diff --git a/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md b/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md index 73f5f6bf6ad..0ad2cfcf0d9 100644 --- a/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md +++ b/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md @@ -12,17 +12,19 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, lijfrenten en rechten op periodieke uitkeringen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. -*Dit besluit vervangt het besluit van 10 mei 2010, nr. DGB2010/3119M, * +*Dit besluit vervangt het besluit van 10 mei 2010, nr. DGB2010/3119M, * *Staatscourant 2010, 7589* * en is geactualiseerd en aangevuld met beleidsstandpunten over de lijfrentespaarrekening en het lijfrentebeleggingsrecht. Ook zijn beleidsstandpunten opgenomen in verband met wetswijzigingen.* ## 1. Inleiding -In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, lijfrentespaarrekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenten en de aftrek van de inleg voor lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de Wet IB 2001. Het beleidsstandpunt uit het besluit van 19 augustus 2011, nr. BLKB 2011/1576M over toerekening van lijfrentetermijnen aan de echtgenoot, is in dit besluit opgenomen. Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de Invoeringswet Wet IB 2001. +In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, lijfrentespaarrekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenten en de aftrek van de inleg voor lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de Wet IB 2001. Het beleidsstandpunt uit het besluit van 19 augustus 2011, nr. BLKB 2011/1576M over toerekening van lijfrentetermijnen aan de echtgenoot, is in dit besluit opgenomen. Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de Invoeringswet Wet IB 2001. Dit besluit voorziet ook in een tijdelijke goedkeurende regeling in verband met herstel van een te hoge overboeking naar een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht of een te veel betaalde premie op een lijfrenteverzekering. -De goedkeuringen uit het besluit van 3 februari 2014, BLKB 2014/195M (Vertraagde automatische premie-incasso’s eind 2013 als gevolg van de invoering van de SEPA) zijn in dit besluit opgenomen. Met deze goedkeuringen worden ongewenste fiscale gevolgen voorkomen voor te late betalingen van premies voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als gevolg van de invoering van de SEPA. In dit besluit is nieuw opgenomen dat deze goedkeuringen ook gelden voor de vertraagde invoering van de automatische premie-incasso’s in de tweede helft van december 2014. +Dit besluit voorziet ook in een goedkeurende regeling vooruitlopend op wetgeving in de situatie dat een lijfrentevoorziening wordt afgekocht. + +De goedkeuringen uit het besluit van 3 februari 2014, BLKB 2014/195M (Vertraagde automatische premie-incasso’s eind 2013 als gevolg van de invoering van de SEPA) zijn in dit besluit opgenomen. Met deze goedkeuringen worden ongewenste fiscale gevolgen voorkomen voor te late betalingen van premies voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als gevolg van de invoering van de SEPA. In dit besluit is nieuw opgenomen dat deze goedkeuringen ook gelden voor de vertraagde invoering van de automatische premie-incasso’s in de tweede helft van december 2014. Waar hierna in dit besluit gesproken wordt over een lijfrentespaarrekening wordt ook bedoeld een lijfrentebeleggingsrecht. @@ -49,10 +51,11 @@ Naast de aanpassingen van het besluit aan de gewijzigde wetgeving zijn in dit be – Toepassing van artikel 69 van de Wet IB 1964 op naar nieuw regime omgezette lijfrenten (5.5); – Inkomensgerelateerde inkomensvoorzieningen; overgangsregeling Wet VPL en pensionering vóór 65 jaar (6.1.13); – Schuldig gebleven premie (7.1.3); +– Geen toepassing van de minimumwaarderingsregel bij afkoop van de aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen (9.1.2); – Geen schending van voorwaarden bij ‘afkoop’ kleine lijfrente (9.1.1); -– Toepassing regeling voor afkoop kleine lijfrenten bij nabestaandenlijfrenten (9.1.4); -– Toedeling nabestaandenlijfrenten (9.1.5); -– Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker (9.1.6). +– Toepassing regeling voor afkoop kleine lijfrenten bij nabestaandenlijfrenten (9.1.5); +– Toedeling nabestaandenlijfrenten (9.1.6); +– Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker (9.1.7). In dit besluit staan geen beleidsstandpunten die specifiek betrekking hebben op lijfrenten en stamrechten in de winstsfeer. Deze standpunten zijn opgenomen in een apart besluit (besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M). @@ -85,13 +88,13 @@ Onder een lijfrente wordt verstaan: #### 2.1.1. Begrip levensverzekering -Een lijfrente is een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering zoals gedefinieerd in artikel 3.117 van de Wet IB 2001. Op grond van dit artikel wordt onder een levensverzekering verstaan: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Hierna geef ik aan welke (fiscale) inhoud het begrip levensverzekering heeft en welke nadere criteria daarvoor zijn opgesteld. +Een lijfrente is een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering zoals gedefinieerd in artikel 3.117 van de Wet IB 2001. Op grond van dit artikel wordt onder een levensverzekering verstaan: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Hierna geef ik aan welke (fiscale) inhoud het begrip levensverzekering heeft en welke nadere criteria daarvoor zijn opgesteld. -De Nederlandsche Bank is belast met de uitvoering van de Wft en bepaalt de inhoud van het begrip levensverzekering. In het rapport van de werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB (van 4 juni 1993, gepubliceerd in FED 1993/525) zijn nadere criteria opgenomen over de inhoud van het begrip levensverzekering. Deze houden (samengevat) in dat van een levensverzekering pas sprake kan zijn als de verzekeringnemer/begunstigde een gerede kans heeft dat de overeenkomst hem substantieel meer oplevert dan de waarde van de betaalde premies vermeerderd met het door de verzekeraar behaalde rendement (de zogenoemde bonus). De nadere criteria hebben geleid tot rekenregels die in het rapport zijn opgenomen. +De Nederlandsche Bank is belast met de uitvoering van de Wft en bepaalt de inhoud van het begrip levensverzekering. In het rapport van de werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB (van 4 juni 1993, gepubliceerd in FED 1993/525) zijn nadere criteria opgenomen over de inhoud van het begrip levensverzekering. Deze houden (samengevat) in dat van een levensverzekering pas sprake kan zijn als de verzekeringnemer/begunstigde een gerede kans heeft dat de overeenkomst hem substantieel meer oplevert dan de waarde van de betaalde premies vermeerderd met het door de verzekeraar behaalde rendement (de zogenoemde bonus). De nadere criteria hebben geleid tot rekenregels die in het rapport zijn opgenomen. -De Nederlandsche Bank hanteert de nadere criteria voor overeenkomsten die zijn gesloten na 30 juni 1993 en voor overeenkomsten die na die datum zijn gewijzigd. Overeenkomsten die zijn afgesloten vóór 1 juli 1993 en die niet voldoen aan de nadere criteria merkt De Nederlandsche Bank ook aan als overeenkomsten van levensverzekering (eerbiedigende werking). +De Nederlandsche Bank hanteert de nadere criteria voor overeenkomsten die zijn gesloten na 30 juni 1993 en voor overeenkomsten die na die datum zijn gewijzigd. Overeenkomsten die zijn afgesloten vóór 1 juli 1993 en die niet voldoen aan de nadere criteria merkt De Nederlandsche Bank ook aan als overeenkomsten van levensverzekering (eerbiedigende werking). -Voor de toepassing van de Wet IB 2001 sluit ik aan bij de uitleg die De Nederlandsche Bank geeft aan het begrip levensverzekering. Dit standpunt brengt mee dat op of na 1 januari 2001 gesloten overeenkomsten van levensverzekering dienen te voldoen aan de door De Nederlandsche Bank gehanteerde nadere criteria zoals opgenomen in het eerder genoemde rapport. Het is dus niet voldoende als de afhankelijkheid van leven en/of sterven (slechts) formeel in de overeenkomst wordt opgenomen. +Voor de toepassing van de Wet IB 2001 sluit ik aan bij de uitleg die De Nederlandsche Bank geeft aan het begrip levensverzekering. Dit standpunt brengt mee dat op of na 1 januari 2001 gesloten overeenkomsten van levensverzekering dienen te voldoen aan de door De Nederlandsche Bank gehanteerde nadere criteria zoals opgenomen in het eerder genoemde rapport. Het is dus niet voldoende als de afhankelijkheid van leven en/of sterven (slechts) formeel in de overeenkomst wordt opgenomen. #### 2.1.2. Onzekerheidseis @@ -132,7 +135,7 @@ Een wat groter restsaldo kan ontstaan als een bestaand lijfrenteproduct is omgez #### 2.3.1. Inleiding -Een van de voorwaarden die gesteld worden aan een lijfrente is dat de aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kan worden (artikel 1.7, eerste lid, van de Wet IB 2001). In de praktijk doen zich situaties voor waarin onduidelijk is of de opmaak van de polis strijdig is met het afkoopverbod of met het verbod op prijsgeven. Hierna neem ik standpunten in met betrekking tot die situaties. +Een van de voorwaarden die gesteld worden aan een lijfrente is dat de aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kan worden (artikel 1.7, eerste lid, van de Wet IB 2001). In de praktijk doen zich situaties voor waarin onduidelijk is of de opmaak van de polis strijdig is met het afkoopverbod of met het verbod op prijsgeven. Hierna neem ik standpunten in met betrekking tot die situaties. #### 2.3.2. Opzegmogelijkheid lijfrenteverzekering op grond van de @@ -189,21 +192,21 @@ De bank moet van de terugboeking alleen een correctiereinseignement opmaken als ### 2.6a. Tijdelijke regeling voor terugstorting van te veel betaalde premie of te hoge inleg -Door de invoering van de beperkte saldomethode wordt met ingang van 2010 tot maximaal € 2.269 per jaar rekening gehouden met niet afgetrokken premie of inleg. In de praktijk blijkt dat nog niet alle financiële instellingen de rekeninghouder bij het overmaken van bedragen naar een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht waarschuwen dat hij gaat overmaken naar een geblokkeerde rekening en dat er fiscale beperkingen gelden voor deze rekening. Als gevolg hiervan bestaat de mogelijkheid dat een overgemaakt bedrag (gedeeltelijk) niet aftrekbaar is als uitgave voor een inkomensvoorziening omdat de rekeninghouder niet voldoende jaarruimte en/of reserveringsruimte heeft. Als de rekeninghouder niet binnen drie maanden aan de instelling meldt dat hij een te hoog bedrag heeft overgemaakt, kan de instelling het te veel betaalde niet zonder meer terugstorten (zie paragraaf 2.6). +Door de invoering van de beperkte saldomethode wordt met ingang van 2010 tot maximaal € 2.269 per jaar rekening gehouden met niet afgetrokken premie of inleg. In de praktijk blijkt dat nog niet alle financiële instellingen de rekeninghouder bij het overmaken van bedragen naar een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht waarschuwen dat hij gaat overmaken naar een geblokkeerde rekening en dat er fiscale beperkingen gelden voor deze rekening. Als gevolg hiervan bestaat de mogelijkheid dat een overgemaakt bedrag (gedeeltelijk) niet aftrekbaar is als uitgave voor een inkomensvoorziening omdat de rekeninghouder niet voldoende jaarruimte en/of reserveringsruimte heeft. Als de rekeninghouder niet binnen drie maanden aan de instelling meldt dat hij een te hoog bedrag heeft overgemaakt, kan de instelling het te veel betaalde niet zonder meer terugstorten (zie paragraaf 2.6). -Terugstorting van het te veel overgemaakte bedrag leidt tot deblokkering van de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Bij de belastingplichtige worden dan negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Daarnaast is deze revisierente verschuldigd. Als de belastingplichtige de te hoge inleg op de rekening niet laat terugstorten, zal hij de inleg niet (geheel) kunnen aftrekken terwijl in de uitkeringsfase de uitkeringen belast zijn, omdat ten hoogste rekening kan worden gehouden met een bedrag van € 2.269. +Terugstorting van het te veel overgemaakte bedrag leidt tot deblokkering van de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Bij de belastingplichtige worden dan negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Daarnaast is deze revisierente verschuldigd. Als de belastingplichtige de te hoge inleg op de rekening niet laat terugstorten, zal hij de inleg niet (geheel) kunnen aftrekken terwijl in de uitkeringsfase de uitkeringen belast zijn, omdat ten hoogste rekening kan worden gehouden met een bedrag van € 2.269. In dit kader acht ik de geschetste fiscale gevolgen ongewenst. Daarom keur ik op grond van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) het volgende goed. -Ik keur goed dat als de financiële instelling de te hoge inleg op de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht terugstort, de rekening in zoverre wordt geacht niet te zijn gedeblokkeerd. Onder een ‘te hoge inleg’ wordt in deze paragraaf verstaan het deel van het overgemaakte bedrag dat hoger is dan de aftrekruimte – jaarruimte en/of reserveringsruimte – in het betreffende jaar. Dit houdt in dat ook het bedrag bedoeld in artikel 3.107a, tweede lid, van de Wet IB 2001 (€ 2.269) moet worden teruggestort. De financiële instelling kan de te hoge inleg zonder fiscale gevolgen terugstorten naar de belastingplichtige. Hiervoor is een verklaring van de inspecteur van de Belastingdienst over het terug te storten bedrag nodig. +Ik keur goed dat als de financiële instelling de te hoge inleg op de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht terugstort, de rekening in zoverre wordt geacht niet te zijn gedeblokkeerd. Onder een ‘te hoge inleg’ wordt in deze paragraaf verstaan het deel van het overgemaakte bedrag dat hoger is dan de aftrekruimte – jaarruimte en/of reserveringsruimte – in het betreffende jaar. Dit houdt in dat ook het bedrag bedoeld in artikel 3.107a, tweede lid, van de Wet IB 2001 (€ 2.269) moet worden teruggestort. De financiële instelling kan de te hoge inleg zonder fiscale gevolgen terugstorten naar de belastingplichtige. Hiervoor is een verklaring van de inspecteur van de Belastingdienst over het terug te storten bedrag nodig. In voorkomende gevallen geldt deze goedkeuring ook bij herstel van een te hoge premiestorting op een lijfrenteverzekering. -Deze goedkeuring geldt voor betalingen die zijn gedaan tot en met 31 december 2016. Verzoeken die betrekking hebben op betalingen na die datum, wijs ik af. Verder geldt de goedkeuring alleen voor betalingen die zijn gedaan in het kalenderjaar van binnenkomst van het verzoek en de vijf daaraan voorafgaande jaren. +Deze goedkeuring geldt voor betalingen die zijn gedaan tot en met 31 december 2016. Verzoeken die betrekking hebben op betalingen na die datum, wijs ik af. Verder geldt de goedkeuring alleen voor betalingen die zijn gedaan in het kalenderjaar van binnenkomst van het verzoek en de vijf daaraan voorafgaande jaren. Ik stel hierbij de volgende voorwaarden. -– De belastingplichtige doet een verzoek om toestemming voor terugstorting van het te veel betaalde bedrag aan de inspecteur. Dit verzoek moet uiterlijk 31 december 2017 door de inspecteur zijn ontvangen. +– De belastingplichtige doet een verzoek om toestemming voor terugstorting van het te veel betaalde bedrag aan de inspecteur. Dit verzoek moet uiterlijk 31 december 2017 door de inspecteur zijn ontvangen. – Voor zover de belastingplichtige aftrekmogelijkheden heeft, moeten deze worden toegepast. De goedkeuring laat niet de keuze open om op zich aftrekbare bedragen niet af te trekken. – De belastingplichtige neemt het terug te storten bedrag alsnog op in de rendementsgrondslag van box 3 van de relevante jaren. Als de belastingplichtige een verzoek om terugstorting doet aan de inspecteur gaat hij er – voor zover nodig – mee akkoord dat de inspecteur de belasting navordert. @@ -217,13 +220,13 @@ Als nog geen renseignering van de door de belastingplichtige betaalde bedragen h ### 2.7. Vertraagde automatische premie-incasso’s eind 2013 en 2014 als gevolg van de invoering van de SEPA -In 2014 is het Nederlandse betalingssysteem overgegaan op de Single Euro Payments Area, de SEPA. Dit Europese betalingssysteem vereist dat bankrekeningnummers worden omgezet naar IBAN-rekeningnummers. In de praktijk is gebleken dat in de tweede helft van december 2013 aangeboden automatische premie-incasso's in een aantal gevallen sterk vertraagd zijn uitgevoerd als gevolg van de omzetting naar IBAN-rekeningnummers. Daardoor zijn betalingen voor onder andere lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen pas begin januari 2014 afgeschreven van de rekeningen van de betreffende belastingplichtigen. Deze vertraagde afschrijvingen hebben het niet-beoogde gevolg dat de betalingen fiscaal in beginsel in aanmerking moeten worden genomen in 2014. Bovendien heeft de afschrijving in 2014 gevolgen voor de hoogte van de rendementsgrondslag van box 3 op 1 januari 2014. Deze gevolgen zijn in deze situatie niet wenselijk. +In 2014 is het Nederlandse betalingssysteem overgegaan op de Single Euro Payments Area, de SEPA. Dit Europese betalingssysteem vereist dat bankrekeningnummers worden omgezet naar IBAN-rekeningnummers. In de praktijk is gebleken dat in de tweede helft van december 2013 aangeboden automatische premie-incasso's in een aantal gevallen sterk vertraagd zijn uitgevoerd als gevolg van de omzetting naar IBAN-rekeningnummers. Daardoor zijn betalingen voor onder andere lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen pas begin januari 2014 afgeschreven van de rekeningen van de betreffende belastingplichtigen. Deze vertraagde afschrijvingen hebben het niet-beoogde gevolg dat de betalingen fiscaal in beginsel in aanmerking moeten worden genomen in 2014. Bovendien heeft de afschrijving in 2014 gevolgen voor de hoogte van de rendementsgrondslag van box 3 op 1 januari 2014. Deze gevolgen zijn in deze situatie niet wenselijk. Mede omdat de omzetting van de bankrekeningnummers uiteindelijk is uitgesteld tot augustus 2014 kan de invoering ook nog gevolgen hebben voor de automatische premie-incasso’s in de tweede helft van december 2014. Ook deze gevolgen zijn niet wenselijk. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het volgende goed. Ik keur goed dat in de hiervoor beschreven situatie van vertraagde uitvoering van automatische premie-incasso’s voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in de tweede helft van december 2013 of 2014, de betalingen geacht kunnen worden te zijn gedaan op de overeengekomen incassodatum in 2013 dan wel 2014. Deze goedkeuring brengt mee dat de betreffende premiebetalingen in 2013 c.q. in 2014 voor aftrek in aanmerking kunnen komen. -Daarnaast keur ik goed dat de berekening van de rendementsgrondslag van box 3 op 1 januari 2014 plaatsvindt alsof de automatische premie-incasso’s voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen hebben plaatsgevonden in december 2013. Ditzelfde geldt voor de berekening van de rendementsgrondslag op 1 januari 2015. Hierbij worden de automatische premie-incasso’s geacht te hebben plaatsgevonden in december 2014. +Daarnaast keur ik goed dat de berekening van de rendementsgrondslag van box 3 op 1 januari 2014 plaatsvindt alsof de automatische premie-incasso’s voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen hebben plaatsgevonden in december 2013. Ditzelfde geldt voor de berekening van de rendementsgrondslag op 1 januari 2015. Hierbij worden de automatische premie-incasso’s geacht te hebben plaatsgevonden in december 2014. Deze premiebetalingen voor lijfrenten of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen worden in 2014 c.q. 2015 niet nogmaals als betaalde premie in aanmerking genomen. @@ -231,7 +234,7 @@ In overleg met de brancheverenigingen van deze productaanbieders is overeengekom Belastingplichtigen zullen wel zelf in hun aangifte inkomstenbelasting voor box 3 een correctie moeten aanbrengen. Zij kunnen dat doen door in de aangifte inkomstenbelasting 2014 het bedrag van één of meer van de niet vrijgestelde bezittingen te verlagen met deze premie. Deze handelswijze geldt ook voor premiebetalingen die zien op het jaar 2014. -De vertraagde incasso of betaling voor kapitaalverzekeringen, kapitaalverzekeringen eigen woning, spaarrekeningen eigen woning en beleggingsrechten eigen woning heeft geen fiscale gevolgen voor de contractueel vastgelegde betalingen. Zie hierover paragraaf 3.5.4 in het Verzamelbesluit Kapitaalverzekeringen (besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014/1763M). +De vertraagde incasso of betaling voor kapitaalverzekeringen, kapitaalverzekeringen eigen woning, spaarrekeningen eigen woning en beleggingsrechten eigen woning heeft geen fiscale gevolgen voor de contractueel vastgelegde betalingen. Zie hierover paragraaf 3.5.4 in het Verzamelbesluit Kapitaalverzekeringen (besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014/1763M). ## 3. Lijfrenten anders dan voor een pensioentekort en aanspraken bij arbeidsongeschiktheid ( @@ -255,7 +258,7 @@ De premies worden betaald om een toekomstvoorziening op te bouwen voor geestelij #### 3.2.1. Inleiding -Premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval zijn aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Deze voorzieningen kunnen alleen als verzekeringsproduct en niet als spaarrekening worden afgesloten. +Premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval zijn aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Deze voorzieningen kunnen alleen als verzekeringsproduct en niet als spaarrekening worden afgesloten. De genoemde aanspraken hebben altijd betrekking op de persoon in privé. Dat wil zeggen dat ook als een ondernemer de verzekerde persoon is en de premies betaalt, de betalingen niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht, maar aftrekbaar zijn als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. @@ -275,20 +278,20 @@ Clausule B geeft aan dat een uitkering ineens verzekerd is. Dit leidt er toe dat #### 3.2.3. Overgangsregeling uitkeringen arbeidsongeschiktheidsverzekering -Met ingang van 2009 geldt onder meer voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval dat deze op grond van hun vormgeving altijd volledig behoren tot box 1 (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). De uitkeringen worden daarom met ingang van 1 januari 2009 belast in box 1, ongeacht of de premies als uitgaven voor inkomensvoorziening in aftrek zijn gebracht. Belastingplichtigen met een vóór 1 januari 2009 gesloten verzekering die (nog) niet arbeidsongeschikt zijn geworden, kunnen behoefte hebben aan een box 3-verzekering (een verzekering waarbij de uitkeringen niet worden belast in box 1). Zij kunnen dit met ingang van 2009 bereiken door de verzekering zodanig aan te passen dat er niet langer sprake is van een verzekering waarvan de premies voor aftrek in aanmerking komen. Dan is voortaan de betaalde premie niet aftrekbaar en behoort de waarde van de aanspraak tot de heffingsgrondslag van box 3. Deze aanpassing van de verzekering leidt in het algemeen niet tot heffing (zie onderdeel 3.4; Beëindiging zonder uitkering door de verzekeraar). +Met ingang van 2009 geldt onder meer voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval dat deze op grond van hun vormgeving altijd volledig behoren tot box 1 (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). De uitkeringen worden daarom met ingang van 1 januari 2009 belast in box 1, ongeacht of de premies als uitgaven voor inkomensvoorziening in aftrek zijn gebracht. Belastingplichtigen met een vóór 1 januari 2009 gesloten verzekering die (nog) niet arbeidsongeschikt zijn geworden, kunnen behoefte hebben aan een box 3-verzekering (een verzekering waarbij de uitkeringen niet worden belast in box 1). Zij kunnen dit met ingang van 2009 bereiken door de verzekering zodanig aan te passen dat er niet langer sprake is van een verzekering waarvan de premies voor aftrek in aanmerking komen. Dan is voortaan de betaalde premie niet aftrekbaar en behoort de waarde van de aanspraak tot de heffingsgrondslag van box 3. Deze aanpassing van de verzekering leidt in het algemeen niet tot heffing (zie onderdeel 3.4; Beëindiging zonder uitkering door de verzekeraar). Belastingplichtigen die vóór 2009 arbeidsongeschikt zijn geworden, konden de verzekering echter niet meer zonder nadelige fiscale gevolgen aanpassen. Dan kan de invoering van een regime waarin verzekeringen met de voor box 1 kwalificerende vorm verplicht worden belast in box 1 ruw uitwerken in de situatie waarin de belastingplichtige geen premieaftrek heeft gehad. -Immers, bij het afsluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering beoogden deze belastingplichtigen door de premies niet in aftrek te brengen onbelaste uitkeringen te ontvangen als zij arbeidsongeschikt zouden worden. Door de wetswijziging per 1 januari 2009 zijn de uitkeringen met ingang van 2009 voor het eerst belast in box 1. De niet afgetrokken premies mogen weliswaar in mindering gebracht worden op de uitkeringen, maar voor risicoverzekeringen is het totaal van de betaalde premies laag in verhouding tot de uitkeringen. Dit houdt per saldo in dat de uitkeringen bijna volledig in box 1 worden belast. In dit verband is dit een door mij niet gewenste uitkomst. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) het volgende goed. +Immers, bij het afsluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering beoogden deze belastingplichtigen door de premies niet in aftrek te brengen onbelaste uitkeringen te ontvangen als zij arbeidsongeschikt zouden worden. Door de wetswijziging per 1 januari 2009 zijn de uitkeringen met ingang van 2009 voor het eerst belast in box 1. De niet afgetrokken premies mogen weliswaar in mindering gebracht worden op de uitkeringen, maar voor risicoverzekeringen is het totaal van de betaalde premies laag in verhouding tot de uitkeringen. Dit houdt per saldo in dat de uitkeringen bijna volledig in box 1 worden belast. In dit verband is dit een door mij niet gewenste uitkomst. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) het volgende goed. -Ik keur goed dat in plaats van de niet afgetrokken premies de box-3-waarde op 31 december 2008 van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid in mindering wordt gebracht op de cumulatieve periodieke uitkeringen met ingang van 1 januari 2009. +Ik keur goed dat in plaats van de niet afgetrokken premies de box-3-waarde op 31 december 2008 van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid in mindering wordt gebracht op de cumulatieve periodieke uitkeringen met ingang van 1 januari 2009. Voor deze goedkeuring gelden de volgende cumulatieve voorwaarden: – Er is sprake van een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001; -– Vóór 1 januari 2009 is de gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ingetreden op grond waarvan recht is ontstaan op de periodieke uitkeringen; +– Vóór 1 januari 2009 is de gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ingetreden op grond waarvan recht is ontstaan op de periodieke uitkeringen; – De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij ter zake van de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen premieaftrek in box 1 heeft genoten; -– De belastingplichtige heeft sinds het intreden van de arbeidsongeschiktheid vóór 2009 de waarde van het recht op de periodieke uitkeringen voor box 3 steeds in zijn aangifte inkomstenbelasting opgegeven. Als dat niet het geval is geweest, moet de belastingplichtige voor alle jaren waarin aangifte van de waarde achterwege is gebleven, instemmen met een navorderingsaanslag. In plaats hiervan kunnen de inspecteur en de belastingplichtige eenvoudshalve een methode overeenkomen om bij de vaststelling van het bedrag van de niet-afgetrokken premies dat in mindering kan komen op de periodieke uitkeringen, rekening te houden met de niet-geheven inkomstenbelasting over de box 3-waarde van het recht. +– De belastingplichtige heeft sinds het intreden van de arbeidsongeschiktheid vóór 2009 de waarde van het recht op de periodieke uitkeringen voor box 3 steeds in zijn aangifte inkomstenbelasting opgegeven. Als dat niet het geval is geweest, moet de belastingplichtige voor alle jaren waarin aangifte van de waarde achterwege is gebleven, instemmen met een navorderingsaanslag. In plaats hiervan kunnen de inspecteur en de belastingplichtige eenvoudshalve een methode overeenkomen om bij de vaststelling van het bedrag van de niet-afgetrokken premies dat in mindering kan komen op de periodieke uitkeringen, rekening te houden met de niet-geheven inkomstenbelasting over de box 3-waarde van het recht. ### 3.3. Premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering gefinancierd met geleend geld @@ -328,15 +331,15 @@ Soms wordt in een polis een combinatie van afzonderlijk omschreven lijfrentevorm Het komt voor dat in een polis één lijfrente is vormgegeven, dus geen combinatie van diverse lijfrentevormen. Als geheel beoordeeld, voldoet deze lijfrente echter niet aan één van de omschreven lijfrentevormen van artikel 3.125 van de Wet IB 2001. In dergelijke gevallen kan toch de totale premie voor aftrek in aanmerking komen als de lijfrente geheel is te herleiden tot twee of meer lijfrentevormen die ieder voor zich wel kwalificeren. Als één of beide premiegedeelten uitkomen boven het maximum aftrekbare bedrag voor de desbetreffende lijfrentevorm is uitsluitend het excedent niet aftrekbaar. -Verzekerd is één lijfrente die ingaat op 65-jarige leeftijd en die uitsluitend eindigt bij overlijden. Gedurende de eerste 5 jaren bedragen de lijfrentetermijnen € 30 000 per jaar. Daarna € 20 000 per jaar. +Verzekerd is één lijfrente die ingaat op 65-jarige leeftijd en die uitsluitend eindigt bij overlijden. Gedurende de eerste 5 jaren bedragen de lijfrentetermijnen € 30 000 per jaar. Daarna € 20 000 per jaar. -Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is van – behoudens indexering – gelijke jaarbedragen. Omdat de lijfrente fiscaal kan worden onderscheiden in een tijdelijke oudedagslijfrente met een looptijd van (ten minste) 5 jaren van € 10 000 per jaar en een levenslange oudedagslijfrente van € 20 000 per jaar, is deze lijfrente als geheel aan te merken als een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. +Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is van – behoudens indexering – gelijke jaarbedragen. Omdat de lijfrente fiscaal kan worden onderscheiden in een tijdelijke oudedagslijfrente met een looptijd van (ten minste) 5 jaren van € 10 000 per jaar en een levenslange oudedagslijfrente van € 20 000 per jaar, is deze lijfrente als geheel aan te merken als een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. Het komt voor dat een verzekerde lijfrente (dus geen combinatie van afzonderlijk omschreven lijfrentevormen) niet geheel is te herleiden tot twee of meer lijfrenten die ieder voor zich voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Het is dan niet mogelijk de totale premie te splitsen in een gedeelte dat in aftrek kan komen – omdat één van de te onderscheiden lijfrentevormen wel zou voldoen – en een gedeelte dat niet voor aftrek in aanmerking kan komen. In dergelijke gevallen komt de totale premie niet voor aftrek in aanmerking. -Verzekerd is één lijfrente die ingaat op 65-jarige leeftijd en die uitsluitend eindigt bij overlijden. Gedurende de eerste 3 jaren bedragen de lijfrentetermijnen € 30 000 per jaar. Daarna € 20 000 per jaar. +Verzekerd is één lijfrente die ingaat op 65-jarige leeftijd en die uitsluitend eindigt bij overlijden. Gedurende de eerste 3 jaren bedragen de lijfrentetermijnen € 30 000 per jaar. Daarna € 20 000 per jaar. -Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is van – behoudens indexering – gelijke jaarbedragen. De lijfrente kan fiscaal niet worden onderscheiden in een tijdelijke oudedagslijfrente met een looptijd van (ten minste) 5 jaren van € 10 000 per jaar en een levenslange oudedagslijfrente van € 20 000 per jaar. Deze lijfrente is als geheel niet aan te merken als een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. +Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is van – behoudens indexering – gelijke jaarbedragen. De lijfrente kan fiscaal niet worden onderscheiden in een tijdelijke oudedagslijfrente met een looptijd van (ten minste) 5 jaren van € 10 000 per jaar en een levenslange oudedagslijfrente van € 20 000 per jaar. Deze lijfrente is als geheel niet aan te merken als een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. ### 4.2. Nabestaandenlijfrente ( @@ -344,11 +347,11 @@ Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is v Een nabestaandenlijfrente moet ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of zijn gewezen partner (artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Uitstel van de ingangsdatum van de nabestaandenlijfrente leidt in beginsel tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Er geldt een wettelijke termijn om de nabestaandenlijfrente vorm te geven en te doen ingaan (artikel 3.133, derde lid, van de Wet IB 2001). Het benutten van die wettelijke termijn is niet aan te merken als het uitstellen van het ingaan van de nabestaandenlijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrentespaarrekening. -Tot en met 2000 kon voor de toepassing van de Wet IB 1964 een ingegane nabestaandenlijfrente fiscaal geruisloos door de gerechtigde worden omgezet in een andere (uitgestelde) lijfrente die op grond van artikel 45 van de Wet IB 1964 was toegestaan. Met ingang van 1 januari 2001 geldt echter het volgende. Als een lijfrente zodanig wordt gewijzigd of omgezet, dat de lijfrente ‘beoordeeld vanuit de verzekeringnemer’ niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125 van de Wet IB 2001, worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Dit brengt mee dat een nabestaandenlijfrente met ingang van 2001 niet meer fiscaal geruisloos kan worden omgezet in bijvoorbeeld een lijfrente die voor de nabestaanden is aan te merken als een (uitgestelde) oudedagslijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrentespaarrekening. +Tot en met 2000 kon voor de toepassing van de Wet IB 1964 een ingegane nabestaandenlijfrente fiscaal geruisloos door de gerechtigde worden omgezet in een andere (uitgestelde) lijfrente die op grond van artikel 45 van de Wet IB 1964 was toegestaan. Met ingang van 1 januari 2001 geldt echter het volgende. Als een lijfrente zodanig wordt gewijzigd of omgezet, dat de lijfrente ‘beoordeeld vanuit de verzekeringnemer’ niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125 van de Wet IB 2001, worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Dit brengt mee dat een nabestaandenlijfrente met ingang van 2001 niet meer fiscaal geruisloos kan worden omgezet in bijvoorbeeld een lijfrente die voor de nabestaanden is aan te merken als een (uitgestelde) oudedagslijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrentespaarrekening. Hierop bestaat als uitzondering de situatie waarin de ingegane nabestaandenlijfrente ontstaat als gevolg van het overlijden van de partner van de verzekeringnemer en de verzekeringnemer ook de begunstigde van de lijfrente is. De nabestaandenlijfrente kan dan fiscaal geruisloos worden omgezet in een al dan niet uitgestelde (tijdelijke) oudedagslijfrente ten behoeve van de verzekeringnemer. -Het voorgaande (geruisloze omzetting) geldt ook voor nabestaandenlijfrenten die zijn bedongen met toepassing van artikel 45 van de Wet IB 1964 en die na 1 januari 2001 worden of zijn omgezet. Artikel 3.133 Wet IB 2001 is namelijk ook van toepassing op dergelijke lijfrenten (Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, eerste lid, van de Invoeringswet). Zie voor Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten die zijn aangepast aan de Wet IB 2001onderdeel 5.3. +Het voorgaande (geruisloze omzetting) geldt ook voor nabestaandenlijfrenten die zijn bedongen met toepassing van artikel 45 van de Wet IB 1964 en die na 1 januari 2001 worden of zijn omgezet. Artikel 3.133 Wet IB 2001 is namelijk ook van toepassing op dergelijke lijfrenten (Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, eerste lid, van de Invoeringswet). Zie voor Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten die zijn aangepast aan de Wet IB 2001onderdeel 5.3. Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten kunnen alleen natuurlijke personen zijn. In de praktijk doet zich de situatie voor dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld. Op het tijdstip van overlijden komt op grond van het testament vast te staan dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling. @@ -372,7 +375,7 @@ Voor gerechtigden die zijn geboren vóór 1 januari 1950 is het hierbij voldoend Situaties waarin gerechtheid tot een Anw-uitkering bestaat zijn de volgende: -– Een nabestaande echtgenoot/partner die is geboren vóór 1 januari 1950 kan recht hebben op een nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Die Anw-uitkering eindigt op het tijdstip waarop de gerechtigde 65 jaar wordt. +– Een nabestaande echtgenoot/partner die is geboren vóór 1 januari 1950 kan recht hebben op een nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Die Anw-uitkering eindigt op het tijdstip waarop de gerechtigde 65 jaar wordt. – Een nabestaande echtgenoot/partner die is geboren na 1949 kan recht hebben op een Anw-uitkering als deze een kind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar. De Anw-uitkering eindigt dan op het tijdstip waarop het jongste kind 18 jaar wordt. – Ook kan recht op een Anw-uitkering bestaan als de nabestaande arbeidsongeschikt is op en sinds de dag van het overlijden van de echtgenoot of partner. – Een nabestaande kan ook recht hebben op een Anw-uitkering voor een kind dat door het overlijden halfwees is geworden. @@ -407,39 +410,39 @@ Ik keur goed dat voor de bepaling van de (1%) sterftekans wordt uitgegaan van de #### 4.5.1. Vanaf 2006 geen premieaftrek meer voor overbruggingslijfrente; eerbiedigende werking -Met ingang 1 januari 2006 is geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenten die voorafgaan aan de pensioendatum (overbruggingslijfrenten). Wel is het mogelijk om in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover er sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (eerbiedigende werking; artikel 10a.1 van de Wet IB 2001). De eerbiedigende werking is overigens beperkt tot aanspraken waarvan de premies vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. +Met ingang 1 januari 2006 is geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenten die voorafgaan aan de pensioendatum (overbruggingslijfrenten). Wel is het mogelijk om in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover er sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (eerbiedigende werking; artikel 10a.1 van de Wet IB 2001). De eerbiedigende werking is overigens beperkt tot aanspraken waarvan de premies vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Als voorwaarde voor de eerbiedigende werking geldt dat de polis (mede) betrekking heeft op een overbruggingslijfrente. Dit houdt in dat de overbruggingslijfrente uitdrukkelijk (mede) verzekerd moet zijn. In vele bestaande lijfrentepolissen worden overbruggingslijfrenten niet met zoveel woorden genoemd. Meestal zijn uitsluitend de oudedagslijfrenten in de polis opgenomen, met als achterliggende gedachte dat op grond van de Wet IB 2001 (wettekst tot en met 2005) een fiscaal geruisloze omzetting in een overbruggingslijfrente steeds mogelijk is. Alleen als de overbruggingslijfrente in 2005 uitdrukkelijk in de bestaande lijfrentepolis was opgenomen, kan op grond van de wettekst in de toekomst gebruik gemaakt worden van de eerbiedigende werking van het overgangsrecht. -Om te voorkomen dat lijfrentepolissen die op 31 december 2005 niet (mede) betrekking hadden op een overbruggingslijfrente niet zouden kunnen leiden tot een overbruggingslijfrente, keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Op 31 december 2005 bestaande lijfrenten mogen worden omgezet in een overbruggingslijfrente. Dat geldt ook voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting in een lijfrente van de fiscale oudedagsreserve en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst. +Om te voorkomen dat lijfrentepolissen die op 31 december 2005 niet (mede) betrekking hadden op een overbruggingslijfrente niet zouden kunnen leiden tot een overbruggingslijfrente, keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Op 31 december 2005 bestaande lijfrenten mogen worden omgezet in een overbruggingslijfrente. Dat geldt ook voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting in een lijfrente van de fiscale oudedagsreserve en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst. -Het voorgaande geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) en artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964. Dergelijke stamrechten mogen worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kan ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005. Voor de hoogte van de overbruggingslijfrente verwijs ik naar onderdeel 9.4. +Het voorgaande geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) en artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964. Dergelijke stamrechten mogen worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kan ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005. Voor de hoogte van de overbruggingslijfrente verwijs ik naar onderdeel 9.4. #### 4.5.2. Overige aspecten in verband met afschaffen van de overbruggingslijfrente De eerbiedigende werking geldt ook voor aanspraken die voortvloeien uit premies die zijn betaald in 2006 en die in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in 2005 (terugwenteling; artikel 3.130, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001). Dit kunnen lijfrenten zijn die al vóór 2006 zijn gesloten, maar ook lijfrenten die in 2006 zijn gesloten waarbij de premie is teruggewenteld naar 2005. Ook op de polissen waarvan de premies naar 2005 zijn teruggewenteld, is de goedkeuring op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) uit onderdeel 4.5.1 van toepassing. De overbruggingslijfrente hoeft niet uitdrukkelijk in de polis te zijn verzekerd. -Als (mede) een overbruggingslijfrente is verzekerd, terwijl na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, kan in de toekomst slechts een overbruggingslijfrente worden bedongen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de verzekering op 31 december 2005 (artikel 10a.1, derde lid, van de Wet IB 2001). +Als (mede) een overbruggingslijfrente is verzekerd, terwijl na 31 december 2005 nog premies worden voldaan, kan in de toekomst slechts een overbruggingslijfrente worden bedongen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de verzekering op 31 december 2005 (artikel 10a.1, derde lid, van de Wet IB 2001). -Premies die worden teruggewenteld naar 2005, worden in dit verband niet aangemerkt als premies die na 31 december 2005 zijn voldaan. Uit de wetssystematiek, in combinatie met de in onderdeel 4.5.1 genoemde goedkeuring, vloeit voort dat de waarde in het economische verkeer van de polis op 31 december 2005 kan worden verhoogd met de nominale premie die na 31 december 2005 is voldaan en die is teruggewenteld naar 2005 (met toepassing van artikel 3.130 van de Wet IB 2001). +Premies die worden teruggewenteld naar 2005, worden in dit verband niet aangemerkt als premies die na 31 december 2005 zijn voldaan. Uit de wetssystematiek, in combinatie met de in onderdeel 4.5.1 genoemde goedkeuring, vloeit voort dat de waarde in het economische verkeer van de polis op 31 december 2005 kan worden verhoogd met de nominale premie die na 31 december 2005 is voldaan en die is teruggewenteld naar 2005 (met toepassing van artikel 3.130 van de Wet IB 2001). -De vastgestelde waarde van de lijfrente op 31 december 2005 waarvoor nog overbruggingslijfrenten kunnen worden bedongen, ondergaat in beginsel geen wijziging meer. Een gedeeltelijke afkoop na 31 december 2005 bij voorbeeld, waarbij door middel van de saldomethode rekening wordt gehouden met niet-afgetrokken premies, heeft geen invloed op de vastgestelde waarde op 31 december 2005. Zijn er na 31 december 2005 geen premies meer voldaan, dan kan een overbruggingslijfrente worden bedongen voor de hele waarde van de verzekering op het ingangstijdstip. +De vastgestelde waarde van de lijfrente op 31 december 2005 waarvoor nog overbruggingslijfrenten kunnen worden bedongen, ondergaat in beginsel geen wijziging meer. Een gedeeltelijke afkoop na 31 december 2005 bij voorbeeld, waarbij door middel van de saldomethode rekening wordt gehouden met niet-afgetrokken premies, heeft geen invloed op de vastgestelde waarde op 31 december 2005. Zijn er na 31 december 2005 geen premies meer voldaan, dan kan een overbruggingslijfrente worden bedongen voor de hele waarde van de verzekering op het ingangstijdstip. ### 4.6. Termijn voor bedingen lijfrente -#### 4.6.1. Redelijke termijn tot en met 31 december 2009 +#### 4.6.1. Redelijke termijn tot en met 31 december 2009 -Een belastingplichtige had vóór de invoering van de wettelijke termijn op 1 januari 2010 op grond van de jurisprudentie een bepaalde termijn voor het invullen van de uitkeringsfase van zijn lijfrente. Om rekening te houden met wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is en met de omstandigheden van de belastingplichtige, hanteerde de rechter het begrip redelijke termijn. Dit uitgangspunt was voor mij aanleiding om bij de vaststelling van een minimumtermijn twee situaties te onderscheiden. De situatie waarin het vaststellen van de lijfrente moest plaatsvinden bij leven van de verzekerde persoon of rekeninghouder en de situatie waarin de lijfrente moest ingaan als gevolg van het overlijden van de verzekerde of de rekeninghouder. +Een belastingplichtige had vóór de invoering van de wettelijke termijn op 1 januari 2010 op grond van de jurisprudentie een bepaalde termijn voor het invullen van de uitkeringsfase van zijn lijfrente. Om rekening te houden met wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is en met de omstandigheden van de belastingplichtige, hanteerde de rechter het begrip redelijke termijn. Dit uitgangspunt was voor mij aanleiding om bij de vaststelling van een minimumtermijn twee situaties te onderscheiden. De situatie waarin het vaststellen van de lijfrente moest plaatsvinden bij leven van de verzekerde persoon of rekeninghouder en de situatie waarin de lijfrente moest ingaan als gevolg van het overlijden van de verzekerde of de rekeninghouder. Als minimumtermijn voor de vaststelling van een nabestaandenlijfrente oordeelde ik een termijn van 12 maanden na de datum van overlijden van de verzekerde persoon of de rekeninghouder redelijk. Als minimumtermijn voor het vaststellen van de lijfrente bij in leven zijn van de verzekerde persoon of rekeninghouder oordeelde ik een termijn van 6 maanden na de expiratiedatum c.q. de contractuele vaststellingsdatum redelijk. -#### 4.6.2. Wettelijke termijn met ingang van 1 januari 2010 +#### 4.6.2. Wettelijke termijn met ingang van 1 januari 2010 -Met ingang van 1 januari 2010 is de termijn waarbinnen een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen in de Wet IB 2001 vastgelegd (artikel 3.133, derde lid). Voor lijfrenten waarop het regime van de Wet IB 1964, tekst tot en met 1991, nog van toepassing is, is de bepaling met gelijke strekking in onderdeel O, zesde lid, van de Invoeringswet. Door deze bepaling is het mogelijk dat de uitkeringsfase van een levenslange oudedagslijfrente aanvangt op een hogere leeftijd dan 70 jaar. De expiratie- of einddatum van de opbouwfase moet echter wel liggen in het kalenderjaar waarin de belanghebbende 70 jaar wordt. +Met ingang van 1 januari 2010 is de termijn waarbinnen een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen in de Wet IB 2001 vastgelegd (artikel 3.133, derde lid). Voor lijfrenten waarop het regime van de Wet IB 1964, tekst tot en met 1991, nog van toepassing is, is de bepaling met gelijke strekking in onderdeel O, zesde lid, van de Invoeringswet. Door deze bepaling is het mogelijk dat de uitkeringsfase van een levenslange oudedagslijfrente aanvangt op een hogere leeftijd dan 70 jaar. De expiratie- of einddatum van de opbouwfase moet echter wel liggen in het kalenderjaar waarin de belanghebbende 70 jaar wordt. -Wordt de lijfrente niet uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de wettelijke termijn eindigt bedongen, dan wordt de aanspraak geacht fiscaal te zijn afgekocht dan wel te zijn gedeblokkeerd. Onder bijzondere omstandigheden kan de inspecteur deze termijn verlengen. Van een dergelijke omstandigheid is in het algemeen slechts sprake als de overschrijding van de wettelijke termijn niet aan de belanghebbende is te wijten. Bijvoorbeeld als de belanghebbende wel alles heeft gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht kan worden om de lijfrente te doen ingaan binnen de wettelijke termijn, maar de verzekeraar, de bank of de tussenpersoon nalatig is geweest bij het vaststellen van de lijfrente. Een ander voorbeeld is de situatie waarin de belanghebbende van de verzekeraar, de bank of de tussenpersoon vóór het einde van de wettelijke termijn geen enkele mededeling heeft ontvangen over het bereiken van de contractuele datum waarop deze moet ingaan. Ook kan het zijn dat het overschrijden van de wettelijke termijn niet verwijtbaar is als gevolg van een langdurige ziekte van de belanghebbende of van één van zijn gezinsleden. +Wordt de lijfrente niet uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de wettelijke termijn eindigt bedongen, dan wordt de aanspraak geacht fiscaal te zijn afgekocht dan wel te zijn gedeblokkeerd. Onder bijzondere omstandigheden kan de inspecteur deze termijn verlengen. Van een dergelijke omstandigheid is in het algemeen slechts sprake als de overschrijding van de wettelijke termijn niet aan de belanghebbende is te wijten. Bijvoorbeeld als de belanghebbende wel alles heeft gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht kan worden om de lijfrente te doen ingaan binnen de wettelijke termijn, maar de verzekeraar, de bank of de tussenpersoon nalatig is geweest bij het vaststellen van de lijfrente. Een ander voorbeeld is de situatie waarin de belanghebbende van de verzekeraar, de bank of de tussenpersoon vóór het einde van de wettelijke termijn geen enkele mededeling heeft ontvangen over het bereiken van de contractuele datum waarop deze moet ingaan. Ook kan het zijn dat het overschrijden van de wettelijke termijn niet verwijtbaar is als gevolg van een langdurige ziekte van de belanghebbende of van één van zijn gezinsleden. In gevallen waarin een nabestaandenlijfrente moet ingaan, komt het voor dat de verzekeraar niet binnen de wettelijke termijn in kennis wordt gesteld van het overlijden en de belanghebbenden niet op de hoogte zijn van het bestaan van de lijfrente. In een dergelijk geval gaat de wettelijke termijn pas in vanaf het tijdstip waarop de verzekeraar of de bank dan wel de belanghebbenden de relevante informatie bereikt. @@ -447,7 +450,7 @@ In al deze gevallen van overschrijding van de wettelijke termijn ligt het op de #### 4.6.3. Gevolgen voor contracten die in 2009 expireerden -Als de lijfrenteverzekering of lijfrentespaarrekening na 30 juni 2009 maar vóór 1 januari 2010 de contractuele datum bij leven heeft bereikt, geldt de termijn van de wettelijke regeling. De ‘oude’ redelijke termijn eindigt dan immers in 2010. Door de werking van de nieuwe wettelijke bepaling wordt de uiterste datum voor het bedingen van de lijfrente dan 31 december 2010. +Als de lijfrenteverzekering of lijfrentespaarrekening na 30 juni 2009 maar vóór 1 januari 2010 de contractuele datum bij leven heeft bereikt, geldt de termijn van de wettelijke regeling. De ‘oude’ redelijke termijn eindigt dan immers in 2010. Door de werking van de nieuwe wettelijke bepaling wordt de uiterste datum voor het bedingen van de lijfrente dan 31 december 2010. Bij overlijden in 2009 eindigt de ‘oude’ redelijke termijn voor het ingaan van de nabestaandenlijfrente in 2010. De uiterste datum van de wettelijke termijn is dan 31 december 2011. @@ -465,7 +468,7 @@ Eén van de andere wettelijke voorwaarden is dat de belastingplichtige geblokkee Een lijfrente kan fiscaal geruisloos worden omgezet in een andere lijfrente, al dan niet bij een andere aanbieder. De wetgever heeft de lijfrentespaarrekening zo veel mogelijk gelijk willen behandelen als de lijfrenteverzekering. Dit betekent ook dat een (ingegane) lijfrenteverzekering fiscaal geruisloos kan worden omgezet in een (ingegane) lijfrentespaarrekening en omgekeerd. De tweede aanspraak wordt in al deze gevallen beschouwd als de voortzetting van de eerdere aanspraak (artikel 3.134, eerste lid, van de Wet IB 2001). -Waar in de sfeer van de lijfrenteverzekering de wetgever een levenslange lijfrente eist, moet dit in de sfeer van de lijfrentespaarrekening een aanspraak zijn met uitkeringen gedurende ten minste 20 jaar. Het voorgaande houdt ook in dat als een ingegane levenslange oudedagslijfrenteverzekering wordt omgezet in een 20-jarige oudedagslijfrentespaarrekening, de al volgemaakte hele uitkeringsjaren na het bereiken van de 65-jarige leeftijd meetellen voor het minimum aantal van 20 jaren van de lijfrentespaarrekening. Wel geldt daarbij dat de ingaande lijfrentespaarrekening altijd nog gedurende ten minste 5 jaren moet lopen. Wordt een ingegane tijdelijke lijfrenteverzekering omgezet in een ingaande tijdelijke lijfrentespaarrekening, dan moet de resterende looptijd ten minste 5 jaren zijn of de op het omzettingstijdstip resterende looptijd van de omgezette lijfrente als dat minder is. +Waar in de sfeer van de lijfrenteverzekering de wetgever een levenslange lijfrente eist, moet dit in de sfeer van de lijfrentespaarrekening een aanspraak zijn met uitkeringen gedurende ten minste 20 jaar. Het voorgaande houdt ook in dat als een ingegane levenslange oudedagslijfrenteverzekering wordt omgezet in een 20-jarige oudedagslijfrentespaarrekening, de al volgemaakte hele uitkeringsjaren na het bereiken van de 65-jarige leeftijd meetellen voor het minimum aantal van 20 jaren van de lijfrentespaarrekening. Wel geldt daarbij dat de ingaande lijfrentespaarrekening altijd nog gedurende ten minste 5 jaren moet lopen. Wordt een ingegane tijdelijke lijfrenteverzekering omgezet in een ingaande tijdelijke lijfrentespaarrekening, dan moet de resterende looptijd ten minste 5 jaren zijn of de op het omzettingstijdstip resterende looptijd van de omgezette lijfrente als dat minder is. Als sprake is van omzetting naar een ander type lijfrente worden eerdere uitkeringsjaren echter niet meegeteld, omdat de uitkeringsgrootheden van beide typen lijfrenten dan volstrekt ongelijksoortig zijn. Zo tellen de uitkeringsjaren na 65 jaar van een levenslange oudedagslijfrenteverzekering niet mee na de omzetting in een tijdelijke lijfrentespaarrekening die een minimum looptijd kent van 5 jaren. Na de omzetting dient de tijdelijke lijfrente dus ten minste 5 jaren te lopen. Niet vereist is overigens dat de omzetting plaatsvindt vóór het bereiken van de 70-jarige leeftijd van de belastingplichtige. De oudedagslijfrente was immers al ingegaan vóór het bereiken van de 70-jarige leeftijd. @@ -475,7 +478,7 @@ Een immigrant kan, als hij voor het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht Om in aanmerking te komen voor aftrek van de betaalde premies moet het buitenlandse verzekeringsbedrijf voldoen aan voorwaarden die door de minister worden gesteld (artikel 3.126, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Ik stel hierbij de volgende cumulatieve voorwaarden: -– De professionele aanbieder of uitvoerder moet zijn onderworpen aan overheidstoezicht dat vergelijkbaar is met het toezicht op grond van de Wft. +– De professionele aanbieder of uitvoerder moet zijn onderworpen aan overheidstoezicht dat vergelijkbaar is met het toezicht op grond van de Wft. – Het moet gaan om een voortzetting van een lijfrente- of abeidsongeschiktheidsverzekering. Hiervan is uiteraard alleen sprake als het tijdstip van het aangaan van de buitenlandse overeenkomst is gelegen vóór het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht. Dat brengt onder meer mee dat vóór het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht ten minste één periodieke, contractuele premiebetaling moet hebben plaatsgevonden. – Als het gaat om een voortgezette lijfrente moet deze voldoen aan de voorwaarden van artikel 1.7, eerste lid, van de Wet IB 2001. @@ -501,13 +504,13 @@ Daarom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed dat d De vormgeving van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten wijkt sterk af van de vormgeving van lijfrenten van het regime van de Wet IB 2001. Voor aftrek van premies van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten moet de polis op het tijdstip van premiebetaling volledig zijn aangepast aan het regime van de Wet IB 2001. -Voor de jaren 2001 en 2002 heb ik voor premies betaald voor van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten het volgende goedgekeurd. De aanpassing van de polis moest uiterlijk op 31 december 2002 plaats hebben gevonden of op het nadien gelegen tijdstip waarop de aangifte over 2001 werd gedaan. Omdat deze goedkeuring gevolgen heeft voor de gehele looptijd van de lijfrente, vermeld ik deze in dit besluit. +Voor de jaren 2001 en 2002 heb ik voor premies betaald voor van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten het volgende goedgekeurd. De aanpassing van de polis moest uiterlijk op 31 december 2002 plaats hebben gevonden of op het nadien gelegen tijdstip waarop de aangifte over 2001 werd gedaan. Omdat deze goedkeuring gevolgen heeft voor de gehele looptijd van de lijfrente, vermeld ik deze in dit besluit. ### 5.2. Omzetting in lijfrente IB 2001 -Er is geen sprake van afkoop in fiscale zin als een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek van de Wet IB 2001. Na de omzetting vormt de naar het nieuwe recht vormgegeven aanspraak de voortzetting van de omgezette aanspraak. Dit geldt ook als de bedoelde aanspraak gedeeltelijk wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek. +Er is geen sprake van afkoop in fiscale zin als een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek van de Wet IB 2001. Na de omzetting vormt de naar het nieuwe recht vormgegeven aanspraak de voortzetting van de omgezette aanspraak. Dit geldt ook als de bedoelde aanspraak gedeeltelijk wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek. -Deze omzetting heeft geen gevolgen voor het gedeelte van de lijfrenteverzekering, dat voortvloeit uit premiebetalingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2001. Als het gaat om een premiebetaling zoals omschreven in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Invoeringswet, blijven voor de bepaling van het inkomen uit een dergelijke lijfrenteverzekering altijd de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking). +Deze omzetting heeft geen gevolgen voor het gedeelte van de lijfrenteverzekering, dat voortvloeit uit premiebetalingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2001. Als het gaat om een premiebetaling zoals omschreven in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Invoeringswet, blijven voor de bepaling van het inkomen uit een dergelijke lijfrenteverzekering altijd de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking). Dit geldt ook voor een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente die wordt aangepast aan de voorwaarden voor premieaftrek van het regime IB 2001. Als een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente echter wordt omgezet in een lijfrentespaarrekening gaat op grond van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, negende lid, van de Invoeringswet, het Pré-Brede Herwaarderingsregime verloren. @@ -529,9 +532,9 @@ Bij vervreemding om niet van een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente aan een niet- Tot en met het jaar 2000 bestond er voor Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten echter geen buitenlandse belastingplicht over de lijfrentetermijnen omdat daarvoor geen regeling was opgenomen in artikel 49 van de Wet IB 1964, tekst 1991. Bij vervreemding om niet aan een niet-inwoner moest de vervreemder dus tot en met het jaar 2000 afrekenen. -Na de invoering van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet is het standpunt ingenomen dat er buitenlandse belastingplicht is ontstaan voor termijnen uit Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten. Het gevolg hiervan was dat een dergelijke lijfrente met ingang van 2001 zonder afrekening voor de inkomstenbelasting om niet kon worden vervreemd aan een niet-inwoner. Het ging daarbij in de praktijk vaak om de schenking van een lijfrente aan een in het buitenland wonend meerderjarig kind. (Dit standpunt was opgenomen in vraag C.39 van het toenmalige besluit van 13 februari 2001, CPP2000/3210M. Vanwege het voorlichtende karakter is dit standpunt niet opnieuw gepubliceerd in een beleidsbesluit.) +Na de invoering van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet is het standpunt ingenomen dat er buitenlandse belastingplicht is ontstaan voor termijnen uit Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten. Het gevolg hiervan was dat een dergelijke lijfrente met ingang van 2001 zonder afrekening voor de inkomstenbelasting om niet kon worden vervreemd aan een niet-inwoner. Het ging daarbij in de praktijk vaak om de schenking van een lijfrente aan een in het buitenland wonend meerderjarig kind. (Dit standpunt was opgenomen in vraag C.39 van het toenmalige besluit van 13 februari 2001, CPP2000/3210M. Vanwege het voorlichtende karakter is dit standpunt niet opnieuw gepubliceerd in een beleidsbesluit.) -In een arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, nr. 09/03783 is uitgemaakt dat het standpunt inzake het bestaan van buitenlandse belastingplicht voor termijnen uit Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten niet juist is. Dit betekent dat een vervreemding om niet van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten aan een niet-inwoner leidt tot afrekening over de waarde van de lijfrente bij de vervreemder. Dit heeft ook gevolgen voor vervreemdingen om niet aan een niet-inwoner die na 21 januari 2011 hebben plaatsgevonden en waarin nog geen onherroepelijk vaststaande aanslag is opgelegd. +In een arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, nr. 09/03783 is uitgemaakt dat het standpunt inzake het bestaan van buitenlandse belastingplicht voor termijnen uit Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten niet juist is. Dit betekent dat een vervreemding om niet van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten aan een niet-inwoner leidt tot afrekening over de waarde van de lijfrente bij de vervreemder. Dit heeft ook gevolgen voor vervreemdingen om niet aan een niet-inwoner die na 21 januari 2011 hebben plaatsgevonden en waarin nog geen onherroepelijk vaststaande aanslag is opgelegd. ### 5.5. Toepassing van artikel 69 van de Wet IB 1964 op naar nieuw regime omgezette lijfrenten @@ -549,9 +552,9 @@ In april 2011 heeft de Belastingdienst in een specifieke casus een standpunt ing De specifieke casus betrof een zogenoemde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die was gesloten door de meestverdienende echtgenoot die ook de lijfrentepremies had afgetrokken. Op het tijdstip van de expiratie van de kapitaalverzekering was de minstverdienende echtgenoot onherroepelijk begunstigde van de lijfrente. De lijfrenteclausule moet daarom ook door de minstverdienende echtgenoot worden uitgevoerd en deze doet dat door het inbrengen van het lijfrentekapitaal in een lijfrentespaarrekening. Langs deze weg is in de eerste plaats een fiscaal geruisloze omzetting mogelijk, ondanks het feit dat de andere echtgenoot dan de echtgenoot die oorspronkelijk verzekeringnemer was, de rechthebbende wordt van de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Bovendien hield het standpunt van de Belastingdienst in dat de uitkeringen die op de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht worden ontvangen door de minstverdienende echtgenoot, ook daadwerkelijk bij die echtgenoot zouden worden belast. Dit ondanks het feit dat de premies voor de lijfrenteverzekering in het verleden bij de andere, meestverdienende echtgenoot in aftrek zijn gekomen. -Dit op 6 april 2011 ingenomen standpunt van de Belastingdienst blijft gelden voor alle gevallen waarvan aannemelijk is dat uitsluitend op basis van deze standpuntbepaling en nog vóór 19 augustus 2011, vóór of door de expiratie van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule de begunstiging onherroepelijk is gewijzigd ten gunste van de minstverdienende echtgenoot. Hieronder vallen in beginsel niet situaties waarin al vóór het bekend worden van het standpunt van de Belastingdienst de minstverdienende echtgenoot (onherroepelijk) begunstigde van de lijfrente was. Dit is anders als na de standpuntbepaling door de Belastingdienst, maar vóór 19 augustus 2011, ook overboeking van het lijfrentekapitaal heeft plaatsgevonden naar een aanbieder van lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten. Deze situaties worden eveneens gerespecteerd. +Dit op 6 april 2011 ingenomen standpunt van de Belastingdienst blijft gelden voor alle gevallen waarvan aannemelijk is dat uitsluitend op basis van deze standpuntbepaling en nog vóór 19 augustus 2011, vóór of door de expiratie van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule de begunstiging onherroepelijk is gewijzigd ten gunste van de minstverdienende echtgenoot. Hieronder vallen in beginsel niet situaties waarin al vóór het bekend worden van het standpunt van de Belastingdienst de minstverdienende echtgenoot (onherroepelijk) begunstigde van de lijfrente was. Dit is anders als na de standpuntbepaling door de Belastingdienst, maar vóór 19 augustus 2011, ook overboeking van het lijfrentekapitaal heeft plaatsgevonden naar een aanbieder van lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten. Deze situaties worden eveneens gerespecteerd. -Met het oog op de beoordeling of sprake is van gewekt vertrouwen en om dit voor de toekomst vast te leggen, moesten deze situaties vóór 1 januari 2012 worden gemeld aan de voor de belastingplichtige bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. Daarbij moest de belastingplichtige stukken overleggen waaruit het tijdstip van onherroepelijk worden van de begunstiging c.q. het tijdstip van overboeking van het lijfrentekapitaal blijkt. +Met het oog op de beoordeling of sprake is van gewekt vertrouwen en om dit voor de toekomst vast te leggen, moesten deze situaties vóór 1 januari 2012 worden gemeld aan de voor de belastingplichtige bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. Daarbij moest de belastingplichtige stukken overleggen waaruit het tijdstip van onherroepelijk worden van de begunstiging c.q. het tijdstip van overboeking van het lijfrentekapitaal blijkt. ## 6. Hoogte van de aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrentespaarrekening ( @@ -574,7 +577,7 @@ Een inkomensvoorziening gebaseerd op het beschikbare-premiestelsel is een inkome #### 6.1.2. Wijzigingen na afloop van het kalenderjaar -Een wijziging in de pensioenrechten na het verstrijken van het kalenderjaar heeft invloed op de opgaveplicht. De pensioenverzekeraar moet de opgave van de pensioenaangroei over een kalenderjaar vóór 1 november van het daarop volgende jaar aan de verzekerde werknemer doen. De pensioenverzekeraar baseert deze opgave op de bij hem bekende grondslagen ten tijde van het opmaken daarvan. Als achteraf blijkt dat bij de (primaire) opgave is uitgegaan van onjuiste grondslagen, moet de verzekeraar de verzekerde werknemer een gecorrigeerde opgave verstrekken. +Een wijziging in de pensioenrechten na het verstrijken van het kalenderjaar heeft invloed op de opgaveplicht. De pensioenverzekeraar moet de opgave van de pensioenaangroei over een kalenderjaar vóór 1 november van het daarop volgende jaar aan de verzekerde werknemer doen. De pensioenverzekeraar baseert deze opgave op de bij hem bekende grondslagen ten tijde van het opmaken daarvan. Als achteraf blijkt dat bij de (primaire) opgave is uitgegaan van onjuiste grondslagen, moet de verzekeraar de verzekerde werknemer een gecorrigeerde opgave verstrekken. De pensioenverzekeraar moet de gecorrigeerde opgave verstrekken binnen een redelijke termijn na het bekend worden van de gewijzigde grondslagen. Als de pensioenverzekeraar binnen twee maanden na het bekend worden van de gewijzigde grondslagen aan de pensioendeelnemer een verbeterde opgave verstrekt, heeft die verstrekking in ieder geval binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. @@ -586,7 +589,7 @@ Bij de berekening van de reserveringsruimte moet rekening worden gehouden met ee #### 6.1.4. Voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag -Als een persoon van 40 jaar of ouder onvrijwillig wordt ontslagen, is het mogelijk dat een pensioenopbouw wordt voortgezet ten laste van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna: FVP). Het recht dat uit de FVP-bijdragen wordt opgebouwd, wordt na afloop van de loongerelateerde werkloosheidsperiode vastgesteld. De opbouw uit de FVP-bijdrage behoort tot de pensioenaangroei (artikel 3.127, eerste juncto vierde lid, van de Wet IB 2001). De FVP-bijdrage is per 1 januari 2011 beëindigd. +Als een persoon van 40 jaar of ouder onvrijwillig wordt ontslagen, is het mogelijk dat een pensioenopbouw wordt voortgezet ten laste van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna: FVP). Het recht dat uit de FVP-bijdragen wordt opgebouwd, wordt na afloop van de loongerelateerde werkloosheidsperiode vastgesteld. De opbouw uit de FVP-bijdrage behoort tot de pensioenaangroei (artikel 3.127, eerste juncto vierde lid, van de Wet IB 2001). De FVP-bijdrage is per 1 januari 2011 beëindigd. Ik keur op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed dat bij de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei met de opbouw van levenslang ouderdoms- en partnerpensioen uit de FVP-gelden geen rekening hoeft te worden gehouden. Ik stel hierbij de voorwaarde dat de voortgezette pensioenopbouw in de pensioenregeling alleen plaatsvindt als en voor zover de voortgezette opbouw achteraf met de FVP-bijdragen wordt verkregen. @@ -648,7 +651,7 @@ Per 1 januari 2006 is de Wet VPL ingegaan. Het uitgangspunt van deze wet is dat Voor werknemers die vóór 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, geldt in de pensioensfeer overgangsrecht. Zij kunnen fiscaal gefacilieerd VUT- en prepensioenvoorzieningen blijven opbouwen (artikel 38e, tweede lid, van de Wet LB 1964). Echter, voor deze groep leidt de correctie van factor A ingeval van een eerdere pensioendatum dan 65 jaar, feitelijk tot (gedeeltelijke) terugneming van het overgangsrecht uit de Wet op de LB 1964 omdat dan minder aftrekruimte in de lijfrentesfeer bestaat. Het terugnemen van het overgangsrecht uit de Wet op de LB 1964 in de vorm van minder lijfrenteaftrekmogelijkheden is voor deze groep werknemers ongewenst. Daarom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed. -Ik keur goed dat de correctie van factor A (artikel 15, vijfde lid, van het Uitv.besl. IB 2001) niet geldt voor werknemers die vóór 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt. +Ik keur goed dat de correctie van factor A (artikel 15, vijfde lid, van het Uitv.besl. IB 2001) niet geldt voor werknemers die vóór 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt. ### 6.2. Opgave in verband met pensioenverbetering @@ -662,7 +665,7 @@ Als uit de regeling of verzekering de toerekening van de vrijwillige premiebetal #### 6.2.2. Inkoop van dienstjaren -Bij inkoop van dienstjaren (artikel 10a, eerste lid, onderdelen b en f, en het derde lid van het Uitv. besl. LB 1965) neemt de hoogte van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom toe. Deze toename kan van invloed zijn op de vaststelling van de pensioenaangroei (artikel 3.127, eerste juncto vierde lid, van de Wet IB 2001). +Bij inkoop van dienstjaren (artikel 10a, eerste lid, onderdelen b en f, en het derde lid van het Uitv. besl. LB 1965) neemt de hoogte van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom toe. Deze toename kan van invloed zijn op de vaststelling van de pensioenaangroei (artikel 3.127, eerste juncto vierde lid, van de Wet IB 2001). De inkoop van dienstjaren heeft geen effect op de berekening van de pensioenaangroei van het kalenderjaar, voor zover de ingekochte diensttijd ziet op diensttijd voorafgaand aan het kalenderjaar. De ingekochte diensttijd heeft immers geen betrekking op de toename van de diensttijd in het kalenderjaar. @@ -690,7 +693,7 @@ Dit heeft tot gevolg dat belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbou Ik keur op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed dat personen die in een jaar aanspraken voor een Belgisch rustpensioen opbouwen, bij de berekening van de aangroei in dat jaar op het bedrag van de aangroei van jaarlijkse uitkeringen volgens een pensioenregeling een forfaitair bedrag in mindering mogen brengen. Het gaat om de aangroei als bedoeld in artikel 3.127, vierde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, ook wel de factor A. Deze goedkeuring geldt uitsluitend als in dat jaar geen Nederlandse AOW- aanspraken zijn opgebouwd. -De hoogte van deze vermindering bedraagt éénvijftigste van de uitkering op jaarbasis als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, jo vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet (de gehuwden-AOW), inclusief vakantiegeld. Bij de berekening van de gehuwden-AOW wordt uitgegaan van het uitkeringsniveau van 1 januari van het jaar waarover de aangroei van de pensioenaanspraken voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek in aanmerking moet worden genomen. +De hoogte van deze vermindering bedraagt éénvijftigste van de uitkering op jaarbasis als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, jo vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet (de gehuwden-AOW), inclusief vakantiegeld. Bij de berekening van de gehuwden-AOW wordt uitgegaan van het uitkeringsniveau van 1 januari van het jaar waarover de aangroei van de pensioenaanspraken voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek in aanmerking moet worden genomen. Bij de berekening van de aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aanspraken voor een Belgisch rustpensioen kunnen de volgende bedragen op deze aangroei in mindering worden gebracht: @@ -719,7 +722,7 @@ Hierna is aangegeven onder welke omstandigheden een betaalde lijfrentepremie of ### 7.1. Tijdstip van betalen lijfrentepremie of inleg -Premie of inleg komt voor aftrek als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking in het jaar van betaling. Voor lijfrenten die zijn of worden bedongen in het kader van omzetting van een oudedagsreserve in een lijfrente (artikel 3.128 van de Wet IB 2001) en omzetting van stakingswinst in een lijfrente (artikel 3.129 van de Wet IB 2001) kunnen in bepaalde gevallen wel te laat betaalde premies in aanmerking worden genomen. Deze materie is geregeld in een afzonderlijk beleidsbesluit (Lijfrenten in de winstsfeer; besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M). +Premie of inleg komt voor aftrek als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking in het jaar van betaling. Voor lijfrenten die zijn of worden bedongen in het kader van omzetting van een oudedagsreserve in een lijfrente (artikel 3.128 van de Wet IB 2001) en omzetting van stakingswinst in een lijfrente (artikel 3.129 van de Wet IB 2001) kunnen in bepaalde gevallen wel te laat betaalde premies in aanmerking worden genomen. Deze materie is geregeld in een afzonderlijk beleidsbesluit (Lijfrenten in de winstsfeer; besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M). #### 7.1.1. Betaling lijfrentepremie of inleg op een lijfrentespaarrekening in afwijking van de contractuele betaaldatum @@ -806,19 +809,27 @@ Aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrentespaarrekening als uitgave vo – Als de waarde in het economische verkeer van dat recht of tegoed minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 3.126a, vijfde lid, en artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d van de Wet IB 2001 (zogenoemde afkoopregeling kleine lijfrenten). In die situatie is volgens de wet sprake van één reguliere termijn. – Voor zover de opgebouwde rechten onder de eerbiedigende werking van artikel 75 van de Wet IB 1964 vallen. -Als nog geen lijfrenteuitkering is vervallen, wordt de waarde in het economische verkeer van de lijfrente ten minste gesteld op de betaalde premie of inleg (minimumwaarderingsregel; artikel 3.137, eerste lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001). Daarnaast is de belastingplichtige revisierente verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van het recht of tegoed (artikel 30i van de AWR). Hierna neem ik een aantal standpunten in die van toepassing zijn bij schending van de voorwaarden die gelden voor de aftrek van lijfrentepremie of de inleg op een lijfrentespaarrekening. +Voor lijfrentevoorzieningen die nog niet in de uitkeringsfase zijn, wordt de waarde in het economische verkeer van de lijfrente gesteld op de betaalde premie of inleg. Dit is de zogenoemde minimumwaarderingsregel (artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001). Bij afkoop van de aanspraak kan hierbij onder bepaalde voorwaarden nog rekening worden gehouden met niet-afgetrokken premie of inleg. Daarnaast is de belastingplichtige revisierente verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van het recht of tegoed (artikel 30i van de AWR). -#### 9.1.2. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen +#### 9.1.2. Geen toepassing van de minimumwaarderingsregel bij afkoop van de aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen + +Door de recente economische ontwikkelingen zijn belastingplichtigen eerder genoodzaakt om lijfrenteovereenkomsten af te kopen. De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij (geheel of gedeeltelijke) afkoop van een aanspraak op lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Dit doet zich met name voor bij lijfrenteovereenkomsten waarbij de waarde van de aanspraak op lijfrente door beleggingsverliezen aanzienlijk lager ligt dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. + +In dit kader acht ik het geschetste fiscale gevolg ongewenst dat de toepassing van de minimumwaarderingsregel krijgt bij afkoop van een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen. De minimumwaarderingsregel is mede in de wet opgenomen om oneigenlijk gebruik (boxarbitrage) tegen te gaan. Boxarbitrage kan zich echter niet voordoen in situaties van afkoop. Daarom keur ik vooruitlopend op wetgeving het volgende goed. + +Ik keur goed dat de minimumwaarderingsregel (artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001) niet van toepassing is bij afkoop van een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen. Als de definitieve aanslag over het jaar waarin de afkoop heeft plaatsgevonden onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor ambtshalve vermindering zoals opgenomen in artikel 9.6 van de Wet IB 2001 met dien verstande dat artikel 45aa, onderdeel c, van de Uitv. Reg. IB 2001 geen toepassing vindt. + +#### 9.1.3. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen Bij een bepaalde vorm van gemengde verzekering wordt de uitkering bij leven uitgekeerd in de vorm van een (oudedags-)lijfrente en de uitkering bij overlijden in de vorm van een kapitaalsuitkering. Het komt regelmatig voor dat voor een gemengde verzekering gedurende een of meer jaren tijdens de looptijd geen premie wordt betaald (een zogenoemde premievakantie). De premie voor de uitkering bij overlijden wordt dan in het jaar van de premievakantie of in de toekomst geheel of gedeeltelijk onttrokken aan de reserve voor de lijfrenteuitkering bij leven. In zoverre vindt op het tijdstip van de onttrekking gedeeltelijke afkoop plaats van de lijfrente. Dit betekent dat voor het afgekochte deel negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001) en revisierente verschuldigd wordt. -#### 9.1.3. Afkoop nabestaandenlijfrente; hoogte negatieve uitgaven +#### 9.1.4. Afkoop nabestaandenlijfrente; hoogte negatieve uitgaven -Als bij een nabestaandenlijfrente, al dan niet in combinatie met een oudedagslijfrente, de verzekerde persoon overlijdt, expireert de in de polis genoemde rekengrootheid voor de uitkering van de nabestaandenlijfrente. De begunstigde kan kiezen voor een uitkering ineens in plaats van een nabestaandenlijfrente. Dit wordt aangemerkt als een afkoop. De waarde in het economische verkeer van de nabestaandenlijfrente wordt als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen (artikel 3.137 van de Wet IB 2001).Omdat de afkoop plaatsvindt op het tijdstip waarop formeel gesproken nog geen lijfrenteuitkeringen zijn vervallen, zou deze waarde ten minste gesteld moeten worden op het totaalbedrag van de premiedelen die voor de nabestaandenlijfrente zijn betaald. De toepassing van de minimumwaarderingsregel in deze specifieke situatie is echter niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. In deze situatie is het verzekerd risico ingetreden en dus geen sprake van oneigenlijk gebruik dat de wetgever heeft willen tegengaan met de minimumwaarderingsregel. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden in een dergelijk geval in aanmerking genomen tot de waarde in het economische verkeer van de nabestaandenlijfrente, ook als deze lager is dan de betaalde premie. Over deze waarde is revisierente verschuldigd. +Als bij een nabestaandenlijfrente, al dan niet in combinatie met een oudedagslijfrente, de verzekerde persoon overlijdt, expireert de in de polis genoemde rekengrootheid voor de uitkering van de nabestaandenlijfrente. De begunstigde kan kiezen voor een uitkering ineens in plaats van een nabestaandenlijfrente. Dit wordt aangemerkt als een afkoop. De waarde in het economische verkeer van de nabestaandenlijfrente wordt als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen (artikel 3.137 van de Wet IB 2001).Omdat de afkoop plaatsvindt op het tijdstip waarop formeel gesproken nog geen lijfrenteuitkeringen zijn vervallen, zou deze waarde ten minste gesteld moeten worden op het totaalbedrag van de premiedelen die voor de nabestaandenlijfrente zijn betaald. De toepassing van de minimumwaarderingsregel in deze specifieke situatie is echter niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. In deze situatie is het verzekerd risico ingetreden en dus geen sprake van oneigenlijk gebruik dat de wetgever heeft willen tegengaan met de minimumwaarderingsregel. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden in een dergelijk geval in aanmerking genomen tot de waarde in het economische verkeer van de nabestaandenlijfrente, ook als deze lager is dan de betaalde premie. Over deze waarde is revisierente verschuldigd. Deze wijze van heffing geldt ook voor opname van het tegoed van een lijfrentespaarrekening. -#### 9.1.4. Toepassing regeling voor afkoop kleine lijfrenten bij nabestaandenlijfrenten +#### 9.1.5. Toepassing regeling voor afkoop kleine lijfrenten bij nabestaandenlijfrenten Na het overlijden van de verzekerde persoon van wiens leven het ingaan van een nabestaandenlijfrente afhankelijk is, komt het lijfrentekapitaal bij een verzekering toe aan degenen die in de polis zijn genoemd als de begunstigden bij overlijden. Als sprake is van een lijfrentespaarrekening komt bij overlijden het tegoed toe aan de erfgenamen van de overledene. @@ -826,11 +837,11 @@ Als gevolg van deze civielrechtelijke gerechtigdheid komt het vaak voor dat het In dergelijke situaties is deze grens per nabestaandenlijfrente van iedere begunstigde of erfgenaam van toepassing. -#### 9.1.5. Toedeling nabestaandenlijfrenten +#### 9.1.6. Toedeling nabestaandenlijfrenten In de praktijk komt het voor dat er een relatief klein bedrag aan lijfrentekapitaal of tegoed op een lijfrentespaarrekening toekomt aan meerdere begunstigden of erfgenamen. Desgewenst mag het kapitaal of tegoed aan één of meer begunstigde(n) of erfgena(a)m(en) worden toegerekend als alle gerechtigden daarmee instemmen. Voorwaarde hierbij is dat de betreffende begunstigde of erfgenaam in Nederland woonachtig is. Onder een ‘klein bedrag’ kan in dit verband worden verstaan de situatie als beschreven in paragraaf 9.1.4 waarin per gerechtigde de regeling voor afkoop van een kleine lijfrente van toepassing kan zijn. -#### 9.1.6. Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker +#### 9.1.7. Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker Bij overlijden moet het tegoed van een lijfrentespaarrekening worden aangewend voor een nabestaandenlijfrente door degenen die volgens het erfrecht gerechtigd zijn tot het tegoed. In de praktijk komt het veel voor dat de overblijvende partner van de overledene op grond van testament, het recht van vruchtgebruik of een daarmee overeenkomend recht op de nalatenschap verkrijgt. En daarmee ook op de ingaande nabestaandenlijfrente. Aan de overige gerechtigden komt dan de bloot eigendom van de nabestaandenlijfrente toe. In veel gevallen houdt dit in dat de nabestaandenlijfrente volledig wordt genoten door de vruchtgebruiker en dat aan de bloot eigenaren niets toekomt. @@ -898,9 +909,9 @@ Op grond van artikel 3.134 van de Wet IB 2001 kan een verzekerde oudedagslijfren Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de hoogte van de termijnen van de overbruggingslijfrente en van de tijdelijke oudedagslijfrente aan het wettelijk jaarmaximum wordt getoetst op het tijdstip waarop deze lijfrenten door de omzetting (als bedoeld in artikel 3.134 van de Wet IB 2001) voor het eerst als zodanig worden verzekerd. Het is dus niet vereist om alsnog op basis van het meestal ver in het verleden liggende tijdstip van premiebetaling een complexe berekening te maken als was destijds al een overbruggingslijfrente c.q. tijdelijke oudedagslijfrente verzekerd. -Een overbruggingslijfrente die ontstaat als gevolg van de omzetting van een andere aanspraak mag geen hogere uitkeringen hebben dan € 63.288 per jaar (het in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 tekst per 31 december 2005 opgenomen bedrag). Een tijdelijke oudedagslijfrente die ontstaat als gevolg van de omzetting van een andere aanspraak mag geen hogere uitkeringen hebben dan het bedrag genoemd in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 op het tijdstip van omzetting. Als de vastgestelde uitkeringen hoger zijn, worden voor dit hogere deel negatieve uitgaven in aanmerking genomen. +Een overbruggingslijfrente die ontstaat als gevolg van de omzetting van een andere aanspraak mag geen hogere uitkeringen hebben dan € 63.288 per jaar (het in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 tekst per 31 december 2005 opgenomen bedrag). Een tijdelijke oudedagslijfrente die ontstaat als gevolg van de omzetting van een andere aanspraak mag geen hogere uitkeringen hebben dan het bedrag genoemd in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 op het tijdstip van omzetting. Als de vastgestelde uitkeringen hoger zijn, worden voor dit hogere deel negatieve uitgaven in aanmerking genomen. -Bij de omzetting in een overbruggingslijfrente is ook van belang of de omgezette aanspraak voortvloeit uit premies die vóór 1 januari 2006 zijn afgetrokken (artikel 10a.1, eerste lid, van de Wet IB 2001). Als er na 31 december 2005 nog premies zijn betaald die niet naar 2005 zijn teruggewenteld, kan slechts een overbruggingslijfrente worden bedongen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op 31 december 2005 (artikel 10a.1, derde lid, van de Wet IB 2001) (zie onderdeel 4.5.3). +Bij de omzetting in een overbruggingslijfrente is ook van belang of de omgezette aanspraak voortvloeit uit premies die vóór 1 januari 2006 zijn afgetrokken (artikel 10a.1, eerste lid, van de Wet IB 2001). Als er na 31 december 2005 nog premies zijn betaald die niet naar 2005 zijn teruggewenteld, kan slechts een overbruggingslijfrente worden bedongen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op 31 december 2005 (artikel 10a.1, derde lid, van de Wet IB 2001) (zie onderdeel 4.5.3). ### 9.5. Uiterste ingangsdatum (tijdelijke) oudedagslijfrente onder Brede Herwaardering gesloten @@ -914,8 +925,8 @@ Een dergelijk polis mag ook fiscaal geruisloos worden omgezet in een lijfrenteve De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit: -– het besluit van 10 mei 2010, nr. DGB2010/3119M en -– het besluit van 19 augustus 2011, nr. BLKB2011/1576M (opgenomen in dit besluit). +– het besluit van 10 mei 2010, nr. DGB2010/3119M en +– het besluit van 19 augustus 2011, nr. BLKB2011/1576M (opgenomen in dit besluit). ## 11. Inwerkingtreding