2002-04-01 | BWBR0006530 | Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

This commit is contained in:
Coornhert 2002-04-01 12:00:00 +00:00
parent 096dbfe785
commit e0d9b99f9c

View file

@ -228,12 +228,6 @@ f. voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting.
**5.** De kosten van het hernieuwd onderzoek komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar worden hem vergoed overeenkomstig de regels die gelden voor burgerlijke rijksambtenaren.
### Artikel 14a
**1.** Indien een geschil bestaat tussen de rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit over het al dan niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, kan de rechterlijk ambtenaar of diens functionele autoriteit het UWV verzoeken een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Suwi.
**2.** De kosten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar worden hem vergoed overeenkomstig de regels die gelden voor burgerlijke rijksambtenaren.
### Artikel 15
**1.** De leden van de commissie, bedoeld in artikel 14, derde en vierde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door Onze Minister.
@ -793,10 +787,6 @@ Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren bij de rechtbanken en de gerechtshove
**4.** In geval van ontslag of overlijden wordt de eindejaarsuitkering zo veel mogelijk uitbetaald in de maand na het ontslag of overlijden.
### Artikel 38j
Onze Minister kan regels stellen voor een tegemoetkoming in de reiskosten van de rechterlijk ambtenaar, aan wie op grond van artikel 39 van de wet buitengewoon verlof is verleend en die is uitgezonden naar de Nederlandse Antillen of Aruba, en zijn gezinsleden in verband met een tussentijdse terugreis naar Nederland.
### Artikel 39
**1.** De op grond van de artikelen 125 en 125c van de Ambtenarenwet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur tot stand gebrachte algemeen verbindende voorschriften zoals die tot en met 31 maart 1994 golden ten aanzien van de niet voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie, zijn ten aanzien van hen van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de algemeen verbindende voorschriften die tot stand zijn gebracht op grond van het op 31 maart 1994 geldende artikel 125, eerste lid, onderdelen c, d, e, f, g, h, i, j, l en m, van de Ambtenarenwet, en met uitzondering van de artikelen 9b, 9c, 94a, 98 en 102, eerste, tweede en vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.