2021-12-17 | BWBR0035203 | Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, lijfrente in de winstsfeer, verzamelbesluit
This commit is contained in:
parent
a109a3bbef
commit
df9a38c300
1 changed files with 44 additions and 44 deletions
|
|
@ -13,7 +13,7 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, lijfrente in de winstsf
|
|||
|
||||
## 1. Inleiding
|
||||
|
||||
Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M. De onderdelen 2 tot en met 7 betreffen aspecten van het regime onder de Wet IB 2001. Onderdeel 8 gaat in op lijfrenten die zijn bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve onder de regeling zoals die luidde tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2001. Onderdeel 9 behandelt enige aspecten van lijfrenten die zijn bedongen vóór 1 januari 1992.
|
||||
Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M. De onderdelen 2 tot en met 7 betreffen aspecten van het regime onder de Wet IB 2001. Onderdeel 8 gaat in op lijfrenten die zijn bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve onder de regeling zoals die luidde tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2001. Onderdeel 9 behandelt enige aspecten van lijfrenten die zijn bedongen vóór 1 januari 1992.
|
||||
|
||||
De volgende onderdelen in dit besluit zijn nieuw (onderdelen 3.2.1., 3.2.2. en 9.6.5.), gewijzigd (onderdelen 3.1., 8., 9.1., 9.2. en 9.6.4.) of verduidelijkt (onderdelen 3.2., 6.3. en 6.6.) opgenomen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -23,7 +23,7 @@ De volgende onderdelen in dit besluit zijn nieuw (onderdelen 3.2.1., 3.2.2. en 9
|
|||
– Onderdeel 3.2.2. Juridische fusie (lijfrenten vanaf 2001)
|
||||
– Onderdeel 6.3. Stakingswinst exclusief de stakingsaftrek/MKB-winstvrijstelling
|
||||
– Onderdeel 6.6. Staking en meer dan één lijfrenteovereenkomst
|
||||
– Onderdeel 8. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve bedongen van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001: omzetting en overdracht
|
||||
– Onderdeel 8. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve bedongen van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001: omzetting en overdracht
|
||||
– Onderdeel 9.1. Overdracht van een stamrecht aan een andere verzekeraar
|
||||
– Onderdeel 9.2. Juridische splitsing en fusie (stamrechten)
|
||||
– Onderdeel 9.6.4. Stamrecht. Uitstel ingangsdatum van 65 naar AOW-leeftijd plus 5
|
||||
|
|
@ -76,7 +76,7 @@ Postbus 20201,
|
|||
- *Wet VPL:*
|
||||
Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, Stb. 2005, 115
|
||||
|
||||
## 2. Lijfrente bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; staking na AOW-leeftijd plus vijf; (tijdelijke) oudedagslijfrente
|
||||
## 2. Lijfrente bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; staking na AOW-leeftijd plus vijf; (tijdelijke) oudedagslijfrente
|
||||
|
||||
Premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt als uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.124 van de Wet IB 2001). Om te kwalificeren als uitgave voor inkomensvoorziening wordt aan een lijfrente onder meer de eis gesteld dat de termijnen van deze lijfrente uiterlijk ingaan in het jaar waarin de belastingplichtige aan wie deze termijnen toekomen, de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd (artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet IB 2001).
|
||||
|
||||
|
|
@ -86,13 +86,13 @@ Voor de toepassing van de artikelen 3.128 en 3.129 van de Wet IB 2001 keur ik he
|
|||
|
||||
Wellicht ten overvloede merk ik op dat in de situatie waarin de met toepassing van deze goedkeuring bedongen lijfrente kwalificeert als een tijdelijke lijfrente in de zin van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001, het maximale gezamenlijke bedrag van de termijnen zoals vermeld in die bepaling onverkort van toepassing is.
|
||||
|
||||
## 3. Omzetting oudedagsreserve en omzetting stakingswinst vanaf 1 januari 2001; de verzekeraar (
|
||||
## 3. Omzetting oudedagsreserve en omzetting stakingswinst vanaf 1 januari 2001; de verzekeraar (
|
||||
|
||||
### 3.1. (Door)overdracht van de onderneming
|
||||
|
||||
Het is mogelijk een aftrekbare lijfrente te bedingen als tegenprestatie voor de overdracht van (een deel van) een onderneming (artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001). Een dergelijke lijfrente dient bedongen te worden van een professionele verzekeraar of van de verzekeraar-overnemer. De wet eist niet dat de verzekeraar-overnemer de onderneming ook in de toekomst voortzet, maar bij een vooropgezette dooroverdracht aan een derde is de verzekeraar in wezen geen overnemer. Zo zal premieaftrek worden geweigerd als tevoren is overeengekomen dat na de inbreng van (een gedeelte van) de onderneming waarvoor als tegenprestatie de lijfrente is bedongen, het (aandelen)belang in die dochtermaatschappij of de onderneming door die dochtermaatschappij zal worden overgedragen aan een derde (zie Hoge Raad 8 november 2000, nr. 35393 juncto Hoge Raad 7 mei 2010, nr 08/01890 en nr. 08/04235).
|
||||
Het is mogelijk een aftrekbare lijfrente te bedingen als tegenprestatie voor de overdracht van (een deel van) een onderneming (artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001). Een dergelijke lijfrente dient bedongen te worden van een professionele verzekeraar of van de verzekeraar-overnemer. De wet eist niet dat de verzekeraar-overnemer de onderneming ook in de toekomst voortzet, maar bij een vooropgezette dooroverdracht aan een derde is de verzekeraar in wezen geen overnemer. Zo zal premieaftrek worden geweigerd als tevoren is overeengekomen dat na de inbreng van (een gedeelte van) de onderneming waarvoor als tegenprestatie de lijfrente is bedongen, het (aandelen)belang in die dochtermaatschappij of de onderneming door die dochtermaatschappij zal worden overgedragen aan een derde (zie Hoge Raad 8 november 2000, nr. 35393 juncto Hoge Raad 7 mei 2010, nr 08/01890 en nr. 08/04235).
|
||||
|
||||
Onder omstandigheden hoeft een vooropgezette dooroverdracht niet in de weg te staan aan de premieaftrek. Dit onderdeel betreft het beleid over een dergelijke vooropgezette dooroverdracht, met inachtneming van de arresten van 7 mei 2010 (nr. 08/01890 en nr. 08/04235). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat onder de wettelijke regeling ook de situatie valt waarin de onderneming ‘uitzakt’ in een dochtermaatschappij, maar waarbij de verzekeraar-overnemer de gerechtigdheid tot het vermogen en de winst van die onderneming volledig behoudt.
|
||||
Onder omstandigheden hoeft een vooropgezette dooroverdracht niet in de weg te staan aan de premieaftrek. Dit onderdeel betreft het beleid over een dergelijke vooropgezette dooroverdracht, met inachtneming van de arresten van 7 mei 2010 (nr. 08/01890 en nr. 08/04235). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat onder de wettelijke regeling ook de situatie valt waarin de onderneming ‘uitzakt’ in een dochtermaatschappij, maar waarbij de verzekeraar-overnemer de gerechtigdheid tot het vermogen en de winst van die onderneming volledig behoudt.
|
||||
|
||||
Regelmatig worden mij vragen voorgelegd betreffende de (door)overdracht van de verkregen onderneming door de verzekeraar-overnemer(s)1Gewezen wordt nog op de wisselende perspectieven bij de reorganisatie van bijvoorbeeld een vof. Voor de overdragende natuurlijke persoon betreft de ‘overgedragen onderneming’ zijn firma-aandeel – voor zover door hem overgedragen aan de houdstermaatschappij. Voor de gezamenlijke dochtermaatschappij waarin alle firma-aandelen – voor zover aan haar overgedragen door de houdstermaatschappij(en) – bij elkaar komen betreft de ‘overgedragen onderneming’ het totaal van de bedoelde firma-aandelen (waarin de houdstermaatschappij haar belang al dan niet volledig heeft behouden).. Mijn antwoord hierop is dat ik bereid ben een dergelijke overdracht – voor zover nodig – goed te keuren mits het om reële gevallen gaat. Hiertoe behoren de hierna genoemde situaties:
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,13 +203,13 @@ Een ondernemer die zijn onderneming overdraagt aan een nieuw opgerichte bv terwi
|
|||
|
||||
Indien sprake is van financial lease, kan dit feitelijk worden aangemerkt als directe (door)verkoop van de onderneming. Indien het voornemen daartoe al bestond ten tijde van het bedingen van de lijfrente, kwalificeert de bv niet als verzekeraar-overnemer in de zin van artikel 3.126 van de Wet IB 2001.
|
||||
|
||||
Indien sprake is van *operational* lease, kan worden gesteld dat in principe sprake is van een met verhuur overeenkomende wijze van ter beschikking stellen van de vermogensbestanddelen. Vereist is dat de verzekeraar een onderneming in materiële zin overneemt om te kwalificeren als verzekeraar-overnemer. Zie namelijk de eis gesteld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. In deze situatie wordt door de bv echter geen onderneming in materiële zin overgenomen (Hoge Raad 20 februari 2004, nr. 38168; gewezen inzake artikel 18 van de Wet IB 1964). Het voorgaande geldt niet indien de verhuurder van de onderneming wel als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt aangemerkt (zie Hof Arnhem 22 oktober 2008, nr. 07/00340). In dat geval neemt de verzekeraar namelijk wel een onderneming in eerder genoemde zin over.
|
||||
Indien sprake is van *operational* lease, kan worden gesteld dat in principe sprake is van een met verhuur overeenkomende wijze van ter beschikking stellen van de vermogensbestanddelen. Vereist is dat de verzekeraar een onderneming in materiële zin overneemt om te kwalificeren als verzekeraar-overnemer. Zie namelijk de eis gesteld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. In deze situatie wordt door de bv echter geen onderneming in materiële zin overgenomen (Hoge Raad 20 februari 2004, nr. 38168; gewezen inzake artikel 18 van de Wet IB 1964). Het voorgaande geldt niet indien de verhuurder van de onderneming wel als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt aangemerkt (zie Hof Arnhem 22 oktober 2008, nr. 07/00340). In dat geval neemt de verzekeraar namelijk wel een onderneming in eerder genoemde zin over.
|
||||
|
||||
Dat een bv wordt geacht met het hele vermogen een onderneming te drijven (de fictie van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Vpb) doet daar niet aan af. Genoemde fictie veronderstelt weliswaar dat de bv in formele zin steeds een onderneming uitoefent, maar er is geen reden die bepaling door te laten werken naar artikel 3.126 van de Wet IB 2001.
|
||||
|
||||
Bovenstaand standpunt neem ik tevens in indien de overdrager de onderneming vóór de inbreng in de bv nog niet verhuurde maar ten tijde van het bedingen van de lijfrente de overnemer dit voornemen wel had.
|
||||
|
||||
## 4. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; termijnen
|
||||
## 4. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; termijnen
|
||||
|
||||
Het bedingen van een lijfrente wordt afgerond met het betalen of verrekenen van de premie. In dit onderdeel wordt ingegaan op problemen met termijnen bij het bedingen (inclusief betaling/verrekening) van een lijfrente.
|
||||
|
||||
|
|
@ -236,13 +236,13 @@ De hiervoor opgenomen goedkeuring geldt ook als erfgenamen van de overleden onde
|
|||
|
||||
#### 4.2.1. BV in oprichting; hoogte oudedagsreserve; tijdstip bedingen lijfrente bij geruisloze omzetting
|
||||
|
||||
Bij geruisloze omzetting wordt voor het bepalen van de winst de onderneming geacht niet te zijn gestaakt. Deze fictie geldt niet voor de oudedagsreserve. Dit brengt mee dat per 31 december van het kalenderjaar van staking het ondernemingsvermogen ontbreekt. De oudedagsreserve valt daarom in de winst (artikel 3.70, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Directe afrekening kan (op verzoek) worden voorkomen door de oudedagsreserve om te zetten in een lijfrente, met toepassing van artikel 3.70, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Bij inbreng in een bv dient de oudedagsreserve te worden afgerekend per 31 december van het jaar waarin de bv tot stand is gekomen (Hoge Raad 29 april 1981, nr. 20 143). De lijfrente dient met het oog daarop te zijn bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar. Uiteraard dient de lijfrente – nu deze wordt bedongen bij de overnemende bv – de tegenprestatie te vormen voor de overdracht van een (gedeelte van een) onderneming.
|
||||
Bij geruisloze omzetting wordt voor het bepalen van de winst de onderneming geacht niet te zijn gestaakt. Deze fictie geldt niet voor de oudedagsreserve. Dit brengt mee dat per 31 december van het kalenderjaar van staking het ondernemingsvermogen ontbreekt. De oudedagsreserve valt daarom in de winst (artikel 3.70, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Directe afrekening kan (op verzoek) worden voorkomen door de oudedagsreserve om te zetten in een lijfrente, met toepassing van artikel 3.70, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Bij inbreng in een bv dient de oudedagsreserve te worden afgerekend per 31 december van het jaar waarin de bv tot stand is gekomen (Hoge Raad 29 april 1981, nr. 20 143). De lijfrente dient met het oog daarop te zijn bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar. Uiteraard dient de lijfrente – nu deze wordt bedongen bij de overnemende bv – de tegenprestatie te vormen voor de overdracht van een (gedeelte van een) onderneming.
|
||||
|
||||
#### 4.2.2. Tijdstip bedingen stakingslijfrente bij ruisende inbreng onderneming
|
||||
|
||||
Bij ruisende inbreng in een bv kan de stakingswinst worden aangegeven in het kalenderjaar waarin de voorovereenkomst is afgesloten (o.a. Hoge Raad 11 mei 1960, nr. 14 269). Wil een belastingplichtige in dat kalenderjaar de lijfrentepremie-aftrek benutten door een omzetting stakingswinst dan dient de bv tot stand te zijn gekomen en de lijfrente te zijn bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar (zie artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
Bij ruisende inbreng in een bv kan de stakingswinst worden aangegeven in het kalenderjaar waarin de voorovereenkomst is afgesloten (o.a. Hoge Raad 11 mei 1960, nr. 14 269). Wil een belastingplichtige in dat kalenderjaar de lijfrentepremie-aftrek benutten door een omzetting stakingswinst dan dient de bv tot stand te zijn gekomen en de lijfrente te zijn bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar (zie artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
|
||||
Indien de stakingswinst wordt aangegeven in het jaar waarin de bv is opgericht (het jaar van de juridische levering; zie Hoge Raad 18 juni 1952, B 9242) kan de premie-aftrek bij de omzetting stakingswinst plaatsvinden in dat kalenderjaar. De uiterlijke termijn voor het bedingen van die lijfrente loopt dan tot 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
|
||||
Indien de stakingswinst wordt aangegeven in het jaar waarin de bv is opgericht (het jaar van de juridische levering; zie Hoge Raad 18 juni 1952, B 9242) kan de premie-aftrek bij de omzetting stakingswinst plaatsvinden in dat kalenderjaar. De uiterlijke termijn voor het bedingen van die lijfrente loopt dan tot 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
|
||||
|
||||
In beide situaties moet uiteraard sprake zijn van een lijfrente die is bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een (gedeelte van een) onderneming. De staking wordt voor de omzetting stakingswinst derhalve geacht te hebben plaatsgevonden in het jaar waarin de stakingswinst wordt verantwoord.
|
||||
|
||||
|
|
@ -256,13 +256,13 @@ Bij inbreng in een bv wordt vaak bij de oprichting een lijfrente bedongen. Boekh
|
|||
|
||||
#### 4.2.4. Tijdstip bedingen stakingslijfrente; gebroken boekjaar
|
||||
|
||||
Een ondernemer die (een gedeelte van) een onderneming staakt, kan premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, van de Wet IB 2001 in aanmerking nemen (omzetting stakingswinst). De premie-aftrek valt in beginsel in het *kalenderjaar* waarin de onderneming (gedeeltelijk) wordt gestaakt. Met toepassing van de zesmaandstermijn kan de lijfrente worden bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar. De (stakings)winst van een *gebroken boekjaar* dient echter te worden aangegeven in het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt (artikel 3.66, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
Een ondernemer die (een gedeelte van) een onderneming staakt, kan premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, van de Wet IB 2001 in aanmerking nemen (omzetting stakingswinst). De premie-aftrek valt in beginsel in het *kalenderjaar* waarin de onderneming (gedeeltelijk) wordt gestaakt. Met toepassing van de zesmaandstermijn kan de lijfrente worden bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar. De (stakings)winst van een *gebroken boekjaar* dient echter te worden aangegeven in het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt (artikel 3.66, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
|
||||
*Goedkeuring*
|
||||
|
||||
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de lijfrente kan worden bedongen vóór 1 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt.
|
||||
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de lijfrente kan worden bedongen vóór 1 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt.
|
||||
|
||||
Ter toelichting wil ik nog het volgende opmerken. Bij een volledige staking eindigt het *boekjaar* in het *kalenderjaar* waarin de onderneming wordt gestaakt. Alsdan zal de stakingswinst moeten worden beschouwd als de winst van het kalenderjaar van staking. In dat geval dient de lijfrente te zijn bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
|
||||
Ter toelichting wil ik nog het volgende opmerken. Bij een volledige staking eindigt het *boekjaar* in het *kalenderjaar* waarin de onderneming wordt gestaakt. Alsdan zal de stakingswinst moeten worden beschouwd als de winst van het kalenderjaar van staking. In dat geval dient de lijfrente te zijn bedongen vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
|
||||
|
||||
#### 4.2.5. Stakingslijfrente. Stakingswinst. Langlopende liquidatie
|
||||
|
||||
|
|
@ -270,13 +270,13 @@ Als een belastingplichtige die voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is, zijn onde
|
|||
|
||||
Een langlopende liquidatie volgt fiscaal het regime van een reeks gedeeltelijke stakingen. Dat betekent dat steeds wanneer een deel van de totale stakingswinst wordt of moet worden verantwoord, voor dat deel een stakingslijfrente bedongen kan worden. De aan de ondernemer toekomende termijnen van die lijfrente dienen in te gaan binnen zes maanden na staking (artikel 3.129, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet IB 2001). Indien de stakingswinst is verantwoord in een later jaar dan het jaar van staking, dienen de termijnen in te gaan binnen zes maanden na het verantwoorden van de desbetreffende stakingswinst.
|
||||
|
||||
De termijn van betaling is uiterlijk 30 juni van het kalenderjaar volgende op het jaar waarin de desbetreffende stakingswinst is verantwoord (artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001, behoudens overgangsrecht). De hiervoor genoemde bepaling zet niet de (wettelijke) voorwaarde opzij dat de termijnen dienen in te gaan binnen zes maanden na staking respectievelijk binnen zes maanden nadat de stakingswinst is verantwoord in het geval die wordt behaald in een jaar na het jaar van staking.
|
||||
De termijn van betaling is uiterlijk 30 juni van het kalenderjaar volgende op het jaar waarin de desbetreffende stakingswinst is verantwoord (artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001, behoudens overgangsrecht). De hiervoor genoemde bepaling zet niet de (wettelijke) voorwaarde opzij dat de termijnen dienen in te gaan binnen zes maanden na staking respectievelijk binnen zes maanden nadat de stakingswinst is verantwoord in het geval die wordt behaald in een jaar na het jaar van staking.
|
||||
|
||||
Het is niet toegestaan een overeenkomst met terugwerkende kracht af te sluiten om te voldoen aan de vereiste ingangsdatum volgens artikel 3.129, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet IB 2001. Het bedingen van een lijfrente met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het afsluiten ervan is fiscaal immers niet mogelijk.
|
||||
|
||||
De stakingslijfrente kan alleen in aftrek worden gebracht op het inkomen uit werk en woning in het jaar waarin de desbetreffende stakingswinst wordt of moet worden verantwoord.
|
||||
|
||||
## 5. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; bedongen door de erfgenamen van de overleden ondernemer (
|
||||
## 5. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; bedongen door de erfgenamen van de overleden ondernemer (
|
||||
|
||||
### 5.1. Overlijden na staking, maar voordat lijfrenten zijn bedongen
|
||||
|
||||
|
|
@ -286,13 +286,13 @@ Mij is de vraag voorgelegd of van de desbetreffende regeling ook gebruik gemaakt
|
|||
|
||||
Ik keur goed dat de regeling van artikel 3.131 van de Wet IB 2001 ook kan worden toegepast in de situatie waarin een belastingplichtige zijn onderneming anders dan door overlijden heeft gestaakt en, als gevolg van later overlijden, niet zelf tijdig een lijfrente heeft kunnen bedingen voor de met of bij de staking van de onderneming behaalde winst en/of de stand van de oudedagsreserve.
|
||||
|
||||
Ik merk nog op dat van deze goedkeuring ook gebruik kan worden gemaakt als de premie is betaald of verrekend na 1 juli van het jaar volgend op het jaar van staking van de onderneming van de overledene.
|
||||
Ik merk nog op dat van deze goedkeuring ook gebruik kan worden gemaakt als de premie is betaald of verrekend na 1 juli van het jaar volgend op het jaar van staking van de onderneming van de overledene.
|
||||
|
||||
X staakt in het kalenderjaar 2012 zijn onderneming. De stakingswinst is belast in 2012. Hij kan een van het inkomen over het jaar 2012 aftrekbare lijfrente bedingen tot 1 juli 2013 (artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
X staakt in het kalenderjaar 2012 zijn onderneming. De stakingswinst is belast in 2012. Hij kan een van het inkomen over het jaar 2012 aftrekbare lijfrente bedingen tot 1 juli 2013 (artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
|
||||
X overlijdt op 1 april 2013. Hij had, bij leven, zelf tot 1 juli 2013 de tijd om een aftrekbare lijfrente te bedingen maar heeft dat nog niet gedaan.
|
||||
X overlijdt op 1 april 2013. Hij had, bij leven, zelf tot 1 juli 2013 de tijd om een aftrekbare lijfrente te bedingen maar heeft dat nog niet gedaan.
|
||||
|
||||
De erfgenamen kunnen nu een lijfrente bedingen tot 1 oktober 2013 (1 april + zes maanden). Aangezien de regeling meebrengt dat de premie geacht wordt te zijn betaald of verrekend op het moment van overlijden, kan vervolgens worden gesteld dat betaling of verrekening heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2013, en aldus kan de premie worden toegerekend aan het kalenderjaar 2012 (artikel 3.131, tweede lid, jo. artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
De erfgenamen kunnen nu een lijfrente bedingen tot 1 oktober 2013 (1 april + zes maanden). Aangezien de regeling meebrengt dat de premie geacht wordt te zijn betaald of verrekend op het moment van overlijden, kan vervolgens worden gesteld dat betaling of verrekening heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2013, en aldus kan de premie worden toegerekend aan het kalenderjaar 2012 (artikel 3.131, tweede lid, jo. artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001).
|
||||
|
||||
Belastingplichtigen kunnen een verzoek tot toepassing van deze goedkeuring indienen bij de inspecteur van de overledene. Wellicht ten overvloede merk ik op dat overigens moet zijn voldaan aan alle in artikel 3.131, tweede lid, van de Wet IB 2001, genoemde voorwaarden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -306,7 +306,7 @@ Indien de erfgenamen van de overleden ondernemer een lijfrente bedingen met toep
|
|||
|
||||
De begunstigende regeling van onderdeel 5.1. van dit besluit brengt niet altijd mee dat het maximum van toepassing is als bedoeld in artikel 3.129, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet IB 2001 (staking door overlijden). Het besluit biedt de mogelijkheid aan de erfgenamen datgene te bereiken wat de ondernemer *bij leven* had kunnen bereiken: het voorkomen van directe afrekening over de stakingswinst en de stand van de oudedagsreserve. Hierbij is het maximum van toepassing dat geldt op het moment van staking (bij leven).
|
||||
|
||||
## 6. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; diverse onderwerpen
|
||||
## 6. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; diverse onderwerpen
|
||||
|
||||
### 6.1. Omzetting stakingswinst; in aanmerking te nemen lijfrentepremies
|
||||
|
||||
|
|
@ -324,11 +324,11 @@ De in de aangifte opgenomen verdeling van de lijfrentepremie over de verschillen
|
|||
|
||||
Een ondernemer kan bij staking (van een gedeelte) van de onderneming voor het bedrag van de stakingswinst een lijfrente bedingen (artikel 3.129, eerste lid, van de Wet IB 2001). Het maximaal te bedingen bedrag aan lijfrente wordt dus bepaald door de stakingswinst. De stakingsaftrek komt als een onderdeel van de ondernemersaftrek rechtstreeks in mindering op de winst uit onderneming. Dit geldt ook voor de MKB-winstvrijstelling. Deze twee ondernemersaftrekken komen daarom niet (ook nog) in mindering op de stakingswinst van een onderneming.
|
||||
|
||||
Als iemand een stakingswinst behaalt van € 100.000, bedraagt het maximum bedrag waarvoor premieaftrek kan plaatsvinden € 100.000, en niet € 100.000 verminderd met de stakingsaftrek en MKB-winstvrijstelling.
|
||||
Als iemand een stakingswinst behaalt van € 100.000, bedraagt het maximum bedrag waarvoor premieaftrek kan plaatsvinden € 100.000, en niet € 100.000 verminderd met de stakingsaftrek en MKB-winstvrijstelling.
|
||||
|
||||
### 6.4. Oprenten lijfrenteverplichting in voorperiode bv
|
||||
|
||||
Bij inbreng van een onderneming in een bv kan tot maximaal de stakingswinst en de oudedagsreserve een lijfrente worden bedongen van die bv. Aftrek van premies voor een lijfrente als uitgave voor een inkomensvoorziening is niet mogelijk in de periode gelegen vóór de oprichting van de bv omdat een lijfrenteovereenkomst tussen een bv i.o. en een oprichter onbestaanbaar is (Hoge Raad 22 juli 1988, nr. 25 582). De onderneming wordt echter vanaf het overgangstijdstip voor rekening en risico van de bv gedreven. Als de bv is opgericht en een dergelijke overeenkomst (alsnog) tot stand komt, kan daarom ook oprenting van de lijfrenteverplichting door de bv plaatsvinden vanaf het moment waarop de onderneming wordt geacht voor rekening en risico te worden gedreven van de bv (i.o.) tot de datum van oprichting van de bv.
|
||||
Bij inbreng van een onderneming in een bv kan tot maximaal de stakingswinst en de oudedagsreserve een lijfrente worden bedongen van die bv. Aftrek van premies voor een lijfrente als uitgave voor een inkomensvoorziening is niet mogelijk in de periode gelegen vóór de oprichting van de bv omdat een lijfrenteovereenkomst tussen een bv i.o. en een oprichter onbestaanbaar is (Hoge Raad 22 juli 1988, nr. 25 582). De onderneming wordt echter vanaf het overgangstijdstip voor rekening en risico van de bv gedreven. Als de bv is opgericht en een dergelijke overeenkomst (alsnog) tot stand komt, kan daarom ook oprenting van de lijfrenteverplichting door de bv plaatsvinden vanaf het moment waarop de onderneming wordt geacht voor rekening en risico te worden gedreven van de bv (i.o.) tot de datum van oprichting van de bv.
|
||||
|
||||
### 6.5. Dadelijk ingaande termijnen van lijfrente
|
||||
|
||||
|
|
@ -336,7 +336,7 @@ Bij een omzetting stakingswinst geldt een wettelijk bepaald maximumbedrag aan li
|
|||
|
||||
### 6.6. Staking en meer dan één lijfrenteovereenkomst
|
||||
|
||||
In een situatie van meer dan één lijfrenteovereenkomst moet voor iedere lijfrente apart worden bezien tot welke aftrek dit zou kunnen leiden. De hoogste van deze aftrekbedragen kan in aanmerking worden genomen. Uitdrukkelijk merk ik op dat geen cumulatie mogelijk is van de afzonderlijke aftrekbedragen die thans zijn genoemd in artikel 3.129, tweede lid, van de Wet IB 2001. Ik verwijs hiervoor naar mijn onderschrift bij de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage, 6 juni 2006, nr. 04/2053 (*V-N* 2006/54.16).
|
||||
In een situatie van meer dan één lijfrenteovereenkomst moet voor iedere lijfrente apart worden bezien tot welke aftrek dit zou kunnen leiden. De hoogste van deze aftrekbedragen kan in aanmerking worden genomen. Uitdrukkelijk merk ik op dat geen cumulatie mogelijk is van de afzonderlijke aftrekbedragen die thans zijn genoemd in artikel 3.129, tweede lid, van de Wet IB 2001. Ik verwijs hiervoor naar mijn onderschrift bij de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage, 6 juni 2006, nr. 04/2053 (*V-N* 2006/54.16).
|
||||
|
||||
### 6.7. Jaar van staking. Te bedingen lijfrente voor de vrijval van de Oudedagsreserve
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,19 +346,19 @@ Voor zover nodig keur ik daarom goed dat ook in het jaar van staking van een ond
|
|||
|
||||
## 7. Geen aanpassing bestaande polissen nodig voor eerbiedigende werking Overbruggingslijfrenten
|
||||
|
||||
Zie het besluit van 13 juni 2012, BLKB2012/283M, onderdeel 4.5.1.
|
||||
Zie het besluit van 13 juni 2012, BLKB2012/283M, onderdeel 4.5.1.
|
||||
|
||||
## 8. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve bedongen van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001: omzetting en overdracht
|
||||
## 8. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve bedongen van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001: omzetting en overdracht
|
||||
|
||||
Dit onderdeel betreft lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve met toepassing van de regelingen zoals deze luidden van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 (artikel 45a, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 1964). Het regime van de Wet IB 2001W is van toepassing op deze lijfrenten (onderdeel T van de Invoeringswet). Dit betekent dat bij de omzetting van deze lijfrenten de wettelijke regels van dit regime gelden.
|
||||
Dit onderdeel betreft lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve met toepassing van de regelingen zoals deze luidden van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 (artikel 45a, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 1964). Het regime van de Wet IB 2001W is van toepassing op deze lijfrenten (onderdeel T van de Invoeringswet). Dit betekent dat bij de omzetting van deze lijfrenten de wettelijke regels van dit regime gelden.
|
||||
|
||||
De overdracht van deze lijfrenteverplichtingen is, gelet op hiervoor genoemd onderdeel van de Invoeringswet, onder voorwaarden mogelijk zonder sanctie. Zie hiervoor onderdeel 3.2.
|
||||
|
||||
## 9. Stamrechten bedongen vóór 1 januari 1992 (artikel 19 en 44j-Wet IB 1964)
|
||||
## 9. Stamrechten bedongen vóór 1 januari 1992 (artikel 19 en 44j-Wet IB 1964)
|
||||
|
||||
### 9.1. Overdracht van een stamrecht aan een andere verzekeraar
|
||||
|
||||
Bij het niet-nakomen van de voorwaarden die zijn gesteld voor toepassing van de stamrechtvrijstelling in artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 en voor de onbelaste afneming van de oudedagsreserve bij het bedingen van een stamrecht in artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964, was een sanctiebepaling van toepassing (IB ’64-sanctie en Vpb-sanctie). Met ingang van 1 januari 1992 zijn artikel 19 (oud) en artikel 44j, derde lid (oud), van de Wet IB 1964 vervallen. Voor rechten op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop één van deze bepalingen is toegepast, bleven deze artikelen en tevens de met ingang van die datum vervallen IB ’64-sanctie van toepassing (artikel 80b van de Wet IB 1964). Er is een overgangsbepaling opgenomen voor de heffing van inkomstenbelasting, zodat ook onder de Wet IB 2001 de sanctiebepaling van kracht blijft (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet).
|
||||
Bij het niet-nakomen van de voorwaarden die zijn gesteld voor toepassing van de stamrechtvrijstelling in artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 en voor de onbelaste afneming van de oudedagsreserve bij het bedingen van een stamrecht in artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964, was een sanctiebepaling van toepassing (IB ’64-sanctie en Vpb-sanctie). Met ingang van 1 januari 1992 zijn artikel 19 (oud) en artikel 44j, derde lid (oud), van de Wet IB 1964 vervallen. Voor rechten op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop één van deze bepalingen is toegepast, bleven deze artikelen en tevens de met ingang van die datum vervallen IB ’64-sanctie van toepassing (artikel 80b van de Wet IB 1964). Er is een overgangsbepaling opgenomen voor de heffing van inkomstenbelasting, zodat ook onder de Wet IB 2001 de sanctiebepaling van kracht blijft (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet).
|
||||
|
||||
Deze sanctiebepalingen treden onder meer in werking wanneer degene van wie het stamrecht is bedongen, de stamrechtverplichting overdraagt aan een derde. De overdrager voldoet dan namelijk niet langer aan de voorwaarde dat hij de verplichting tot het doen van uitkeringen geheel rekent tot zijn ondernemingsvermogen (artikel 59a (oud), eerste lid, van de Wet IB 1964 en artikel 23a (oud), eerste lid, Wet Vpb).
|
||||
|
||||
|
|
@ -388,11 +388,11 @@ Ook hier ben ik bereid in voorkomende gevallen te bezien of in afwijking van het
|
|||
|
||||
### 9.3. Omzetting van een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht
|
||||
|
||||
Voor de sanctiebepalingen die van kracht zijn verwijs ik allereerst naar de eerste alinea van onderdeel 9.1 van dit besluit. In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet is een overgangsbepaling opgenomen over bestaande rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Deze houdt in dat onder bepaalde voorwaarden de regels voor het bepalen van het inkomen die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet IB 1964, van toepassing blijven voor zover het recht tot stand is gekomen op grond van premies die zijn betaald vóór 1 januari 2001.
|
||||
Voor de sanctiebepalingen die van kracht zijn verwijs ik allereerst naar de eerste alinea van onderdeel 9.1 van dit besluit. In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet is een overgangsbepaling opgenomen over bestaande rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Deze houdt in dat onder bepaalde voorwaarden de regels voor het bepalen van het inkomen die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet IB 1964, van toepassing blijven voor zover het recht tot stand is gekomen op grond van premies die zijn betaald vóór 1 januari 2001.
|
||||
|
||||
De Vpb-sanctie zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991, is nog van toepassing ter zake van artikel 19- of artikel 44j-stamrechten (artikel 33a van de Wet Vpb).
|
||||
De Vpb-sanctie zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991, is nog van toepassing ter zake van artikel 19- of artikel 44j-stamrechten (artikel 33a van de Wet Vpb).
|
||||
|
||||
De voorwaarden van artikel 19 (oud) en 44j (oud) van de Wet IB 1964 brengen mee dat een stamrecht in principe levenslang moet uitkeren, hetgeen inhoudt dat de termijnen slechts mogen eindigen bij overlijden van de gerechtigde (behoudens voor zover ze toekomen aan kinderen van de gerechtigde). Vanaf 1 januari 1992 is aftrek van het inkomen mogelijk voor premies inzake zogenoemde tijdelijke lijfrenten. Deze mogelijkheid is tot 1 januari 2006 in de Wet IB 2001 gehandhaafd.
|
||||
De voorwaarden van artikel 19 (oud) en 44j (oud) van de Wet IB 1964 brengen mee dat een stamrecht in principe levenslang moet uitkeren, hetgeen inhoudt dat de termijnen slechts mogen eindigen bij overlijden van de gerechtigde (behoudens voor zover ze toekomen aan kinderen van de gerechtigde). Vanaf 1 januari 1992 is aftrek van het inkomen mogelijk voor premies inzake zogenoemde tijdelijke lijfrenten. Deze mogelijkheid is tot 1 januari 2006 in de Wet IB 2001 gehandhaafd.
|
||||
|
||||
Ongeacht de van toepassing zijnde regels voor de bepaling van het inkomen uit dergelijke stamrechten, keur ik goed dat een omzetting van een dergelijk stamrecht fiscaal geruisloos kan plaatsvinden, mits het gaat om een omzetting in een lijfrente die is opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 3.125 van de Wet IB 2001. De omzetting kan alleen fiscaal geruisloos plaatsvinden indien een (vergelijkbare) omzetting van een met toepassing van artikel 3.128 of 3.129 van de Wet IB 2001 bedongen lijfrente eveneens geruisloos zou kunnen plaatsvinden. Een omzetting van een al ingegane levenslange nabestaandenlijfrente in een uitgestelde (al dan niet tijdelijke) oudedagslijfrente is dus bijvoorbeeld niet toegestaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -415,13 +415,13 @@ Op de omzetting in een tijdelijke lijfrente waarvan de uitkeringen zijn uitgeste
|
|||
|
||||
### 9.4. Splitsing artikel 19- of 44j-stamrecht in verband met echtscheiding of scheiding van tafel en bed
|
||||
|
||||
Als een artikel 19- of 44j-stamrecht in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt gesplitst in twee stamrechten, of volledig aan een van de ex-partners wordt toegedeeld, voldoet het stamrecht (gedeeltelijk) niet meer aan de voorwaarden die aan de toekenning van het desbetreffende stamrecht zijn gesteld (artikel 19 (oud), derde lid, of van artikel 44j, derde lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidden op 31 december 1991). De (oude) wettelijke bepalingen waarin de voorwaarden zijn opgenomen blijven van kracht gelet op artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet juncto artikel 80b van de Wet IB 1964 . Dit zou meebrengen dat de IB ’64-sanctie dan wel de Vpb-sanctie zou moeten worden toegepast. Daarnaast kan (ook) sprake zijn van een heffingsmoment in de zin van de Wet IB 2001.
|
||||
Als een artikel 19- of 44j-stamrecht in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt gesplitst in twee stamrechten, of volledig aan een van de ex-partners wordt toegedeeld, voldoet het stamrecht (gedeeltelijk) niet meer aan de voorwaarden die aan de toekenning van het desbetreffende stamrecht zijn gesteld (artikel 19 (oud), derde lid, of van artikel 44j, derde lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidden op 31 december 1991). De (oude) wettelijke bepalingen waarin de voorwaarden zijn opgenomen blijven van kracht gelet op artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet juncto artikel 80b van de Wet IB 1964 . Dit zou meebrengen dat de IB ’64-sanctie dan wel de Vpb-sanctie zou moeten worden toegepast. Daarnaast kan (ook) sprake zijn van een heffingsmoment in de zin van de Wet IB 2001.
|
||||
|
||||
Ik keur daarom goed dat de splitsing/toedeling van een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht in verband met echtscheiding of scheiding van tafel en bed fiscaal geruisloos kan plaatsvinden.
|
||||
|
||||
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. De nieuwe stamrechten worden voor de toepassing van de Wet IB 2001 aangemerkt als artikel 19- of artikel 44j-stamrechten, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1991 en die derhalve – met toepassing van artikel I, onderdeel O, eerste lid, slotzin, van de Invoeringswet – integraal worden aangemerkt als periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, dan wel 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
|
||||
a. De nieuwe stamrechten worden voor de toepassing van de Wet IB 2001 aangemerkt als artikel 19- of artikel 44j-stamrechten, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1991 en die derhalve – met toepassing van artikel I, onderdeel O, eerste lid, slotzin, van de Invoeringswet – integraal worden aangemerkt als periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, dan wel 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
|
||||
b. De verzekeraar van de rechten gaat ermee akkoord te worden beschouwd als de verzekeraar als bedoeld in artikel 59a (oud) van de Wet IB 1964, dan wel artikel 23a (oud) van de Wet Vpb.
|
||||
c. Ter zake van de splitsing wordt door partijen geen aftrek op het inkomen geclaimd, ook niet met toepassing van artikel 6.3 en volgende van de Wet IB 2001.
|
||||
d. Partijen verklaren zich akkoord met de onder a tot en met c genoemde voorwaarden, binnen een door de inspecteur te stellen termijn.
|
||||
|
|
@ -429,27 +429,27 @@ e. De gewezen echtgenoot aan wie de aanspraak op periodieke uitkeringen geheel o
|
|||
|
||||
### 9.5. Indexering van de bedragen van de stamrechtvrijstelling ex artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964
|
||||
|
||||
Als een belastingplichtige op grond van een vóór 1 januari 1992 gesloten overeenkomst voor zichzelf en voor zijn echtgenoot een winstrecht heeft bedongen, in die zin dat het winstrecht van de echtgenoot ingaat bij zijn vooroverlijden, zijn op deze aanspraken de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van toepassing (artikel 75, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 1964). Dit betekent dat bij overlijden van de betrokken belastingplichtige de per 1 januari 1992 vervallen stamrechtvrijstelling van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 nog van toepassing is naar de tekst van de regeling per 31 december 1991. De bedragen van de vrijstelling zijn op deze wijze echter blijvend verbonden aan het voor 1991 geldende niveau. In een indexering van de bedragen is wettelijk niet (meer) voorzien.
|
||||
Als een belastingplichtige op grond van een vóór 1 januari 1992 gesloten overeenkomst voor zichzelf en voor zijn echtgenoot een winstrecht heeft bedongen, in die zin dat het winstrecht van de echtgenoot ingaat bij zijn vooroverlijden, zijn op deze aanspraken de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van toepassing (artikel 75, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 1964). Dit betekent dat bij overlijden van de betrokken belastingplichtige de per 1 januari 1992 vervallen stamrechtvrijstelling van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 nog van toepassing is naar de tekst van de regeling per 31 december 1991. De bedragen van de vrijstelling zijn op deze wijze echter blijvend verbonden aan het voor 1991 geldende niveau. In een indexering van de bedragen is wettelijk niet (meer) voorzien.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.129 van de Wet IB 2001 wordt het bedrag van de mogelijke lijfrentepremie-aftrek verhoogd bij staking van een onderneming.
|
||||
|
||||
Ik heb aanleiding gevonden goed te keuren dat er voor de bepaling van de hoogte van de per 1 januari 1992 vervallen stamrechtvrijstelling in enig jaar na 2001 wordt aangesloten bij de voor dat jaar geldende bedragen voor extra lijfrentepremie-aftrek op de voet van artikel 3.129 van de Wet IB 2001.
|
||||
Ik heb aanleiding gevonden goed te keuren dat er voor de bepaling van de hoogte van de per 1 januari 1992 vervallen stamrechtvrijstelling in enig jaar na 2001 wordt aangesloten bij de voor dat jaar geldende bedragen voor extra lijfrentepremie-aftrek op de voet van artikel 3.129 van de Wet IB 2001.
|
||||
|
||||
### 9.6. Overige
|
||||
|
||||
#### 9.6.1. Overdracht stamrecht. Toepassing sanctiebepalingen. Stamrecht bedongen vóór 1 januari 1973
|
||||
#### 9.6.1. Overdracht stamrecht. Toepassing sanctiebepalingen. Stamrecht bedongen vóór 1 januari 1973
|
||||
|
||||
De overdracht van een stamrecht bedongen vóór 1 januari 1973 kan zonder sanctie plaatsvinden. Indien een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht wordt overgedragen aan een derde, omdat de verplichting tot het doen van uitkeringen dan niet langer wordt gerekend tot het ondernemingsvermogen, is de IB ’64-sanctie of de Vpb-sanctie van toepassing. Deze artikelen zijn ingevoerd op 1 januari 1973.
|
||||
De overdracht van een stamrecht bedongen vóór 1 januari 1973 kan zonder sanctie plaatsvinden. Indien een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht wordt overgedragen aan een derde, omdat de verplichting tot het doen van uitkeringen dan niet langer wordt gerekend tot het ondernemingsvermogen, is de IB ’64-sanctie of de Vpb-sanctie van toepassing. Deze artikelen zijn ingevoerd op 1 januari 1973.
|
||||
|
||||
Bij de invoering van de Brede Herwaardering op 1 januari 1992 zijn de artikelen 59a (oud) van de Wet IB 1964 en 23a (oud) van de Wet Vpb van toepassing gebleven door de werking van de artikelen 80b (oud) van de Wet IB 1964 en 33a van de Wet Vpb, met dien verstande dat in het tweede lid van beide laatstgenoemde artikelen is geregeld dat voor stamrechten die zijn bedongen vóór 1 januari 1973 de sanctie niet geldt.
|
||||
Bij de invoering van de Brede Herwaardering op 1 januari 1992 zijn de artikelen 59a (oud) van de Wet IB 1964 en 23a (oud) van de Wet Vpb van toepassing gebleven door de werking van de artikelen 80b (oud) van de Wet IB 1964 en 33a van de Wet Vpb, met dien verstande dat in het tweede lid van beide laatstgenoemde artikelen is geregeld dat voor stamrechten die zijn bedongen vóór 1 januari 1973 de sanctie niet geldt.
|
||||
|
||||
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is artikel 80b (oud) van de Wet IB 1964 van toepassing gebleven door de werking van artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet. Nu de IB ’64-sanctie en de Vpb-sanctie niet gelden voor stamrechten die zijn bedongen vóór 1 januari 1973, is een beroep op onderdeel 9.1 van dit besluit niet nodig.
|
||||
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is artikel 80b (oud) van de Wet IB 1964 van toepassing gebleven door de werking van artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet. Nu de IB ’64-sanctie en de Vpb-sanctie niet gelden voor stamrechten die zijn bedongen vóór 1 januari 1973, is een beroep op onderdeel 9.1 van dit besluit niet nodig.
|
||||
|
||||
#### 9.6.2. Artikel 19- of artikel 44j-stamrecht. Uitstel ingangsdatum van 55 jaar naar 60 jaar
|
||||
|
||||
De omzetting van een artikel 19-stamrecht, waarbij de ingangsdatum van de nog niet ingegane uitkeringen wordt verschoven van 55 naar 60-jarige leeftijd, kan zonder fiscale heffingen plaatsvinden.
|
||||
|
||||
Bij uitstel van de uitkeringen tot de 60-jarige leeftijd is in feite sprake van afkoop in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991 (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964). Vervolgens komt de vraag op of artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991, van toepassing is.
|
||||
Bij uitstel van de uitkeringen tot de 60-jarige leeftijd is in feite sprake van afkoop in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991 (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964). Vervolgens komt de vraag op of artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991, van toepassing is.
|
||||
|
||||
Nu het nieuwe stamrecht voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964, is geen sprake van een omzetting van een artikel 19-stamrecht in een ander stamrecht als bedoeld in artikel 32 (oud), tweede lid, van de Wet IB 1964. Door de toepassing van artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 blijft het een artikel 19-stamrecht waarop de IB ’64-sanctie dan wel de Vpb-sanctie van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -457,7 +457,7 @@ Bovenstaande is op dezelfde wijze ook van toepassing op artikel 44j-stamrechten.
|
|||
|
||||
#### 9.6.3. Omzetting direct ingaand in uitgesteld stamrecht
|
||||
|
||||
Op de omzetting van een artikel 19-stamrecht waarvan de termijnen direct zijn ingegaan, in een uitgestelde lijfrente zijn de regels zoals deze golden op 31 december 2000 nog van toepassing (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet). Omzetting van een artikel 19-stamrecht waarvan de termijnen direct zijn ingegaan, in een uitgestelde lijfrente dient fiscaal te worden gekwalificeerd als afkoop van dat recht gevolgd door de aankoop van een nieuw recht op (uitgestelde) periodieke uitkeringen. Artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964 brengt mee dat sprake is van inkomsten in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964. De stamrechtvrijstelling genoemd in artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is vanwege artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964 in casu niet van toepassing. De omzetting heeft immers tot gevolg dat een stamrecht is bedongen dat achteraf bezien niet kwalificeerde, aangezien twee stamrechten zijn bedongen te weten een direct ingaand tijdelijk stamrecht (welk recht niet is toegestaan) en een uitgesteld levenslang stamrecht (welk recht wel is toegestaan). Om deze reden dient het ‘nieuwe’ stamrecht aangemerkt te worden als een *ander stamrecht *in de zin van artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964. Artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is dus niet van toepassing en de afkoopsom is belast.
|
||||
Op de omzetting van een artikel 19-stamrecht waarvan de termijnen direct zijn ingegaan, in een uitgestelde lijfrente zijn de regels zoals deze golden op 31 december 2000 nog van toepassing (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet). Omzetting van een artikel 19-stamrecht waarvan de termijnen direct zijn ingegaan, in een uitgestelde lijfrente dient fiscaal te worden gekwalificeerd als afkoop van dat recht gevolgd door de aankoop van een nieuw recht op (uitgestelde) periodieke uitkeringen. Artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964 brengt mee dat sprake is van inkomsten in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964. De stamrechtvrijstelling genoemd in artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is vanwege artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964 in casu niet van toepassing. De omzetting heeft immers tot gevolg dat een stamrecht is bedongen dat achteraf bezien niet kwalificeerde, aangezien twee stamrechten zijn bedongen te weten een direct ingaand tijdelijk stamrecht (welk recht niet is toegestaan) en een uitgesteld levenslang stamrecht (welk recht wel is toegestaan). Om deze reden dient het ‘nieuwe’ stamrecht aangemerkt te worden als een *ander stamrecht *in de zin van artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964. Artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is dus niet van toepassing en de afkoopsom is belast.
|
||||
|
||||
Overigens ben ik van mening dat, indien gesteld zou worden dat geen sprake is van een *ander stamrecht* in de zin van artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964, de omzetting zonder heffing bij de stamrechtgenieter heeft plaatsgevonden. In dat geval stel ik mij op het standpunt dat, nu geruisloze omzetting van het ene stamrecht in het andere plaatsvindt zonder belastingheffing, in feite geen afkoop plaatsvindt in de zin van de Vpb-sanctie, terwijl het oorspronkelijke recht niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964. In dat geval is de Vpb-sanctie toepasbaar.
|
||||
|
||||
|
|
@ -467,7 +467,7 @@ Bovenstaande is op dezelfde wijze ook van toepassing op artikel 44j-stamrechten.
|
|||
|
||||
Het beleid in dit onderdeel betreft het wijzigen van de ingangsdatum van de uitkeringen van een artikel 19-stamrecht (gerichte lijfrente) van 65-jarige leeftijd naar de leeftijd die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd.
|
||||
|
||||
Het bedongen stamrecht moet voldoen aan de voorwaarde dat de uitkeringen niet later ingaan dan op 65-jarige leeftijd (artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964). Bij wijziging van de ingangsdatum van de uitkeringen is sprake van afkoop als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991 (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964). De vraag is vervolgens of artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 (tekst 31 december 1991) van toepassing is.
|
||||
Het bedongen stamrecht moet voldoen aan de voorwaarde dat de uitkeringen niet later ingaan dan op 65-jarige leeftijd (artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964). Bij wijziging van de ingangsdatum van de uitkeringen is sprake van afkoop als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991 (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964). De vraag is vervolgens of artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 (tekst 31 december 1991) van toepassing is.
|
||||
|
||||
Het nieuwe stamrecht voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964. Dit artikel bepaalt immers dat de uitkeringen niet later ingaan dan op 65-jarige leeftijd. Er is daardoor sprake van een omzetting van een artikel 19-stamrecht in een *ander**stamrecht* als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Wet IB 1964. Artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is dus niet van toepassing en de afkoopsom is belast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -491,7 +491,7 @@ Verzoeken waarbij deze situatie zich voordoet, kunnen aan mij worden voorgelegd.
|
|||
|
||||
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
|
||||
|
||||
– besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M.
|
||||
– besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M.
|
||||
|
||||
## 11. Inwerkingtreding
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue