvloeiende verordeningen en Richtlijnen;
de Overeenkomst betreffende de EER (Trb. 1993, 69, 203 en 204);
de Overeenkomst tussen de EG en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
de Benelux-overeenkomst;
de SUO;
het EG-verdrag en het EU-Verdrag en de daaruit voortvloeiende verordeningen en Richtlijnen;
de EER-overeenkomst;
de Overeenkomst EG-Zwitserland.
| Land | EU | Schengen | EER |
| **Land** | **EU** | **Schengen** | **EER** |
| --- | --- | --- | --- |
| België | Ja | Ja | Ja |
| Cyprus | Ja | Nee | Ja |
@ -905,7 +1174,6 @@ Voor onderdanen van de Benelux-landen, de Schengenstaten, alsmede onderdanen van
| Finland | Ja | Ja | Ja |
| Frankrijk | Ja | Ja | Ja |
| Griekenland | Ja | Ja | Ja |
| Groot-Brittannië en Noord-Ierland | Ja | Nee | Ja |
| Hongarije | Ja | Nee | Ja |
| Ierland | Ja | Nee | Ja |
| Italië | Ja | Ja | Ja |
@ -923,26 +1191,54 @@ Voor onderdanen van de Benelux-landen, de Schengenstaten, alsmede onderdanen van
| Slowakije | Ja | Nee | Ja |
| Spanje | Ja | Ja | Ja |
| Tsjechië | Ja | Nee | Ja |
| Verenigd Koninkrijk | Ja | Nee | Ja |
| IJsland | Nee | Ja | Ja |
| Zweden | Ja | Nee | Ja |
Het toepassingsgebied van het EU-verdrag betreft de in Europa gelegen grondgebieden van de lidstaten van EU en de EER landen.
voor Nederland betekent dit dat de toepassing zich niet uitstrekt tot het grondgebied van Aruba en de Nederlandse Antillen;
voor wat Frankrijk betreft met uitbreiding tot de zogeheten Franse overzeese departementen Martinique, Guadeloupe, Frans Guyana en La Réunion, in zoverre onder meer dat Franse ingezetenen van die departementen op grond van desbetreffende beschikking van de Raad van de EU kunnen deelnemen aan het vrij verkeer van personen en diensten;
voor wat Frankrijk betreft met uitbreiding tot de zogeheten Franse overzeese departementen Martinique, Guadeloupe, Frans-Guyana en Réunion, in zoverre onder meer dat Franse ingezetenen van die departementen op grond van desbetreffende beschikking van de Raad van de EU kunnen deelnemen aan het vrij verkeer van personen en diensten;
voor wat Denemarken betreft met uitzondering van de Faeröer. De Deense onderdanen die daar woonachtig zijn, worden niet als onderdanen van een lidstaat beschouwd;
voor wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland betreft zijn de communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten niet van toepassing op de onderdanen van de Kanaaleilanden en van het eiland man. Voor het vrij verkeer van personen en diensten wordt met een Brits onderdaan (British citizen) gelijkgesteld een British subject met aantekening in het paspoort: holder has the right of abode in the United Kingdom of holder is defined as an United Kingdom national for community purposes.
voor wat het Verenigd Koninkrijk betreft zijn de communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten niet van toepassing op de onderdanen van de Kanaaleilanden en van het eiland Man. Voor het vrij verkeer van personen en diensten wordt met een Brits onderdaan (British citizen) gelijkgesteld een British subject met aantekening in het paspoort: holder has the right of abode in the United Kingdomof holder is defined as an United Kingdom national for community purposes.
###### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
De gunstiger regels in verband met toegang voor onderdanen van de EU, EER en Zwitsersland, alsmede hun familieleden, zijn in de Vw en het Vb verwerkt. Verwezen wordt naar hoofdstuk 8, Afdeling 2, paragraaf 2 Vb. In het kader van toegang en de eerste periode van het rechtmatig verblijf zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 Vb het meest relevant.
Artikel 8.7 Vb geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar B10.
Voor de onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede voor de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, gelden in beginsel de in de artikelen 4 Vw en 4.4, 4.6 en 4.8 tot en met 4.16 Vb genoemde algemene verplichtingen in verband met grenscontrole. Zij kunnen bij passage van de buitengrens in beginsel (enkel) aan een minimumcontrole worden onderworpen (zie A2/5.2.1).
Voor wat betreft het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding geldt voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland dat naast een geldig nationaal paspoort ook een geldige identiteitskaart volstaat. Het familielid dat onderdaan is van een derde land dient echter als hoofdregel te beschikken over een geldig nationaal paspoort dat is voorzien van een visum (zie A2/4.3.1 voor het visumvereiste). Zoals is aangegeven in A2/4.3.1, zijn (in beginsel visumplichtige) familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb vrijgesteld van de visumplicht als zij in het bezit zijn van een geldige verblijfskaart afgegeven door één van de EU-/EER-landen of Zwitserland.
Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht in de documenten van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland. Een stempel wordt evenmin aangebracht in de documenten van familieleden bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, op voorwaarde dat zij een door Zwitserland of één van de EU-/EER-landen afgegeven verblijfskaart overleggen (zie artikel 8.9 Vb).
Indien daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kunnen onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, worden onderworpen aan een grondige controle (zie A2/5.2.2). Ook vragen omtrent doel en duur van het verblijf kunnen worden gesteld indien niet vaststaat of het om een onderdaan van de EU, EER en Zwitserland gaat, dan wel de familieleden daarvan, en indien de antwoorden op die vragen noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar de status van betrokken persoon. Controle op bestaansmiddelen vindt echter niet plaats (zie artikel 4.5, eerste lid, onder a, en derde lid Vb) tenzij de status van de betrokken persoon onduidelijk is en deze controle noodzakelijk is voor de vaststelling van de status van betrokkene.
Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, Vb kan aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, die beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding de toegang slechts worden geweigerd:
a. indien hij op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;
b. in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen;
c. indien hij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.
Van belang is dat de beoordeling uitsluitend gebaseerd mag zijn op het gedrag van betrokkene. Bij de toepassing van deze bepaling moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen (artikel 3:4 Awb) en vormen strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf nog geen voldoende grond om toegang te weigeren. Van een dergelijke bedreiging zal onder meer sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ongewenst vreemdeling of ongewenstverklaard ex artikel 67 Vw en bij bezit van verboden wapens of verdovende middelen.
Het gaat hier enkel om potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen. Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet.
De vreemdeling die eerder om redenen van openbare orde of openbare veiligheid is verwijderd kan na verloop van een redelijke termijn en in ieder geval na drie jaar na zijn vertrek een aanvraag indienen om opheffing van het eerdere besluit om hem uit Nederland te verwijderen. Gelet op het feit dat verblijfsbeëindiging persoonlijk gedrag vereist dat een actuele, werkelijke en (voldoende) ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, ligt het voor de hand dat de vreemdeling tevens ongewenst zal zijn verklaard (zie A5/6). In die gevallen betreft het in de Nederlandse situatie derhalve een aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring. Gedurende de behandeling van deze aanvraag heeft de vreemdeling geen recht van toegang tot Nederland.
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient bij de vreemdeling die onderdaan is (of stelt te zijn) van de EU, de EER of Zwitserland, voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie ook artikel 8.8, tweede lid, juncto artikel 8.7, eerste lid, Vb). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb). Hiervoor kan model M18 worden gebruikt. De toegang wordt geweigerd ingevolge artikel 3, eerste lid, onder d, Vw juncto artikel 8.8 Vb. De motivering moet concreet zijn; niet mag worden volstaan met de enkele mededeling dat de betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bij de kennisgeving van de toegangsweigering moet worden vermeld dat daartegen binnen vier weken administratief beroep kan worden ingesteld bij de IND. De behandeling van het administratief beroepschrift mag niet in Nederland worden afgewacht. Betrokkene dient Nederland ingevolge artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk te verlaten, tenzij er sprake is van een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening. Het aanbrengen van een (toegangs)weigeringsstempel is eveneens van toepassing op burgers van de EU en onderdanen van EER-landen en Zwitserland.
Zoals aangegeven in A2/4.4.1, wordt sedert de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38 ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Ingevolge artikel 8.11, eerste lid, onder a en b, Vb heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis indien hij:
beschikt over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort; of
het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.
Een eerste termijn van drie maanden geldt ten aanzien van familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of Zwitserland, met dien verstande dat dat gezinslid in het bezit moet zijn van een geldig paspoort (zie artikel 8.11, tweede lid, Vb). Andere documenten dan het paspoort worden niet geaccepteerd.
Overigens, een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, kan pas worden uitgezet nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze vast te stellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet (zie artikel 8.8, vierde lid, Vb).
###### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
Voor onderdanen van België en Luxemburg geldt in beginsel hetgeen hierboven gesteld is eveneens. Voorts geldt voor onderdanen van België en Luxemburg steeds dat ook sinds de inwerkingtreding van de SUO, de bepalingen van de hierboven genoemde Benelux-overeenkomst van kracht blijven voor zover zij voor de Benelux-onderdanen gunstiger voorwaarden bevatten voor wat betreft grenscontrole, toegang en (lang) verblijf dan het Schengenakkoord aangeeft.
@ -1013,31 +1309,27 @@ Zolang niet duidelijk is geworden dat de Vw niet van toepassing is, kan gebruik
Aan vreemdelingen die reizen op een geldig collectief paspoort of een geldige collectieve lijst kan toegang worden verleend voor een verblijf van ten hoogste 3 maanden of voor doorreis, mits:
op het collectieve paspoort of de lijst de naam, voornamen, geboortedatum en -plaats en de woonplaats van tenminste 5 en ten hoogste 50 deelnemers aan de reis staan vermeld;
op het collectieve paspoort of de lijst de naam, voornamen, geboortedatum en -plaats en de woonplaats van tenminste vijf en ten hoogste 50 deelnemers aan de reis staan vermeld;
het een collectieve lijst betreft, de lijst is gewaarmerkt door de bevoegde autoriteiten van het land wiens nationaliteit de deelnemers bezitten;
op het collectieve paspoort of de lijst een door de bevoegde buitenlandse autoriteit verstrekte informatie of gewaarmerkte verklaring voorkomt waaruit blijkt dat alle daarop vermelde personen de nationaliteit bezitten van het land door wiens autoriteit het document is afgegeven of gewaarmerkt;
in het geval de deelnemers aan de reis visumplichtig zijn, het collectieve paspoort of lijst tevens is voorzien van een geldig visum;
zich bij het reisgezelschap een reisleider bevindt die het collectieve paspoort of de lijst onder zijn berusting heeft en die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;
alle deelnemers aan de reis beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto; en
de deelnemers aan de reis voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang.
de deelnemers aan de reis voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang. Collectieve paspoorten of lijsten afgegeven door de autoriteiten van Albanië, Bulgarije, China, Cuba, Roemenië, Rusland dan wel door de autoriteiten van een niet door Nederland erkende regering of staat, worden niet erkend als een geldig document voor grensoverschrijding (zie bijlage 3, VV).
Collectieve paspoorten of lijsten afgegeven door de autoriteiten van Albanië, Bulgarije, China, Cuba, Roemenië, Rusland dan wel door de autoriteiten van een niet door Nederland erkende regering of staat, worden niet erkend als een geldig document voor grensoverschrijding (zie bijlage 3, VV).
Aan personen beneden de leeftijd van 21 jaar kunnen ingevolge de Europese overeenkomst van 16 december 1961 door de volgende lidstaten collectieve paspoorten voor jeugdige personen worden afgegeven: België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië (en Noord-Ierland), Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, IJsland en Zweden.
Aan personen beneden de leeftijd van 21 jaar kunnen ingevolge de Europese overeenkomst van 16 december 1961 door de volgende lidstaten collectieve paspoorten voor jeugdige personen worden afgegeven: België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Verenigd Koninkrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, IJsland en Zweden.
Aan jeugdige personen beneden de leeftijd van 21 jaar die reizen op een door één van deze landen afgegeven collectief paspoort of lijst kan toegang worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, mits:
op het collectieve paspoort of de lijst de naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woonplaats van ten minste 5 en ten hoogste 50 deelnemers aan de reis vermeld staan;
op het collectieve paspoort of de lijst de naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woonplaats van ten minste vijf en ten hoogste 50 deelnemers aan de reis vermeld staan;
uit een door de bevoegde buitenlandse autoriteit op het collectieve paspoort of de lijst gestelde of door deze gewaarmerkte verklaring blijkt dat de deelnemers aan de reis de nationaliteit bezitten van het land door wiens autoriteit het paspoort of de lijst is afgegeven;
zich bij het reisgezelschap een reisleider bevindt die het collectieve paspoort of de lijst onder zijn berusting heeft en die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;
de deelnemers aan de reis zo nodig in staat zijn hun identiteit op enigerlei wijze te bewijzen; en
de deelnemers aan de reis voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang.
Wanneer in een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moet dit uit het document blijken. Deze deelnemers moeten wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto.
Wanneer in een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moet dit uit het document blijken. Deze deelnemers moeten wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto. Deelnemers die reizen op een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hoeven behoudens bij grenspassage niet in groepsverband te reizen, op voorwaarde dat zij zich kunnen legitimeren en de reisleider steeds beschikbaar blijft.
Deelnemers die reizen op een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van Groot-Brittannië (en Noord-Ierland) hoeven behoudens bij grenspassage niet in groepsverband te reizen, op voorwaarde dat zij zich kunnen legitimeren en de reisleider steeds beschikbaar blijft.
Zoals is aangegeven in A2/4.3.3.1, kan aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU, een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het Besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994.
Zoals is aangegeven in A2/4.3.3.1, kan aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU, een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994.
Visumplichtige vreemdelingen die staan vermeld op een reizigerslijst en in het bezit zijn van een individueel geldig document voor grensoverschrijding hoeven niet tevens in het bezit te zijn van een afzonderlijk visum. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.
@ -1079,7 +1371,17 @@ Voor wat betreft de bijzondere regels voor zeelieden wordt verwezen naar artikel
###### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
Op grond van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is een politieambtenaar bevoegd tot het vorderen van een identiteitsbewijs voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor zijn taakuitoefening. In dat geval dienen ook passagierende zeelieden een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Een geldig grensoverschrijdingsdocument is in dat geval voldoende. Zeelieden kunnen eveneens aan een grensbewakingscontrole worden onderworpen voordat zij het vaartuig, verlaten dan wel betreden.
Op grond van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is een politieambtenaar bevoegd tot het vorderen van een identiteitsbewijs voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor zijn taakuitoefening. In dat geval dienen ook passagierende zeelieden een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Een geldig grensoverschrijdingsdocument is in dat geval voldoende. Zeelieden kunnen eveneens aan een grensbewakingscontrole worden onderworpen voordat zij het vaartuig verlaten dan wel betreden.
Wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet, stelt het hoofd van de doorlaatpost daaromtrent een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman. Bij gevaar voor de openbare orde kan het hoofd van de doorlaatpost/het hoofd van dienst volstaan de vreemdeling de verplichting op te leggen aan boord van het schip te blijven. Zonodig kan hij de zeeman in dit geval ook met toepassing van artikel 50 Vw overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Dit laatste geschiedt steeds:
wanneer de zeeman staat gesignaleerd als ongewenst vreemdeling of als ongewenst verklaarde vreemdeling op grond van artikel 67 Vw; of
wanneer de zeeman is achtergebleven na vertrek van het schip, dan wel is afgemonsterd, zonder te voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.
De ambtenaar belast met grensbewaking hoeft geen machtiging te vragen voor het verlenen van een visum aan zeelieden die toegang willen tot andere dan de gemeenten waarin de haven gelegen is waar hun schip is afgemeerd of de daaraan grenzenden gemeenten. Zoals is aangegeven in A2/4.3.3.1, bestaat met betrekking tot het doorreisvisum voor transiterende zeelieden een separate regeling (inclusief een standaardformulier). Zie hiervoor Verordening 415/2003 en hoofdstuk V, § 4, BNL-kader, GVI. Behalve de daar genoemde voorwaarden gelden voor zelfstandige verlening van een visum in dit geval bovendien de volgende voorwaarden:
de betreffende zeeman moet deel uit blijven maken van de bemanning van het schip waarop hij het Schengengebied is binnen gekomen;
de betrokken rederij of agent moet zich garant stellen door ondertekening van een verklaring zoals opgenomen in bijlage 6a en 6b VV.
###### 6.2.7.2. Zieke zeelieden
@ -1181,7 +1483,11 @@ Uit een signalering in het OPS kan blijken dat de verblijfsvergunning voor bepaa
###### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
Aan vreemdelingen wordt in bepaalde gevallen toegestaan om in Nederland de (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten. Hieromtrent wordt door de IND een aantekening gesteld in het paspoort. Zie voor deze aantekening artikel 4.34, eerste lid, onder c, Vb.
Aan vreemdelingen wordt in bepaalde gevallen toegestaan om in Nederland de (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten. Hieromtrent wordt door de IND een aantekening gesteld in het paspoort (zie voor deze aantekening artikel 4.34, eerste lid, onder c, Vb).
Wanneer deze vreemdelingen Nederland verlaten en naderhand weer willen terugkeren, moeten zij in beginsel voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.
Wanneer deze vreemdelingen in het bezit zijn van een geldig paspoort, voorzien van een geldig visum voor terugkeer, wordt steeds toegang verleend. In verband met de grenscontrole is in dit geval het gestelde onder A2/6.2.10.1 van overeenkomstige toepassing.
###### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
@ -1199,13 +1505,11 @@ Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die in het b
Vreemdelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen afgegeven door een staat die is aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (Trb. 1959, nr. 153, en bijlage 3, onder F, sub 1, VV) en op wiens grondgebied zij regelmatig verblijven, mogen zonder visum het Schengengebied inreizen wanneer zij ook aan de overige voorwaarden voor binnenkomst voldoen. Het betreft hier een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 28 s Vluchtelingenverdrag.
Partij bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen zijn, naast Nederland: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en Groot-Brittannië (en Noord-Ierland). Voor Frankrijk geldt de volgende uitzondering: de houder van een reisdocument voor vluchtelingen is voor Frankrijk niet vrijgesteld van de visumplicht, indien het document is afgegeven door een niet-Schengenstaat.
Het vorenstaande (inreizen zonder visum) geldt in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden eveneens voor zeelieden-vluchtelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen (zie bijlage 3, onder F, VV).
Partij bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen zijn, naast Nederland: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Voor Frankrijk geldt de volgende uitzondering: de houder van een reisdocument voor vluchtelingen is voor Frankrijk niet vrijgesteld van de visumplicht, indien het document is afgegeven door een niet-Schengenstaat. Het vorenstaande (inreizen zonder visum) geldt in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden eveneens voor zeelieden-vluchtelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen (zie bijlage 3, onder F, VV).
Voor houders van elders afgegeven reisdocumenten voor vluchtelingen die niet vallen onder genoemde regelingen, gelden in beginsel geen afwijkingen van de normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Deze vreemdelingen mogen echter in geen geval naar hun land van herkomst worden verwijderd.
Indien het reisdocument voor vluchtelingen is verlopen maar is afgegeven door één van de staten die zijn aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen, dient de betrokkene te worden overgedragen aan de staat die het verlopen reisdocument heeft afgegeven. Dit geschiedt op grond van artikel 4 van deze overeenkomst. Partij bij deze Overeenkomst zijn: Denemarken, Duitsland, Finland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, Groot-Brittannië (en Noord-Ierland), Zweden en Zwitserland.
Indien het reisdocument voor vluchtelingen is verlopen maar is afgegeven door één van de staten die zijn aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen, dient de betrokkene te worden overgedragen aan de staat die het verlopen reisdocument heeft afgegeven. Dit geschiedt op grond van artikel 4 van deze overeenkomst. Partij bij deze Overeenkomst zijn: Denemarken, Duitsland, Finland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.
###### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
@ -1213,7 +1517,7 @@ Uitgenodigde vluchtelingen zijn vluchtelingen die door de Nederlandse regering a
##### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
Onder staatloze wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42 en 1957, 22) verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Deze personen worden in de regel door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten in het bezit gesteld van een vreemdelingenpaspoort.
Onder staatloze wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Deze personen worden in de regel door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten in het bezit gesteld van een vreemdelingenpaspoort.
Het reisdocument voor staatlozen, afgegeven krachtens voornoemd verdrag, wordt voor binnenkomst op het grondgebied van de Schengenstaten als document voor grensoverschrijding erkend.
@ -1265,9 +1569,25 @@ De Nederlandse overheid kan op grond van artikel 2.2 Vb vervoerders verplichten
Als uitwerking van artikel 26 SUO, is in artikel 65, juncto artikel 5, Vw de verplichting voor de vervoerder vastgelegd om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd terug te brengen naar een plaats buiten Nederland.
Blijkens de toelichting bij artikel 5 Vw dient de vervoerder een vreemdeling aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, dan wel te vervoeren naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven, of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, Vw is deze terugvoerplicht van toepassing op de vreemdeling die Nederland onmiddellijk dient te verlaten dan wel die binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van staande houden. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, kan eventueel ook op een later tijdstip plaatsvinden. Dit is onder meer het geval indien de vreemdeling kort voor het verstrijken van bedoelde termijn wordt aangetroffen.
De terugvoerplicht is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook op vreemdelingen bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. De terugvoerplicht geldt niet alleen bij weigeringen van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding, maar ook bij weigeringen op basis van één van de andere gronden van artikel 5 SGC, zoals het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan of het vormen van een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid.
In artikel 65, tweede lid, Vw is opgenomen dat de vervoersonderneming op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling vervoert naar een plaats buiten Nederland en daartoe zo nodig een ander middel voor terugbrenging vindt. Hiervoor worden removal orders gehanteerd (zie M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). Om het terugvoeren naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).
Gedurende de gehele periode, vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland, tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten Nederland wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit betekent allereerst dat de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van een vreemdeling wanneer deze bijvoorbeeld in de internationale lounge van de luchthaven verblijft in afwachting van zijn vertrek. Het betekent voorts dat alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in Nederland, ook ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie A2/7.1.6). Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het vreemdelingentoezicht aan de vreemdeling die zal worden teruggevoerd een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.
In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling blijft de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder liggen. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking evenwel besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw op te leggen (zie model M19 en model M118). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel als mogelijk te doen vertrekken van het Nederlands grondgebied. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd omtrent de plaatsing aan boord van de verstekeling ter uitvoering van zijn verplichting.
Indien de vervoerder bij een controle constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet of niet juist is gedocumenteerd, dient hij deze in principe niet te vervoeren. Indien de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging zenden om aldaar een aanvraag voor een mvv met als doel asiel in te dienen (zie C5/25). Indien de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, dient de vervoerder contact op te nemen met de IND. Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de betreffende ambtenaar, geldt geen terugvoerplicht en wordt geen proces-verbaal opgemaakt ter zake van vermoedelijke overtreding van artikel 4 Vw. Wel dient de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vast te leggen.
In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder, op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan, dan wel worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven, of een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd. Een dergelijke wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiertoe dient de verstekeling in beginsel voldoende gedocumenteerd te zijn. Indien dit niet het geval is, dient de identiteit en/of nationaliteit vast te worden gesteld en aan de verstekeling een vervangend reisdocument te worden verstrekt door de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van bestemming. De vaststelling van de nationaliteit en/of identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten dient te geschieden alvorens het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag evenwel niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.
Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld in artikel 65, derde lid, Vw, door een beroep te doen op artikel 371a Wetboek van Koophandel. In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder gelegenheid dient hier namelijk te worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid, dat wil zeggen het van boord zetten van een vreemdeling mag slechts plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.
Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In geval de kapitein zich op dit voorschrift beroept, dienen de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking te worden beoordeeld en te worden afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.
Indien de vervoerder bij een controle constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet of niet juist is gedocumenteerd, dient hij deze in principe niet te vervoeren. Indien de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging zenden om aldaar een aanvraag voor een mvv met als doel asiel in te dienen. Indien de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, dient de vervoerder contact op te nemen met de IND. Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de betreffende ambtenaar, geldt geen terugvoerplicht en wordt geen proces-verbaal opgemaakt ter zake van vermoedelijke overtreding van artikel 4 Vw. Wel dient de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vast te leggen.
##### 7.1.5. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
@ -1348,7 +1668,7 @@ Gezagvoerders van Nederlandse vissersschepen zijn ontheven van de verplichtingen
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
Onderdanen van derde landen die niet of niet langer rechtmatig op het grondgebied van de EU verblijven en op wie een verwijderingsmaatregel van toepassing is, worden veelal verwijderd per luchtvaartuig. Rechtstreekse vluchten zijn niet altijd mogelijk en soms moet gebruik worden gemaakt van vluchten via transitluchthavens van andere lidstaten. Richtlijn 2003/110/EG d.d. 25 november 2003 voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. De Richtlijn is niet van toepassing op Denemarken, Groot-Brittannië (en Noord-Ierland) en Ierland. Wel is de Richtlijn van toepassing op IJsland en Noorwegen.
Onderdanen van derde landen die niet of niet langer rechtmatig op het grondgebied van de EU verblijven en op wie een verwijderingsmaatregel van toepassing is, worden veelal verwijderd per luchtvaartuig. Rechtstreekse vluchten zijn niet altijd mogelijk en soms moet gebruik worden gemaakt van vluchten via transitluchthavens van andere lidstaten. Richtlijn 2003/110 d.d. 25 november 2003 voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. De Richtlijn is niet van toepassing op Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Wel is de Richtlijn van toepassing op IJsland en Noorwegen.
Indien de lidstaat die een persoon wenst terug te zenden om redelijke en praktische motieven geen gebruik kan maken van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan hij verzoeken om doorgeleiding door de lucht via Nederland. Een schriftelijk verzoek om doorgeleiding van een andere lidstaat moet worden ingediend bij de KMar te Schiphol. Het verzoek dient zo vroeg mogelijk te worden ingediend, en ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding bij de KMar aan te komen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. Het verzoek moet worden ingediend door middel van het daartoe in de Richtlijn vastgelegde formulier.
@ -1375,7 +1695,7 @@ De KMar begeleidt de doorgeleiding in het kader van haar grensbewakingstaak ex a
in geval van doorreis zonder begeleiding door de autoriteiten van de verzoekende lidstaat, wordt aan die autoriteiten medegedeeld de plaats en het tijdstip van vertrek van de vreemdeling van het Nederlands grondgebied;
aan de verzoekende lidstaat wordt medegedeeld of er tijdens de doorgeleiding van de vreemdeling ernstige incidenten hebben plaatsgevonden.
Op grond van artikel 4.6 Vb is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking in het kader van de uitoefening van zijn taak gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in artikel 108 Vw.
Op grond van artikel 4.6 Vb is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van zijn taak, gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in artikel 108 Vw.
De ambtenaren van de KMar die (tevens) zijn aangewezen als ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht, beschikken in het kader van ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht, indien noodzakelijk, over de bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming op grond van artikel 50 en artikel 59 Vw. Voor zover de betrokken vreemdeling de toegang is geweigerd door de verzoekende lidstaat, kan artikel 6 Vw worden toegepast (zie model M19 en model M118). Voor toepassing van maatregelen van vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming wordt verwezen naar A6. Bevoegdheden kunnen ook zijn gerelateerd aan de algemene politietaak van de KMar op Schiphol op grond van artikel 2 Politiewet 1993.
@ -1930,21 +2250,23 @@ De vreemdeling dient zich wekelijks te melden, tenzij de Korpschef een andere te
De verplichting geldt niet voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede vreemdelingen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.
Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning dient de vreemdeling er op te worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust. Zie C3/13.2 met betrekking tot de meldplicht ex artikel 4.51 Vb voor asielzoekers.
Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning dient de vreemdeling er door de Korpschef op te worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust (zie artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb). Bij asielzoekers geschiedt het vorenstaande door middel van het model M117-A. Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. Het gaat hier in beginsel om een op grond van artikel 4.51, tweede lid, Vb wekelijkse meldplicht.
###### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
De Korpschef kan ontheffing van de meldplicht verlenen. Voorts kan hij een andere meldingstermijn dan de wekelijkse aan de meldplicht verbinden. Indien de Korpschef van mening is dat ontheffing niet langer gewenst is, kan hij de ontheffing beëindigen. De vreemdeling dient steeds op hem aangaande wijzigingen betreffende de meldplicht te worden gewezen.
Ten aanzien van asielzoekers geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND. Voorts zijn niet Amvs beneden de leeftijd van twaalf jaar ontheven van de meldplicht.
Gezien de wenselijkheid van een uniforme, landelijke toepassing gelden in beginsel de volgende aanwijzingen voor de Korpschef bij de oplegging of ontheffing van de meldplicht. In bijzondere omstandigheden, te beoordelen door de Korpschef, kan de Korpschef afwijken van het onderstaande.
Aanleiding om ontheffing te verlenen bestaat in zijn algemeenheid indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op zijn aanvraag in eerste aanleg hier in Nederland af te wachten (uitzondering: negatief advies en asielzoekers, zie hierna en onder C3/13.2).
Aanleiding om ontheffing te verlenen bestaat in zijn algemeenheid indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op zijn aanvraag in eerste aanleg hier in Nederland af te wachten (uitzondering: negatief advies en asielzoekers, zie hierna).
De gedachte hierachter is dat daar waar de directe nabijheid van de vreemdeling minder noodzakelijk is (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), een minder streng toezichtsregime, met name met betrekking tot de meldplicht, kan worden toegepast.
Aanleiding om een maandelijkse meldplicht op te leggen bestaat in zijn algemeenheid:
indien het de vreemdeling is toegestaan om een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten, en;
indien het de vreemdeling is toegestaan om een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten; en
indien de aanvraag in eerste aanleg niet is ingewilligd, maar het de vreemdeling is toegestaan de beslissing op een eventueel bezwaar- of beroepschrift in Nederland af te wachten.
De gedachte hierachter is dat een zeker toezichtsregime met betrekking tot de meldplicht wenselijk is, gezien de verwachting dat het de vreemdeling uiteindelijk niet zal worden toegestaan in Nederland te blijven. In verband met de bij bovengenoemde categorieën minder grote noodzaak om de vreemdeling voortdurend nabij te hebben (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), kan evenwel een ruimere lees maandelijkse meldingstermijn worden gesteld.
@ -1965,7 +2287,7 @@ Ten bewijze van het opleggen en het voldoen aan de verplichting tot periodieke a
bij de volgende aanmeldingen kan worden volstaan met aantekening van de datum daarvan, welke aantekening van een paraaf wordt voorzien;
verleent de Korpschef ontheffing van de verplichting tot periodieke aanmelding, of stelt hij een andere termijn, dan stelt hij in het document voor grensoverschrijding de daaromtrent voorgeschreven aantekening door gebruik te maken van de sticker voor verblijfsaantekeningen (zie artikel 4.14 VV).
In afwijking van het bovenstaande wordt een asielzoeker in de opvanglocatie in het bezit gesteld van een registratiekaart meldplicht asielzoekers (zie C3/13.3).
In afwijking van het bovenstaande wordt een asielzoeker in de opvanglocatie in het bezit gesteld van een registratiekaart meldplicht asielzoekers (zie C12/3.4).
###### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
@ -2025,11 +2347,11 @@ Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit
### 8. Beschikbaar houden en fouillering
Op grond van artikel 55, eerste lid, Vw dient de vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend zich beschikbaar te houden conform de aanwijzingen door de bevoegde autoriteit. Zie A6/3.1 en C3/13.2.
Op grond van artikel 55, eerste lid, Vw dient de vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend zich beschikbaar te houden conform de aanwijzingen door de bevoegde autoriteit. Zie A6/3.1.
In artikel 55, tweede lid, Vw is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielverzoek. Zie C3/12.2.1.
In artikel 55, tweede lid, Vw is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie C10/2.1).
In artikel 55, derde lid, Vw is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend door de ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen ten aanzien van asielzoekers aan wie de maatregel van artikel 55, eerste lid, Vw opgelegd is, of ten aanzien van de vreemdeling die zich in een verwijdercentrum bevindt. De bevoegdheid heeft tot doel de veiligheid van de vreemdeling zelf, de in een centrum verblijvende asielzoekers en het daar aanwezige personeel te waarborgen. Bij de beoordeling in welke gevallen zal worden gefouilleerd bijvoorbeeld bij het van buiten naar binnen komen van een asielzoeker, dient te worden nagegaan of deze fouillering in verhouding staat tot het doel. Dit betekent dat een asielzoeker die in een centrum verblijft niet op ieder moment kan worden onderworpen aan een veiligheidsfouillering, met andere woorden, er moet een reden of aanleiding voor zijn.
In artikel 55, derde lid, Vw is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend door de ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen ten aanzien van asielzoekers aan wie de maatregel van artikel 55, eerste lid, Vw opgelegd is, of ten aanzien van de vreemdeling die zich in een verwijdercentrum bevindt. De bevoegdheid heeft tot doel de veiligheid van de vreemdeling zelf, de in een centrum verblijvende asielzoekers en het daar aanwezige personeel te waarborgen. Bij de beoordeling in welke gevallen zal worden gefouilleerd, bijvoorbeeld bij het van buiten naar binnen komen van een asielzoeker, dient te worden nagegaan of deze fouillering in verhouding staat tot het doel. Dit betekent dat een asielzoeker die in een centrum verblijft niet op ieder moment kan worden onderworpen aan een veiligheidsfouillering, met andere woorden, er moet een reden of aanleiding voor zijn.
De bevoegdheden van documentzoeking en veiligheidsfouillering mogen slechts uitgeoefend worden met inachtneming van de volgende algemene uitgangspunten:
@ -2286,7 +2608,7 @@ Het betreft de volgende categorieën:
de vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd door afloop van de termijn als bedoeld in artikel 12 Vw (de zogenaamde vrije termijn);
de vreemdeling die nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en zich dus illegaal toegang tot Nederland heeft verschaft;
de vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen in de AC-procedure (zie C3/12.2.10).
de vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen in de AC-procedure (zie C22/2).
Vreemdelingen behorend tot de hierboven genoemde categorieën dienen Nederland dus onmiddellijk te verlaten.
@ -2308,7 +2630,7 @@ De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en
##### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
Indien de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een (vervangend) reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging en hij overigens niet aan de buitenlandse grensautoriteiten kan worden overgegeven, dan wel uit Nederland worden verwijderd door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig (zie A4/8) en er daarnaast geen sprake is van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie C2/8), dient hem te worden aangezegd dat hij Nederland moet verlaten.
Indien de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een (vervangend) reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging en hij overigens niet aan de buitenlandse grensautoriteiten kan worden overgegeven, dan wel uit Nederland worden verwijderd door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig (zie A4/8) en er daarnaast geen sprake is van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie B14/3), dient hem te worden aangezegd dat hij Nederland moet verlaten.
##### 4.2.2. Afgifte van een EU-staat
@ -2325,13 +2647,22 @@ Ten aanzien van het stellen van aantekeningen omtrent verwijdering in het reisdo
een aantekening omtrent verwijdering mag in het reisdocument van een vreemdeling alleen worden gesteld indien er gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich (opnieuw) naar Nederland te begeven, zonder te voldoen aan de bij of krachtens de Vw gestelde voorwaarden voor binnenkomst;
een aantekening omtrent verwijdering mag niet worden gesteld indien de doorreis van de vreemdeling door of diens toelating tot een derde land daardoor zou worden bemoeilijkt.
Gevaar voor moeilijkheden met het oog op doorreis door of toelating tot derde landen zal niet bestaan indien:
Gevaar voor moeilijkheden met het oog op doorreis door, of toelating tot, derde landen zal niet bestaan indien:
De vreemdeling met toepassing van de ter zake gesloten overeenkomsten door bemiddeling van het land waarmee de overeenkomst is gesloten naar een derde land wordt uitgezet (zie A4/11);
De vreemdeling rechtstreeks wordt verwijderd naar een land waar zijn toegang gewaarborgd is, hetzij omdat hij onderdaan is van dat land, hetzij omdat hij in het bezit is van een voor toelating tot dat land geldig reisdocument.
Bij uitzetting van een vreemdeling door middel van overgave aan de Belgische grensautoriteiten blijft tenzij de Minister een andersluidende aanwijzing heeft gegeven het stellen van een aantekening omtrent verwijdering in het reisdocument steeds achterwege indien de vreemdeling bestemd is om uit het Beneluxgebied te worden verwijderd.
Aantekeningen omtrent verwijdering mogen nimmer worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
asielzoekers (zie C11/3.2);
vreemdelingen op wie het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel (zie B9) van toepassing is.
Voor het stellen van aantekeningen in het algemeen, zie A3/5.
Voor de eventuele intrekking van de resterende geldigheidsduur van een visum, zie A2/4.3.7.
#### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de doorlaatpost van uitreis
In gevallen waarin het vertrek van de vreemdeling onder toezicht geschiedt, wordt zijn reisdocument met toepassing van het bepaalde in artikel 4.23 Vb tijdelijk in bewaring genomen en toegezonden aan het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt waarlangs de betrokkene Nederland zal verlaten. Zie in dit verband ook A3/5. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen stelt de vreemdeling in het bezit van een ontvangstbewijs (zie model M101).
@ -2373,6 +2704,20 @@ De uitreisformaliteiten op de luchthaven worden afgehandeld door IOM. Indien spr
Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is van rechtswege het gevolg van het niet verlenen, niet verlengen of intrekken van de vergunning, het eindigen van het rechtmatig verblijf, of het niet rechtmatige verblijf. In artikel 27, 45 en 63 Vw is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan op het moment van het doen van zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, is met die uitspraak bevestigd dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten.
Uitzetting vindt plaats:
door overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten;
door plaatsing aan boord van een vliegtuig of schip van de onderneming door wiens tussenkomst de vreemdeling is aangevoerd (zie A4/8); of
indien geen van de bovenstaande opties mogelijk is: rechtstreeks, dan wel indirect door middel van een tussenstop, naar een land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend.
Van belang is dat in het kader van de uitzetting nimmer aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, mag worden medegedeeld, of documenten mogen worden verstrekt waaruit blijkt dat de vreemdeling eerder een asielaanvraag heeft ingediend. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nimmer aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden medegedeeld dat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Er kan slechts worden aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland (meer) heeft en om die reden Nederland dient te verlaten.
Uitgeprocedeerde Amvs ten aanzien van wie geen twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en van wie de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het bijzondere beleid inzake Amvs is geweigerd, komen in aanmerking voor voorzieningen in Nederland totdat het vertrek geëffectueerd wordt zolang zij nog minderjarig zijn (zie C5/23.3.2).
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie B14/2.2.3), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
Alvorens tot uitzetting over te gaan van een Amv van wie de asielaanvraag is afgewezen, dient contact opgenomen te worden met de DT&V en de IND. De voogd wordt op de hoogte gesteld van het besluit dat de betrokkene wordt uitgezet en van de wijze waarop de uitzetting zal plaatsvinden.
#### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
@ -2396,6 +2741,8 @@ b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang tot het grond
De DT&V is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. Hierop gelden een paar uitzonderingen.
Ten aanzien van vreemdelingen die door de KMar in het kader van het MTV zijn aangetroffen, is de Commandant der KMar verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen. Vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die zonder formaliteiten via de landgrenzen met België of Duitsland kunnen worden overgedragen, worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, de KMar of ZHP in staat is binnen afzienbare tijd te realiseren dat de vreemdeling wordt verwijderd. In alle andere gevallen is de DT&V verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de uitzetting.
#### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
Over het algemeen vindt uitzetting plaats via één van de uitzetcentra, ook als het gaat om een groepsgewijze uitzetting per overheidsvlucht. Vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het binnenlands vreemdelingentoezicht kunnen ook zonder plaatsing in een uitzetcentrum worden uitgezet (zie A4/6.3).
@ -2404,6 +2751,12 @@ Over het algemeen vindt uitzetting plaats via één van de uitzetcentra, ook als
Via het formulier Aanmeldformulier vreemdeling (zie model M118) worden aan de KMar of ZHP vooraf alle omstandigheden gemeld, waaronder het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht.
Indien het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft, kan de DT&V aan de KMar verzoeken om begeleiding van de vreemdeling tijdens de vlucht.
Bij de overdracht van de vreemdeling door de DT&V aan de KMar ten behoeve van de feitelijke uitzetting wordt gebruik gemaakt van een formulier. Na overname van de vreemdeling wordt een exemplaar van dit formulier door de KMar ondertekend en direct weer ter hand gesteld van de ambtenaar die de vreemdeling heeft overgedragen.
Door middel van het formulier Opdracht tot verwijdering (zie model M24-A) maakt de KMar van iedere uitzetting schriftelijk melding aan de DT&V. Door de vreemdelingenpolitie, de ZHP of de KMar wordt na een uitzetting een formulier Bericht van vertrek (zie model M100) opgemaakt (zie A4/6.10). Tevens wordt een Verzoek tot signalering (zie model M93) opgemaakt (zie A4/6.9 en A3/9).
#### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
In artikel 23a en 23b Ambtsinstructie voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
@ -2426,17 +2779,62 @@ Op grond van artikel 23b Ambtsinstructie dient de toepassing van een hulpmiddel
#### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
Richtlijn 2003/110/EG van de Raad van de EU voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. Indien bij uitzetting via de lucht geen gebruik kan worden gemaakt van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan worden verzocht om doorgeleiding door de lucht via een andere lidstaat van de EU. Er wordt in beginsel niet om doorgeleiding door de lucht verzocht wanneer de verwijderingsmaatregel gepaard dient te gaan met de overbrenging van de betrokken vreemdeling naar een andere luchthaven op het grondgebied van de aangezochte lidstaat (zie ook A2/8).
Richtlijn 2003/110 van de Raad van de EU voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. Indien bij uitzetting via de lucht geen gebruik kan worden gemaakt van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan worden verzocht om doorgeleiding door de lucht via een andere lidstaat van de EU. Er wordt in beginsel niet om doorgeleiding door de lucht verzocht wanneer de verwijderingsmaatregel gepaard dient te gaan met de overbrenging van de betrokken vreemdeling naar een andere luchthaven op het grondgebied van de aangezochte lidstaat (zie ook A2/8).
#### 6.8. Signalering in het opsporingsregister
Het verzoek om al dan niet begeleide doorgeleiding door de lucht en de daarmee verbonden ondersteuningsmaatregelen moet door de KMar schriftelijk worden ingediend bij de aangezochte lidstaat. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van het formulier dat is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 2003/110. Het verzoek moet zo vroeg mogelijk, doch ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding, in de aangezochte lidstaat aankomen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. De aangezochte lidstaat dient onmiddellijk, in ieder geval binnen twee dagen, een beslissing op het verzoek bekend te maken. Deze termijn kan, in gemotiveerde gevallen, met ten hoogste 48 uur worden verlengd. Zonder instemming van de aangezochte staat wordt niet met de doorgeleiding door de lucht begonnen. Indien de aangezochte lidstaat niet binnen de gestelde termijn antwoordt, kan met de doorreis worden begonnen door middel van een kennisgeving.
Ambtenaren van de KMar begeleiden de doorgeleiding. Zij moeten daarbij in alle omstandigheden de regelgeving van de aangezochte lidstaat naleven. Zij hebben derhalve geen verdergaande bevoegdheden dan de betreffende regelgeving toelaat. De begeleiders dragen tijdens de doorgeleiding door de lucht geen wapens en zijn gekleed in burgerkleding. Op verzoek dienen zij passende identificatiemiddelen te overleggen, waaronder de toestemming voor doorgeleiding die door de aangezochte lidstaat is afgegeven, of, in voorkomende gevallen, een kennisgeving van doorgeleiding.
Vreemdelingen worden onmiddellijk teruggenomen van de aangezochte lidstaat wanneer:
de toestemming tot doorgeleiding door de lucht door de aangezochte lidstaat is geweigerd of ingetrokken;
de vreemdeling tijdens de doorgeleiding zonder toestemming de aangezochte lidstaat is binnengekomen;
de doorgeleiding van de vreemdeling naar een ander land van doorreis of naar het land van bestemming is mislukt, of de inscheping voor de aansluitende vlucht is mislukt;
de doorgeleiding door de lucht om een andere reden niet mogelijk is.
#### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
Indien in het kader van de Verordening 343/2003 een claim is gehonoreerd en het asielverzoek derhalve op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vw wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens de Verordening 343/2003 en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen.
Aan de vreemdeling wordt in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid en artikel 20, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003, zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend gemaakt.
Op grond van artikel 19, derde lid, of artikel 20, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003 wordt de vreemdeling, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Ingevolge artikel 19, vierde lid, of artikel 20, tweede lid, Verordening 343/2003 kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.
De DT&V dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen deze termijn van zes maanden te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerd verzoek immers op de hoogte welke lidstaat zijn asielverzoek in behandeling neemt en kan een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.
De regeling voor inbewaringstelling van artikel 59 Vw is van toepassing (zie A6/5.3.3.6).
Nederland heeft internationaal de verplichting er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de asielzoeker zich niet zal onttrekken aan de overdracht. De Commandant der KMar en/of de DT&V beoordeelt daarom of de asielzoeker zich zelfstandig of begeleid naar het land van bestemming dient te begeven. De IND heeft hierin een adviserende rol. Vaak blijkt ook uit het geaccordeerde verzoek of begeleide overdracht gewenst is.
Aan de asielzoeker wordt verstrekt:
een beschikking met een afwijzing op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vw;
een kennisgeving van overdracht aan een ander land dat partij is bij de Verordening 343/2003;
een laissez-passer indien hij zelfstandig reist; indien hij onder begeleiding reist houdt zijn begeleider het laissez-passer onder zich; bij vertrek per vliegtuig wordt het laissez-passer afgegeven aan de gezagvoerder die bij aankomst het document aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt;
eventueel zijn reisdocument;
zijn geld en andere persoonlijke eigendommen.
Naar het land van bestemming wordt gezonden:
de vlucht- en/of reisgegevens;
een kopie van het laissez-passer, dat via het snelste technische middel (meestal de fax) wordt verzonden;
een kopie van de eventueel beschikbare reis- of identiteitspapieren (voor zover deze nog niet verstrekt zijn bij het leggen van de claim).
Alle originele documenten worden aan het ontvangende land ter hand gesteld door tussenkomst van de autoriteit die de feitelijke uitvoering geeft aan de overdracht. Indien de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de documenten in een envelop afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig die ze overhandigt aan de grensbewakingsautoriteiten van het ontvangende land.
De plaats waar de asielzoeker zich in het land van bestemming dient te melden, wordt vermeld op het laissez-passer. Het betreft hier veelal de locatie waar de feitelijke overdracht plaatsvindt. Op de kennisgeving van overdracht wordt het land van bestemming aangegeven.
#### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
Verwijderde vreemdelingen kunnen worden gesignaleerd in het (N)SIS of het OPS, zie hiervoor A3/9. De vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar dient hiertoe een voorstel tot signalering in bij de IND (model M93).
#### 6.9. Bericht van vertrek
#### 6.10. Bericht van vertrek
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar dient het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland door toezending van een bericht (zie model M100) aan de IND en de DT&V en indien van toepassing aan de opvangverlenende instantie, te melden. Indien het vertrek is gefaciliteerd door IOM, blijft toezending van dit bericht achterwege (zie A4/5). De IND verstrekt dan wel voorafgaand aan het vertrek informatie aan de IOM over eventuele ketenpartners die door de IOM van het uiteindelijke vertrek op de hoogte moeten worden gesteld. In alle gevallen kan door middel van het formulier Bericht omtrent signalering (zie model M93) advies worden uitgebracht om de vreemdeling in het (N)SIS of het OPS te signaleren (zie A3/9).
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar dient het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland door toezending van een bericht (zie model M100) aan de IND en de DT&V en, indien van toepassing, aan de opvangverlenende instantie, te melden. Indien het vertrek is gefaciliteerd door de IOM, blijft toezending van dit bericht achterwege (zie A4/5). De IND verstrekt dan wel voorafgaand aan het vertrek informatie aan de IOM over eventuele ketenpartners die door de IOM van het uiteindelijke vertrek op de hoogte moeten worden gesteld. In alle gevallen kan door middel van het formulier Bericht omtrent signalering (zie model M93) advies worden uitgebracht om de vreemdeling in het (N)SIS of het OPS te signaleren (zie A3/9).
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling (inclusief Dublinclaimanten en personen vallende onder andere overdrachtsovereenkomsten). Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
Bij toezending van het formulier Bericht van vertrek (zie model M100) dient te worden aangegeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken. De vertrekcategorieën zijn:
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling (inclusief Dublinclaimanten en personen vallende onder andere overdrachtsovereenkomsten). Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die is aangehouden op grond van verdenking van het plegen van strafbare feiten (zijnde misdrijven en overtredingen). Zie hiervoor A4/10.1. Tot deze vertrekcategorie behoort ook de vreemdeling die voorafgaand aan zijn uitzetting op een bepaald moment vanuit het strafrechttraject in vreemdelingenbewaring is gesteld. De verwijderde geweigerde vreemdeling die strafrechtelijk is of wordt vervolgd, valt niet onder deze vertrekcategorie.
@ -2456,11 +2854,11 @@ In of na de vertrektermijn van de asielprocedure of reguliere procedure bij adre
Zelfstandig vertrek van een vreemdeling die, al dan niet na afloop van de vrije termijn, illegaal in Nederland heeft verbleven en die is aangetroffen bij uitreiscontrole aan de buitengrens.
#### 6.10. Bericht van ontruiming
#### 6.11. Bericht van ontruiming
Het COA dient de ontruiming van een vreemdeling uit de opvangvoorzieningen door toezending van een bericht (zie model M100a) aan de IND en de DT&V te melden.
#### 6.11. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
#### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
In een aantal gevallen is uitzetting niet mogelijk, omdat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft. Wanneer dit na een adrescontrole of op andere wijze duidelijk is gebleken, dient de vreemdelingenpolitie een bericht te zenden aan de IND en de DT&V (zie model M100). De in dit formulier opgenomen rubrieken dienen zo volledig mogelijk te worden ingevuld. De vreemdelingenpolitie doet hierbij een voorstel tot signalering (zie A3/9). Hierbij is van belang dat nagegaan wordt door de IND of de vreemdeling inmiddels rechtmatig verblijf heeft gekregen.
@ -2470,13 +2868,50 @@ In een aantal gevallen is uitzetting niet mogelijk, omdat de vreemdeling niet la
Artikel 64 Vw bepaalt dat de uitzetting achterwege dient te blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen.
Als gezinsleden worden in dit verband aangemerkt:
echtgenoten en (geregistreerde) partners en hun respectieve minderjarige (voor-)kinderen;
de meerderjarige kinderen die feitelijk behoren en reeds in het land van herkomst behoorden tot het gezin.
In de situatie dat ten aanzien van een minderjarig kind sprake is van het achterwege laten van de uitzetting, worden als gezinsleden aangemerkt:
de (stief/pleeg)ouders van het kind;
de minderjarige (stief)broers en zussen van het kind;
de meerderjarige broers en zussen die feitelijk behoren en reeds in het land van herkomst behoorden tot het gezin van bedoelde ouders.
Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar C12/6. In het kader van deze regeling behoeven officiële documenten, waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van BuZa.
Hoewel een geldig document voor grensoverschrijding geen voorwaarde is voor een geslaagd beroep op artikel 64 Vw, dient bij voorkeur wel een paspoort overgelegd te worden.
De bescherming tegen uitzetting in deze gevallen moet uitdrukkelijk worden onderscheiden van de situatie waarin de vreemdeling medische behandeling in Nederland stelt te behoeven en om die reden in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning (zie B8).
Bij een beroep op artikel 64 Vw is de vraag aan de orde of betrokkene medisch gezien in staat is om te reizen. Het betreft dus een tijdelijke maatregel, gericht enkel op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. In voorkomende gevallen kan tevens sprake zijn van het achterwege laten van de uitzetting ingevolge artikel 64 Vw, indien de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan. Ten aanzien hiervan wordt verwezen naar B8/3.
De vraag of op grond van artikel 64 Vw uitzetting achterwege moet blijven, kan zich niet eerder voordoen dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Derhalve kan de bescherming van artikel 64 Vw niet intreden indien en zolang de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft ingevolge artikel 8 Vw.
Een beroep op artikel 64 Vw is mogelijk indien de vreemdeling zich in de situatie bevindt waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort dan wel indien de vreemdeling nimmer een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft ingediend en geen rechtmatig verblijf heeft. Hierbij is niet van belang of de uitzetting op korte termijn is gepland.
Ingeval de vreemdeling ongewenst is verklaard ex artikel 67 Vw, of indien de toegang is geweigerd, kan er geen sprake zijn van rechtmatig verblijf ex artikel 8 Vw en kan er evenmin een geslaagd beroep worden gedaan op artikel 64 Vw.
Een aanvraag om artikel 64 Vw toe te passen en het rechtmatig verblijf ex artikel 8, onder j, Vw toe te kennen, zal dan ook moeten worden afgewezen omdat betrokkene, vanwege de ongewenstverklaring, dan wel vanwege de toegangsweigering, daarop geen aanspraak kan maken.
De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan desalniettemin, gelet op de strekking van artikel 64 Vw, aanleiding zijn om tijdelijk geen gevolg te geven aan de bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten.
In dat geval blijft de uitzetting achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf en zonder dat de ongewenstverklaring of toegangsweigering wordt opgeheven. In dit geval gebeurt dit naar de ratio van (en niet ingevolge) artikel 64 Vw. Het stellen van een aantekening in het grensoverschrijdingsdocument blijft in deze gevallen achterwege.
#### 7.2. Procedure
##### 7.2.1. Beroep op
Een beroep op artikel 64 Vw is, gelet op artikel 1:3 Awb, een aanvraag in de zin van de Awb. De aanvraag wordt schriftelijk gedaan bij de IND en dient steeds onderbouwd te zijn met alle gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de vraag of de uitzetting gelet op de gezondheid van betrokkene kan worden geëffectueerd. Het zal daarbij kunnen gaan om recente medische stukken van één of meer behandelend arts(en) die in een gesloten envelop, voorzien van een stempel of aantekening “medisch geheim”, aangeleverd moeten worden. Ook dient een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie model 39-A) te worden bijgevoegd. Op deze toestemmingsverklaring dienen alleen de meest recente behandelaars te worden vermeld. De aanvraag dient te worden verzonden naar de IND.
Een beroep op artikel 64 Vw is, gelet op artikel 1:3 Awb, een aanvraag in de zin van de Awb. De aanvraag wordt schriftelijk gedaan bij de IND en dient steeds onderbouwd te zijn met alle gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de vraag of de uitzetting gelet op de gezondheid van betrokkene kan worden geëffectueerd. Het zal daarbij kunnen gaan om recente medische stukken van één of meer behandelend arts(en) die in een gesloten envelop, voorzien van een stempel of aantekening “medisch geheim”, aangeleverd moeten worden. Ook dient een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie model M39-A) te worden bijgevoegd. Op deze toestemmingsverklaring dienen alleen de meest recente behandelaars te worden vermeld. De aanvraag dient te worden verzonden naar de IND.
Met uitsluitend mededelingen van de vreemdeling zelf wordt in beginsel geen genoegen genomen. Dit is slechts anders indien bij de DT&V of bij de ambtenaar belast met de uitzetting, dan wel ontruiming, reeds aanstonds en wegens concrete aanwijzingen het vermoeden rijst dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. In dat geval zal de ambtenaar belast met de uitzetting dan wel de DT&V ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op artikel 64 Vw zich ervan moeten vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en hiertoe bij de IND een onderzoek (laten) instellen. In de meeste gevallen zal de medisch adviseur van het BMA door de IND om een advies worden gevraagd.
Indien er geen medische stukken ter onderbouwing van de aanvraag worden ingediend, of indien een ingevulde toestemmingsverklaring (zie model M39-A) ontbreekt, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld binnen een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Indien de vreemdeling hier niet aan voldoet, kan de aanvraag worden afgewezen.
De redelijke termijn voor het indienen van relevante medische stukken bedraagt in beginsel een week, maar kan korter zijn in het belang van de vreemdeling, of in het geval de uitzetting op (zeer) korte termijn gepland is.
Indien de vreemdeling zich wendt tot de DT&V, de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar of het COA, wordt de aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw doorgezonden aan de IND.
##### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
@ -2492,18 +2927,40 @@ Naast de medische stukken dient tevens een door de vreemdeling ondertekende toes
Het indienen van een aanvraag om artikel 64 Vw toe te passen schort de vertrekplicht niet op. De vreemdeling heeft gedurende het onderzoek en behandeling van de aanvraag geen rechtmatig verblijf ex artikel 8 Vw. In beginsel zal echter geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot uitzetting, zolang op de aanvraag niet is beslist.
Het indienen van een aanvraag om artikel 64 Vw toe te passen schort evenmin de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op. Dit betekent dat de verstrekkingen kunnen worden beëindigd ondanks het feit dat door de vreemdeling een dergelijke aanvraag is gedaan.
Het indienen van een aanvraag om artikel 64 Vw toe te passen schort evenmin de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op (zie C23/2.3.3).
#### 7.3. Inwilliging
De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies, schriftelijk mededeling aan de vreemdeling dat de uitzetting achterwege zal blijven. Ook de duur van de opschorting van het vertrek, de periode waarin verwacht wordt dat de medische beletselen aanwezig zijn, wordt vermeld. Deze periode is in beginsel gelijk aan de periode die in het medisch advies is genoemd, met een maximum van een half jaar.
De vreemdeling en zijn gezinsleden krijgen krachtens artikel 8, aanhef en onder j, Vw (wederom) rechtmatig verblijf. De vertrekplicht en de bevoegdheid tot uitzetting worden ingevolge de Vw opgeschort.
De IND informeert de DT&V dat de uitzetting tijdelijk achterwege wordt gelaten. Ingeval de vreemdeling aanspraak wenst te maken op de Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.
In het geval dat onomstotelijk vaststaat dat de vreemdeling om medische redenen niet in staat is om te reizen, bijvoorbeeld bij een acute opname in een ziekenhuis, kan het achterwege laten van de uitzetting ingevolge artikel 64 Vw door de IND, op advies van de DT&V, zonder onderliggende aanvraag worden vastgesteld en verleend. In dat geval kan ook het beroep van de vreemdeling op artikel 64 Vw ingewilligd worden zonder dat daarvoor eerst een advies wordt ingewonnen van het BMA. In een dergelijk geval volstaat een bewijs van ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs, of een advies van de DT&V waaraan een dergelijk bewijs ten grondslag heeft gelegen.
Een forensisch geneeskundige van de GG&GD dient altijd te worden ingeschakeld wanneer sprake is van een acuut besmettingsgevaar.
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de Vw vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door de vreemdelingenpolitie een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie bijlage 7g VV) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de Vw vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt het volgende.
In de gevallen waarin artikel 64 Vw voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, wordt de vreemdeling enkel in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw.
In de gevallen waarin artikel 64 Vw voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, wordt door de vreemdelingenpolitie aan de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen, uitgereikt (zie bijlage 7g VV). Het document W2 wordt door de IND besteld en toegezonden aan de vreemdelingenpolitie. De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode dat de uitzetting achterwege wordt gelaten.
Na afloop van deze periode ontstaat van rechtswege (wederom) de rechtsplicht voor de vreemdeling om Nederland binnen vier weken te verlaten alsmede de bevoegdheid tot uitzetting. Er is derhalve geen nieuw besluit nodig. Dit is slechts anders indien de uitzetting achterwege blijft zonder dat daarbij een eindtermijn werd gesteld. In dat geval dient per separaat besluit te worden vastgesteld dat de uitzetting niet langer achterwege wordt gelaten, dan wel dat de uitzetting voor een bepaalde periode wederom achterwege zal blijven.
De gevallen waarin de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in verband met zijn gezondheidstoestand aanspraak wenst te maken op (de voortzetting van) de voorzieningen ingevolge de Rva, zijn genoemd in C23/2.2.2, onder f en g.
#### 7.4. Afwijzing
Indien naar het oordeel van de IND geen reisbeletselen bestaan, wordt de vreemdeling hiervan onder verwijzing naar het medisch advies schriftelijk op de hoogte gebracht.
Het komt voor dat de medisch adviseur in zijn advies aangeeft dat de vreemdeling in staat is om te reizen, doch dat dit onder bepaalde voorwaarden dient te geschieden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een voorraad aan medicijnen van de vreemdeling tijdens en na de reis of het meenemen van medische gegevens.
De DT&V ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier betreft een verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De vreemdeling of zijn raadsman wordt hierop gewezen door de DT&V.
#### 7.5. Rechtsmiddelen
Tegen de vaststelling dat de uitzetting niet achterwege blijft, staan op grond van artikel 72 Vw rechtsmiddelen open, namelijk het indienen van een bezwaarschrift bij de IND. Het indienen van een bezwaarschrift schort de vertrekplicht, uitzetting of eventuele beëindiging van de voorzieningen niet op.
@ -2528,6 +2985,16 @@ Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A
De uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden wordt opgeschort indien bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden TBC is geconstateerd. TBC wordt vastgesteld door overlegging aan de IND van een gedagtekende verklaring van een GG&GD-arts. Deze verklaring dient te vermelden dat de betrokkene TBC heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring mag niet ouder zijn dan twee weken.
De behandeling van TBC duurt in het algemeen 9 tot 12 maanden. Na het verstrijken van de behandeltermijn kan de DT&V tot uitzetting overgaan.
Indien de vreemdeling niet in het bezit is van een document voor grensoverschrijding wordt hij in het bezit gesteld van een document W2, met een inlegvel, voorzien van een Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie bijlage 7g VV). In geval er wel een document voor grensoverschrijding aanwezig is, wordt door de vreemdelingenpolitie een Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aangebracht met vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd zich onttrekt aan de medische behandeling en er geen besmettingsgevaar aanwezig is, dan is er niet langer een reisbeletsel naar analogie van artikel 64 Vw.
Onttrekt de vreemdeling zich aan de medische behandeling en er is een besmettingsgevaar aanwezig, dan is zijn uitzetting uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord te achten in de zin van artikel 64 Vw. Vanwege het zich onttrekken aan de medische behandeling kan de vreemdeling niet uit Nederland worden verwijderd, maar hij vormt daarentegen wel een gevaar voor de algemene volksgezondheid. De Wet op de bestrijding infectieziekten kan in deze situatie uitkomst bieden. Deze wet regelt onder andere gedwongen opname (isolatie) bij gevaar voor de algemene volksgezondheid en gedwongen behandeling.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3 en B1/4.5.
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Ingevolge artikel 65, eerste lid, Vw kan een vreemdeling worden uitgezet door plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig in gebruik bij dezelfde vervoersonderneming als waarmee de vreemdeling Nederland is binnengekomen indien hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten danwel indien hij binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden.
@ -2568,7 +3035,9 @@ Uitlevering van een vreemdeling heeft een strafrechtelijk doel, namelijk het ter
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
Er bestaan bi- en multilaterale verdragen waarbij Nederland partij is die betrekking hebben op de terug- en overname van personen. Hierbij gaat het in het geval van terugname om eigen onderdanen en in het geval van overname om onderdanen van derde landen. Zo zijn er afspraken over terug- en overname tussen de Benelux-landen en hebben de Benelux en de EU terug- en overnameverdragen met derde landen. Daarnaast is er bijvoorbeeld een in Schengenverband afgesloten terug- en overnameovereenkomst met Polen en bevatten Verordening (EG) 232/2003 en de Overeenkomst van Dublin (zie C1/2) terug- en overnamebepalingen. Verder bestaan er bilaterale verdragen tussen de EU/Nederland en derde landen (over uiteenlopende onderwerpen) met een terug- en overnameclausule en sluit Nederland met derde landen memoranda of understanding waarin uitvoeringsafspraken met betrekking tot de terug- en overname worden vastgelegd.
Er bestaan bi- en multilaterale verdragen waarbij Nederland partij is die betrekking hebben op de terug- en overname van personen. Hierbij gaat het in het geval van terugname om eigen onderdanen en in het geval van overname om onderdanen van derde landen. Zo zijn er afspraken over terug- en overname tussen de Benelux-landen en hebben de Benelux en de EU terug- en overnameverdragen met derde landen. Daarnaast is er bijvoorbeeld een in Schengenverband afgesloten terug- en overnameovereenkomst met Polen en bevatten Verordening 343/2003 en de Overeenkomst van Dublin (zie C3/2) terug- en overnamebepalingen. Verder bestaan er bilaterale verdragen tussen de EU/Nederland en derde landen (over uiteenlopende onderwerpen) met een terug- en overnameclausule en sluit Nederland met derde landen memoranda of understanding waarin uitvoeringsafspraken met betrekking tot de terug- en overname worden vastgelegd.
Of en onder welke omstandigheden ten behoeve van terug- of overname van een vreemdeling gebruik kan worden gemaakt van een verdrag of internationale overeenkomst (met bepalingen) over terug- en overname, kan worden nagegaan op de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3). Over de te volgen procedure en uitvoeringsaspecten bij daadwerkelijke terug- of overname dient afstemming te worden gezocht met de DT&V.
## 5. Ongewenstverklaring
@ -2663,8 +3132,8 @@ Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d kan achterwege blijven ind
Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende twee situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:
familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM;
verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM.
a. familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM;
b. verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM.
De bijzondere feiten en omstandigheden zijn gelegen in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM te kunnen uitoefenen.
@ -2678,17 +3147,17 @@ Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust, moeten i
de nationaliteiten van alle betrokkenen;
de gezinssituatie van de vreemdeling, zoals de duur van het huwelijk;
andere factoren die uitdrukking geven aan de feitelijke invulling van het huwelijk of de gezinssituatie;
de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/ zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging;
de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging;
de vraag of er kinderen uit het huwelijk zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd;
de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) zal ondervinden als hij/ zij de vreemdeling zou volgen naar het land van herkomst.
de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) zal ondervinden als hij/zij de vreemdeling zou volgen naar het land van herkomst.
Nu bovenstaande omstandigheden reeds betrokken zijn bij de beoordeling of betrokkene ongewenst kon worden verklaard, en hieraan niet in de weg hebben gestaan, dient bij de beoordeling omtrent de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring gekeken te worden of er een wijziging in deze omstandigheden is opgetreden. Immers, indien er geen wijziging is in de feiten en omstandigheden ten opzichte van de datum van de in rechte onaantastbare beschikking tot ongewenstverklaring, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat er aan het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bijzondere feiten en omstandigheden ten grondslag liggen.
Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, dient vervolgens beoordeeld te worden of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het persoonlijk belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven hier te lande in redelijkheid meer gewicht toegekend dient te worden dan aan het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een objectieve belemmering om de wijze waarop het familie- en gezinsleven gedurende de ongewenstverklaring wordt uitgeoefend voort te zetten (zie B2/13.2.3.4). Bij de beoordeling van de aangevoerde gewijzigde feiten en omstandigheden op hun bijzonderheid, moet altijd de duur van het verblijf buiten Nederland afgezet worden tegen de duur van de opgelegde ongewenstverklaring.
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Anti-Folterverdrag, zal hij nu niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling dient het bepaalde in C1/4.3 te worden betrokken.
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij nu niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling dient het bepaalde in C2/3 te worden betrokken.
Vorenstaande laat onverlet dat het voornemen tot uitzetting blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht rust om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht. Eerst als de ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Anti-Folterverdrag, duurzaam in de weg staat aan uitzetting naar zijn land van herkomst, en hij bovendien heeft aangetoond dat er geen derde land is waar hij zich zal kunnen vestigen, kan de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring verzoeken. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing moet in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf worden betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
Vorenstaande laat onverlet dat het voornemen tot uitzetting blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht rust om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht. Eerst als de ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, duurzaam in de weg staat aan uitzetting naar zijn land van herkomst, en hij bovendien heeft aangetoond dat er geen derde land is waar hij zich zal kunnen vestigen, kan de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring verzoeken. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing moet in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf worden betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
#### 4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
@ -2757,17 +3226,17 @@ Ongewenstverklaring ex artikel 67 Vw van een vreemdeling genoemd in artikel 8.7
#### 6.2. Ongewenstverklaring
Er dient sprake te zijn van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving door uitsluitend de *persoonlijke* gedragingen van de EU-/EER-onderdaan, de Zwitserse onderdaan en zijn familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb (zie artikel 8.22, eerste lid, sub a, Vb).
Er dient sprake te zijn van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving door uitsluitend de persoonlijke gedragingen van de EU-/EER-onderdaan, de Zwitserse onderdaan en zijn familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb (zie artikel 8.22, eerste lid, sub a, Vb).
De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38/EG).
De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38).
Het duurzame verblijfsrecht kan met toepassing van artikel 8.18, onder b, Vb worden beëindigd, indien *ernstige* redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen. In dat geval kan ook tot ongewenstverklaring worden overgegaan met toepassing van artikel 8.22, eerste lid, Vb.
Het duurzame verblijfsrecht kan met toepassing van artikel 8.18, onder b, Vb worden beëindigd, indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen. In dat geval kan ook tot ongewenstverklaring worden overgegaan met toepassing van artikel 8.22, eerste lid, Vb.
Het rechtmatig verblijf wordt echter niet beëindigd en de vreemdeling wordt niet ongewenst verklaard, bij een verblijfsduur van ten minste tien jaren of indien de vreemdeling minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind (zie artikel 8.22, derde lid, Vb en B10).
Indien dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, kan echter weer wel tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38 EG):
Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38):
de verblijfsduur van de vreemdeling;
de leeftijd van de vreemdeling;
@ -2798,7 +3267,7 @@ De aanvraag tot opheffing dient te worden ingediend bij de IND. Voor de vormvere
##### 6.4.3. Inhoud van de aanvraag
Bij de aanvraag voert de vreemdeling argumenten aan om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen, een en ander als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2004/38 EG van 29 april 2004 betreffende het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L158 en L229), welke op 29 april 2006 is geïmplementeerd. Hierbij dient te worden gedacht aan
Bij de aanvraag voert de vreemdeling argumenten aan om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen, een en ander als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de burgers van de Unie en hun familieleden, welke op 29 april 2006 is geïmplementeerd. Hierbij dient te worden gedacht aan
een schriftelijke verklaring van de vreemdeling betreffende de periode waarin hij sinds zijn vertrek uit Nederland en na de ongewenstverklaring buiten Nederland heef verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
@ -2880,7 +3349,7 @@ De op grond van artikel 6, 58 of 59 Vw opgelegde maatregel blijft gedurende de t
#### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij jeugdigen onder 16 jaar
Vrijheidsontneming is een ingrijpende maatregel. De toepassing daarvan moet daarom tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. De noodzaak van een zo beperkt mogelijke toepassing van vrijheidsontneming bestaat in versterkte mate wanneer het gaat om jeugdige personen jonger dan 16 jaar. Voordat tot vrijheidsontneming overgegaan wordt, moet worden bezien of volstaan kan worden met de aanzegging te verblijven op een bij de Korpschef, ambtenaar belast met grensbewaking of hulpofficier van justitie bekend opvangadres (bijvoorbeeld bij familie, kennissen of andere particuliere personen). Bij aannemelijke twijfel omtrent de leeftijd van deze vreemdelingen kan een leeftijdsonderzoek worden ingesteld volgens de daarvoor geldende protocollen (zie C/1).
Vrijheidsontneming is een ingrijpende maatregel. De toepassing daarvan moet daarom tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. De noodzaak van een zo beperkt mogelijke toepassing van vrijheidsontneming bestaat in versterkte mate wanneer het gaat om jeugdige personen jonger dan 16 jaar. Voordat tot vrijheidsontneming overgegaan wordt, moet worden bezien of volstaan kan worden met de aanzegging te verblijven op een bij de Korpschef, ambtenaar belast met grensbewaking of hulpofficier van justitie bekend opvangadres (bijvoorbeeld bij familie, kennissen of andere particuliere personen). Bij aannemelijke twijfel omtrent de leeftijd van deze vreemdelingen kan een leeftijdsonderzoek worden ingesteld volgens de daarvoor geldende protocollen (zie de website van de IND).
De volgende regels zijn van toepassing:
@ -2908,11 +3377,11 @@ De in artikel 46 Vw genoemde ambtenaren belast met grensbewaking zijn bevoegd to
#### 2.4. De toepassing
Artikel 6, eerste lid, Vw geeft aan dat aan de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, de verplichting opgelegd kan worden om zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte kan ingevolge het tweede lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is in ieder geval geïndiceerd wanneer naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de aanwijzing om zich op te houden in de bedoelde ruimte of plaats en/of omdat aspecten van openbare orde of nationale veiligheid dit vorderen. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indienen of hebben ingediend, wordt verwezen naar de paragraaf hieronder en C3/11.3. De vrijheidsbeneming zal dan een aanvang nemen in een gebouw van de doorlaatpost of een politiebureau. Daarna zal de vreemdeling met een nieuwe beschikking geplaatst moeten worden in een inrichting waar het Reglement grenslogies (Stb. 1993, nr. 45) van toepassing is. Dient deze vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in dan dient gehandeld te worden zoals hierna vermeld.
Artikel 6, eerste lid, Vw geeft aan dat aan de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, de verplichting opgelegd kan worden om zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte kan ingevolge het tweede lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is in ieder geval geïndiceerd wanneer naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de aanwijzing om zich op te houden in de bedoelde ruimte of plaats en/of omdat aspecten van openbare orde of nationale veiligheid dit vorderen. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indienen of hebben ingediend, wordt verwezen naar de paragraaf hieronder en C10/3. De vrijheidsbeneming zal dan een aanvang nemen in een gebouw van de doorlaatpost of een politiebureau. Daarna zal de vreemdeling met een nieuwe beschikking geplaatst moeten worden in een inrichting waar het Reglement grenslogies (Stb. 1993, nr. 45) van toepassing is. Dient deze vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in dan dient gehandeld te worden zoals hierna vermeld.
Verstekelingen (met uitzondering van de asielzoekers) dienen zoveel mogelijk geplaatst te worden aan boord van het schip waarvan zij afkomstig zijn. Deze plaatsing geschiedt op grond van artikel 5, tweede lid en artikel 65 Vw.
De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, kan de maatregel van artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw opgelegd worden. Voor de toepassing van deze maatregel bij deze categorie vreemdelingen wordt verwezen naar C3/12.3.3.1.
De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, kan de maatregel van artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw opgelegd worden. Voor de toepassing van deze maatregel bij deze categorie vreemdelingen wordt verwezen naar C10/3.1.
De weigering van toegang strekt zich niet enkel uit tot de verdere inreis in Nederland, doch ook tot de verdere inreis in het overige Schengengebied. Voor een toelichting op de situatie waarbij een asielzoeker de toegang geweigerd wordt, terwijl tegelijkertijd op grond van de Overeenkomst van Dublin een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, wordt verwezen naar A2/5.5.6. Aan Dublinclaimanten aan wie de toegang niet geweigerd kan worden, wordt de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 55 Vw opgelegd of, indien aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan, de maatregel van artikel 59 Vw.
@ -2940,10 +3409,14 @@ De vrijheidsbeperkende of ontnemende maatregel eindigt wanneer de vreemdeling
### 3. Verblijf
#### 3.1. Het zich beschikbaar houden (artikel 55, eerste lid, Vw)
#### 3.1. Het zich beschikbaar houden (
Aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indient en de beslissing daarvan op grond van deze wet in Nederland mag afwachten, kan de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 55, eerste lid, Vw opgelegd worden. De maatregel houdt in dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw een plaats aangewezen krijgt waar hij zich gedurende het onderzoek naar de inwilligbaarheid van die aanvraag dient op de houden, overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen. De aanwijzingen, die betrekking kunnen hebben op het gehoor, het fotograferen of dactyloscoperen, en het verstrekken van gegevens, maken deel uit van de beschikbaarheidsverplichting. Het wél verblijven op de aangewezen plaats maar niet handelen overeenkomstig de gegeven aanwijzingen betekent dat de vreemdeling zich niet overeenkomstig artikel 55, eerste lid, Vw beschikbaar houdt op de aangewezen plaats. Daartegenover staat dat ook de beschikbaarheid noodzakelijk dient te zijn ten behoeve van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Het ontbreken van dergelijk verband maakt de maatregel onrechtmatig.
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model M117-A gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model M117-A doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
De asielzoeker wordt erop gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag en kan op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw reden zijn de aanvraag af te wijzen.
Het overtreden van artikel 55 Vw is strafbaar gesteld in artikel 108 Vw. Gedurende de tijd dat de vreemdeling zich niet beschikbaar hoeft te houden voor het onderzoek kan hij zich buiten de aangewezen plaats begeven. In dat geval overtreedt hij niet het voorschrift van artikel 55 Vw.
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.
@ -3130,18 +3603,18 @@ Bewaring mag bovendien niet worden toegepast uitsluitend op basis van overweging
###### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw biedt de mogelijkheid vreemdelingen voor wie de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel op korte termijn voorhanden zullen zijn, in bewaring te stellen. Het tweede lid van artikel 59 bepaalt dat in deze gevallen wordt geacht dat de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert. Met noodzakelijke bescheiden wordt bedoeld dat een paspoort, laissez-passer (of andere geldige documenten voor grensoverschrijding) of een claim op een vervoersmaatschappij voorhanden is, dan wel binnen korte termijn voorhanden zal zijn. Met binnen korte termijn voorhanden zal zijn wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie dat de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling een vervangend document voor grensoverschrijding in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaringsgrond van het tweede lid van artikel 59 Vw dient er toe om te voorkomen dat een vreemdeling die goed gedocumenteerd is of op korte termijn goed gedocumenteerd zal zijn, zich alsnog aan uitzetting onttrekt.
Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw biedt de mogelijkheid vreemdelingen voor wie de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel op korte termijn voorhanden zullen zijn, in bewaring te stellen. Het tweede lid van artikel 59 Vw bepaalt dat in deze gevallen wordt geacht dat de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert. Met noodzakelijke bescheiden wordt bedoeld dat een paspoort, laissez-passer (of andere geldige documenten voor grensoverschrijding) of een claim op een vervoersmaatschappij voorhanden is, dan wel binnen korte termijn voorhanden zal zijn. Met binnen korte termijn voorhanden zal zijn wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie dat de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling een vervangend document voor grensoverschrijding in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaringsgrond van het tweede lid van artikel 59 Vw dient er toe om te voorkomen dat een vreemdeling die goed gedocumenteerd is of op korte termijn goed gedocumenteerd zal zijn, zich alsnog aan uitzetting onttrekt.
Aan de gebruikmaking van het bewaringsinstrument ex artikel 59, eerste en tweede lid, Vw is een aantal belangrijke beperkingen verbonden. Hieronder worden deze opgesomd.
Het gaat om vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland of vreemdelingen die een afwijzende beslissing op hun aanvraag hebben gekregen.
De maatregel mag niet worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die eerder op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, (verblijfsvergunning voor bepaalde en onbepaalde tijd en personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen, zie artikel 8.7 Vb) en onder l, (verblijfsrecht op grond van Associatiebesluit EEG/Turkije) Vw, rechtmatig in Nederland hebben verbleven. De maatregel mag ook niet worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die eerder op grond van de Overeenkomst tussen de EG en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, rechtmatig in Nederland hebben verbleven.
De maatregel mag niet worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die eerder op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, (verblijfsvergunning voor bepaalde en onbepaalde tijd en personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen, zie artikel 8.7 Vb) en onder l, (verblijfsrecht op grond van de Associatieovereenkomst EG/Turkije) Vw, rechtmatig in Nederland hebben verbleven. De maatregel mag ook niet worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die eerder op grond van de Overeenkomst EG-Zwitserland over het vrije verkeer van personen, rechtmatig in Nederland hebben verbleven.
Voorts geldt een andere, belangrijke beperking bij de toepassing van deze bewaringsgrond. Deze vorm van vrijheidsontneming is wettelijk beperkt tot de duur van vier weken (zie artikel 59, vierde lid, Vw). Dit betekent onder meer dat alleen wanneer het zeer waarschijnlijk is dat de vreemdeling binnen vier weken kan worden uitgezet, oplegging van de bewaringsmaatregel ex artikel 59, eerste en tweede lid, Vw mogelijk is. Blijkt na verloop van de gegeven termijn van vier weken dat uitzetting toch niet mogelijk is gebleken, dan dient de bewaring op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, Vw te worden opgeheven. Indien daarvoor voldoende aanleiding bestaat kan de bewaringsmaatregel worden voortgezet op grond van het eerste lid van artikel 59 Vw (bijvoorbeeld in het geval dat uitzetting niet mogelijk is gebleken door fysiek verzet van de vreemdeling). Zie hieromtrent nader A6/5.3.4.4.
Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het niet nodig dat er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling zich aan uitzetting zal onttrekken. Wel dient er nog immer een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de openbare orde, gediend met het voorkomen dat de vreemdeling zich aan uitzetting zal kunnen ontrekken en het belang van de vreemdeling om niet van zijn vrijheid te worden beroofd. Ten aanzien van deze belangenafweging is sprake van een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld, tenzij hij aantoont, dat hij (cumulatief):
beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
voldoende middelen heeft om zijn terugreis te financieren;
aannemelijk maakt dat hij uit eigen beweging terug zal keren naar zijn land van herkomst dan wel een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd.
beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
voldoende middelen heeft om zijn terugreis te financieren;
aannemelijk maakt dat hij uit eigen beweging terug zal keren naar zijn land van herkomst dan wel een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd.
Daarnaast kunnen nog andere, persoonsgebonden belangen een rol spelen.
@ -3157,20 +3630,20 @@ Zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, mag de inbewaringstel
###### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
Het is mogelijk om een Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, Vw of artikel 59, eerste juncto tweede lid, Vw in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Zie C5/21 voor de specifieke invulling van de belangenafweging in Dublinzaken.
Het is mogelijk om een Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, Vw of artikel 59, eerste én tweede lid, Vw in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.
###### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Artikel 8.7 Vb geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van de (bepalingen die gelden voor de) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar B10.
Met de documenten als bedoeld in artikel 50, eerste lid, Vw en artikel 4.21 Vb kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder e, Vw, zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie Richtlijn 2004/38/EG d.d. 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
Met de documenten als bedoeld in artikel 50, eerste lid, Vw en artikel 4.21 Vb kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft, als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder e, Vw, zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft, of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie Richtlijn 2004/38, alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van Richtlijn 2004/38/EG heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van Richtlijn 2004/38 heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
de vertrektermijn van vier weken, bedoeld in artikel 62, eerste lid, Vw is verstreken, óf
met een beroep op artikel 8.24, derde lid, Vb wordt afgeweken van een vertrektermijn van vier weken.
Tenslotte kan ten aanzien van een vreemdeling die stelt gebruik te maken van het Gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen maar geen geldige identiteitskaart of geldig paspoort toont en evenmin op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen, als regel niet worden vastgesteld dat hij onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt en kan hij in bewaring worden gesteld.
Tenslotte kan ten aanzien van een vreemdeling die stelt gebruik te maken van het Gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen, maar geen geldige identiteitskaart of geldig paspoort toont en evenmin op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen, als regel niet worden vastgesteld dat hij onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt en kan hij in bewaring worden gesteld.
##### 5.3.4. De procedure
@ -3217,7 +3690,9 @@ Er dienen voldoende afschriften te worden gemaakt van de maatregel waarbij de be
###### 5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Het kan voorkomen dat de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient of dat tijdens zijn vrijheidsontneming een door hem ingediende aanvraag wordt afgewezen. In die gevallen kan de bewaring op een andere categorie worden voortgezet (zie voor de verschillende categorieën artikel 59, eerste lid, sub a, Vw en artikel 59, eerste lid, sub b, Vw). De bewaring wordt niet opgeheven, immers de gronden voor de bewaring kunnen dezelfde blijven. Als de bewaring wordt voortgezet op een andere categorie wordt door de hulpofficier van justitie onverwijld een nieuw Model M110-A aan de vreemdeling uitgereikt (zie artikel 5.3, tweede lid, Vb). Gelet op het bepaalde in artikel 5.2 Vb hoeft de vreemdeling daarbij niet gehoord te worden.
Het kan voorkomen dat de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient of dat tijdens zijn vrijheidsontneming een door hem ingediende aanvraag wordt afgewezen. In die gevallen kan de bewaring op een andere categorie worden voortgezet (zie voor de verschillende categorieën artikel 59, eerste lid, sub a, Vw en artikel 59, eerste lid, sub b, Vw). De bewaring wordt niet opgeheven, immers de gronden voor de bewaring kunnen dezelfde blijven. Als de bewaring wordt voortgezet op een andere categorie wordt door de hulpofficier van justitie onverwijld een nieuw model M110-A aan de vreemdeling uitgereikt (zie artikel 5.3, tweede lid, Vb). Gelet op het bepaalde in artikel 5.2 Vb hoeft de vreemdeling daarbij niet gehoord te worden.
Indien de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een reguliere aanvraag of een asielaanvraag indient, komt aan de beslissing op de reguliere aanvraag ingevolge artikel 73, vierde lid, Vw en aan de beslissing op de asielaanvraag ingevolge artikel 82, vierde lid, Vw geen opschortende werking toe. Voor de procedure betreffende de indiening van een reguliere aanvraag wordt verwezen naar B1/9.1.1.
###### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
@ -3438,7 +3913,7 @@ Vervallen
## Bijlage M2-B. Schengenvisumsticker 2003
*[afbeelding]*
Vervallen
## Bijlage M2-C. Terugkeervisum
@ -3468,7 +3943,7 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of afwijzing van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Bijlage M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
*[afbeelding]*
@ -3512,7 +3987,7 @@ Gereserveerd.
Vervallen
## Bijlage M13. Modelbeschikking ontheffing art. 4.11 Vb
## Bijlage M13. Modelbeschikking ontheffing
*[afbeelding]*
@ -3542,8 +4017,6 @@ Vervallen
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
*[afbeelding]*
@ -3562,7 +4035,7 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M24-A. Opdracht tot verwijdering
## Bijlage M24-A. Opdracht tot verwijdering of overgave
*[afbeelding]*
@ -3674,21 +4147,15 @@ Vervallen
## Bijlage M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
Vervallen
## Bijlage M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
Vervallen
## Bijlage M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
Vervallen
## Bijlage M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
@ -3696,45 +4163,7 @@ Vervallen
## Bijlage M40. Vragenlijst China
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
Vervallen
## Bijlage M41. Verklaring burgerlijke staat
@ -3760,23 +4189,23 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Bijlage M46-A. Verklaring op grond van
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Bijlage M46-B. Verklaring op grond van
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage M46-C. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Bijlage M46-C. Verklaring op grond van
*[afbeelding]*
## Bijlage M46-D. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Bijlage M46-D. Verklaring op grond van
*[afbeelding]*
@ -3816,7 +4245,7 @@ Vervallen
*[afbeelding]*
## Bijlage M54. Aanvraagformulier verstrekkingen RvA 1997
## Bijlage M54. Aanvraagformulier
*[afbeelding]*
@ -3826,7 +4255,7 @@ Vervallen
*[afbeelding]*
## Bijlage M55. Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9 Vc2000
## Bijlage M55. Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling
*[afbeelding]*
@ -3860,9 +4289,7 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M63. Voorstel intrekking en/of ongewenstverklaring
*[afbeelding]*
## Bijlage M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring
*[afbeelding]*
@ -4036,15 +4463,13 @@ Vervallen
*[afbeelding]*
## Bijlage M110-B. Proces-verbaal van gehoor (art. 59 Vw 2000 jo. art. 5.2 Vb 2000)
## Bijlage M110-B. Proces-verbaal van gehoor (
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage M111-A. Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding
*[afbeelding]*
## Bijlage M111-A. Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding
*[afbeelding]*
@ -4058,13 +4483,11 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M111-C. Proces-verbaal art. 50 Vw (mobiel toezicht vreemdelingen)
## Bijlage M111-C. Proces-verbaal
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage M111-D. Beschikking verlenging ophouding art. 50, vierde lid van de Vw 2000
## Bijlage M111-D. Beschikking verlenging ophouding
*[afbeelding]*
@ -4072,7 +4495,7 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M113. Opheffing van een aanwijzing/maatregel als bedoeld in artikel 6, 50, 55, 56, 57, 58 of 59* Vw
## Bijlage M113. Opheffing van een aanwijzing/ maatregel als bedoeld in
*[afbeelding]*
@ -4088,7 +4511,7 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M117-A. Aanwijzing ingevolge artikel 55 en/of meldplicht ingevolge artikel 54 van de Vreemdelingenwet
## Bijlage M117-A. Aanwijzing ingevolge
*[afbeelding]*
@ -4098,11 +4521,13 @@ Vervallen
Vervallen
## Bijlage M117-C. Aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet op de aanmeldcentra
## Bijlage M117-C. Aanwijzing ingevolge
*[afbeelding]*
## Bijlage M118. Geleidebrief/Checklist i.v.m. toepassing art.6/58/59 Vreemdelingenwet 2000
*[afbeelding]*
## Bijlage M118. Aanmeldformulier vreemdeling
*[afbeelding]*
@ -4112,7 +4537,7 @@ Vervallen
*[afbeelding]*
## Bijlage M120. (Voortgangs)gegevens met betrekking tot uitzetting
## Bijlage M120. (voortgangs) gegevens met betrekking tot uitzetting
*[afbeelding]*