2013-07-01 | BWBR0033618 | Inkomstenbelasting,vennootschapsbelasting, winst uit zeescheepvaart, afschrijving op zeeschepen, samenwerkingsverbanden in zeescheepvaartondernemingen en forfaitaire winstvaststelling
This commit is contained in:
parent
3ebd9a72d2
commit
df6bd8ebba
1 changed files with 25 additions and 23 deletions
|
|
@ -14,15 +14,15 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting,vennootschapsbelasting, winst uit zeescheepvaart
|
|||
|
||||
# Inkomstenbelasting,vennootschapsbelasting, winst uit zeescheepvaart, afschrijving op zeeschepen, samenwerkingsverbanden in zeescheepvaartondernemingen en forfaitaire winstvaststelling
|
||||
|
||||
*Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van het besluit van 27 maart 2001, nr. CPP 2001/366M over de forfaitaire winstvaststelling en het besluit van 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M over de afschrijving op zeeschepen en participaties in zeescheepvaart-cv’s.*
|
||||
*Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van het besluit van 27 maart 2001, nr. CPP 2001/366M over de forfaitaire winstvaststelling en het besluit van 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M over de afschrijving op zeeschepen en participaties in zeescheepvaart-cv’s.*
|
||||
|
||||
## 1. Inleiding
|
||||
|
||||
Door middel van dit besluit worden samengevoegd en geactualiseerd de besluiten van 27 maart 2001, nr. CPP2001/366M, en 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M. Beide besluiten gaan over de (forfaitaire) winstvaststelling bij zeescheepvaart. Ten opzichte van het besluit uit 2001 is de goedkeuring voor afronding naar beneden van het nettotonnage bij de toepassing van de tabel van artikel 3.23 van de Wet IB 2001 vervallen (onderdeel 4.7). Hiervoor is een inwerkingtredingsbepaling opgenomen. Daarnaast zijn de volgende onderdelen nieuw dan wel uitgebreid of aangepast: 2.3, 3.1, 3.2, 4, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.8 en 4.9. Tot slot hebben door wetswijziging per 2006 hun belang verloren de onderdelen 7 en 8 over de toepassing van de drie op één verhouding bij commercieel beheer en tijd- of reischarter.
|
||||
Door middel van dit besluit worden samengevoegd en geactualiseerd de besluiten van 27 maart 2001, nr. CPP2001/366M, en 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M. Beide besluiten gaan over de (forfaitaire) winstvaststelling bij zeescheepvaart. Ten opzichte van het besluit uit 2001 is de goedkeuring voor afronding naar beneden van het nettotonnage bij de toepassing van de tabel van artikel 3.23 van de Wet IB 2001 vervallen (onderdeel 4.7). Hiervoor is een inwerkingtredingsbepaling opgenomen. Daarnaast zijn de volgende onderdelen nieuw dan wel uitgebreid of aangepast: 2.3, 3.1, 3.2, 4, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.8 en 4.9. Tot slot hebben door wetswijziging per 2006 hun belang verloren de onderdelen 7 en 8 over de toepassing van de drie op één verhouding bij commercieel beheer en tijd- of reischarter.
|
||||
|
||||
Het besluit van 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M, is inhoudelijk vrijwel ongewijzigd overgenomen. Wel is de tekst van onderdeel 3 (Samenwerkingsverbanden in zeescheepvaartondernemingen) aangepast.
|
||||
Het besluit van 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M, is inhoudelijk vrijwel ongewijzigd overgenomen. Wel is de tekst van onderdeel 3 (Samenwerkingsverbanden in zeescheepvaartondernemingen) aangepast.
|
||||
|
||||
De Europese Commissie staat op basis van richtsnoeren bepaalde steunmaatregelen toe voor internationale zeevervoeractiviteiten, dat wil zeggen vervoer van personen en goederen over zee in het internationale verkeer. Nederland heeft aan de mogelijkheid tot steunverlening onder meer invulling gegeven door de mogelijkheid van versnelde afschrijving op investeringen in zeeschepen. Daarnaast kent Nederland sinds 1996 de mogelijkheid winst uit zeescheepvaart forfaitair te bepalen aan de hand van de nettotonnage. Met ingang van 1 januari 2010 gelden de faciliteiten ook in bepaalde gevallen voor slepen en bagger-of zandzuigwerkzaamheden en werkzaamheden van kabelleggers en kraanschepen en voor werkzaamheden van onderzoeksschepen en pijpenleggers.
|
||||
De Europese Commissie staat op basis van richtsnoeren bepaalde steunmaatregelen toe voor internationale zeevervoeractiviteiten, dat wil zeggen vervoer van personen en goederen over zee in het internationale verkeer. Nederland heeft aan de mogelijkheid tot steunverlening onder meer invulling gegeven door de mogelijkheid van versnelde afschrijving op investeringen in zeeschepen. Daarnaast kent Nederland sinds 1996 de mogelijkheid winst uit zeescheepvaart forfaitair te bepalen aan de hand van de nettotonnage. Met ingang van 1 januari 2010 gelden de faciliteiten ook in bepaalde gevallen voor slepen en bagger-of zandzuigwerkzaamheden en werkzaamheden van kabelleggers en kraanschepen en voor werkzaamheden van onderzoeksschepen en pijpenleggers.
|
||||
|
||||
Dit besluit geeft de beleidskaders waarbinnen de faciliteiten kunnen worden toegepast. Voor deelnemers in een zeescheepvaart-cv of-maatschap, is in onderdeel 3.2 van dit besluit tevens de centrale behandeling door de Belastingdienst geregeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -36,7 +36,7 @@ Een eventuele herziening van de richtsnoeren kan aanleiding geven voor een aanpa
|
|||
- *zor:* zeescheepvaart onbelaste reserve (artikel 3.23, derde lid, van de Wet IB 2001)
|
||||
- *tonnageregeling:* forfaitaire vaststelling van de winst uit zeescheepvaart aan de hand van nettotonnage
|
||||
- *winst uit zeescheepvaart:* winst als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, van de Wet IB 2001
|
||||
- *richtsnoeren:* Mededeling C(2004) 43 van de Commissie – Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer (Publicatieblad van de Europese Unie van 17 januari 2004, 2004/C 13/03)
|
||||
- *richtsnoeren:* Mededeling C(2004) 43 van de Commissie – Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer (Publicatieblad van de Europese Unie van 17 januari 2004, 2004/C 13/03)
|
||||
|
||||
## 2. Winst uit zeescheepvaart; toepassing normale wettelijke regels voor de winstbepaling
|
||||
|
||||
|
|
@ -44,13 +44,13 @@ Als niet geopteerd is voor de tonnageregeling, wordt de winst uit zeescheepvaart
|
|||
|
||||
### 2.1. Afschrijving op zeeschepen algemeen
|
||||
|
||||
Voor het bepalen van de afschrijving wordt een zeeschip met al zijn toebehoren als één bedrijfsmiddel aangemerkt. Anders dan bij vissersschepen en binnenvaartschepen waarbij de motor door de afwijkende levensduur een zelfstandig onderdeel van een bedrijfsmiddel kan vormen, vormt bij zeeschepen de voortstuwing fiscaal één geheel met het casco. Dit betekent dat op het zeeschip als geheel wordt afgeschreven. Een uitzondering op deze regel geldt voor afschrijving op niet zelfstandige onderdelen waarop de Vamil van toepassing is (besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/1402M, onderdeel 1.2). Een voorbeeld is opgenomen in bijlage 2.
|
||||
Voor het bepalen van de afschrijving wordt een zeeschip met al zijn toebehoren als één bedrijfsmiddel aangemerkt. Anders dan bij vissersschepen en binnenvaartschepen waarbij de motor door de afwijkende levensduur een zelfstandig onderdeel van een bedrijfsmiddel kan vormen, vormt bij zeeschepen de voortstuwing fiscaal één geheel met het casco. Dit betekent dat op het zeeschip als geheel wordt afgeschreven. Een uitzondering op deze regel geldt voor afschrijving op niet zelfstandige onderdelen waarop de Vamil van toepassing is (besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/1402M, onderdeel 1.2). Een voorbeeld is opgenomen in bijlage 2.
|
||||
|
||||
Een revolutionaire technologische ontwikkeling in het internationale maritieme vervoer of de invoering van nieuwe milieu- of veiligheidsvoorschriften (bijvoorbeeld invoering van dubbelwandige schepen) kan er toe leiden dat rekening moet worden gehouden met een kortere (economische) levensduur dan tot dusver gebruikelijk was. Dit geldt zowel voor lineaire als degressieve afschrijving.
|
||||
|
||||
### 2.2. Degressieve afschrijving
|
||||
|
||||
Op bedrijfsmiddelen kan degressief worden afgeschreven als aannemelijk is dat sprake is van in de tijd afnemende nutsprestaties (HR 31 augustus 1998, nr. 33.470). De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.
|
||||
Op bedrijfsmiddelen kan degressief worden afgeschreven als aannemelijk is dat sprake is van in de tijd afnemende nutsprestaties (HR 31 augustus 1998, nr. 33.470). De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.
|
||||
|
||||
#### 2.2.1. Goedkeuring degressieve afschrijving op nieuwe en jonge gebruikte zeeschepen
|
||||
|
||||
|
|
@ -85,7 +85,7 @@ Bij aanschaf van een zeeschip ouder dan 11 jaar of bij zeeschepen die op een and
|
|||
|
||||
### 2.5. Investeringsaftrek; ter beschikking stellen
|
||||
|
||||
Het in reischarter geven van een schip kan voor de toepassing van de WIR niet worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van dat schip in de zin van artikel 61a, vijfde lid, aanhef en letter i, van de Wet IB 1964 (tekst 1983) (HR 22 mei 1991, nr. 26.935). Naar mijn mening geldt dat ook voor het in tijd- of reischarter geven van een schip voor de toepassing van de investeringsaftrek (artikel 3.40 van de Wet IB 2001). Het recht op investeringsaftrek blijft bij tijd- of reischarter bestaan.
|
||||
Het in reischarter geven van een schip kan voor de toepassing van de WIR niet worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van dat schip in de zin van artikel 61a, vijfde lid, aanhef en letter i, van de Wet IB 1964 (tekst 1983) (HR 22 mei 1991, nr. 26.935). Naar mijn mening geldt dat ook voor het in tijd- of reischarter geven van een schip voor de toepassing van de investeringsaftrek (artikel 3.40 van de Wet IB 2001). Het recht op investeringsaftrek blijft bij tijd- of reischarter bestaan.
|
||||
|
||||
## 3. Samenwerkingsverbanden in zeescheepvaartondernemingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -103,7 +103,7 @@ De tweede situatie betreft het geval waarin de overige activiteiten van de parti
|
|||
|
||||
Als belastingplichtige ervoor kiest zijn participaties aan te merken als even zoveel ondernemingen, is deze keuze onherroepelijk. Een dergelijke keuze wordt kenbaar gemaakt uiterlijk bij de aangifte over het jaar waarin een participatie is verkregen.
|
||||
|
||||
De feitelijke omstandigheden zijn bepalend en niet het aantal participaties (Hof Amsterdam, 17 maart 2005, nr. 03/4290). Dit betekent dat niet langer als uitgangspunt geldt dat in beginsel het houden van meer dan drie participaties moet worden aangemerkt als één onderneming. Dat uitgangspunt was aanvankelijk opgenomen in het reeds ingetrokken besluit CPP2005/3262.
|
||||
De feitelijke omstandigheden zijn bepalend en niet het aantal participaties (Hof Amsterdam, 17 maart 2005, nr. 03/4290). Dit betekent dat niet langer als uitgangspunt geldt dat in beginsel het houden van meer dan drie participaties moet worden aangemerkt als één onderneming. Dat uitgangspunt was aanvankelijk opgenomen in het reeds ingetrokken besluit CPP2005/3262.
|
||||
|
||||
### 3.2. Centrale uitvoering
|
||||
|
||||
|
|
@ -113,7 +113,7 @@ Naast het geven van zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van de deelname in
|
|||
|
||||
## 4. Winst uit zeescheepvaart: forfaitaire winstvaststelling
|
||||
|
||||
Met ingang van 1 januari 1996 bestaat de tonnageregeling. Op verzoek van de belastingplichtige wordt in afwijking van de artikelen 3.8 tot en met 3.20 en 3.25 tot en met 3.65, en 3.79 van de Wet IB 2001 de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage. Dit betekent dat bijvoorbeeld de aftrekbeperkingen van de gemengde kosten, de herinvesteringsreserve en de stakingsfaciliteiten buiten werking zijn gesteld. Naast de wettelijke bepalingen is van belang de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001 (Regeling van 20 december 2000, WDB2000/919M). De regeling bevat bepalingen over de indiening van het verzoek, de overgang van en naar het tonnageregime, de fiscale eenheid en de geruisloze doorschuiving.
|
||||
Met ingang van 1 januari 1996 bestaat de tonnageregeling. Op verzoek van de belastingplichtige wordt in afwijking van de artikelen 3.8 tot en met 3.20 en 3.25 tot en met 3.65, en 3.79 van de Wet IB 2001 de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage. Dit betekent dat bijvoorbeeld de aftrekbeperkingen van de gemengde kosten, de herinvesteringsreserve en de stakingsfaciliteiten buiten werking zijn gesteld. Naast de wettelijke bepalingen is van belang de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001 (Regeling van 20 december 2000, WDB2000/919M). De regeling bevat bepalingen over de indiening van het verzoek, de overgang van en naar het tonnageregime, de fiscale eenheid en de geruisloze doorschuiving.
|
||||
|
||||
### 4.1. Toepassing op verzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -127,60 +127,62 @@ De inspecteur beslist bij beschikking op een verzoek. Voor afgifte van de beschi
|
|||
|
||||
### 4.3. Einde tonnageperiode
|
||||
|
||||
Na afloop van de tienjaarsperiode wordt de toepassing van de tonnageregeling stilzwijgend verlengd. Wil een belanghebbende na afloop van een tienjaarsperiode terug naar het normale regime van winstbepaling dan moet daartoe een verzoek worden gedaan (wederopzegging). Voor de beantwoording van de vraag binnen welke termijn de keuze voor het beëindigen moet worden kenbaar gemaakt, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor de keuze bij de aanvang van de regeling. Daarvoor geldt dat de keuze moet worden gemaakt in het eerste jaar waarin winst uit zeescheepvaart wordt genoten dan wel in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. Hieruit vloeit logischerwijs voort dat de (herziening van) de keuze vervolgens ook moet worden gemaakt in het tiende jaar of een veelvoud daarvan na het einde van het jaar met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald (dus in jaar 11, 21, 31 etc).(Kamerstukken I, 2004–2005, 29 758, nr. C, p. 2). In overeenstemming met onderdeel 4.1 wordt een dergelijk verzoek gedaan in het eerste jaar na afloop van een tienjaarsperiode (het elfde jaar). Het is ook mogelijk dat een schip niet langer aan de vereisten voor het tonnageregime voldoet en dat daarom de winst behaald met dat schip voortaan aan de hand van de reguliere bepalingen wordt vastgesteld.
|
||||
Na afloop van de tienjaarsperiode wordt de toepassing van de tonnageregeling stilzwijgend verlengd. Wil een belanghebbende na afloop van een tienjaarsperiode terug naar het normale regime van winstbepaling dan moet daartoe een verzoek worden gedaan (wederopzegging). Voor de beantwoording van de vraag binnen welke termijn de keuze voor het beëindigen moet worden kenbaar gemaakt, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor de keuze bij de aanvang van de regeling. Daarvoor geldt dat de keuze moet worden gemaakt in het eerste jaar waarin winst uit zeescheepvaart wordt genoten dan wel in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. Hieruit vloeit logischerwijs voort dat de (herziening van) de keuze vervolgens ook moet worden gemaakt in het tiende jaar of een veelvoud daarvan na het einde van het jaar met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald (dus in jaar 11, 21, 31 etc).(Kamerstukken I, 2004–2005, 29 758, nr. C, p. 2). In overeenstemming met onderdeel 4.1 wordt een dergelijk verzoek gedaan in het eerste jaar na afloop van een tienjaarsperiode (het elfde jaar). Het is ook mogelijk dat een schip niet langer aan de vereisten voor het tonnageregime voldoet en dat daarom de winst behaald met dat schip voortaan aan de hand van de reguliere bepalingen wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
Bij de overgang naar het normale regime wordt het schip te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer verminderd -maar niet verder dan tot nihil- met de zor (artikel 3.23, derde lid en 3.24, derde lid, van de Wet IB 2001). Als de overgang naar het normale regime plaatsvindt nadat de winst uit dat schip tien jaren met toepassing van de tonnageregeling is vastgesteld, wordt het schip te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer. De zor wordt dan definitief niet meer in de heffing betrokken. De claim gaat van rechtswege verloren.
|
||||
|
||||
### 4.4. Belasting over de zor
|
||||
|
||||
Als de onderneming waarmee in Nederland winst uit zeescheepvaart wordt behaald, binnen tien jaren geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt, of als een schip niet meer voldoet aan de vereiste wijze van exploitatie, wordt een (evenredig) deel van de zor tot de winst gerekend. Dat deel is even groot als het deel van de onderneming dat is gestaakt. Van welk schip de zor oorspronkelijk afkomstig is, is niet van belang. Als een gedeelte van een onderneming wordt gestaakt, wordt een zelfde gedeelte van de zor tot de winst gerekend, ongeacht de wijze waarop de claim destijds is bepaald. In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat voor de uitleg van het begrip ‘gedeeltelijke staking’ moet worden aangesloten bij de jurisprudentie ter zake van het staken van een gedeelte van een onderneming (Kamerstukken II, 1995–1996, 24 482, nr. 3, p. 11). Volgens deze jurisprudentie is sprake van een gedeeltelijke staking als de activiteiten van een onderneming in belangrijke mate duurzaam worden ingekrompen (HR 16 oktober 1985, nr. 23.025). Dit houdt in dat de inkrimping minimaal 30% moet bedragen. Als bij de vervreemding van een schip een concreet voornemen bestaat dat schip te vervangen, is geen sprake van (gedeeltelijke) staking.
|
||||
Als de onderneming waarmee in Nederland winst uit zeescheepvaart wordt behaald, binnen tien jaren geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt, of als een schip niet meer voldoet aan de vereiste wijze van exploitatie, wordt een (evenredig) deel van de zor tot de winst gerekend. Dat deel is even groot als het deel van de onderneming dat is gestaakt. Van welk schip de zor oorspronkelijk afkomstig is, is niet van belang. Als een gedeelte van een onderneming wordt gestaakt, wordt een zelfde gedeelte van de zor tot de winst gerekend, ongeacht de wijze waarop de claim destijds is bepaald. In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat voor de uitleg van het begrip ‘gedeeltelijke staking’ moet worden aangesloten bij de jurisprudentie ter zake van het staken van een gedeelte van een onderneming (Kamerstukken II, 1995–1996, 24 482, nr. 3, p. 11). Volgens deze jurisprudentie is sprake van een gedeeltelijke staking als de activiteiten van een onderneming in belangrijke mate duurzaam worden ingekrompen (HR 16 oktober 1985, nr. 23.025). Dit houdt in dat de inkrimping minimaal 30% moet bedragen. Als bij de vervreemding van een schip een concreet voornemen bestaat dat schip te vervangen, is geen sprake van (gedeeltelijke) staking.
|
||||
|
||||
### 4.5. Tonnagegrondslag en slotcharter
|
||||
|
||||
Onder een slotcharter (slot exchange agreement) wordt verstaan een overeenkomst waarbij een partij een deel van de capaciteit van een schip ter beschikking stelt aan een andere partij. Eén slot is gelijk aan de scheepsruimte die nodig is om een container te vervoeren. Voor de berekening van de met een slotcharter behaalde winst, wordt eerst de winst berekend die met het totale schip wordt behaald. Vervolgens wordt een evenredig deel daarvan aan de slotcharter toegerekend.
|
||||
|
||||
Er wordt gedurende een geheel jaar een slotcharter overeenkomst gesloten voor 500 slots. Totaal zijn er 4.000 slots op dat schip. Het nettotonnage van het schip bedraagt 20.000 ton. De winst op grond van de tabel bedraagt in dat jaar voor het gehele schip € 42.256. Aan die slots kan dan een winst worden toegerekend van 500/4.000 x € 42.256 = € 5.282.
|
||||
Er wordt gedurende een geheel jaar een slotcharter overeenkomst gesloten voor 500 slots. Totaal zijn er 4.000 slots op dat schip. Het nettotonnage van het schip bedraagt 20.000 ton. De winst op grond van de tabel bedraagt in dat jaar voor het gehele schip € 42.256. Aan die slots kan dan een winst worden toegerekend van 500/4.000 x € 42.256 = € 5.282.
|
||||
|
||||
### 4.6. Vlagvereiste
|
||||
|
||||
Met ingang van 1 januari 2006 is het zogenoemde vlagvereiste ingevoerd (artikel 3.22, vijfde lid van de Wet IB 2001). Het vlagvereiste geldt alleen voor schepen in (mede)eigendom en rompbevrachting en niet voor schepen in commercieel beheer of in tijd- en reischarter en ook niet voor schepen waarvan voor een ander, het volledige technische en bemanningsbeheer (scheepsmanagement) wordt verricht. Voorts gelden nog een drietal ontheffingen van het vlagvereiste (artikel 3.22, zesde lid, van de Wet IB 2001). De ontheffingen gelden niet voor schepen die worden gehouden in (mede)/eigendom of rompbevrachting en zijn bestemd voor bagger- of sleepwerkzaamheden op zee.
|
||||
Met ingang van 1 januari 2006 is het zogenoemde vlagvereiste ingevoerd (artikel 3.22, vijfde lid van de Wet IB 2001). Het vlagvereiste geldt alleen voor schepen in (mede)eigendom en rompbevrachting en niet voor schepen in commercieel beheer of in tijd- en reischarter en ook niet voor schepen waarvan voor een ander, het volledige technische en bemanningsbeheer (scheepsmanagement) wordt verricht. Voorts gelden nog een drietal ontheffingen van het vlagvereiste (artikel 3.22, zesde lid, van de Wet IB 2001). De ontheffingen gelden niet voor schepen die worden gehouden in (mede)/eigendom of rompbevrachting en zijn bestemd voor bagger- of sleepwerkzaamheden op zee.
|
||||
|
||||
### 4.7
|
||||
### 4.7. Bepaling van de winst aan de hand van tabel
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
||||
De in een kalenderjaar genoten winst uit zeescheepvaart per schip wordt vastgesteld aan de hand van de tabel van artikel 3.23, eerste lid, van de Wet IB 2001. De tabel geeft, uitgaande van het nettotonnage van het schip, het winstbedrag aan per dag per 1.000 nettoton. De tabel moet worden toegepast op het nettotonnage van het schip zonder afronding.
|
||||
|
||||
De winstbepaling aan de hand van de tonnage vindt plaats over alle dagen van de periode waarin een schip door de belastingplichtige wordt geëxploiteerd. Onderbrekingen als gevolg van onderhoud, reparatie of het vanwege ongunstige marktomstandigheden tijdelijk opleggen van een schip komen bij het bepalen van het aantal dagen niet in mindering.
|
||||
|
||||
### 4.8. Winst uit zeescheepvaart: direct met de exploitatie van een schip samenhangende werkzaamheden
|
||||
|
||||
De tonnageregeling is beperkt tot winst uit zeescheepvaart. Dat wordt omschreven in artikel 3.22, vierde lid, van de Wet IB 2001. Naast de in dat artikel bedoelde feitelijke exploitatie van een schip (onderdeel a en b) betreft het mede de winst behaald met de werkzaamheden die daarmee direct samenhangen (onderdeel c). Het gaat dan om werkzaamheden voor de “eigen” schepen. Worden deze werkzaamheden voor derden verricht dan is geen sprake van winst uit zeescheepvaart. Volgens de wetsgeschiedenis is bijvoorbeeld gedacht aan het door de reder in eigen beheer laden en lossen en het in eigen beheer verrichten van cargadoorswerkzaamheden ten behoeve van de door hem geëxploiteerde schepen.
|
||||
|
||||
Voor de bepaling van de winst uit andere activiteiten dan zeescheepvaart gelden de normale regels voor de fiscale winstberekening van Hoofdstuk 3, Afdeling 3.2. van de Wet IB 2001. Als een belastingplichtige zowel winst uit zeescheepvaart als normaal belaste winst geniet, hangen de niet rechtstreeks aan een van beide resultaten toerekenbare kosten, algemene kosten niet zijnde zogenoemde orgaankosten, samen met alle ondernemingsactiviteiten. Deze algemene kosten dienen naar rato van een passende bedrijfseconomische verdeelsleutel aan beide winstgenererende activiteiten te worden toegerekend (Hof Amsterdam 28 juni 2012, nr. 11/00112).
|
||||
Voor de bepaling van de winst uit andere activiteiten dan zeescheepvaart gelden de normale regels voor de fiscale winstberekening van Hoofdstuk 3, Afdeling 3.2. van de Wet IB 2001. Als een belastingplichtige zowel winst uit zeescheepvaart als normaal belaste winst geniet, hangen de niet rechtstreeks aan een van beide resultaten toerekenbare kosten, algemene kosten niet zijnde zogenoemde orgaankosten, samen met alle ondernemingsactiviteiten. Deze algemene kosten dienen naar rato van een passende bedrijfseconomische verdeelsleutel aan beide winstgenererende activiteiten te worden toegerekend (Hof Amsterdam 28 juni 2012, nr. 11/00112).
|
||||
|
||||
a. Beleggen van gelden
|
||||
|
||||
Het beleggen van gelden wordt niet aangemerkt als exploitatie van een schip noch als een werkzaamheid die direct met de exploitatie van een schip samenhangt, aldus de Hoge Raad (arrest van 11 november 2005, nr. 40.865).
|
||||
Het beleggen van gelden wordt niet aangemerkt als exploitatie van een schip noch als een werkzaamheid die direct met de exploitatie van een schip samenhangt, aldus de Hoge Raad (arrest van 11 november 2005, nr. 40.865).
|
||||
b. Verkoopwinst op (geëxploiteerde) schepen
|
||||
|
||||
Alleen de boekwinst behaald op de door belastingplichtige in het kader van een scheepvaartonderneming daadwerkelijk geëxploiteerde schepen valt onder de tonnageregeling (beschikking van de Europese Commissie over de Deense notificatie van wijzigingen in de tonnageregeling, Pb EU, C48/16, punt 79). De tonnageregeling is niet van toepassing op de winst behaald met de handel in schepen ongeacht of een schip in afwachting van de verkoop tijdelijk wordt verhuurd.
|
||||
c. Scheepsbouwactiviteiten/bouwbegeleiding
|
||||
|
||||
De richtsnoeren gelden niet voor steun aan de scheepsbouw. Vergoedingen die worden ontvangen voor werkzaamheden in het kader van de bouw van een schip vallen niet onder de tonnageregeling maar onder de normaal belaste winst. Dit geldt zowel voor werkzaamheden ten behoeve van eigen schepen als voor schepen van derden (Hoge Raad, 2 maart 2007, nr. 42.765).
|
||||
De richtsnoeren gelden niet voor steun aan de scheepsbouw. Vergoedingen die worden ontvangen voor werkzaamheden in het kader van de bouw van een schip vallen niet onder de tonnageregeling maar onder de normaal belaste winst. Dit geldt zowel voor werkzaamheden ten behoeve van eigen schepen als voor schepen van derden (Hoge Raad, 2 maart 2007, nr. 42.765).
|
||||
|
||||
### 4.9. Fiscale eenheid en tonnageregeling
|
||||
|
||||
Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kan zowel winst uit zeescheepvaart genereren als winst uit andere activiteiten. Een fiscale eenheid moet voor de tonnagegrondslag één keuze maken voor al haar zeescheepvaartactiviteiten. Bij het aangaan van een fiscale eenheid moeten bij moeder- en dochtermaatschappij bij het bepalen van de winst dezelfde bepalingen van toepassing zijn. In dit kader wil dit zeggen dat winst uit zeescheepvaart bij zowel moeder als dochter of op grond van de tonnagegrondslag of volgens het normale regime wordt bepaald. Het is niet mogelijk een fiscale eenheid aan te gaan tussen een moeder en een dochter die beide winst uit zeescheepvaart behalen waarbij slechts een van beide heeft geopteerd voor de tonnagegrondslag. Een fiscale eenheid is wel mogelijk tussen een vennootschap met zeescheepvaartactiviteiten en een vennootschap met uitsluitend andere dan zeescheepvaartactiviteiten.
|
||||
|
||||
Bij beëindiging van de fiscale eenheid blijft de zor die is afgegeven op naam van de moeder bij haar achter. Bij een verbreking van de fiscale eenheid, waarbij de moedermaatschappij geen winst uit zeescheepvaart geniet en de andere vennootschappen wel, kan in lijn met de doelstelling van het tonnageregime, de zor op verzoek van zowel de moedermaatschappij als de dochtermaatschappij worden meegegeven aan de dochtermaatschappij. De dochtermaatschappij moet na verbreking van de fiscale eenheid zelfstandig, of als onderdeel van een opvolgende fiscale eenheid vennootschapsbelasting, wel winst uit zeescheepvaart genieten. Voor de samenloop van de tonnageregeling en een fiscale eenheid wordt verwezen naar artikel 5, van de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001 (regeling van 20 december 2000, nr. WDB2000/919).
|
||||
Bij beëindiging van de fiscale eenheid blijft de zor die is afgegeven op naam van de moeder bij haar achter. Bij een verbreking van de fiscale eenheid, waarbij de moedermaatschappij geen winst uit zeescheepvaart geniet en de andere vennootschappen wel, kan in lijn met de doelstelling van het tonnageregime, de zor op verzoek van zowel de moedermaatschappij als de dochtermaatschappij worden meegegeven aan de dochtermaatschappij. De dochtermaatschappij moet na verbreking van de fiscale eenheid zelfstandig, of als onderdeel van een opvolgende fiscale eenheid vennootschapsbelasting, wel winst uit zeescheepvaart genieten. Voor de samenloop van de tonnageregeling en een fiscale eenheid wordt verwezen naar artikel 5, van de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001 (regeling van 20 december 2000, nr. WDB2000/919).
|
||||
|
||||
## 5. Ingetrokken regelingen
|
||||
|
||||
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
|
||||
|
||||
– Besluit van 27 maart 2001, nr. CPP2001/366M, Forfaitaire winstvaststelling. Winst uit zeescheepvaart;
|
||||
– Besluit van 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M, Inkomstenbelasting/Vennootschapsbelasting. Afschrijving op zeeschepen. Participaties in zeescheepvaart-cv’s.
|
||||
– Besluit van 27 maart 2001, nr. CPP2001/366M, Forfaitaire winstvaststelling. Winst uit zeescheepvaart;
|
||||
– Besluit van 16 juli 2008, nr. CPP2008/1222M, Inkomstenbelasting/Vennootschapsbelasting. Afschrijving op zeeschepen. Participaties in zeescheepvaart-cv’s.
|
||||
|
||||
## 6. Inwerkingtreding
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt met uitzondering van onderdeel 4.7 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit. Onderdeel 4.7 van dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.
|
||||
Dit besluit treedt met uitzondering van onderdeel 4.7 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit. Onderdeel 4.7 van dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue