2003-06-18 | BWBR0015136 | Rechtspositiebesluit WPO/WEC
This commit is contained in:
parent
06c41d5580
commit
e22506c740
1 changed files with 1620 additions and 217 deletions
|
|
@ -56,27 +56,33 @@ p. echtgeno(o)t(e): voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of
|
|||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een bijgewerkt exemplaar van dit besluit en de overige van toepassing zijnde rechtspositionele regelingen op een voor de betrokkene steeds toegankelijke plaats in de instelling ter inzage beschikbaar is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Indien de betrokkene ten genoegen van de bevoegde instantie aannemelijk maakt dat de aanvang van een in dit besluit gestelde termijn waarin een aanspraak kan worden geldend gemaakt, hem niet tijdig bekend kon zijn en hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, wordt de termijn geacht te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de betrokkene naar het oordeel van de bevoegde instantie redelijkerwijs heeft kunnen kennis dragen van het ontstaan van zijn aanspraken.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 214, eerste lid, 223, eerste en derde lid, en 235, eerste en derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De salarisbedragen, toelagen en tegemoetkomingen, genoemd in de bijlagen bij dit besluit, kunnen worden gewijzigd bij ministeriële regeling.
|
||||
|
||||
**2.** De salaristabellen, toelagen en tegemoetkomingen, opgenomen in de bijlagen bij dit besluit, bevatten de bedragen naar de stand van 31 december 2001, omgerekend in euro's.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Indien personeel is benoemd voor wie de salaris- en andere kosten niet voor vergoeding van rijkswege in aanmerking komen, is ten aanzien van dit personeel dit besluit van toepassing tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** In gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, beslist Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister geeft nadere voorschriften omtrent de toepassing van dit besluit in geval van samenvoeging of splitsing van instellingen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan nadere regelen geven voor de uitvoering van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Titel 2. Akte van benoeming, verklaring omtrent het gedrag en sollicitatiecode
|
||||
|
||||
|
|
@ -126,21 +132,72 @@ c. de datum vanaf welke voor de betrokkene het onder a bedoelde begintraject of
|
|||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, die vereist is voor benoeming, is bij overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan zes maanden.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Ter zake van werving en selectie van personeel neemt het bevoegd gezag een sollicitatiecode in acht.
|
||||
|
||||
**2.** De sollicitatiecode wordt niet vastgesteld dan nadat met de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra en artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de sollicitatiecode op een toegankelijke plaats in de instelling steeds ter inzage beschikbaar is en dat op verzoek een exemplaar aan de sollicitant wordt verstrekt.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Vakantieverlof en buitengewoon verlof
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Vakantieverlof onderwijsgevend personeel
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. betrokkene: de betrokkene voor zover het betreft:
|
||||
|
||||
1°. de directeur, de leraar tevens adjunct-directeur of een lid van het onderwijsgevend personeel, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 2°,
|
||||
2°. een lid van het onderwijsgevend personeel, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 3°;
|
||||
b. vakanties: de voor de instelling van de betrokkene geldende vakanties;
|
||||
c. dag: elke dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het normale lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in 2 halve dagen.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, geniet de betrokkene gedurende de schoolvakanties dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan op verzoek na omzetting van de dienst verlof verlenen op andere tijdstippen aan de directeur, de adjunct-directeur en de leraar die is benoemd als adjunct-directeur.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene houdt zich zo nodig gedurende enkele dagen van het verlof ter beschikking van het bevoegd gezag ten behoeve van werkzaamheden van onderwijskundige of schoolorganisatorische aard.
|
||||
|
||||
**4.** Het totale vakantieverlof van de betrokkene kan bij toepassing van het derde lid met niet meer dan twee dagen per schooljaar worden verminderd. Voor die vermindering komen slechts in aanmerking de eerste en de laatste twee dagen van de zomervakantie.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag bepaalt tijdig na overleg met de betrokkene of, en zo ja, welke dagen voor de toepassing van het vierde lid van dit artikel in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
**6.** Van het eerste tot en met vijfde lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel 85, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst als bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene, werkzaam in deelbetrekking aan meer dan één instelling, waarvan de zomervakanties ten gevolge van vakantiespreiding niet in dezelfde periode vallen, heeft aanspraak op een aaneengesloten lesvrije periode van ten minste drie weken. Het bevoegd gezag van de instelling of instellingen waar de zomervakantie het laatst aanvangt, verleent daartoe aan de betrokkene desgevraagd zoveel dagen bijzonder vakantieverlof dat genoemde termijn wordt bereikt. Dit bijzondere vakantieverlof wordt verleend in de periode die direct voorafgaat aan de aanvang van de zomervakantie van bedoelde instelling of instellingen.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is artikel 12, derde tot en met vijfde lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Voor de betrokkene, die een benoeming heeft aan een instelling voor korter dan één jaar, geldt artikel 12, eerste lid, met dien verstande, dat alleen in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste en de laatste dag van zijn werkzaamheden, tenzij de betrokkene is benoemd vóór 1 maart en zijn werkzaamheden voortzet tot aan de zomervakantie, in welk geval in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste dag van zijn werkzaamheden en het einde van het schooljaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid laat onverlet de aanspraak op een evenredig gedeelte van vier weken vakantie per schooljaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Vakantieverlof onderwijsondersteunend personeel
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. betrokkene: de betrokkene, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel;
|
||||
b. vakanties: de voor de instelling van de betrokkene geldende vakanties;
|
||||
c. uur: klokuur.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -172,135 +229,344 @@ De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhan
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
|
||||
|
||||
**4.** Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Buitengewoon verlof
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. jaar:
|
||||
|
||||
1°. ten aanzien van de betrokkene voor zover het niet betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel: een schooljaar;
|
||||
2°. ten aanzien van de betrokkene voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel: een kalenderjaar;
|
||||
b. dag: elke dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in twee halve dagen, tenzij de verlofgrond zich daartegen verzet.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging, behoudens het derde lid, voor zover zijn werkzaamheden samenvallen met één of meer van de navolgende omstandigheden:
|
||||
|
||||
a. de uitoefening van het kiesrecht, indien en voor zover deze niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
|
||||
b. het voldoen aan een wettelijke verplichting, indien en voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
|
||||
c. het afleggen van een van rijkswege afgenomen of erkend examen of tentamen, voor zover die niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
|
||||
d. het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges, waarin de betrokkene is benoemd of gekozen, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden;
|
||||
e. het uitoefenen van het lidmaatschap van een van rijkswege ingestelde of erkende examencommissie of het optreden als rijksgecommitteerde bij een examen, voor in totaal ten hoogste 14 dagen per jaar in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen;
|
||||
f. verhuizing in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor twee, in bijzondere gevallen ten hoogste vier dagen en indien de betrokkene geen eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen;
|
||||
g. verhuizing anders dan in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen per jaar;
|
||||
h. het zoeken van een woning in geval van verandering van standplaats, voor ten hoogste twee dagen;
|
||||
i. ondertrouw of de aangifte van het voornemen om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, van de betrokkene, voor één dag;
|
||||
j. burgerlijk of kerkelijk huwelijk of registratie van het partnerschap van de betrokkene, voor in totaal vier dagen, voor zover de huwelijksdag of -dagen of de dag van registratie van het partnerschap hier binnen vallen;
|
||||
k. huwelijk of registratie van het partnerschap van bloed- of aanverwanten van de eerste of tweede graad, voor één dag of ten hoogste twee dagen, al naar gelang dit huwelijk of deze registratie van het partnerschap wordt gesloten in of buiten de woonplaats van de betrokkene;
|
||||
l. ernstige ziekte van echtgenoot, ouders of kinderen, stief-, schoon- of pleegfamilieleden daaronder begrepen, voor ten hoogste twee weken, tenzij blijkens een over te leggen geneeskundige verklaring gedurende een langere termijn de voortdurende aanwezigheid van de betrokkene bij de zieke, anders dan ter verpleging, noodzakelijk is;
|
||||
m. overlijden van de onder l bedoelde personen, voor vier dagen; van bloed- of aanverwanten in de tweede graad, voor twee dagen; van bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad, voor ten hoogste één dag; is de betrokkene in de twee laatstgenoemde gevallen belast met de regeling van de begrafenis of van de nalatenschap, dan wordt verlof verleend voor ten hoogste vier dagen;
|
||||
n. bevalling van de echtgenote, voor ten hoogste twee dagen;
|
||||
o. het 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van de betrokkene en het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van zijn ouders, stief-, schoon- of pleegouders daaronder begrepen, voor één dag;
|
||||
p. kerkelijke bevestiging of eerste communie van de betrokkene, zijn echtgenote en kinderen, stief-, schoon- of pleegkinderen daaronder begrepen, voor één dag;
|
||||
q. adoptie van een kind, voor ten hoogste vijf dagen; in geval van adoptie van een buitenlands kind wordt, indien verlof noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen in het desbetreffende land het nodige te verrichten, éénmaal per geval van adoptie, verlof verleend voor de duur van de noodzakelijke reis- en verblijftijd tot ten hoogste zes weken;
|
||||
r. het voldoen aan een verzoek van een commissie van beroep als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 181, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, om als getuige of deskundige te worden gehoord, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
|
||||
s. jeugd- en jongerenwerk als bedoeld in de door Onze Minister getroffen regeling, voor telkens ten hoogste 5 dagen, met dien verstande dat per schooljaar in totaal niet meer dan 10 dagen verlof worden verleend;
|
||||
t. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1°: het vervullen van een stage in het kader van deelname aan een door Onze Minister aan te wijzen applicatiecursus basisonderwijs, voor twee dagen per schooljaar;
|
||||
u. een calamiteit, waaronder wordt verstaan een plotseling optredende gebeurtenis die uit zijn aard niet te voorzien is en waarvoor zonder uitstel maatregelen door betrokkene moeten worden genomen, voor ten hoogste één werkdag en maximaal 3 calamiteiten per jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de in het eerste lid, onder d, genoemde omstandigheid zich voordoet en de betrokkene een vaste vergoeding ontvangt in verband met de activiteiten waarvoor hem verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd, dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen de betrokkene kan worden geacht te ontvangen als vaste vergoeding voor de activiteiten verricht gedurende de met het verlof overeenkomende tijd, niet te boven.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrokkene er naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt achteraf aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onder u, kan het op het verlof betrekking hebbende salaris in mindering worden gebracht op het salaris, dan wel kan het verlof bij een betrokkene in de zin van titel 14 van dit hoofdstuk in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene gedurende een door Onze Minister te bepalen aantal dagen of uren kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging indien deze met toestemming van het bevoegd gezag deelneemt aan een door Onze Minister aan te wijzen nascholingscursus en voor zover zijn werkzaamheden daarmee samenvallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In andere dan in artikel 20, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen kan het bevoegd gezag de betrokkene bovendien kort buitengewoon verlof verlenen voor ten hoogste vier dagen per jaar, al dan niet met behoud van bezoldiging. Ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, is de bevoegdheid tot het verlenen van verlof, voor zover het betreft onderwijsondersteunend personeel, niet beperkt tot vier dagen per jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan aan een betrokkene op diens verzoek uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof verlenen. Indien dit verlof wordt verleend is één van de artikelen 24, 25 of 26 van toepassing, al naar gelang het betreft verlof uitsluitend in het persoonlijk belang, mede in het algemeen belang, dan wel overwegend in het algemeen belang.
|
||||
|
||||
**2.** Het verlof gaat niet eerder in dan nadat de betrokkene zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de voorwaarden waaronder het verlof wordt verleend.
|
||||
|
||||
**3.** De voorwaarden bevatten in ieder geval een regeling met betrekking tot de betaling van door de betrokkene aan het bevoegd gezag verschuldigde premiebijdragen ter zake van pensioenen, vervroegde uittreding en sociale verzekeringen, volgens bij of krachtens dit besluit nader te stellen regels.
|
||||
|
||||
**4.** Het verlof strekt zich naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk uit over de schoolvakantie dan wel wordt het vakantieverlof naar evenredigheid verminderd.
|
||||
|
||||
**5.** Op verzoek van de betrokkene kan het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof, niet zijnde vakantieverlof en in andere daarvoor in aanmerking komende gevallen het verleende verlof opschorten dan wel intrekken en op een ander tijdstip opnieuw verlenen.
|
||||
|
||||
**6.** De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing, indien met medewerking van alle betrokkenen het beoogde doel door een omzetting van dienst is te bereiken.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het verlof, bedoeld in artikel 23, dat uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de betrokkene, kan voor ten hoogste 6 maanden worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 6 maanden worden verlengd. Dit verlof wordt verleend zonder behoud van bezoldiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het verlof, bedoeld in artikel 23, dat:
|
||||
|
||||
a. is aan te merken als studieverlof, dan wel,
|
||||
b. ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen, en dat naar het oordeel van Onze Minister mede het algemeen belang dient, kan, onverminderd de artikelen 26 en 27, voor ten hoogste 1 jaar worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het verlof, bedoeld in artikel 23, dat ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst een functie te vervullen:
|
||||
|
||||
a. in dienst van een volkenrechtelijke organisatie,
|
||||
b. ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba,
|
||||
c. als deskundige ten behoeve van een vreemde mogendheid,
|
||||
d. in het kader van internationale hulpverlening aan ontwikkelingslanden, kan, indien Onze Minister heeft verklaard dat met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, voor ten hoogste drie jaren worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.** Verlof verleend voor de vervulling van functies aan een instelling van onderwijs, door de regering van het ontvangende land in stand gehouden dan wel erkend, wordt in ieder geval geacht in overwegende mate het algemeen belang te dienen.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De betrokkene die:
|
||||
|
||||
a. het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
|
||||
b. de functie van lid van gedeputeerde staten van een provincie, dan wel
|
||||
c. de functie van substituut-ombudsman, aanvaardt, geniet van rechtswege lang buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de betrokkene die de functie van wethouder van een gemeente aanvaardt, verleent het bevoegd gezag op zijn verzoek voor het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Voor zover de uitoefening van de taak bij de instelling wordt geschaad, kan dit verlof door het bevoegd gezag onder goedkeuring van Onze Minister ook eigener beweging worden verleend, mits de betrokkene tevoren is gehoord. Goedkeuring van Onze Minister is niet vereist ten aanzien van scholen, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, voor zover het betreft onderwijsondersteunend personeel.
|
||||
|
||||
**3.** Tijdens dit verlof heeft de betrokkene zo nodig aanspraak op een nonactiviteitswedde op de voet van het daaromtrent in de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement ten aanzien van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bepaalde.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien de betrokkene na afloop van hem verleend lang buitengewoon verlof, bedoeld in de artikelen 23 tot en met 27, als gevolg van beperking van de formatieomvang van de instelling zijn werkzaamheden, mede gezien de afvloeiingsregeling, geheel of gedeeltelijk niet kan hervatten, vormt zulks een grond voor ontslag.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof zijn werkzaamheden niet te bestemder tijd hervat, wordt voor de toepassing van dit besluit geacht te zijn ontslagen.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien de betrokkene binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde redenen hebben opgehouden te bestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het bevoegd gezag verleent aan de vrouwelijke betrokkene die een borstkind heeft en die hiervan aan hem kennis heeft gegeven behoorlijke gelegenheid haar kind te zogen.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze Minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor zover omzetting van de dienst niet mogelijk is, voor:
|
||||
|
||||
a. het verrichten van werkzaamheden van rechtspositionele aard in of ten behoeve van commissies voor georganiseerd overleg als bedoeld in titel 2 van hoofdstuk 4 van dit besluit en het Overlegbesluit onderwijspersoneel;
|
||||
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid vertegenwoordigde centrale van verenigingen van ambtenaren of een bij zo'n centrale aangesloten vereniging waarvan hij lid is;
|
||||
c. het op uitnodiging van een centrale of vereniging als bedoeld onder b, als cursist deelnemen aan een cursus voor ten hoogste 6 dagen per twee schooljaren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze Minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:
|
||||
|
||||
a. het verrichten van werkzaamheden van onderwijskundige aard in of ten behoeve van het Onderwijsoverleg Primair en Voortgezet onderwijs;
|
||||
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van door Onze Minister aan te wijzen adviescommissies.
|
||||
|
||||
**3.** Het verlof, bedoeld in het eerste of het tweede lid, wordt verleend met behoud van bezoldiging. Omtrent de wijze waarop dit verlof wordt aangevraagd, de maximumduur en de omvang, alsmede de overige voorwaarden en gevolgen van dit verlof, geeft Onze Minister nadere regels.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, dat met name ten doel heeft de betrokkene in staat te stellen de functie van bezoldigd bestuurder van een onder b van dat lid bedoelde Centrale of vereniging te vervullen, voor ten hoogste twee jaren en zonder behoud van bezoldiging verleend.
|
||||
|
||||
**5.** Indien op grond van het eerste of het tweede lid lang buitengewoon verlof wordt verleend, is ten aanzien van de afloop daarvan artikel 28 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag verleent de betrokkene desgevraagd buitengewoon verlof in verband met ouderschap. Het ouderschapsverlof wordt zonder behoud van bezoldiging verleend en wordt uitsluitend verleend aan de betrokkene van wie het dienstverband in het onderwijs ten minste twaalf maanden heeft geduurd op de ingangsdatum van het verlof. De aanvraag gaat vergezeld van bewijsstukken waarmee het recht op verlof en de omvang van dat recht worden aangetoond en wordt afgehandeld uiterlijk 4 weken nadat deze door het bevoegd gezag is ontvangen.
|
||||
|
||||
### Artikel 31a
|
||||
**2.** Een betrokkene die als ouder in familierechtelijke betrekking staat totéé n kind heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene als ouder tegelijkertijd tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking staat, bestaat er ten aanzien van elk ander kind dan het eerste kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag verleent de betrokkene desgevraagd betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap. Het ouderschapsverlof wordt uitsluitend verleend aan de betrokkene van wie het dienstverband bij hetzelfde bevoegd gezag ten minste twaalf maanden heeft geduurd op de ingangsdatum van het verlof. De aanvraag van het ouderschapsverlof gaat vergezeld van bewijsstukken waarmee het recht op dat verlof en de omvang van dat recht worden aangetoond en wordt afgehandeld uiterlijk 4 weken nadat deze stukken door het bevoegd gezag zijn ontvangen.
|
||||
**3.** Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één kind en met het oog op adoptie de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene tegelijkertijd de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van elk ander kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.
|
||||
|
||||
**2.** Een betrokkene die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot één of meer kinderen die op 1 augustus 2001 de leeftijd van drie jaren nog niet hebben bereikt, heeft recht op 415 uur ouderschapsverlof per kind.
|
||||
**4.** Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof.
|
||||
|
||||
**3.** Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen die op 1 augustus 2001 de leeftijd van drie jaren nog niet hebben bereikt, en die met het oog op adoptie de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 415 uur ouderschapsverlof per kind.
|
||||
**5.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang die afwijkt van een normbetrekking wordt het ouderschapsverlof naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.
|
||||
|
||||
**4.** Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen die op 1 augustus 2001 de leeftijd van drie jaren nog niet hebben bereikt, en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 415 uur ouderschapsverlof per kind.
|
||||
**6.** Geen recht op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop een kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**5.** De omvang van het ouderschapsverlof wordt berekend op grond van de betrekkingsomvang op de dag voorafgaand aan het verlof. Tenzij het bevoegd gezag anders beslist, is de omvang van het verlof niet groter dan zou gelden op grond van de betrekkingsomvang 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van het verlof.
|
||||
**7.** Het ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar. In afwijking van de vorige volzin kan een betrokkene het bevoegd gezag vragen het ouderschapsverlof te kunnen opnemen over een langere periode dan één jaar. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang die afwijkt van een normbetrekking wordt het ouderschapsverlof naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.
|
||||
**8.** Voor een betrokkene, bedoeld in het tweede dan wel derde lid, geldt het zevende lid telkens per kind.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de betrekkingsomvang gedurende de periode van het ouderschapsverlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof voor de resterende periode van het ouderschapsverlof opnieuw vastgesteld met inachtneming van het zesde lid.
|
||||
**9.** Een betrokkene vraagt het ouderschapsverlof schriftelijk aan, ten minste acht weken voor het gewenste tijdstip van ingang van het verlof en onder opgave van de periode, het aantal verlofuren per week en de spreiding daarvan over de week. Zodra dat mogelijk is, deelt de betrokkene ook de naam en geboortedatum mee van het kind of de kinderen waarvoor ouderschapsverlof wordt gevraagd. De betrokkene kan de tijdstippen van ingang en einde van het ouderschapsverlof afhankelijk stellen van de datum van bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
|
||||
|
||||
**8.** Het ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden die uiterlijk aanvangt in het kalenderjaar waarin het kind de leeftijd van drie jaren bereikt. In afwijking van de vorige volzin kan een betrokkene het bevoegd gezag vragen het ouderschapsverlof te kunnen opnemen over een langere periode dan zes maanden of het verlof te kunnen aanvangen na het kalenderjaar waarin het desbetreffende kind de leeftijd van drie jaren heeft bereikt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
|
||||
**10.** Het bevoegd gezag kan, na overleg met de betrokkene, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen wijzigen, tot vier weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het ouderschapsverlof.
|
||||
|
||||
**9.** De betrokkene behoudt aanspraak op 75% van zijn bezoldiging met betrekking tot de uren waarop het ouderschapsverlof is verleend; deze bezoldiging komt ten laste van de eigen middelen van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**10.** Een betrokkene vraagt het ouderschapsverlof schriftelijk aan, ten minste acht weken voor het gewenste tijdstip van ingang van het verlof en onder opgave van de periode, het aantal verlofuren per week en de spreiding daarvan over de week. Zodra dat mogelijk is, deelt de betrokkene in voorkomend geval ook de naam en geboortedatum mee van het kind of de kinderen waarvoor ouderschapsverlof wordt gevraagd. De betrokkene kan de tijdstippen van ingang en einde van het ouderschapsverlof afhankelijk stellen van de datum van bevalling, het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
|
||||
|
||||
**11.** Het bevoegd gezag kan, na overleg met de betrokkene, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van de gewichtige redenen wijzigen, tot vier weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het ouderschapsverlof.
|
||||
|
||||
**12.** Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.
|
||||
|
||||
### Artikel 31b
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die zowel aanspraak heeft op onbetaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31, als op betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschapsverlof, bedoeld in artikel 31a, en die zijn aanspraken op grond van artikel 31a heeft verbruikt, heeft aansluitend aanspraak op een verlenging van ouderschapsverlof tot ten hoogste het aantal uren waarop de betrokkene op grond van artikel 31 aanspraak heeft, verminderd met het aantal uren waarover hij betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap heeft genoten.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die zowel aanspraak heeft op onbetaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31, als op betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31a, en die zijn aanspraken op grond van artikel 31 voor een gedeelte heeft verbruikt, heeft aansluitend aanspraak op betaald ouderschapsverlof tot ten hoogste het aantal uren waarop de betrokkene op grond van artikel 31a aanspraak heeft, verminderd met het aantal uren waarover hij onbetaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap heeft genoten.
|
||||
|
||||
**3.** Tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten, stemt het bevoegd gezag in met een verzoek als bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Een aanspraak op verlenging van ouderschapsverlof als bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid, wordt berekend en beoordeeld met inachtneming van artikel 31 respectievelijk 31a naar de stand van zaken op het tijdstip dat de verlenging ingaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 31c
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die zijn betaald buitengewoon verlof in verband met ouderschap, bedoeld in artikel 31a, volgens zijn aanvraag heeft verbruikt en die aansluitend aan de afloop van dat verlof, op zijn verzoek de omvang van zijn betrekking terugbrengt tot 50% of minder van zijn betrekkingsomvang voorafgaand aan het tijdstip waarop dat verlof inging, is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging die hij met betrekking tot dat verlof heeft ontvangen over het aantal uren waarmee de betrekkingsomvang is verkleind.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene, bedoeld in artikel 31a, is gehouden acties te ondernemen, dan wel mee te werken aan acties van het bevoegd gezag, die bijdragen aan tijdelijke en al dan niet gedeeltelijke vervulling dan wel financiering van zijn arbeidsplaats/de arbeidsplaats van de verlofganger.
|
||||
**11.** Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Verlof in verband met arbeidsduurverkorting
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Voor de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking geldt op jaarbasis een arbeidsduur van 1710 uren respectievelijk 1790 uren, waarbij aanspraak bestaat op 51 uren respectievelijk 131 uren verlof.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.
|
||||
|
||||
**3.** Het verlof, bedoeld in het eerste lid, wordt in gehele werkdagen opgenomen, met dien verstande dat een restant dat kleiner is dan een gehele werkdag voor een gedeelte van een werkdag wordt genoten. Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, kan het verlof op verzoek van betrokkene anders dan in gehele werkdagen worden verleend.
|
||||
|
||||
**4.** Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in de titels 12 en 13 van dit hoofdstuk en artikel 186, het verbruik van het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, te berekenen, wordt de in het eerste en het tweede lid bedoelde verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken, lesgebonden taken of behandeltaken en wel door de in het eerste lid bedoelde verlofaanspraak bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1710 uren vast te stellen op 31 uren en bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1790 uren op 80 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een betrokkene als bedoeld in de titels 12 en 13 van dit hoofdstuk en artikel 186, verlof geniet op grond van dit artikel, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.
|
||||
|
||||
**5.** Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kunnen van het vierde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
|
||||
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag en betrokkene maken afspraken over het tijdstip waarop het verlof, bedoeld in dit artikel, wordt opgenomen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over het tijdstip van opnemen van het verlof, beslist het bevoegd gezag. Voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van dit hoofdstuk met uitzondering van een functie als bedoeld in artikel 186, geldt dat 51 uur van het verlof op grond van dit artikel op verzoek van betrokkene buiten de schoolvakanties wordt verleend en wordt vermeld in de werktijdenregeling, bedoeld in artikel 178, tweede lid.
|
||||
|
||||
**7.** Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het verlof, bedoeld in dit artikel, worden opgenomen in een later schooljaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Tot een nader door Onze Minister te bepalen datum kan aan de betrokkene behorend tot het onderwijsgevend personeel die op zijn verzoek geen gebruik maakt van de voor hem geldende arbeidsduurverkorting door een verlaging van de normbetrekking met ingang van 1 augustus 1991, na een periode van minimaal 4 jaar en maximaal 8 jaar verlof worden verleend, waarvan de tijdsduur overeenkomt met de tijd van de niet genoten arbeidsduurverkorting.
|
||||
|
||||
### Artikel 33a
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde verlof wordt vermeerderd met extra verlof waarvan de tijdsduur overeenkomt met een percentage van de niet genoten arbeidsduurverkorting.
|
||||
|
||||
**1.** Een betrokkene kan verzoeken ten hoogste 131 verlofuren waarop hij vanwege arbeidsduurverkorting, bedoeld in artikel 32, aanspraak heeft, als bezoldigde uren toe te voegen aan zijn betrekkingsomvang. Een verzoek wordt gedaan met betrekking tot het schooljaar dat na het verzoek volgt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag willigt het verzoek in tenzij inwilliging leidt tot:
|
||||
|
||||
a. belasten met uren die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd, als bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder b;
|
||||
b. aanspraak op een uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, dan wel het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel voor primair en voortgezet onderwijs, van een lid van het personeel dat die uren zou kunnen vervullen;
|
||||
c. niet voldoen aan de herbenoemingverplichting op grond van de wachtgelderbepaling, bedoeld in artikel 138, eerste lid, onder b, van de Wet op het primair onderwijs; of
|
||||
d. niet volledig benutten van de restcapaciteit van personeelsleden die een bestuursaanstelling hebben.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanspraak op dit artikel kan niet tevens leiden tot een aanspraak op hernieuwde toepassing van artikel 32.
|
||||
**3.** Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van het in dit artikel bedoelde verlof.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Verlof wegens militaire dienst
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. burgerlijke beloning: de bezoldiging, bedoeld in artikel 1, onderdeel j;
|
||||
b. militaire beloning: hetgeen als zodanig door Onze Ministers van Defensie en Financiën is aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting op grond van de Kaderwet dienstplicht als militair in werkelijke dienst is, geniet van rechtswege verlof.
|
||||
|
||||
**2.** Hij behoudt tijdens dit verlof zijn burgerlijke beloning, voor zover de bepalingen van deze titel hem daarop aanspraak geven.
|
||||
|
||||
**3.** Op de betrokkene die is benoemd in tijdelijke dienst, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing, zolang hij aan de instelling is verbonden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Op de betrokkene, die is benoemd in één of meer betrekkingen die elk voor zich kleiner zijn dan de omvang van een normbetrekking, zijn de voorschriften in de artikelen 36 en 40 van toepassing naar evenredigheid van:
|
||||
|
||||
a. de omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de totale omvang van de betrekkingen;
|
||||
b. – in geval de totale omvang van de betrekkingen kleiner is dan een normbetrekking – die omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de normbetrekking.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning tot een bedrag, gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en de VUT-bijdrage ingevolge de regels van het bestuur VUT-fonds met betrekking tot financiering VUT-aanspraken.
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning, voor zover deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventueel bedrag wegens genot van voeding en huisvesting.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze titel worden met herhalingsoefening gelijkgesteld:
|
||||
|
||||
a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair wordt verdacht of beklaagd;
|
||||
b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven teneinde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;
|
||||
c. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift;
|
||||
d. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:
|
||||
|
||||
1. ziekte;
|
||||
2. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;
|
||||
3. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
|
||||
e. hetgeen voorts door Onze Minister van Defensie als zodanig is aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
**1.** Gedurende 2 weken na zijn opkomst in werkelijke dienst geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning indien hij bij zijn opkomst in werkelijke dienst anders dan voor herhalingsoefening de eerste 12 maanden van de opleiding en oefening of zoveel korter als deze opleiding en oefening duurt reeds in werkelijke dienst heeft doorgebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn is artikel 36 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
Voor zover de werkelijke dienst, niet zijnde de opleiding en oefening, wordt vervuld tijdens zijn vakantieverlof, geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze titel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die:
|
||||
|
||||
a. is te werk gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
|
||||
b. op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale Reserve in werkelijke dienst is;
|
||||
c. op grond van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht als militair in werkelijke dienst is;
|
||||
d. op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a of b, van de Rechtstoestandregeling reservepolitie of van een overeenkomstige verbintenis als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is;
|
||||
e. op grond van een tijdelijke verbintenis als legeraalmoezenier, legerpredikant of anderszins als geestelijk verzorger in werkelijke dienst is;
|
||||
f. op grond van een verbintenis als monumentenwachter in de zin van het Besluit Monumentenwacht in werkelijke dienst is;
|
||||
g. op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke of daarmee gelijk te stellen dienst is, indien dit bij koninklijk besluit is bepaald.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, onder d en e, worden gelijkgesteld met de betrokkene, die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is.
|
||||
|
||||
### Titel 5. Rechten van nabestaanden bij overlijden
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. overledene: hij die op de dag van zijn overlijden betrokkene was;
|
||||
b. uitkeringsbasis: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging die voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In aanmerking voor een uitkering bij overlijden komen in navolgende rangorde:
|
||||
|
||||
a. de weduwe of weduwnaar, de achtergebleven levenspartner dan wel de achtergebleven geregistreerde partner van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde;
|
||||
b. de minderjarige kinderen van de overledene;
|
||||
c. de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was.
|
||||
|
||||
**2.** Onder kinderen in de zin van het eerste lid worden mede begrepen natuurlijke kinderen en kinderen voor wie de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
**1.** De uitkering bij overlijden is gelijk aan het bedrag dat gevormd wordt door de uitkeringsbasis met 3 te vermenigvuldigen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een maand na het overlijden, door het bevoegd gezag uitgekeerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden waaronder begrepen de achtergebleven levenspartner, het recht op het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de overledene woonden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien door de overledene voor het gebruik van de dienstwoning of voor het verbruik van verwarming, gas, elektriciteit en water een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden, daaronder begrepen de achtergebleven levenspartner, deze vergoeding over de tijd waarin zij het gebruik van de dienstwoning behouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Indien de nabestaanden, bedoeld in artikel 42, aanspraak hebben op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 674, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de uitkering bij overlijden, bedoeld in deze titel, slechts uitbetaald voor zover deze de eerstgenoemde uitkering te boven gaat.
|
||||
|
||||
**2.** In geval van overlijden als militair in werkelijke dienst wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, die uit hoofde van militaire dienst ter zake wordt gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
Op de ingevolge de voorgaande artikelen berekende uitkering bij overlijden wordt in mindering gebracht de reeds vóór zijn overlijden aan de betrokkene uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
Indien de overledene geen nabestaanden als bedoeld in artikel 42 nalaat, kan het bedrag, bedoeld in artikel 43, door het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
|
||||
|
||||
### Titel 6. Afvloeiingsregeling
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
Ontslag op grond van opheffing van de instelling of de betrekking dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting of de dienst van de instelling dat de werkzaamheden van een of meer betrokkenen overbodig worden, geschiedt aan de hand van een afvloeiingsregeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden na de datum waarop dit besluit voor de instelling van toepassing is geworden, een afvloeiingsregeling vast voor het personeel in vaste dienst, waarin de belangen van de instelling en van de betrokkenen zoveel mogelijk gelijkelijk in acht worden genomen. Het bevoegd gezag kan deze taak overdragen aan de vereniging van instellingsbesturen waarbij de instelling is aangesloten.
|
||||
|
||||
**2.** De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat overleg is gepleegd met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra en artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel.
|
||||
|
||||
**3.** Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.
|
||||
|
||||
**4.** Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid en wanneer het belang van de instelling dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de vastgestelde afvloeiingsregeling worden afgeweken, met dien verstande dat, indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de betrokkenen kenbaar gemaakt plan.
|
||||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de regeling steeds op een voor de betrokkenen toegankelijke plaats in de instelling ter inzage beschikbaar is.
|
||||
|
||||
### Titel 7. Verplaatsingskosten
|
||||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
|
@ -345,85 +611,271 @@ o. dienstreis: de reis die, anders dan bedoeld in artikel 59, in het belang van
|
|||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Voor het ontstaan van een standplaatsbetrekking blijven vervangingswerkzaamheden buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De betrokkene, die is verhuisd en een woning heeft betrokken die gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling, ontvangt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend indien:
|
||||
|
||||
a. hij is benoemd in een standplaatsbetrekking;
|
||||
b. hij voor tenminste één jaar is benoemd;
|
||||
c. hij op een afstand van 6 of meer zones woonde van de plaats van tewerkstelling;
|
||||
d. de reisafstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling als gevolg van de verhuizing met ten minste 5 zones is bekort.
|
||||
|
||||
**2.** Een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt slechts éénmaal in de vijf jaar verleend, tenzij de verhuizing verband houdt met een verandering van betrekking die het gevolg is van een ontslag of van het vooruitzicht op ontslag, dat niet op eigen verzoek is verleend en niet aan schuld of toedoen van de betrokkene is te wijten.
|
||||
|
||||
**3.** De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt verleend onder de voorwaarde dat de betrokkene vooraf schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de terugbetalingsverplichting, bedoeld in artikel 58.
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan de betrokkene die in opdracht van het bevoegd gezag een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend, tenzij het verlaten van de dienstwoning het gevolg is van een ontslag dat op zijn verzoek, anders dan wegens het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, of anders dan met recht op uitkering voor vervroegd uittreden is verleend, of aan schuld of toedoen van de betrokkene is te wijten.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden, daaronder begrepen de achtergebleven levenspartner.
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
|
||||
|
||||
a. een tegemoetkoming in de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken, en in de te maken reiskosten ter bezichtiging van woonruimte en in de eventuele opknapkosten aan de nieuwe woning en dubbele woonkosten, van in totaal een bedrag als aangegeven in bijlage 3, onder 1, en
|
||||
b. een tegemoetkoming voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de verhuizing door betrokkene in eigen beheer wordt uitgevoerd, ontvangt betrokkene slechts de helft van het in het eerste lid, onder a, bedoelde bedrag.
|
||||
|
||||
**3.** Het in het eerste lid, onder b, bedoelde bedrag wordt, afhankelijk van het aantal woon/slaapvertrekken dat de achter te laten woning telde, gesteld op een percentage van de jaarbezoldiging die de betrokkene genoot op de dag waarop de nieuwe woning kon worden betrokken zoals aangegeven in bijlage 3, onder 2.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de betrokkene die inwonend was bij de ouders is het laagst genoemde percentage zoals aangegeven in bijlage 3, onder 2, van toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** De betrokkene die een woning heeft betrokken op een reisafstand van meer dan 2 zones van de plaats van tewerkstelling, ontvangt slechts 80% van het bedrag van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde tegemoetkomingen.
|
||||
|
||||
**6.** De tegemoetkoming in de verhuiskosten voor de betrokkene die voor het eerst bij een instelling in dienst treedt en op enig tijdstip wordt benoemd in een standplaatsbetrekking, bedraagt in afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, de helft van de vergoeding waarop hij ingevolge die leden aanspraak zou hebben.
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Bij een verhuizing van een gezin waarvan beide echtgenoten terzake van de verhuizing aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van deze titel, ontvangt, met overeenkomstige toepassing van artikel 55, tweede tot en met zesde lid, ieder van beiden de helft van de in artikel 55, eerste lid, onder a en b, bedoelde vergoedingen. De volgens artikel 55, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het betreft een verhuizing van een gezin waarvan een van de echtgenoten aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van deze titel en de andere echtgenoot uit anderen hoofde terzake van deze verhuizing aanspraak maakt op een tegemoetkoming, wordt de tegemoetkoming in verhuiskosten aan de betrokkene slechts verleend voorzover deze de tegemoetkoming die uit anderen hoofde wordt ontvangen te boven gaat.
|
||||
|
||||
**3.** De berekening van de tegemoetkoming voor de in het tweede lid bedoelde betrokkene geschiedt door, met overeenkomstige toepassing van artikel 55, tweede tot en met zesde lid, het totaal van de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 55, eerste lid, te verminderen met de tegemoetkoming die de echtgenoot uit andere hoofde ontvangt. De volgens artikel 55, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan de betrokkene wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na de datum waarop betrokkene is benoemd in een standplaatsbetrekking doch binnen twee jaar na benoeming in vaste dienst in een standplaatsbetrekking.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de betrokkene wordt geen tegemoetkoming verleend in de verhuiskosten voor een verhuizing in verband met een verplaatsing, indien die verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de datum van de verplaatsing.
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene aan wie een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt verleend, is, behoudens het tweede lid, gehouden de ontvangen tegemoetkoming terug te betalen indien zijn dienstverband op zijn verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt beëindigd, tenzij deze beëindiging ingaat twee jaren of langer na de datum waarop de betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd of is verplaatst en deze beëindiging heeft plaatsgevonden een jaar of langer na de datum van de verhuizing.
|
||||
|
||||
**2.** Geen terugbetalingsverplichting bestaat, indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, ontslag neemt uit een standplaatsbetrekking teneinde aansluitend een zodanige betrekking aan een andere instelling te aanvaarden, mits de plaats van tewerkstelling binnen of op een afstand van 5 zones van zijn woonplaats is gelegen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De betrokkene die binnen twee jaar na de verhuizing, anders dan in verband met het beëindigen van het dienstverband bij de instelling waarvoor hem deze tegemoetkoming werd toegekend of wegens een verplaatsing van deze instelling, verhuist naar een woonplaats die verder weg is gelegen van de plaats van tewerkstelling, is gehouden de ontvangen tegemoetkoming in de verhuiskosten terug te betalen:
|
||||
|
||||
a. gedeeltelijk, indien hij zich in een woonplaats binnen of op een afstand van 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft en wel voor zover de tegemoetkoming meer bedraagt dan de tegemoetkoming die hem zou zijn toegekend indien hij zich direct in deze woonplaats zou hebben gevestigd;
|
||||
b. geheel, indien hij zich in een woonplaats op een afstand van meer dan 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan de betrokkene wordt door het bevoegd gezag maandelijks, onverminderd artikel 61, een tegemoetkoming in de reiskosten tussen de woning en het gebouw of de gebouwen verleend, indien de te reizen afstand tussen de woning en het gebouw of de gebouwen meer dan twee zones bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** De tegemoetkoming wordt per betrekking, en voor elk gebouw binnen de betrekking afzonderlijk, afhankelijk van de reisafstand in zones tussen de woning en het gebouw of de gebouwen en van het aantal dagen dat per week naar dit gebouw of deze gebouwen wordt gereisd, vastgesteld aan de hand van de in bijlage 4 bij dit besluit opgenomen tabel.
|
||||
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde tabel is slechts van toepassing indien in een maand gemiddeld ten minste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw. Voor de toepassing van de tabel in hiervan afwijkende gevallen zijn in bijlage 4 richtlijnen gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien door een betrokkene over een aaneengesloten tijdvak van meer dan één week anders dan in verband met vakantieverlof niet is gereisd tussen de woning en het gebouw of de gebouwen, wordt de aan de betrokkene toe te kennen tegemoetkoming in de reiskosten vanaf de tweede week naar evenredigheid verlaagd.
|
||||
|
||||
**2.** Indien door een betrokkene in verband met de datum van indiensttreding of ontslag slechts een deel van een maand tenminste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw, dient de tegemoetkoming in de reiskosten naar evenredigheid te worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene, bedoeld in titel 3, paragraaf 1, van dit hoofdstuk, die voor een heel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste tien kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maanden juli en augustus.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene, bedoeld in titel 3, paragraaf 2, van dit hoofdstuk, die voor een geheel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste elf kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maand juli.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrokkene in een betrekking is benoemd voor een kortere periode dan een geheel schooljaar, vindt er, voor zover de in het eerste respectievelijk tweede lid, genoemde termijnen niet worden overschreden, geen inhouding plaats van de tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De aan een betrokkene toe te kennen tegemoetkoming in reiskosten bedraagt per schooljaar per betrekking of combinatie van betrekkingen niet meer dan het bedrag als aangegeven in bijlage 3, onder 3, van dit besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De tegemoetkoming in de reiskosten bedraagt per betrekking vanaf het tweede jaar na indiensttreding voor het totaal van het gebouw of de gebouwen binnen deze betrekking niet meer dan het volgens de tabel in bijlage 4 vanaf het tweede jaar na indiensttreding geldende bedrag bij vier of meer reisdagen per week over een reisafstand van vijf zones.
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die bij een verhuizing in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming in verhuiskosten, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in de gelegenheid is dagelijks heen en weer te reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling, heeft gedurende het eerste jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd, aanspraak op een tegemoetkoming in pensionkosten, indien hij een pension betrekt dat gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt 90% van de werkelijk gemaakte pensionkosten, met een maximum als aangegeven in bijlage 3, onder 4.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de te maken reiskosten binnen Nederland, voor zover hij die éénmaal per week maakt voor het bezoeken van zijn woonplaats.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan de betrokkene die een dienstreis maakt, wordt door het bevoegd gezag een tegemoetkoming toegekend in de gemaakte reis- en verblijfkosten volgens nader door Onze Minister te stellen regels.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De betrokkene ontvangt voor het gebruik van een eigen motorvoertuig, waarvoor door het bevoegd gezag een machtiging is verleend, een kilometervergoeding:
|
||||
|
||||
a. voor de eerste 10 000 kilometer het bedrag dat per gereisde kilometer in het desbetreffende kalenderjaar belastingvrij mag worden toegekend;
|
||||
b. voor de overige kilometers een bedrag dat wordt vastgesteld volgens nader door Onze Minister te stellen regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de verhuiskosten dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 6 maanden na de verhuizing door de betrokkene bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
|
||||
|
||||
**2.** Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten dient voor 1 januari volgend op het betreffende schooljaar bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Degene die een geneeskundig onderzoek ondergaat in verband met benoeming of wijziging van het dienstverband, ontvangt van het bevoegd gezag een vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens daartoe door het bevoegd gezag te stellen regels. De kosten van een geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Titel 8. Jubileumgratificatie
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. diensttijd: de tijd, doorgebracht:
|
||||
|
||||
1°. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling met dien verstande dat de tijd vóór 1 januari 1956 doorgebracht aan scholen voor kleuteronderwijs slechts meetelt indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding bestaat;
|
||||
2°. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid;
|
||||
3°. in een betrekking waarbij betrokkene in dienst is van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, c, d, e en f van de Wet privatisering ABP, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, juncto artikel 3 van die wet;
|
||||
4°. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een B3-lichaam voordat deze werd aangewezen als lichaam, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Wet privatisering ABP, dan wel, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, juncto artikel 3 van die wet;
|
||||
5°. vóór 1 januari 1966 in een betrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pensioenwet 1922;
|
||||
6°. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de overheid van de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname en bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea;
|
||||
7°. in een dienstbetrekking bij het niet-openbaar onderwijs in de onder a6 vermelde voormalige rijksdelen, voor zover zulks de betrokkene onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling heeft gebracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst zou zijn aangesteld;
|
||||
8°. vóór 1 januari 1955 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
|
||||
9°. in Nederlandse militaire dienst of daarmede voor de toepassing van de desbetreffende rechtspositieregelingen gelijkgestelde dienst, waaronder mede worden begrepen het voormalige KNIL en de troepen in de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname;
|
||||
10°. als volontair met een volledige dagtaak in een betrekking bij de Nederlandse overheid; een en ander met uitzondering van de tijd waarin de betrokkene geen inkomsten uit de dienstbetrekking heeft genoten, tenzij zulks het gevolg was van lang buitengewoon verlof dat naar het oordeel van Onze Minister overwegend dan wel mede in het algemeen belang was verleend;
|
||||
b. jubileumdatum: de datum waarop de betrokkene een diensttijd van 25, 40 dan wel 50 jaren volbrengt;
|
||||
c. bezoldiging: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging of som der bezoldigingen die voor de betrokkene op de jubileumdatum bij één of meer bevoegde gezagsorganen geldt, tot ten hoogste de bezoldiging behorende bij een normbetrekking; een en ander vermeerderd met de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand; en waarbij een eventuele toelage wegens onregelmatige dienst wordt betrokken over één maand, berekend naar hetgeen de betrokkene in de 3 aan de jubileumdatum voorafgaande kalendermaanden gemiddeld aan zodanige toelage heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
De betrokkene heeft bij het bereiken van de jubileumdatum aanspraak op een door het bevoegd gezag uit te betalen jubileumgratificatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
De jubileumgratificatie bedraagt bij een 25-jarig jubileum 50% en bij een 40- of 50-jarig jubileum 100% van de bezoldiging. De bedragen worden op een veelvoud van 5 euro naar boven afgerond.
|
||||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
Indien de betrokkene op de jubileumdatum een benoeming heeft bij meer dan een bevoegd gezag, wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door ieder van de betrokken bevoegde gezagsorganen voor een evenredig deel.
|
||||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
De tijd waarin de betrokkene twee of meer betrekkingen naast elkaar vervulde, komt slechts eenmaal in aanmerking voor de berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
|
||||
De betrokkene die ter zake van zijn dienstvervulling voor een 25-, 40- of 50-jarig jubileum reeds krachtens een andere regeling een overeenkomstige gratificatie heeft ontvangen, heeft voor datzelfde jubileum geen aanspraak op een jubileumgratificatie als bedoeld in deze titel.
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
**1.** Indien de jubileumdatum valt in een periode waarin de betrokkene lang buitengewoon verlof geniet dat, naar het oordeel van Onze Minister, overwegend of mede in het algemeen belang is verleend, heeft hij, onverminderd artikel 72, eerst aanspraak op een jubileumgratificatie zodra hij na afloop van het verlof zijn werkzaamheden bij een bevoegd gezag hervat.
|
||||
|
||||
**2.** Bij toepassing van het eerste lid wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door het bevoegd gezag waarbij de betrokkene na afloop van het verlof werkzaam is. Daarbij geldt als bezoldiging de bezoldiging die de betrokkene gedurende de maand waarin de jubileumdatum valt zou hebben genoten indien hij in de functie en met het salarisnummer dat hij had op de dag voorafgaande aan het ingaan van het verlof, op de jubileumdatum in actieve dienst was geweest.
|
||||
|
||||
### Titel 9. Vakantie-uitkering
|
||||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor de tijd waarin hij als zodanig bezoldiging heeft genoten.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder tijd waarin bezoldiging is genoten, niet begrepen tijd waarin de betrokkene wegens verplichte militaire dienst, anders dan voor herhalingsoefeningen, niet verlof zijnde, slechts bezoldiging heeft genoten tot een bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
|
||||
|
||||
### Artikel 75
|
||||
|
||||
**1.** Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, bedraagt de vakantie-uitkering per kalendermaand 8% van het bedrag dat de betrokkene in die maand aan bezoldiging heeft genoten, met uitzondering van de vakantie-uitkering.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de gevallen, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs, steeds uitgegaan van de volledige bezoldiging die aan zijn betrekking is verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de betrokkene die in de van toepassing zijnde maand op grond van het eerste lid aanspraak heeft op een bedrag dat lager is dan het bedrag dat in bijlage 2, onder 2, bij zijn leeftijd is vermeld, wordt de vakantie-uitkering vastgesteld op laatstbedoeld bedrag, met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd voor de betrokkene die is aangesteld in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het in het derde lid bedoelde bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien:
|
||||
|
||||
a. de betrokkene in de desbetreffende maand of gedurende een deel daarvan een deelbetrekking heeft vervuld;
|
||||
b. de bezoldiging van de betrokkene op een andere dag dan de eerste dag van die maand is aangevangen dan wel indien hij in een deel van die maand geen bezoldiging heeft genoten;
|
||||
c. de betrokkene in de loop van die maand slechts een gedeelte van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.
|
||||
|
||||
### Artikel 76
|
||||
|
||||
**1.** Deze titel is mede van toepassing op de gewezen betrokkene, die ingevolge artikel 39, eerste, tweede, vierde of zesde lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs nog bezoldiging geniet.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de betrokkene op wie artikel 36, tweede lid, van toepassing is, wordt de vakantie-uitkering berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Hij geniet deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering, waarop hij als militair aanspraak heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 77
|
||||
|
||||
**1.** De vakantie-uitkering wordt per instelling eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand mei.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van ontslag.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt met ontslag van de betrokkene gelijkgesteld de beëindiging van de doorbetaling van de bezoldiging van de gewezen betrokkene, bedoeld in artikel 76, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Titel 10. Studiefaciliteiten onderwijsondersteunend personeel
|
||||
|
||||
### Artikel 78
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel;
|
||||
b. studie: een opleiding die van belang is voor het persoonlijk welbevinden van de betrokkene in zijn arbeidssituatie en, naar het oordeel van het bevoegd gezag, tevens van belang is voor de uitoefening van zijn functie;
|
||||
c. studiefaciliteiten:
|
||||
|
||||
1°. verlof als bedoeld in artikel 80;
|
||||
2°. een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel 81;
|
||||
d. ontslag: elke beëindiging van het dienstverband.
|
||||
|
||||
### Artikel 79
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen, dient het verzoek daartoe in de regel in voor de aanvang van de studie. Hij laat dit verzoek vergezeld gaan van de voor de beoordeling door het bevoegd gezag noodzakelijke gegevens en van een schatting van de te maken studiekosten.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan, alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen na overleg met de betrokkene een psychologisch advies inwinnen. Tenzij deze adviezen worden ingewonnen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.** Studiefaciliteiten worden verleend voor een bepaalde termijn die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de studie. Het bevoegd gezag kan deze termijn verlengen.
|
||||
|
||||
**4.** Verleende studiefaciliteiten kunnen, al dan niet tijdelijk, worden ingetrokken indien het bevoegd gezag op grond van verkregen inlichtingen van oordeel is, dat de betrokkene niet in die mate studeert of vorderingen maakt dat hij in staat kan worden geacht de studie binnen de in het derde lid bedoelde termijn te voltooien. De intrekking geschiedt niet indien de betrokkene aannemelijk maakt, dat deze omstandigheid niet aan hem te wijten is.
|
||||
|
||||
**5.** Aan de betrokkene, die krachtens een op hem van toepassing zijnde regeling aanspraak heeft op een verhoging van zijn bezoldiging uitsluitend op grond van het voltooien van een studie, worden ter zake van die studie geen studiefaciliteiten verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Tenzij het belang van de instelling zich daartegen verzet, kan aan de betrokkene studieverlof met behoud van bezoldiging worden verleend voor ten hoogste een halve dag per week, met dien verstande dat indien lessen in de normale werktijd moeten worden gevolgd, het verlof tot maximaal één dag per week kan worden verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid kan studieverlof worden verleend op de dag waarop wordt deelgenomen aan een examen of een tentamen, en dat is gelegen aan het einde van de studie dan wel volgt op een duidelijk afgerond onderdeel van de studie.
|
||||
|
||||
**3.** Ter voorbereiding op een examen en tentamen als bovenbedoeld kan bovendien studieverlof worden verleend voor ten hoogste vijf halve dagen per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 81
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor volledige tegemoetkoming komen in aanmerking:
|
||||
|
||||
a. indien de studie in een andere plaats dan de woon- of standplaats moet worden gevolgd: de noodzakelijk gemaakte reiskosten voor interlokaal vervoer en het daarmee in samenhang optredende vervoer in de plaats waar de cursus of het examen wordt gehouden, op basis van het laagste tarief van het gebezigde middel van openbaar vervoer, waarvan redelijkerwijs gebruik kan worden gemaakt, voor zover de betrokkene voor deze kosten niet uit anderen hoofde een vergoeding geniet; kan van openbaar vervoer redelijkerwijs geen gebruik worden gemaakt, dan worden de noodzakelijk gemaakte kosten vergoed tegen het tarief genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Regeling vergoeding reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel;
|
||||
b. de werkelijk gemaakte kosten die in verband met het afleggen van een examen noodzakelijkerwijze worden gemaakt voor nachtverblijf en het gebruik van maaltijden, met dien verstande dat de daarvoor in artikel 17 van de Regeling vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel geldende bedragen niet worden overschreden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor een tegemoetkoming van maximaal 50% komen in aanmerking de noodzakelijk gemaakte:
|
||||
|
||||
a. aanschaffingskosten van het verplicht gestelde studiemateriaal;
|
||||
b. cursus- of lesgelden;
|
||||
c. examen- of diplomakosten.
|
||||
|
||||
**3.** In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze Minister, het in het tweede lid genoemde percentage op 75 worden gesteld. Toestemming van Onze Minister is niet vereist ten aanzien van scholen, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, voor zover het betreft onderwijsondersteunend personeel.
|
||||
|
||||
**4.** Een tegemoetkoming in studiekosten wordt eerst verleend nadat de betrokkene schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de verplichting tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling, bedoeld in artikel 82.
|
||||
|
||||
### Artikel 82
|
||||
|
||||
|
|
@ -514,7 +966,9 @@ b. in twee functies als bedoeld in titel 13 van dit hoofdstuk indien die functie
|
|||
|
||||
### Artikel 86
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het salaris van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking, wordt naar evenredigheid van die betrekkingsomvang berekend. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen.
|
||||
|
||||
**2.** Waar in deze titel of in de titels 12, 13 of 14 van dit hoofdstuk sprake is van een vergelijking van salarisbedragen teneinde een schaalbedrag ten behoeve van inpassing te kunnen vaststellen, moet worden uitgegaan van het salarisbedrag behorende bij een normbetrekking. Zonodig wordt het voor een betrokkene feitelijk geldende salaris omgerekend naar een salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.
|
||||
|
||||
### Artikel 87
|
||||
|
||||
|
|
@ -609,20 +1063,6 @@ b. indien bij de functie geen aanlooptraject behoort, het bedrag dat in de voor
|
|||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt het salaris van de betrokkene wanneer het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van schaal 1, 2, 3 of 4 is bereikt, na twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 95a
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens een verhoging van het salaris op grond van artikel 95, kan na voorafgaande beoordeling door het bevoegd gezag een hoger salarisbedrag worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van de artikelen 89, 90, 92 en 93 wordt het salaris van de betrokkene die voorafgaand aan zijn benoeming werkzaamheden heeft verricht waaraan geen inkomsten uit arbeid of in verband met arbeid waren verbonden, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag relevante ervaring heeft opgedaan, vastgesteld op een hoger salarisbedrag dan bedoeld in voornoemde artikelen voor zover dit binnen het bij de functie behorende carrièrepatroon mogelijk is.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag beoordeelt op verzoek van de betrokkene die in een onderwijsfunctie is benoemd na onderbreking van zijn carrière, of op basis van het functioneren een hoger salarisbedrag gerechtvaardigd is, indien het salaris dat op basis van het laatstgenoten salaris voor betrokkene is vastgesteld lager is dan het maximumsalaris van die functie.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bij de beoordeling, bedoeld in het derde lid, een achterstand is geconstateerd, maakt het bevoegd gezag met betrokkene afspraken over de periode waarbinnen en de wijze waarop deze achterstand wordt ingelopen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien toepassing van het eerste, tweede dan wel derde lid leidt tot extra periodieken, worden het salaris en de overige vergoedingen die voor bekostiging in aanmerking komen, bekostigd naar de verhouding: bekostigd salaris staat tot salaris. De kosten die betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 59 tot en met 62, 114a, 115 en 182 zijn van de toepassing van het eerste lid uitgezonderd.
|
||||
|
||||
**6.** Toekenning van extra periodieken vindt plaats binnen het carrièrepatroon van de desbetreffende salarisschaal tot ten hoogste het maximumsalaris van die schaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 96
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens het tweede lid wordt het salaris van de betrokkene die reeds bij het bevoegd gezag benoemd is en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij in een functie met een gunstiger carrièrepatroon en tenminste dezelfde maximumschaal dan behoorde bij zijn vorige functie, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 90 dan wel 91, tweede lid, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden in die functie aanvangt.
|
||||
|
|
@ -633,39 +1073,97 @@ b. indien bij de functie geen aanlooptraject behoort, het bedrag dat in de voor
|
|||
|
||||
### Artikel 97
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien het salaris van een betrokkene als gevolg van enige bepaling in deze titel dan wel in de titels 12, 13 of 14 van dit hoofdstuk moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand, wordt uitgegaan van de bezoldiging per dag berekend door het bedrag van de bezoldiging per maand te delen door het aantal dagen dat de desbetreffende maand telt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien voor een betrokkene die wordt benoemd voor een periode van 6 maanden of korter het salaris als gevolg van enige bepaling in deze titel dan wel in de titels 12, 13 of 14 van dit hoofdstuk moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand geschiedt dit, in afwijking van het eerste lid, aan de hand van de formule:
|
||||
|
||||
(w x q + r) x (3:13) x s, waarin:
|
||||
|
||||
w = de werktijdfactor die voor betrokkene geldt;
|
||||
|
||||
q = het aantal volledige kalenderweken waarin betrokkene in de desbetreffende maand werkzaam is;
|
||||
|
||||
r = het aantal uren dat betrokkene feitelijk heeft gewerkt in de niet volledige kalenderweek of kalenderweken waarin hij in de desbetreffende maand is benoemd, gedeeld door 36,86;
|
||||
|
||||
s = het salaris bij een normbetrekking.
|
||||
|
||||
De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op centen.
|
||||
|
||||
**3.** Het salaris van de betrokkene die reeds bij een bevoegd gezag is benoemd en van wie de betrekkingsomvang waarin hij is benoemd tijdelijk wordt uitgebreid, wordt voor de tijdelijke werkzaamheden, voor zover het de kalendermaanden betreft waarover die tijdelijke uitbreiding zich niet volledig uitstrekt, vastgesteld overeenkomstig het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 98
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien het salaris bij een normbetrekking minder is dan het maandbedrag van het minimumloon als vermeld in bijlage 2, onder 1, bij de leeftijd die de betrokkene heeft, wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, met een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het in het eerste lid bedoelde maandbedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 99
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene is voor door het bevoegd gezag verstrekt genot van woning, verstrekkingen in de woning dan wel kost en inwoning een bedrag verschuldigd overeenkomende met een percentage van de voor hem geldende berekeningsbasis tot ten hoogste de door Onze Minister vastgestelde maximumbedragen als aangegeven in bijlage 5 bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De berekeningsbasis, bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de som van het salaris bij normbetrekking en de toelagen op grond van dit besluit. Van de berekeningsbasis maakt geen deel uit de toelage onregelmatige dienst, bedoeld in artikel 180 of de garantietoelage onregelmatige dienst, bedoeld in artikel 181.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrokkene aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het eerste lid geldende bedrag wegens genot van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij geoorloofde afwezigheid wordt het bedrag dat voor het genot van kost verschuldigd zou zijn voor elke dag dat dit emolument niet wordt genoten, verminderd met een bedrag als is aangegeven in bijlage 5.
|
||||
|
||||
**5.** De op grond van dit artikel door betrokkene verschuldigde bedragen worden verrekend bij de uitbetalingen van het salaris dan wel, indien dat niet mogelijk is, afzonderlijk in rekening gebracht.
|
||||
|
||||
**6.** In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die afwijkt van het eerste en het vierde lid.
|
||||
|
||||
**7.** Ingeval andere dan de in dit artikel en in bijlage 5 genoemde voordelen worden genoten, kan een regeling worden getroffen waarbij de hiervoor door betrokkene verschuldigde bedragen worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**8.** Voor zover een verstrekking niet gedurende een hele maand wordt genoten, wordt het bedrag van de inhouding over het gedeelte van de maand berekend door het maandbedrag van de inhouding te vermenigvuldigen met q x 3/13, waarbij« q» gelijk is aan het aantal volledige kalenderweken waarin de desbetreffende verstrekking wordt genoten.
|
||||
|
||||
**9.** De maximumbedragen, bedoeld in het eerste en het vierde lid, worden door Onze Minister vastgesteld overeenkomstig de bedragen die gelden voor het rijkspersoneel.
|
||||
|
||||
### Artikel 100
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
(Vervallen.)
|
||||
|
||||
### Artikel 101
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten, vastgesteld volgens de bepalingen van dit besluit, worden per maand uitbetaald.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag verstrekt de betrokkene bij zijn indiensttreding en indien er een wijziging optreedt in het salaris, de toelagen of de vergoedingen voor extra diensten, een specificatie van de door hem genoten bezoldiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 102
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene is verplicht de werkzaamheden op zich te nemen die behoren bij de functie waarin hij is benoemd.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene ontvangt geen bezoldiging over de tijd, waarin hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten en evenmin over de tijd, waarin hij bij het einde van zijn dienstverband meer verlof op grond van artikel 32 of titel 16 van dit hoofdstuk heeft genoten dan waarop hij aanspraak had.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 103
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan voor ten hoogste 1/3 gedeelte de bezoldiging inhouden van de betrokkene die bij wijze van straf is geschorst wegens het feit dat:
|
||||
|
||||
a. een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem is ingesteld;
|
||||
b. hij krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd;
|
||||
c. hij de bevoegdheid tot het geven van onderwijs door een nog niet onherroepelijk geworden vonnis heeft verloren.
|
||||
|
||||
**2.** De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald indien door de strafrechter geen straf wordt opgelegd of de beslissing van het bevoegd gezag tot inhouding van bezoldiging wordt vernietigd alsmede voor zover op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten die de betrokkene sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.
|
||||
|
||||
**3.** Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging, bedoeld in dit artikel, doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 104
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De benoeming gaat in op de dag waarop de betrokkene zijn werkzaamheden aanvangt, onverminderd artikel 156.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene heeft in geval van ontslag aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop het ontslag ingaat, onverminderd artikel 156.
|
||||
|
||||
**3.** Het dienstverband van de betrokkene die overlijdt, is beëindigd met ingang van de dag volgende op die van het overlijden.
|
||||
|
||||
**4.** Het dienstverband van de betrokkene die krachtens rechterlijke uitspraak tot het geven van onderwijs is uitgesloten kan zich uitstrekken tot uiterlijk de dag waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.
|
||||
|
||||
### Artikel 105
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De betrokkene kan op zijn verzoek of met zijn instemming voor bepaalde tijd worden belast met werkzaamheden bij het bevoegd gezag van een andere instelling of instellingen dan wel buiten het onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 106
|
||||
|
||||
|
|
@ -675,7 +1173,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 107
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het bevoegd gezag kan uitsluitend ten laste van eigen middelen een premie toekennen in het kader van een premiespaarregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.
|
||||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
|
|
@ -685,15 +1183,34 @@ Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat recht bestaat op een algemene
|
|||
|
||||
### Artikel 109
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. rekeneenheden: de eenheden die voor de instelling beschikbaar zijn op grond van het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC, deel II van het Formatiebesluit W.V.O. of het Besluit trekkende bevolking WPO;
|
||||
b. formatiebudget: het totaal aan rekeneenheden dat voor een instelling beschikbaar is.
|
||||
|
||||
### Artikel 110
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt vóór 1 mei van ieder jaar de formatie van de instelling voor het daaropvolgend schooljaar vast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De formatie, bedoeld in het eerste lid, wordt onderscheiden in de volgende categorieën:
|
||||
|
||||
a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang;
|
||||
b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd;
|
||||
c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door Onze Minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag neemt in de vast te stellen formatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, van de instelling in elk geval de functies op van de reeds in deze formatie opgenomen en in vaste dienst verbonden betrokkenen voor de omvang van de betrekking waarin zij zijn benoemd, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
|
||||
|
||||
**4.** Indien in de vast te stellen formatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, daarvoor ruimte is ontstaan, neemt het bevoegd gezag onder gelijke voorwaarden als genoemd in het derde lid, hierin tevens op functies van in vaste dienst verbonden betrokkenen die deel uitmaken van de formatie, bedoeld in het tweede lid, onder b.
|
||||
|
||||
**5.** Indien Onze Minister voor korter dan een schooljaar formatierekeneenheden beschikbaar heeft gesteld, wordt in afwijking van het eerste lid, de formatie, bedoeld in het tweede lid, onder c, tijdens het schooljaar opnieuw vastgesteld voor zover de toekenning dan wel het vervallen van deze formatierekeneenheden geschiedt tijdens het schooljaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 111
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder a, een functie beschikbaar komt, wordt die functie door het bevoegd gezag toegedeeld aan de betrokkene wiens functie is opgenomen in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder b, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een bevoegd gezag voornemens is over te gaan tot herbenoeming van een betrokkene wiens dienstverband is beëindigd in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid, wordt de betrokkene benoemd voor ten hoogste de betrekkingsomvang die overeenkomt met zijn restvaliditeit en voor ten hoogste de betrekkingsomvang die vóór de beëindiging van het dienstverband voor hem in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, was opgenomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 112
|
||||
|
||||
|
|
@ -761,51 +1278,84 @@ c. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met e
|
|||
|
||||
### Artikel 114
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan, uitsluitend ten laste van eigen middelen en volgens door het bevoegd gezag vast te stellen beleidsregels, aan een betrokkene een gratificatie toekennen of een maandelijkse toelage.
|
||||
|
||||
### Artikel 114a
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van een maandelijkse toelage voorwaarden verbinden.
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene, bedoeld in titel 12, 13 dan wel 14 van dit hoofdstuk, die is benoemd volgens een functie met de salarisschaal 9, en die op 1 augustus van een jaar wordt bezoldigd volgens het maximum salarisbedrag van zijn salarisschaal dan wel een hoger salarisbedrag, heeft aanspraak op een bindingstoelage.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag trekt een maandelijkse toelage in, indien de gronden voor toekenning van de toelage niet meer aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**2.** De bindingstoelage wordt jaarlijks in augustus toegekend tenzij er op basis van een beoordeling sprake is van onvoldoende functioneren.
|
||||
|
||||
**3.** De hoogte van de bindingstoelage is afhankelijk van de functie die betrokkene uitoefent, zoals aangegeven in bijlage 2, onderdeel 7, bij dit besluit.
|
||||
|
||||
**4.** De toelage maakt onderdeel uit van het inkomen bedoeld in de pensioenregeling.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De toelage wordt in de maand augustus van het desbetreffende jaar vastgesteld op basis van de volgende formule:
|
||||
|
||||
BT x S : NS waarin: BT = de bindingstoelage bij normbetrekking, S = het salaris in de maand augustus, met uitzondering van de vermindering op het salaris, bedoeld in titel 16 van dit besluit en artikel 4, eerste lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, en NS = het normsalaris in augustus. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op centen.
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde toelage behoort tot de bezoldiging, bedoeld in het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 115
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Onze Minister verstrekt aan een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, voor zover het speciale scholen voor basisonderwijs betreft, en als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°, een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, indien het bevoegd gezag deze toekent aan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde instelling is gehuisvest in verschillende gebouwen wordt per gebouw dat niet in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdvestiging staat, door Onze Minister een toelage overeenkomstig het eerste lid verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag uitsluitend ten laste van eigen middelen één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage toekennen als vermeld in bijlage 2, onder 3.
|
||||
|
||||
### Artikel 116
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene voor wie de functie is opgenomen in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder b, is verplicht andere hem door het bevoegd gezag opgedragen werkzaamheden die in het kader van de door hem vervulde functie passend zijn te achten, te verrichten, dan wel bij een ander bevoegd gezag dan wel buiten het onderwijs een passende betrekking te aanvaarden.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, kan het bevoegd gezag een betrokkene, bedoeld in het eerste lid, een sollicitatieplicht of, met inachtneming van artikel 118, een scholingsplicht opleggen.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene voor wie op grond van het tweede lid een sollicitatieverplichting geldt, is verplicht zich als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen en een andere passende betrekking binnen dan wel buiten het onderwijs te aanvaarden.
|
||||
|
||||
### Artikel 117
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Ontslag in verband met opheffing van de betrekking kan niet eerder worden verleend dan nadat de functie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder a, gedurende een geheel schooljaar is geplaatst in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder b. Ontslag wegens opheffing van de betrekking kan niet plaatsvinden om herbenoeming in een functie voor een kleinere betrekkingsomvang mogelijk te maken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het bevoegd gezag besluit over te gaan tot opheffing van een betrekking dient het eerst zorgvuldig te onderzoeken of het in redelijkheid mogelijk is de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden. Indien een in de eerste volzin bedoelde functie beschikbaar is, vindt ontslag wegens opheffing van de betrekking plaats onder gelijktijdige benoeming in de nieuwe functie.
|
||||
|
||||
**3.** Indien geen passende functie als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, dan wel de betrokkene een passende functie weigert te aanvaarden, wordt de betrekking opgeheven indien de functie van de betrokkene niet langer in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder a of b, is opgenomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 118
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Indien het bevoegd gezag met toepassing van artikel 116, tweede lid, aan de betrokkene een scholingsplicht oplegt, gelden de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. het bevoegd gezag stelt de betrokkene vrij van het verrichten van passende werkzaamheden, bedoeld in artikel 116, eerste lid, voor zover dit noodzakelijk is voor het volgen van de scholing;
|
||||
b. het bevoegd gezag belast de betrokkene niet met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek, voor zover deze lesgebonden taken zouden samenvallen met het volgen van de scholing;
|
||||
c. tussen het bevoegd gezag en de betrokkene wordt een redelijke termijn afgesproken waarbinnen de betrokkene de scholing met succes kan afronden;
|
||||
d. het bevoegd gezag is verplicht de betrokkene te benoemen in een, gelet op de scholing die is of wordt gevolgd, passende vacante functie bij het bevoegd gezag. Indien voor de in de eerste volzin bedoelde benoeming ontheffing van de bevoegdheidseisen noodzakelijk is omdat de betrokkene de scholing nog niet heeft afgerond, is het bevoegd gezag verplicht die ontheffing aan te vragen. Indien de ontheffing wordt verleend, geldt de in de eerste volzin bedoelde verplichting.
|
||||
|
||||
### Artikel 119
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De bezoldiging van de betrokkene voor wie de betrekkingsomvang is opgenomen in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder b, wordt verminderd met:
|
||||
|
||||
a. neveninkomsten uit de betrekkingen bij het onderwijs die hij reeds genoot op de dag waarop zijn betrekkingsomvang niet langer in de formatie, bedoeld in artikel 110, tweede lid, onder a, is opgenomen voor zover de totale omvang van de betrekking de omvang van de normbetrekking overschrijdt;
|
||||
b. neveninkomsten die hij gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen in verband met de verplichting, bedoeld in artikel 116, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Over het bedrag dat op grond van het eerste lid in mindering wordt gebracht kan door het bevoegd gezag worden beschikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 120
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Onze Minister kan bepalen dat aan een betrokkene die wordt belast met externe taken ten behoeve van het onderwijs, voor zover hij daarvoor geen vergoeding of verlof op de voet van artikel 30 verkrijgt, tijdelijk een gedeelte van een normbetrekking wordt toegekend.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van een normbetrekking wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging voor dit gedeelte bedraagt een evenredig gedeelte van het voor de betrokkene geldende salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.
|
||||
|
||||
**3.** Zodra voor de betrokkene het gedeelte van de normbetrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd, wordt de omvang van de betrekking dienovereenkomstig verkleind.
|
||||
|
||||
### Artikel 121
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister:
|
||||
|
||||
a. wijst jaarlijks de categorieën van instellingen aan, die bindingspremies om redenen van werving of behoud kunnen toekennen;
|
||||
b. bepaalt daarbij tevens tot welk totaalbedrag deze instellingen bindingspremies kunnen toekennen;
|
||||
c. wijst jaarlijks de categorie betrokkenen aan, aan wie de premie kan worden toegekend;
|
||||
d. stelt jaarlijks de hoogte van het bedrag vast dat maximaal aan de door het bevoegd gezag aangewezen betrokkene wordt uitgekeerd en bepaalt daarbij tevens de periode die maximaal met de betrokkene kan worden overeengekomen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan aan een betrokkene die in dienst is of treedt en die behoort tot de categorie betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, om redenen van werving of behoud een bindingspremie toekennen. De bindingspremie maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag verbindt aan de toekenning, bedoeld in het tweede lid, de voorwaarde dat de betrokkene, bedoeld in het tweede lid, gedurende een bepaalde, tevoren overeengekomen periode, aan de instelling verbonden zal blijven. Bij voortijdig vertrek dient de toegekende uitkering geheel of gedeeltelijk te worden terugbetaald. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de betrokkene, bedoeld in het tweede lid, voor het einde van de in het tweede lid bedoelde periode de dienst verlaat of indien hij niet voldoet aan de in het derde lid bedoelde nadere voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hemzelf te wijten oorzaak, ontheft het bevoegd gezag hem van de verplichtingen tot terugbetaling.
|
||||
|
||||
**5.** De voorwaarden, bedoeld in het derde lid, worden aan de betrokkene, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk schriftelijk meegedeeld. Deze mededeling bevat tevens de grootte van de uitkering alsmede de maand en jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld.
|
||||
|
||||
### Titel 12. Salariëring en samenstelling directie
|
||||
|
||||
|
|
@ -813,11 +1363,20 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 122
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. instelling: de instelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1° en 2°;
|
||||
b. betrokkene: de aan een instelling als bedoeld onder a verbonden directeur of leraar tevens adjunct-directeur, alsmede de betrokkene die aan een dergelijke instelling is benoemd in een functie die door het bevoegd gezag is aangemerkt als een functie als bedoeld in titel 12 van dit hoofdstuk;
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in deze titel de begripsbepalingen van artikel 83 en 109 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 123
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan het hoofd van een instelling staat een directeur of directeuren.
|
||||
|
||||
**2.** De directie wordt gevormd door de directeur of directeuren en voor zover de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie dit mogelijk maakt door een of meer adjunct-directeuren en een of meer andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die door het bevoegd gezag is aangemerkt als een functie in titel 12 van dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
### Artikel 124
|
||||
|
||||
|
|
@ -875,21 +1434,36 @@ c. indien het onder a bepaalde salarisbedrag lager is dan het laagste salarisbed
|
|||
|
||||
### Artikel 129
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Nadat toepassing is gegeven aan artikel 151, tweede lid, verdeelt het bevoegd gezag de werkzaamheden onder de leden van de directie na overleg met de betrokkenen zodanig dat een zo veel mogelijk evenwichtige taakbelasting plaatsvindt in verhouding tot de functie en de omvang van ieders betrekking.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Instellingen voor basisonderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 130
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. directeur: de directeur van een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°;
|
||||
b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie als bedoeld in paragraaf 2 van titel 13 van dit hoofdstuk die tevens is benoemd tot adjunct-directeur;
|
||||
c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in deze titel, gezamenlijk;
|
||||
d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
|
||||
e. y: het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, welk aantal voor basisscholen wordt verhoogd met 3% van dat aantal leerlingen en naar beneden afgerond op een geheel getal;
|
||||
f. instelling: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°.
|
||||
|
||||
### Artikel 131
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De normfuncties voor de directie die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn de normfunctie van directeur en van adjunct-directeur. In bijlage 12-1 bij dit besluit is voor deze functies een taakkarakteristiek gegeven voor onderscheidenlijk basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 132
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel 32, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek van de normfunctie leraar, zoals opgenomen in bijlage 13-1 van dit besluit. Voor de betrokkene die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**2.** Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking, en indien gebruik wordt gemaakt van artikel 32, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel 85, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
|
||||
|
||||
**3.** Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
**5.** In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene afspraken worden gemaakt die afwijken van het percentage, genoemd in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 133
|
||||
|
||||
|
|
@ -948,7 +1522,11 @@ Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie, bedoeld in art
|
|||
|
||||
### Artikel 137
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Zonder voorafgaand ontslag kan een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur niet worden beëindigd.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de leraar die als adjunct-directeur is benoemd en op wie artikel 136 van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.** Zolang aan de instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen een leraar is verbonden voor wie artikel 136 geldt, kan geen andere leraar tevens tot adjunct-directeur worden benoemd.
|
||||
|
||||
### Artikel 138
|
||||
|
||||
|
|
@ -1006,15 +1584,30 @@ b. voor het personeelslid dat is benoemd als directeur van die school indien gee
|
|||
|
||||
### Artikel 142
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. directeur: de directeur van een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°;
|
||||
b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie als bedoeld in paragraaf 3 van titel 13 van dit hoofdstuk die tevens is benoemd tot adjunct-directeur;
|
||||
c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in deze titel, gezamenlijk;
|
||||
d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
|
||||
e. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°;
|
||||
f. Q: de totale normatieve formatie naar boven afgerond op hele formatieplaatsen, berekend volgens artikel 16, vijfde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, vijfde lid, van het Formatiebesluit W.V.O., dan wel, indien het een instelling voor onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen betreft, berekend volgens artikel 26a van het Formatiebesluit WEC vermeerderd met de formatie toegekend op grond van artikel 117, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
### Artikel 143
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De normfuncties voor de directie die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn de normfunctie van directeur en van adjunct-directeur. In bijlage 12-2 bij dit besluit is voor deze functies een taakkarakteristiek gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 144
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel 32, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek van de normfunctie leraar als opgenomen in bijlage 13-2 van dit besluit. Voor de betrokkene die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**2.** Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en, indien gebruik wordt gemaakt van artikel 32, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel 85, tweede en derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
|
||||
|
||||
**3.** Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur, een betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
**5.** In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene afspraken worden gemaakt die afwijken van het percentage, genoemd in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 145
|
||||
|
||||
|
|
@ -1034,7 +1627,11 @@ Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie, bedoeld in art
|
|||
|
||||
### Artikel 148
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Zonder voorafgaand ontslag kan een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur niet worden beëindigd.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de leraar die als adjunct-directeur is benoemd en op wie artikel 170 van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.** Zolang aan de instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen een leraar is verbonden voor wie artikel 147 geldt, kan geen andere leraar tevens tot adjunct-directeur worden benoemd.
|
||||
|
||||
### Artikel 149
|
||||
|
||||
|
|
@ -1050,11 +1647,21 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 150
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. instelling: elke instelling voor zover deze over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs;
|
||||
b. betrokkene: de betrokkene voor zover het betreft een lid van het onderwijsgevend personeel;
|
||||
c. Formatiebesluit: het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC, deel II van het Formatiebesluit W.V.O. en het Besluit trekkende bevolking WPO.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in deze titel de begripsbepalingen van de artikelen 83 en 109 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 151
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan iedere instelling kan onderwijsgevend personeel verbonden zijn voor zover dit binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie mogelijk is. Deze functies worden onderscheiden in onderwijsgevende functies voor het basisonderwijs en centrale diensten (paragraaf 2) en voor het speciaal onderwijs (paragraaf 3).
|
||||
|
||||
**2.** De werkzaamheden die aan de instelling moeten worden verricht, worden in onderling overleg verdeeld tussen de directie en de betrokkenen zodanig dat een zoveel mogelijk evenwichtige taakbelasting plaatsvindt in verhouding tot de aard en de omvang van de functies. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, beslist het bevoegd gezag, de betrokkenen gehoord.
|
||||
|
||||
### Artikel 152
|
||||
|
||||
|
|
@ -1084,13 +1691,26 @@ De bezoldiging van de betrokkene die op 31 juli van enig schooljaar werd bezoldi
|
|||
|
||||
### Artikel 156
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De benoeming van een lid van het onderwijsgevend personeel in een functie die vanaf de aanvang van het schooljaar beschikbaar is, gaat in op de eerste dag na de zomervakantie.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het lid van het onderwijsgevend personeel in het voorafgaande schooljaar als lid van het onderwijzend personeel bij een instelling in de zin van dit besluit dan wel bij een andere door Onze Minister bekostigde onderwijsinstelling benoemd en bezoldigd is geweest gedurende een aaneengesloten periode van langer dan 2 maanden, welke periode is geëindigd op of na 1 juni van het voorafgaande schooljaar, gaat de benoeming in op 1 augustus mits het lid van het onderwijsgevend personeel voor langer dan 2 maanden wordt benoemd.
|
||||
|
||||
**3.** Het lid van het onderwijsgevend personeel dat in tijdelijke dienst is benoemd, heeft aanspraak op bezoldiging tot en met de dag waarop zijn benoeming in tijdelijke dienst afloopt, met dien verstande dat hij, in geval de benoeming is ingegaan op of na 1 maart van een schooljaar, in elk geval geen aanspraak op bezoldiging heeft over de dagen na de laatste dag voor de zomervakantie, ook al strekt de duur van zijn dienstverband zich wel over die dagen uit. Indien de duur van zijn dienstverband zich tot in het volgende schooljaar uitstrekt, ontstaat weer aanspraak op bezoldiging met ingang van de eerste dag na de zomervakantie, behoudens indien zich de in het tweede lid bedoelde omstandigheid voordoet, in welk geval weer aanspraak op bezoldiging ontstaat met ingang van 1 augustus van het nieuwe schooljaar. Voor de toepassing van dit lid worden aansluitende benoemingen binnen hetzelfde schooljaar als één benoeming beschouwd.
|
||||
|
||||
**4.** De duur van het dienstverband van het in het eerste lid bedoelde lid van het onderwijsgevend personeel dat in vaste dienst is benoemd en dat in verband met ontslag zijn werkzaamheden na de zomervakantie niet voortzet, kan zich uitstrekken uiterlijk tot en met de laatste dag van het schooljaar.
|
||||
|
||||
**5.** Het lid van het onderwijsgevend personeel aan wie ontslag is verleend en die in een nieuwe betrekking is benoemd met ingang van een dag waarop het ontslag uit de oude betrekking nog niet is ingegaan, heeft in de oude betrekking aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop de nieuwe betrekking aanvangt indien de nieuwe betrekking een voortzetting van de oude betrekking geacht kan worden te zijn. Indien de nieuwe betrekking niet bij het onderwijs wordt bekleed, behoudt hij, voor zover hem nog vakantieverlof toekomt, aanspraak op bezoldiging tot en met de dag waarop dat vakantieverlof afloopt.
|
||||
|
||||
**6.** Indien het lid van het onderwijsgevend personeel als gevolg van toepassing van het derde lid of van artikel 104, tweede lid, gedurende een gedeelte van de zomervakantie benoemd is geweest en aanspraak had op bezoldiging heeft hij niettemin aanspraak op bezoldiging gedurende de zomervakantie, indien hij een periode van 12 achtereenvolgende maanden gedurende alle schoolweken aan een of meer scholen was verbonden en indien de zomervakantie in die periode valt.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Instellingen voor basisonderwijs en centrale diensten
|
||||
|
||||
### Artikel 157
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1° en 3°;
|
||||
b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 3°, voor zover het betreft een lid van het onderwijsgevend personeel.
|
||||
|
||||
### Artikel 158
|
||||
|
||||
|
|
@ -1104,15 +1724,31 @@ In bijlage 13-1 bij dit besluit is voor de in de eerste volzin genoemde normfunc
|
|||
|
||||
### Artikel 159
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel 32, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek. Voor de betrokkene, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**2.** Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar, bedoeld in artikel 85, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst als bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel 32, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel 85, tweede en derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
|
||||
|
||||
**4.** Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur een betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
**6.** In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het derde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 160
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, dan wel die daarnaast werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel 113 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van de artikelen 104 en 156, waarbij voor benoeming wordt gelezen tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang en voor benoemd wordt gelezen een tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang had.
|
||||
|
||||
**2.** De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.
|
||||
|
||||
### Artikel 161
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Voor de betrokkene die is benoemd in verband met de vervanging van een leraar wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel 97, tweede lid, de werktijdfactor per dag gelijkgesteld met 0,2306, per ochtend met 0,1356 en per middag met 0,095. De werktijdfactor voor een dag waarop aan de school structureel uitsluitend gedurende de ochtend onderwijs wordt gegeven, is bepaald op 0,1628.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde vervanging geschiedt voor korter dan een ochtend dan wel een middag, wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel 97, tweede lid, het feitelijk aantal uren bepaald op de uitkomst van de formule I x 1,5385, waarbij I gelijk is aan het aantal uren waarop de betrokkene op die dag wordt belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek.
|
||||
|
||||
### Artikel 162
|
||||
|
||||
|
|
@ -1145,7 +1781,10 @@ b. in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functi
|
|||
|
||||
### Artikel 164
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°;
|
||||
b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 2°, voor zover het betreft een lid van het onderwijsgevend personeel.
|
||||
|
||||
### Artikel 165
|
||||
|
||||
|
|
@ -1153,15 +1792,31 @@ De normfunctie van het onderwijsgevend personeel aan een instelling kan zijn opg
|
|||
|
||||
### Artikel 166
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek. Voor de betrokkene, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**2.** Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar, bedoeld in artikel 85, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel 32, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel 85, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
|
||||
|
||||
**4.** Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
**6.** In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het derde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 167
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel 113 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van de artikelen 104 en 156, waarbij voor benoeming wordt gelezen tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang en voor benoemd wordt gelezen een tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang had.
|
||||
|
||||
**2.** De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.
|
||||
|
||||
### Artikel 168
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Voor de betrokkene die is benoemd in verband met de vervanging van een leraar wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel 97, tweede lid, de werktijdfactor per dag gelijkgesteld met 0,2306, per ochtend met 0,1356 en per middag met 0,095. De werktijdfactor voor een dag waarop aan de school structureel uitsluitend gedurende de ochtend onderwijs wordt gegeven, is bepaald op 0,1628.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde vervanging geschiedt voor korter dan een ochtend dan wel een middag, wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel 97, tweede lid, het feitelijk aantal uren bepaald op de uitkomst van de formule I x 1,5385, waarbij I gelijk is aan het aantal uren waarop de betrokkene op die dag wordt belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek.
|
||||
|
||||
### Artikel 169
|
||||
|
||||
|
|
@ -1188,7 +1843,14 @@ b. op de betrokkene artikel 148 van toepassing is.
|
|||
|
||||
### Artikel 171
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel;
|
||||
b. salaris per uur: 1/166 deel van het salaris bij een normbetrekking.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in deze titel de begripsbepalingen van de artikelen 83 en 109 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 172
|
||||
|
||||
|
|
@ -1247,7 +1909,13 @@ Indien aan de betrokkene, bedoeld in artikel 173, eerste lid, wiens salaris word
|
|||
|
||||
### Artikel 178
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene zo mogelijk aan het begin van het school-, cursus- dan wel kalenderjaar een werktijdenregeling vast. De werktijdenregeling wordt met instemming van de betrokkene vastgesteld indien in deze regeling is bepaald dat arbeidsduurverkorting niet in regelmatige terugkerende perioden van een week wordt genoten.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene de dagelijkse werktijden vast, waarbij doorgaans per dag niet meer dan 8 uur wordt gewerkt.
|
||||
|
||||
**4.** Van de op grond van het tweede en derde lid vastgestelde tijden wordt in opdracht van het bevoegd gezag na overleg met de betrokkene incidenteel afgeweken, indien om school-organisatorische redenen de werkzaamheden noodzakelijk op andere tijden dan bedoeld in het tweede lid moeten worden verricht.
|
||||
|
||||
### Artikel 179
|
||||
|
||||
|
|
@ -1308,7 +1976,11 @@ e. 100% voor de uren op feestdagen, met dien verstande dat genoemde percentages
|
|||
|
||||
### Artikel 181
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Aan de betrokkene van wie de bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen, beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 180, een blijvende verlaging ondergaat die ten minste 3% bedraagt van de bezoldiging, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 182
|
||||
|
||||
|
|
@ -1336,7 +2008,11 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 184
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Voor de betrokkene, benoemd in een volledige weektaak, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, wordt op zijn schriftelijk verzoek de dagelijkse werktijd met een half uur verkort, mits hij geen bezoldigde nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten. In dat geval vervalt tevens het recht op een eventuele ontslaguitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ter zake van beëindigde nevenwerkzaamheden.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene op wie het eerste lid van toepassing is verklaard, alsmede de betrokkene die gebruik maakt van titel 16 van dit hoofdstuk kunnen niet met overwerk als bedoeld in artikel 179 worden belast.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, tevens gebruik maakt van het verlof, bedoeld in titel 16 van dit hoofdstuk wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, samengevoegd en in gehele of halve werkdagen verleend.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Normfuncties instellingen voor basisonderwijs, speciaal onderwijs en centrale diensten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1350,37 +2026,171 @@ In bijlage 14-1 bij dit besluit zijn voor de normfuncties taakkarakteristieken e
|
|||
|
||||
### Artikel 186
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in de functie van klassenassistent, onderwijsassistent of technisch assistent en die het verlof, bedoeld in artikel 32, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met lesgebonden taken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in de functie van logopedist en die het verlof, bedoeld in artikel 32, per jaar geniet, wordt voor gemiddeld ten hoogste 930 uren per jaar belast met behandeltaken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruikt maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in een andere functie dan die genoemd in het eerste en tweede lid en voor wie ook sprake is van lesgebonden taken of behandeltaken en die het verlof, bedoeld in artikel 32, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met lesgebonden of behandeltaken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel 32, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
|
||||
|
||||
**4.** Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar, bedoeld in artikel 85, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst als bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
|
||||
|
||||
**5.** Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel 32, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel 85, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
|
||||
|
||||
**6.** Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
|
||||
|
||||
**7.** Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
**8.** In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het vijfde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 187
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, dan wel die daarnaast werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel 113 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van artikel 104.
|
||||
|
||||
**2.** De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Centrale dienst
|
||||
|
||||
### Artikel 188
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 185 is van overeenkomstige toepassing op een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 3°, voor zover die instelling over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, stelt het bevoegd gezag voor de betrokkene bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 3°, de functie en de daarbij behorende maximumschaal vast.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag stelt daartoe een functiebeschrijving op en stelt voor deze functie een maximumschaal vast op basis van de aard en de inhoud van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht, met inachtneming van de voor de rijksoverheid geldende normen ten aanzien van functiewaardering.
|
||||
|
||||
### Titel 15. Bijzondere bepalingen voor de leraar in opleiding
|
||||
|
||||
### Artikel 189
|
||||
|
||||
**1.** Deze titel heeft uitsluitend betrekking op de leraar in opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald zijn de 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 13 dit hoofdstuk, de titels 1, 2, 3, 4 van hoofdstuk 2, titel 1 van hoofdstuk 3 en de titels 1 en 2 van hoofdstuk 4 van toepassing op de leraar in opleiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 190
|
||||
|
||||
Niet van toepassing op de leraar in opleiding zijn de artikelen 75, derde lid, 88 tot en met 94, 98 en 160.
|
||||
|
||||
### Artikel 191
|
||||
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. leraar in opleiding: de laatstejaars student van een lerarenopleiding basisonderwijs of speciaal onderwijs die wordt benoemd op een leer-arbeidsplaats bij een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1° of 2°, welke persoon wordt aangemerkt als een lid van het onderwijsgevend personeel;
|
||||
b. leer-arbeidsplaats: een functie waarin uitsluitend een leraar in opleiding kan worden benoemd;
|
||||
c. leer-arbeidsovereenkomst: een overeenkomst die bestaat uit de benoeming, bedoeld in artikel 1, onderdeel n, alsmede een leerovereenkomst die wordt gesloten tussen de leraar in opleiding, de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd en de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven;
|
||||
d. lioschap: de periode waarin de leraar in opleiding bij een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1° of 2°, is benoemd;
|
||||
e. leer-werkplan: een door de leraar in opleiding opgesteld plan, waarin, in overleg met de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven en het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd, de leer- en werkactiviteiten zijn vastgelegd die de leraar in opleiding tijdens zijn lioschap zal verrichten.
|
||||
|
||||
### Artikel 192
|
||||
|
||||
**1.** De leraar in opleiding wordt benoemd in tijdelijke dienst voor een termijn van vijf maanden bij een normbetrekking of een termijn van tien maanden bij een werktijdfactor van 0,5.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde perioden eindigen voor de datum van aanvang van de zomervakantie van de instelling waaraan de leraar in opleiding is benoemd.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid geldt voor de leraar in opleiding in het openbaar onderwijs in afwijking van titel 1 van hoofdstuk 2.
|
||||
|
||||
### Artikel 193
|
||||
|
||||
**1.** De functie leraar in opleiding is een normfunctie die is afgeleid van de normfuncties leraar zoals deze zijn vastgelegd in de taakkarakteristieken opgenomen in de bijlagen 13-1 en 13-2.
|
||||
|
||||
**2.** De functie leraar in opleiding omvat de in het derde lid aangegeven onderdelen van de taakkarakteristiek waarbij de zelfstandige uitoefening van die taken geleidelijk toeneemt tijdens het lioschap.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De taakkarakteristiek van de functie leraar in opleiding is het leren van het beroep leraar door middel van:
|
||||
|
||||
a. het geven van onderwijs, alsmede de daaruit rechtstreeks voortvloeiende werkzaamheden;
|
||||
b. algemene werkzaamheden, die redelijkerwijs voortvloeien uit het onderwijs aan de instelling, zoals:
|
||||
|
||||
1. het deelnemen aan teamvergaderingen;
|
||||
2. het onderhouden van contacten met collega's van de instelling, ouders, begeleidingsdiensten e.d.;
|
||||
3. het verrichten van overige werkzaamheden ten behoeve van de goede gang van zaken aan de instelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 194
|
||||
|
||||
**1.** Tussen de leraar in opleiding, de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd en de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven wordt een leer-arbeidsovereenkomst gesloten.
|
||||
|
||||
**2.** De omvang van het leeraandeel en het arbeidsaandeel worden aan elkaar gelijkgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De leer-arbeidsovereenkomst bevat tenminste bepalingen over:
|
||||
|
||||
a. de begeleiding van de leraar in opleiding;
|
||||
b. dat deel van de eindtermen dat de leraar in opleiding tijdens het lioschap dient te realiseren en de beoordeling daarvan, alsmede de onderdelen genoemd in artikel 8, eerste en tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 195
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De leraar in opleiding stelt voor aanvang van de leer-arbeidsovereenkomst een leer-werkplan op. Het leer-werkplan wordt getoetst door:
|
||||
|
||||
a. de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven en
|
||||
b. het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd.
|
||||
|
||||
**2.** De lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven toetst het leer-werkplan aan de eindtermen van de opleiding.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag van de instelling waaraan de leraar in opleiding is benoemd, toetst het leer-werkplan voor zover het gaat om de werkzaamheden die verricht moeten worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 196
|
||||
|
||||
Artikel 59 is niet van toepassing indien de leraar in opleiding gebruik kan maken van een reisvoorziening als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet studiefinanciering 2000.
|
||||
|
||||
### Artikel 197
|
||||
|
||||
Het salaris van de leraar in opleiding wordt met inachtneming van de bepalingen van dit besluit vastgesteld aan de hand van bijlage IG.
|
||||
|
||||
### Titel 16. Regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen
|
||||
|
||||
### Artikel 198
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De betrokkene heeft op grond van deze titel op zijn verzoek aanspraak op verlof als bedoeld in artikel 199 met gedeeltelijk behoud van bezoldiging als aangegeven in artikel 201 indien hij:
|
||||
|
||||
a. direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het verlof gedurende ten minste vijf jaren aaneengesloten in dienst is geweest van een door Onze Minister bekostigde onderwijs- of onderzoekinstelling, dan wel een door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bekostigde onderwijsinstelling, waarbij de periode waarin de betrokkene een werkloosheidsuitkering genoot in verband met het beëindigd zijn van een bij bedoelde onderwijs- of onderzoekinstelling betrekking als diensttijd wordt aangemerkt, en
|
||||
b. de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Het verlof gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de leeftijd genoemd in artikel 199, tweede en derde lid, is bereikt.
|
||||
|
||||
**3.** Om redenen van dienstbelang kan de ingangsdatum van het verlof worden opgeschort tot uiterlijk de eerste dag van het daaropvolgend schooljaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 199
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De omvang van het verlof bedraagt voor alle betrokkenen zowel bij een normbetrekking als bij een deel van de normbetrekking op jaarbasis ten minste 45 uren.
|
||||
|
||||
**2.** De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 of 13 van dit hoofdstuk en die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 170 uren.
|
||||
|
||||
**3.** De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 12 of 13 van dit hoofdstuk en die de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 340 uren.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van dit hoofdstuk, op jaarbasis het aantal uren dat de uitkomst is van de formule
|
||||
|
||||
((1659 – (a + b)) x L) / (1659), waarbij:
|
||||
|
||||
a = het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal verlofuren op grond van artikel 17, derde lid,
|
||||
|
||||
b = 112,5 uren voor de betrokkene, bedoeld in artikel 184, eerste lid, en
|
||||
|
||||
L = voor de betrokkene die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar 170 uren en voor de betrokkene van 56 jaar of ouder 340 uren.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de betrokkene met een betrekkingsomvang van minder dan een normbetrekking, wordt het aantal uren verlof, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, vastgesteld naar evenredigheid van die betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op hele of halve uren.
|
||||
|
||||
### Artikel 200
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het verlof, bedoeld in artikel 199, kan voor zover het dienstbelang zich daartegen niet verzet op verzoek van betrokkene geheel of gedeeltelijk in een later schooljaar worden opgenomen bij hetzelfde of een ander bevoegd gezag dan het bevoegd gezag waarbij het verlof is gespaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 200a
|
||||
**2.** Het aantal uren op te nemen verlof op grond van deze titel tezamen met het verlof op grond van artikel 32 mag jaarlijks ten hoogste 50% van de betrekkingsomvang bedragen.
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene kan tijdens de verlofuren, bedoeld in artikel 199, vervangingswerkzaamheden verrichten aan een instelling van het bevoegd gezag waarbij hij is benoemd of aangesteld. De verlofuren worden alsdan opgenomen op andere tijdstippen in het schooljaar, dan wel in het daaropvolgende schooljaar. Over de vervangingswerkzaamheden wordt geen recht op verlof als bedoeld in deze titel opgebouwd.
|
||||
**3.** De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die op grond van artikel 5, eerste of vierde lid, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, op de leeftijd van 61 jaar doch uiterlijk op de laatste dag van het schooljaar waarin hij die leeftijd heeft bereikt, zal uittreden voor het gedeelte van de werktijdfactor dat overeenkomt met het aantal uren waarop in de maand voorafgaand aan de datum van uittreden artikel 201 van toepassing is, wordt de omvang van het verlof, bedoeld in artikel 199, verhoogd met 170 uren extra verlof.
|
||||
|
||||
**2.** Een betrokkene kan voor ten hoogste 1/3 deel van de verlofuren waarin vervangingswerkzaamheden worden uitgevoerd, salaris ontvangen.
|
||||
**4.** De omvang van het verlof, bedoeld in artikel 199, wordt eveneens verhoogd met 170 uren extra verlof indien de in het derde lid bedoelde betrokkene uittreedt voor een kleiner gedeelte van de werktijdfactor dan het gedeelte dat overeenkomt met het aantal uren waarop in de maand voorafgaand aan de datum van uittreden artikel 201 van toepassing is, doch voor ten minste het gedeelte van de werktijdfactor dat overeenkomt met het aantal uren verlof dat voor hem geldt op grond van artikel 199.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 204 is niet van toepassing op de verlofuren waarin vervangingswerkzaamheden worden uitgevoerd, bedoeld in dit artikel, tenzij wordt afgeweken van de tweede volzin van het eerste lid, en van het tweede lid.
|
||||
**5.** Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die een aanvullende uitkering ontvangt op grond van artikel 4.3. onder a, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, en die zal uittreden op de leeftijd van 62 jaar en op de betrokkene die zal uittreden op grond van artikel 5.7.1. van dat reglement.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de betrokkene op wie de in het derde, vierde of vijfde lid genoemde bepalingen van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van toepassing zijn en die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking, wordt het extra verlof, genoemd in het derde lid, naar evenredigheid van de betrekkingsomvang berekend en afgerond op gehele uren.
|
||||
|
||||
### Artikel 201
|
||||
|
||||
|
|
@ -1400,11 +2210,17 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 203
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het verlof op grond van deze titel wordt in gehele of in halve werkdagen opgenomen, tenzij bevoegd gezag en betrokkene hierover afwijkende afspraken maken. Het tijdstip waarop het verlof op grond van deze titel wordt genoten, wordt in overleg met betrokkene vastgesteld en vastgelegd in het voor de school geldende overzicht van onderwijstijd.
|
||||
|
||||
**2.** Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in titel 12 of 13, het verbruik van het verlof, bedoeld in deze titel, te berekenen, wordt de verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken en wel door de in artikel 199, tweede lid, bedoelde verlofaanspraak vast te stellen op ten hoogste 104 uren en de verlofaanspraak, bedoeld in artikel 199, derde lid, op ten hoogste 208 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een in de eerste volzin bedoelde betrokkene verlof geniet op grond van deze titel, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.
|
||||
|
||||
**3.** Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in artikel 132 of artikel 186, het verbruik van het verlof, bedoeld in deze titel, te berekenen, wordt de verlofaanspraak uitgedrukt in lesgebonden of behandeltaken en wel door de uitkomst van de formule van artikel 199, vierde lid, te vermenigvuldigen met 104 indien de betrokkene 52 jaar of ouder doch jonger is dan 56 jaar en met 208 indien de betrokkene 56 jaar of ouder is en vervolgens de uitkomst van deze vermenigvuldiging te delen door het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal uren op grond van de factor L in artikel 199, vierde lid. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een in de eerste volzin bedoelde betrokkene verlof geniet op grond van deze titel, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Voor een betrokkene als bedoeld in het tweede of derde lid die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het aantal lesgebonden of behandeltaken vastgesteld naar evenredigheid van de betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op hele of halve uren.
|
||||
|
||||
### Artikel 204
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Over de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met de bezoldiging van de betrokkene is artikel 9 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verrekening van de extra inkomsten niet kan leiden tot een lager bedrag dan de bezoldiging van de betrokkene met een gelijke onvolledige werktijd.
|
||||
|
||||
### Artikel 205
|
||||
|
||||
|
|
@ -1414,11 +2230,15 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 206
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De betrokkene die krachtens artikel 3 van de Wetten doorstroming onderwijspersoneel gedeeltelijk is uitgetreden, kan geen aanspraak op verlof op grond van deze titel maken.
|
||||
|
||||
### Artikel 207
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De betrokkene die van titel 16 van dit hoofdstuk gebruik wenst te maken, dient hiertoe ten minste tien weken voor de gewenste ingangsdatum een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de betrokkene kiest voor een ingangsdatum in de periode 1 mei tot en met 1 augustus, dient hij zijn verzoek uiterlijk op 1 maart daaraan voorafgaand in.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid, genoemd in artikel 200, eerste lid, geeft bij zijn verzoek tevens aan in welke schooljaren hij het verlof wil opnemen alsmede het aantal uren verlof in het eerste schooljaar waarin het verlof zal worden genoten.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -1426,27 +2246,50 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 208
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In deze titel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 2°, voor zover deze werkzaam is aan een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1° en 2°, voor zover het een publiekrechtelijke instelling betreft.
|
||||
|
||||
### Artikel 209
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst.
|
||||
|
||||
### Artikel 210
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Behoudens artikel 211 geschiedt aanstelling in vaste dienst.
|
||||
|
||||
### Artikel 211
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aanstelling in tijdelijke dienst vindt plaats:
|
||||
|
||||
a. van een betrokkene die tijdelijk afwezig personeel vervangt;
|
||||
b. van een betrokkene die wordt aangesteld in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor een termijn van maximaal 6 maanden, met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste 6 maanden.
|
||||
|
||||
**2.** Aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden indien het bevoegd gezag een proeftijd als bedoeld in artikel 212 wenselijk acht.
|
||||
|
||||
**3.** Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 2°, voor ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze Minister van de vorige volzin worden afgeweken. Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid, onderdeel a, geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 2°, telkens voor ten hoogste één jaar.
|
||||
|
||||
**4.** Aan de betrokkene wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de termijn waarvoor het tijdelijk dienstverband werd aangegaan, schriftelijk meegedeeld of het bevoegd gezag het dienstverband al dan niet wenst voort te zetten, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel 212
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De duur van de proeftijd bedraagt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 2°, ten hoogste één jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag deelt de betrokkene tijdig voor het einde van de proeftijd het oordeel hierover mee.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een proeftijd kan achterwege blijven:
|
||||
|
||||
a. indien de betrokkene reeds in vaste dienst bij het onderwijs werkzaam is in een overeenkomstige functie;
|
||||
b. indien het dienstverband van de betrokkene wordt voortgezet, nadat zijn tijdelijk dienstverband op grond van artikel 211, eerste lid, is geëindigd;
|
||||
c. in andere daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komende gevallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 213
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
(Vervallen)
|
||||
|
||||
### Artikel 214
|
||||
|
||||
|
|
@ -1474,14 +2317,469 @@ c. in voorkomende gevallen, bijzondere bepalingen die van toepassing zijn.
|
|||
|
||||
### Titel 2. Schorsing als ordemaatregel
|
||||
|
||||
### Artikel 215
|
||||
|
||||
**1.** Schorsing is iedere tijdelijke ontheffing van de gehele of gedeeltelijke uitoefening van de functie van een betrokkene onder welke benaming dan ook op andere gronden dan wegens verlof, bedoeld in de titels 3 en 4 van hoofdstuk 1 van dit besluit of op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Schorsing geschiedt van rechtswege dan wel door het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.** Tijdens de schorsing heeft de betrokkene slechts toegang tot de instelling na verkregen toestemming van het bevoegd gezag. Deze toestemming is niet vereist in het geval dat de betrokkene dit besluit wenst in te zien, tenzij dit besluit door het bevoegd gezag elders op een voor de betrokkene redelijkerwijs bereikbare plaats ter inzage is gelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 216
|
||||
|
||||
Van rechtswege is geschorst de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. die krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid;
|
||||
b. die krachtens een rechterlijke uitspraak die nog niet onherroepelijk is geworden van het geven van onderwijs is uitgesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 217
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan de betrokkene schorsen:
|
||||
|
||||
a. in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden;
|
||||
b. in dringende bijzondere gevallen indien dit in het belang van de instelling noodzakelijk voorkomt, als voorlopige maatregel voor ten hoogste één week, met dien verstande dat deze termijn uitsluitend in het geval dat het bevoegd gezag tegelijk met de ingang van deze schorsing de betrokkene in kennis heeft gesteld van het voornemen hem te schorsen op grond van het bepaalde onder a, kan worden verlengd met ten hoogste drie weken.
|
||||
|
||||
**2.** In het geval dat de in het eerste lid, onder b, bedoelde schorsing wordt verlengd, wordt de duur van deze verlengde schorsing in mindering gebracht op de termijn van de daarop op grond van het eerste lid, onder a, volgende schorsing.
|
||||
|
||||
### Artikel 218
|
||||
|
||||
**1.** Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot schorsing, bedoeld in artikel 217, onder a, in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
|
||||
|
||||
**2.** Betrokkene brengt, indien gewenst, onmiddellijk nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van de maatregel tot schorsing, bedoeld in artikel 217, onder b, in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
|
||||
|
||||
**3.** Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.
|
||||
|
||||
**4.** Het besluit tot schorsing, bedoeld in artikel 217, onder a, wordt genomen uiterlijk binnen een week nadat betrokkene zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt.
|
||||
|
||||
**5.** Het besluit tot schorsing, bedoeld in artikel 217, onder b, wordt onverwijld genomen doch uiterlijk de tweede dag nadat betrokkene zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt. Het bevoegd gezag kan betrokkene de toegang tot de school ontzeggen voor zolang het besluit nog niet te zijner kennis is gebracht.
|
||||
|
||||
**6.** Van het intreden van een schorsing van rechtswege stelt het bevoegd gezag de betrokkene onverwijld doch uiterlijk binnen twee dagen in kennis.
|
||||
|
||||
### Artikel 219
|
||||
|
||||
De schorsing, bedoeld in artikel 217, kan door het bevoegd gezag te allen tijde worden ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Disciplinaire straffen of maatregelen
|
||||
|
||||
### Artikel 220
|
||||
|
||||
De betrokkene die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of enig voorschrift overtreedt, dan wel datgene doet of nalaat dat hij bij een goede uitoefening van zijn functie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, maakt zich schuldig aan plichtsverzuim en kan om die reden door het bevoegd gezag met inachtneming van de artikelen 221 tot en met 225 disciplinair worden gestraft.
|
||||
|
||||
### Artikel 221
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De disciplinaire straffen of maatregelen zijn:
|
||||
|
||||
a. schriftelijke berisping;
|
||||
b. verplaatsing naar een andere instelling onder hetzelfde bevoegd gezag met al dan niet gevolgen voor de bezoldiging;
|
||||
c. inhouding van bezoldiging met toepassing van artikel 222, eerste lid;
|
||||
d. schorsing voor maximaal 6 maanden;
|
||||
e. ontslag.
|
||||
|
||||
**2.** Met uitzondering van de in het eerste lid, onder c en d, bedoelde straffen, die naast elkaar kunnen worden opgelegd, kan het bevoegd gezag ter zake van één en hetzelfde feit slechts één disciplinaire straf of maatregel opleggen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het opleggen van een straf of maatregel kan worden bepaald dat zij eerst ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokkene zich gedurende een vast te stellen termijn schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, dan wel zich niet houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorschriften.
|
||||
|
||||
### Artikel 222
|
||||
|
||||
**1.** Inhouding van bezoldiging als zelfstandige disciplinaire straf of maatregel op grond van artikel 221, eerste lid, onder c, kan geschieden tot een bedrag van ten hoogste de bezoldiging over een halve maand.
|
||||
|
||||
**2.** Inhouding van bezoldiging als disciplinaire straf of maatregel, opgelegd naast de in artikel 221, eerste lid, onder d, genoemde schorsing, kan geheel of gedeeltelijk geschieden voor ten hoogste de duur van de schorsing.
|
||||
|
||||
**3.** De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien door de rechter geen straf wordt opgelegd of het besluit wordt vernietigd, alsmede voor zover op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, die de betrokkene sedert de schorsing, bedoeld in het tweede lid, heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.
|
||||
|
||||
**4.** Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging, bedoeld in dit artikel, doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 223
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door de betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan de betrokkene uitgereikt.
|
||||
|
||||
**3.** Het besluit tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel wordt genomen, uiterlijk een week nadat de betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 224
|
||||
|
||||
Het recht tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel vervalt, indien meer dan 9 maanden zijn verlopen na het tijdstip waarop het plichtsverzuim aan het bevoegd gezag bekend is geworden.
|
||||
|
||||
### Artikel 225
|
||||
|
||||
De straf of maatregel, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Beëindiging dienstverband
|
||||
|
||||
### Artikel 226
|
||||
|
||||
Beëindiging van het dienstverband geschiedt door het bevoegd gezag al dan niet op verzoek van de betrokkene dan wel van rechtswege.
|
||||
|
||||
### Artikel 227
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op diens schriftelijk verzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag behoeft dit verzoek niet in te willigen, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de betrokkene is ingesteld of indien het overweegt de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene die zulks heeft verzocht met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het pensioenreglement, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na beëindiging van het dienstverband recht bestaat op een uitkering. Het dienstverband wordt niet eerder beëindigd dan met ingang van de dag waarop het recht op genoemde uitkering ontstaat.
|
||||
|
||||
**4.** Op verzoek van de betrokkene kan de in het derde lid genoemde beëindiging van het dienstverband ook voor een gedeelte van de voor hem geldende betrekkingsomvang worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van de betrekkingsomvang waarvoor beëindiging van het dienstverband wordt gevraagd, bedraagt ten minste 10% van de betrekkingsomvang. Beëindiging van het dienstverband voor een gedeelte van een betrekkingsomvang uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijke beëindiging met het oog op de in het derde lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke betrekkingsomvang.
|
||||
|
||||
### Artikel 228
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op grond van:
|
||||
|
||||
a. opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de instelling dat zijn werkzaamheden overbodig zullen worden;
|
||||
b. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, onverminderd artikel 230, vijfde lid, en artikel 231, derde lid;
|
||||
c. het geraken in een toestand van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken, zulks met inachtneming van de bepalingen in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan het dienstverband van de betrokkene beëindigen:
|
||||
|
||||
a. wanneer hij in ernstige mate onbekwaam of ongeschikt blijkt te zijn voor de beklede betrekking anders dan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder c;
|
||||
b. bij wijze van disciplinaire straf of maatregel in de gevallen en op de wijze als omschreven in titel 3 van hoofdstuk 2;
|
||||
c. indien de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
|
||||
d. indien hij in verband met aanstelling of keuring opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zonder welke handelwijze niet tot benoeming of geschiktverklaring zou zijn overgegaan, tenzij meer dan 6 maanden zijn verstreken sinds de vaststelling van dit feit;
|
||||
e. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het dienstverband van de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 1° en 2°, wordt beëindigd op grond van de gevallen genoemd in het tweede lid, onder a en e, wordt de inspectie gehoord.
|
||||
|
||||
### Artikel 229
|
||||
|
||||
Het dienstverband van de betrokkene eindigt van rechtswege:
|
||||
|
||||
a. door het verstrijken van de tijd waarvoor het blijkens de akte van aanstelling is aangegaan;
|
||||
b. indien de betrokkene krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 230
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij tussentijdse beëindiging van een tijdelijk dienstverband bedraagt de termijn van opzegging:
|
||||
|
||||
a. één maand indien het dienstverband ten tijde van de opzegging korter dan 6 maanden onafgebroken heeft bestaan;
|
||||
b. twee maanden indien het dienstverband ten tijde van de opzegging ten minste 6 maanden doch korter dan 12 maanden onafgebroken heeft bestaan;
|
||||
c. drie maanden indien het dienstverband ten tijde van de opzegging ten minste twaalf maanden onafgebroken heeft bestaan.
|
||||
|
||||
**2.** In het geval, bedoeld in artikel 227, eerste lid, zijn de opzeggingstermijnen, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing, onverminderd artikel 232.
|
||||
|
||||
**3.** Opzegging als bedoeld in het eerste lid kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke betrokkene, noch gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs, noch, indien zij haar dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Het bevoegd gezag kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.
|
||||
|
||||
**4.** Opzegging als bedoeld in het eerste lid, kan niet plaats vinden wegens het feit dat de betrokkene door een centrale als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Overlegbesluit onderwijs- en onderzoekpersoneel of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.
|
||||
|
||||
**5.** In het geval, bedoeld in artikel 228, eerste lid onder b, eindigt het dienstverband op de laatste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd werd bereikt, tenzij in overeenstemming met de betrokkene de ontslagdatum naar een later tijdstip wordt verschoven.
|
||||
|
||||
**6.** In de gevallen, bedoeld in artikel 228, tweede lid, kan het dienstverband eerst worden beëindigd met ingang van de dag, volgende op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
|
||||
|
||||
**7.** In het geval de betrokkene blijkens het doorlopen van de procedure, bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs, blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie, eindigt het dienstverband niet eerder dan op de dag waarop het ontslagbesluit hem ter kennis is gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 231
|
||||
|
||||
**1.** In het geval, bedoeld in artikel 227, eerste en derde lid, bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden, onverminderd artikel 232.
|
||||
|
||||
**2.** Bij beëindiging van het dienstverband op grond van artikel 228, eerste lid, onder a, bedraagt de opzeggingstermijn 3 maanden.
|
||||
|
||||
**3.** In het geval, bedoeld in artikel 228, eerste lid, onder b, eindigt het dienstverband op de laatste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd werd bereikt, tenzij in overeenstemming met de betrokkene de ontslagdatum naar een later tijdstip wordt verschoven.
|
||||
|
||||
**4.** In de gevallen, bedoeld in artikel 228, tweede lid, kan het dienstverband eerst worden beëindigd met ingang van de dag, volgende op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
|
||||
|
||||
**5.** In het geval de betrokkene blijkens het doorlopen van de procedure, bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs, blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie, eindigt het dienstverband niet eerder dan op de dag waarop het ontslagbesluit hem ter kennis is gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 232
|
||||
|
||||
In het geval, bedoeld in artikel 227, eerste lid, kan van de voor de beëindiging van het dienstverband in de artikelen 230, eerste lid, en 231, eerste lid, geldende opzeggingstermijnen worden afgeweken:
|
||||
|
||||
a. indien wordt overwogen de betrokkene een disciplinaire straf op te leggen;
|
||||
b. indien het belang van het onderwijs zulks vordert, met dien verstande, dat de termijn van 3 maanden tot ten hoogste 6 maanden kan worden verlengd en met niet meer dan 2 maanden kan worden bekort en dat bij een afwijking in redelijkheid met het belang van de betrokkene rekening wordt gehouden;
|
||||
c. op verzoek van de betrokkene.
|
||||
|
||||
### Artikel 233
|
||||
|
||||
**1.** Over de tijd die aan de in artikel 230 en artikel 231 bedoelde opzeggingstermijnen bij beëindiging van het dienstverband niet op verzoek mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De aanspraak op bezoldiging vervalt geheel of gedeeltelijk met ingang van de dag waarop de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. gedurende de opzeggingstermijn uit eigen beweging de dienst verlaat;
|
||||
b. gedurende de opzeggingstermijn een andere betrekking gaat bekleden, tenzij en voor zover deze betrekking samenvalt met een hem nog toekomend vakantieverlof.
|
||||
|
||||
### Artikel 234
|
||||
|
||||
**1.** Het dienstverband kan worden beëindigd onder de kwalificatie eervol dan wel zonder nadere kwalificatie.
|
||||
|
||||
**2.** In de gevallen, bedoeld in de artikelen 227, eerste lid, 228, eerste lid en tweede lid, onder a, en 229, onder a, wordt het dienstverband steeds onder de kwalificatie eervol beëindigd, tenzij de beëindiging van het dienstverband aan eigen schuld of toedoen is te wijten.
|
||||
|
||||
### Artikel 235
|
||||
|
||||
**1.** Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen 3 weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot beëindiging van het dienstverband, anders dan op grond van de omstandigheid, bedoeld in artikel 228, eerste lid, onder b, in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
|
||||
|
||||
**2.** Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.
|
||||
|
||||
**3.** Het besluit tot beëindiging van het dienstverband wordt genomen, uiterlijk een week nadat betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt.
|
||||
|
||||
**4.** Van een beëindiging van het dienstverband van rechtswege stelt het bevoegd gezag de betrokkene zo spoedig mogelijk in kennis.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Overige voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs: commissies van beroep
|
||||
|
||||
### Artikel 236
|
||||
|
||||
In deze titel wordt onder commissie verstaan: de commissie van beroep, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, de commissie van beroep, bedoeld in artikel 65, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, dan wel de commissie van beroep, bedoeld in artikel 183, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 237
|
||||
|
||||
Een commissie wordt ingesteld door de besturen van de bijzondere instellingen waarover zij haar werkkring zal uitstrekken. De commissie deelt Onze Minister mee, welke instellingen bij haar zijn aangesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 238
|
||||
|
||||
**1.** Met inachtneming van de in het tweede tot en met het zesde lid van dit artikel neergelegde voorschriften geschiedt de verkiezing van de commissie aan de hand van een door de besturen van de instellingen op te stellen verkiezingsregeling.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden, waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden worden gekozen door de instellingsbesturen, en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel van de bij de commissie aangesloten instellingen. De 2 leden gekozen door de instellingsbesturen en de 2 leden gekozen door het personeel van de instelling kiezen gezamenlijk het vijfde lid, tevens voorzitter, en zijn plaatsvervanger.
|
||||
|
||||
Bij staking van stemmen beslist het lot, desgewenst na herstemming, tenzij partijen een arbitraire oplossing aanvaarden.
|
||||
|
||||
**3.** Om de 3 jaar treedt één van de door de instellingsbesturen en één van de door het personeel gekozen leden en plaatsvervangende leden af volgens een door de commissie op te stellen rooster.
|
||||
|
||||
**4.** De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden gekozen voor de tijd van 3 jaar.
|
||||
|
||||
**5.** De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden zijn bij aftreden onmiddellijk herkiesbaar.
|
||||
|
||||
**6.** In een opengevallen plaats wordt binnen 6 weken voorzien.
|
||||
|
||||
### Artikel 239
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid en plaatsvervangend lid van een commissie kan niet zijn hij die:
|
||||
|
||||
a. zitting heeft in of in dienst is van het instellingsbestuur of het bestuur van een vereniging van instellingsbesturen, of deel uitmaakt van het personeel van een instelling waarover de commissie waarvan hij deel uitmaakt, haar werkkring uitstrekt;
|
||||
b. in dienst is van een vereniging van onderwijzend personeel dan wel zitting heeft in een bestuur van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra of artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarvan het lidmaatschap open staat voor personeel van instellingen waarvoor de commissie waarvan hij deel uitmaakt, is ingesteld;
|
||||
c. deel uitmaakt van de rijksinspectie.
|
||||
|
||||
**2.** Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter kan slechts zijn hij die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verkregen op grond van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in het Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit of hogeschool.
|
||||
|
||||
### Artikel 240
|
||||
|
||||
**1.** Zodra hij verkozen is, geeft de voorzitter aan Onze Minister en aan de bij de commissie aangesloten instellingsbesturen onverwijld kennis van de samenstelling van de commissie, onder vermelding van zijn adres en eventuele andere gegevens die hij van belang acht.
|
||||
|
||||
**2.** Wijziging van deze gegevens deelt de voorzitter onverwijld eveneens mee.
|
||||
|
||||
### Artikel 241
|
||||
|
||||
**1.** De commissie legt binnen 6 maanden na haar verkiezing de regeling van haar werkzaamheden vast in een huishoudelijk reglement en voorziet daarin in haar secretariaat.
|
||||
|
||||
**2.** De voorzitter brengt dit reglement, alsmede wijzigingen daarvan, ter kennis van Onze Minister en van de bij de commissie aangesloten instellingsbesturen.
|
||||
|
||||
### Artikel 242
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur draagt er zorg voor, dat een kennisgeving van de samenstelling van de commissie waarbij de instelling is aangesloten en van het adres van de voorzitter, alsmede een exemplaar van het huishoudelijk reglement van de commissie steeds op een voor de betrokkene toegankelijke plaats in de instelling ter inzage beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Deze kennisgeving en dit huishoudelijk reglement worden steeds onverwijld aangepast aan de wijzigingen, bedoeld in artikel 240, tweede lid, en artikel 241, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** Stukken die moeten worden ingediend bij de voorzitter of de commissie, kunnen worden toegezonden aan het bekend gemaakte kantooradres van de secretaris.
|
||||
|
||||
### Artikel 243
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De betrokkene kan in beroep komen tegen een door het instellingsbestuur genomen besluit inhoudende:
|
||||
|
||||
a. ontzegging van de toegang tot de instelling;
|
||||
b. oplegging van een straf;
|
||||
c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of het tijdvak waarvoor hij is benoemd, is verstreken;
|
||||
d. schorsing;
|
||||
e. het direct of indirect onthouden van promotie;
|
||||
f. de beslissing van het instellingsbestuur ten aanzien van een personeelslid op basis waarvan op termijn opheffing van zijn betrekking kan plaatsvinden;
|
||||
g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
|
||||
h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift, die op termijn kan leiden tot ontslag of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
|
||||
i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een betrokkene werkzaamheden zal verrichten.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, de betrokkene voor het verstrijken van de beroepstermijn is overleden, kunnen in beroep komen zijn nagelaten betrekkingen die recht hebben op een uitkering bij overlijden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De appellant dient bij de voorzitter van de commissie een door hem of door zijn raadsman ondertekend beroepschrift in, waarbij wordt gevoegd:
|
||||
|
||||
a. een afschrift van het bestuursbesluit waartegen het beroep wordt ingesteld;
|
||||
b. een afschrift van de akte van benoeming;
|
||||
c. afschriften van de voornaamste op de zaak betrekking hebbende stukken.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het beroepschrift bevat:
|
||||
|
||||
a. een opgave van de naam, de voornamen en het adres van de appellant en zo nodig de gekozen woonplaats ten aanzien van de procedure;
|
||||
b. een zo volledig mogelijke aanduiding van de naam en het adres van de tegenpartij;
|
||||
c. een mededeling van de vordering en de gronden waarop deze berust.
|
||||
|
||||
**5.** Het beroepschrift moet worden ingediend bij de voorzitter van de commissie binnen 6 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursbesluit waartegen het beroep wordt ingesteld, aan appellant is verzonden.
|
||||
|
||||
**6.** Indien het beroepschrift niet voldoet aan de eisen gesteld in het tweede en derde lid van dit artikel, wijst de voorzitter de appellant op het gepleegde verzuim en nodigt hem uit binnen 2 weken een hersteld beroepschrift in te zenden.
|
||||
|
||||
### Artikel 244
|
||||
|
||||
**1.** Indien het geschil kennelijk bij een andere commissie moet worden aangebracht, deelt de voorzitter dit onverwijld bij aangetekende brief aan de appellant mee. Over andere gevallen van onbevoegdheid beslist de commissie.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het beroepschrift na de daarvoor gestelde termijn is ingediend, laat de commissie niet-ontvankelijk verklaring op die grond achterwege, indien de appellant aantoont dat hij de voorziening in beroep heeft gevraagd zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
|
||||
|
||||
**3.** Tenzij de behandeling in het eerste en tweede lid er toe leidt het beroepschrift niet in behandeling te nemen, zendt de voorzitter onmiddellijk na ontvangst van het beroepschrift of hersteld beroepschrift een exemplaar daarvan, vergezeld van de in artikel 243, derde lid, genoemde afschriften, aan het betrokken instellingsbestuur.
|
||||
|
||||
### Artikel 245
|
||||
|
||||
**1.** Binnen twee weken na ontvangst van het door de voorzitter van de commissie toegezonden beroepschrift en de daarbij behorende afschriften doet het instellingsbestuur de voorzitter een verweerschrift in drievoud toekomen. Bij elk exemplaar voegt het instellingsbestuur afschriften van de voornaamste op de zaak betrekking hebbende stukken. De voorzitter kan op tijdig verzoek van het instellingsbestuur de termijn voor verweer in uitzonderlijke gevallen verlengen tot een door hem te bepalen datum.
|
||||
|
||||
**2.** Na ontvangst van het verweerschrift zendt de voorzitter onverwijld een exemplaar daarvan, vergezeld van de daarbij behorende afschriften, aan de appellant.
|
||||
|
||||
### Artikel 246
|
||||
|
||||
**1.** De voorzitter bepaalt de dag en het uur waarop de zaak zal worden behandeld.
|
||||
|
||||
**2.** Die dag zal niet later mogen worden gesteld dan zes weken na ontvangst van het beroepschrift of het hersteld beroepschrift, tenzij de betrokkene zulks verzoekt wegens niet tijdige ontvangst. Overschrijding van deze termijn wordt alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan en dient te worden gemotiveerd.
|
||||
|
||||
**3.** De voorzitter geeft binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift of van het hersteld beroepschrift aan beide partijen per aangetekende brief kennis van de plaats, de dag en het uur, waarop de zaak zal worden behandeld. Overschrijding van deze termijn is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan en dient te worden gemotiveerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 247
|
||||
|
||||
Met eenstemmig goedvinden van de commissie en partijen kan de behandeling van het geschil ook schriftelijk geschieden.
|
||||
|
||||
### Artikel 248
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de aanvang van de behandeling van de zaak op de zitting kan op verzoek van een partij een lid van de commissie worden gewraakt:
|
||||
|
||||
a. indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft;
|
||||
b. indien hij aan de appellant, dan wel aan een van de leden van het bij de zaak betrokken instellingsbestuur in bloed- of aanverwantschap bestaat tot in de vierde graad ingesloten;
|
||||
c. indien hij een advies in de zaak heeft gegeven of met een van de partijen een bespreking erover heeft gevoerd;
|
||||
d. indien er een hoge graad van vijandschap of vriendschap bestaat tussen hem en een van de partijen;
|
||||
e. indien hij binnen een tijdvak van vijf jaren, voorafgaande aan de datum van ontvangst van het beroepschrift door de voorzitter, lid is geweest van het instellingsbestuur of in dienst van het bestuur is geweest;
|
||||
f. in andere gevallen waarin daartoe een ernstige reden aanwezig is.
|
||||
|
||||
**2.** In dezelfde gevallen kan een lid van de commissie zich verschonen.
|
||||
|
||||
**3.** Over de wraking of de verschoning wordt zo spoedig mogelijk beslist door de overige leden der commissie.
|
||||
|
||||
**4.** Bij staking van stemmen wordt de wraking geacht te zijn toegewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 249
|
||||
|
||||
Indien de commissie zulks ter beslissing van de zaak nodig acht, kan zij al dan niet op grond van een daartoe strekkend verzoek van een partij getuigen en deskundigen ter zitting horen. Indien zij van deze bevoegdheid gebruik maakt, doet de voorzitter hiervan vooraf mededeling aan partijen.
|
||||
|
||||
### Artikel 250
|
||||
|
||||
**1.** De zittingen van de commissie zijn openbaar.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een partij daarom verzoekt, vindt de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren plaats.
|
||||
|
||||
**3.** In het belang van de openbare orde of zedelijkheid of om gewichtige in het proces-verbaal van de zitting te vermelden redenen, kan de commissie bepalen, dat de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren zal plaatshebben.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Tijdens de zitting wordt aan partijen de gelegenheid gegeven:
|
||||
|
||||
a. haar belangen voor te dragen of te doen voordragen;
|
||||
b. getuigen en deskundigen te doen horen;
|
||||
c. kennis te nemen van alle op het geschil betrekking hebbende stukken, waarvan, voor zover mogelijk, ten minste 1 week voor de zitting aan partijen inzage wordt gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 251
|
||||
|
||||
**1.** Binnen 2 weken na de laatste zitting waarop de zaak is behandeld, beslist de commissie op het beroepschrift.
|
||||
|
||||
**2.** Deze dag zal niet later mogen worden gesteld dan 16 weken na de indiening van het beroepschrift of het hersteld beroepschrift. Overschrijding van deze termijn is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan en wordt in de beslissing gemotiveerd.
|
||||
|
||||
**3.** De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt zoveel mogelijk genomen in een voltallige vergadering. Het is de leden van de commissie niet toegestaan de gevoelens die tijdens deze vergadering over het geschil zijn geuit, te openbaren.
|
||||
|
||||
**4.** Een beslissing is slechts van kracht, indien genomen door ten minste 3 leden die de zaak hebben behandeld, waaronder de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, met dien verstande dat van de leden of plaatsvervangende leden, gekozen door de besturen en door het personeel, een gelijk getal van beide zijden aan de beslissing zal deelnemen en dat bij ongelijk getal het jongste lid in leeftijd van de zijde die het sterkst is vertegenwoordigd, zich van de stemming zal onthouden. De overige leden onthouden zich niet van stemmen, noch stemmen zij blanco.
|
||||
|
||||
**5.** De beslissing wordt met redenen omkleed en door de voorzitter binnen 2 weken, nadat zij is genomen, bij aangetekend schrijven aan de partij toegezonden.
|
||||
|
||||
**6.** De voorzitter zendt een afschrift van de beslissing naar Onze Minister.
|
||||
|
||||
**7.** Het instellingsbestuur onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.
|
||||
|
||||
### Artikel 252
|
||||
|
||||
De kosten van de commissie komen ten laste van de bij haar aangesloten instellingsbesturen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Georganiseerd overleg bij instellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 253
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. overlegorgaan: een overlegorgaan als bedoeld in artikel 254;
|
||||
b. Sectorcommissie Onderwijspersoneel: de commissie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Overlegbesluit onderwijspersoneel.
|
||||
|
||||
### Artikel 254
|
||||
|
||||
**1.** Ten behoeve van de van één bevoegd gezag uitgaande gezamenlijke instellingen die behoren tot eenzelfde categorie als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, is er een orgaan van georganiseerd overleg.
|
||||
|
||||
**2.** Bevoegde gezagsorganen kunnen besluiten dat over bepaalde zaken die meer dan één orgaan van georganiseerd overleg aan eenzelfde categorie van instellingen aangaan, overleg wordt gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan.
|
||||
|
||||
**3.** Indien over een bepaalde zaak overleg is gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan kan hierover geen overleg meer worden gevoerd in de desbetreffende afzonderlijke organen.
|
||||
|
||||
**4.** Een bevoegd gezag kan in overleg met het orgaan, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid besluiten dat het overleg over alle zaken die een of een aantal instellingen als bedoeld in het eerste lid aangaan, wordt gevoerd in deelorganen.
|
||||
|
||||
**5.** Bevoegde gezagsorganen kunnen in afwijking van het eerste lid besluiten dat in plaats van een overlegorgaan bij elk bevoegd gezag het overleg over alle zaken wordt gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan. Dit overkoepelend overleg kan verschillende categorieën van instellingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, betreffen.
|
||||
|
||||
**6.** Bevoegde gezagsorganen kunnen in afwijking van het tweede lid besluiten dat over de zaken, genoemd in artikel 257, eerste lid, in een overkoepelend overlegorgaan overleg wordt gevoerd dat verschillende categorieën van instellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, kan betreffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 255
|
||||
|
||||
**1.** In een overlegorgaan als bedoeld in artikel 254, eerste lid, wordt het personeel vertegenwoordigd door vertegenwoordigers van de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales.
|
||||
|
||||
**2.** Overlegorganen als bedoeld in artikel 254, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, bestaan uit vertegenwoordigers van de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales en uit vertegenwoordigers aangewezen door de desbetreffende bevoegde gezagsorganen.
|
||||
|
||||
### Artikel 256
|
||||
|
||||
**1.** In een overlegorgaan wordt overleg gevoerd over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de instelling of de instellingen met inbegrip van de bijzondere regels volgens welke het personeelsbeleid bij de instelling of de instellingen zal worden gevoerd alsmede over een reglement voor het overleg.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van aangelegenheden waarover overleg is gevoerd met de Sectorcommissie Onderwijspersoneel of de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid alsmede ten aanzien van aangelegenheden waarin het bevoegd gezag toepassing geeft aan een ter zake van die aangelegenheid overeengekomen regeling tussen de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales en de vereniging van instellingsbesturen waarbij het bevoegd gezag is aangesloten.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag dan wel de bevoegde gezagsorganen en de vertegenwoordigers van het personeel in het overlegorgaan kunnen gezamenlijk besluiten dat het overleg over de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden, voor zover dit betrekking heeft op een of meer door het bevoegd gezag in stand gehouden instellingen, wordt gevoerd met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 van de desbetreffende instelling of instellingen. Artikel 258, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag en de vertegenwoordigers van het personeel bepalen daarbij onder welke voorwaarden dat overleg wordt gevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 257
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 256, eerste lid, wordt in een overlegorgaan overleg gevoerd over de arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van:
|
||||
|
||||
a. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een onderwijsachterstandenplan of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in artikel 166, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 153, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 268, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en
|
||||
b. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een plan inzake onderwijs in allochtone levende talen of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 157, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 272, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Het overleg, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een zodanig tijdstip dat een in een overlegorgaan vertegenwoordigd bevoegd gezag in staat is de uitkomsten daarvan onderdeel te maken van het op overeenstemming gericht overleg dat het voert met de betrokken gemeenteraad voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van een plan of het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.
|
||||
|
||||
### Artikel 258
|
||||
|
||||
Over zaken die behoren tot de competentie van het overlegorgaan, wordt overleg gevoerd dat is gericht op het bereiken van overeenstemming. Indien zulks bij wet of bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van een onderwerp is bepaald, neemt het bevoegd gezag uitsluitend een besluit indien daarover overeenstemming is bereikt. Het bevoegd gezag dan wel de door de bevoegde gezagsorganen aangewezen vertegenwoordigers enerzijds en de vertegenwoordigers van de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales als bedoeld in artikel 255 anderzijds bepalen voor alle overlegorganen in onderling overleg wat wordt verstaan onder overeenstemming. Zolang zulks niet is bepaald, wordt in het desbetreffende overlegorgaan onder overeenstemming verstaan het geval waarin het bevoegd gezag dan wel de door de bevoegde gezagsorganen aangewezen vertegenwoordigers enerzijds en de vertegenwoordigers in dat overlegorgaan van alle tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales anderzijds instemmen met de uitkomst van het overleg, over een bepaald onderwerp.
|
||||
|
||||
### Artikel 259
|
||||
|
||||
**1.** Indien één of meer personeelsvertegenwoordigers over een zaak, die behoort tot de competentie van het overlegorgaan, tot het oordeel komen dat het overleg daarover niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, kunnen zij dat oordeel binnen drie dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven schriftelijk ter kennis brengen van de overige deelnemers aan het overleg.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter van het orgaan een overlegvergadering uit. De vergadering wordt gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
|
||||
|
||||
**3.** In het overlegorgaan wordt dan alsnog bezien of een uitkomst van het overleg mogelijk is, die de instemming van alle deelnemers aan het overleg heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 260
|
||||
|
||||
**1.** Elk der personeelsvertegenwoordigers is bevoegd binnen vijf dagen nadat in de overlegvergadering, bedoeld in artikel 259, tweede lid, is geconstateerd dat geen overeenstemming als bedoeld in artikel 258 kan worden bereikt over een door of namens het bevoegd gezag aan het overleg voorgelegd beleidsvoornemen, het geschil voor te leggen aan de geschillencommissie, bedoeld in artikel 38 van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 38 van de Wet op de expertisecentra of 158 van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarbij de instelling is aangesloten. De desbetreffende personeelsvertegenwoordiger stelt het bevoegd gezag onverwijld in kennis van het voorleggen van een geschil als bedoeld in de vorige volzin. Indien alle personeelsvertegenwoordigers tijdens het overleg, bedoeld in artikel 258, hebben verklaard af te zien van hernieuwd overleg als aangegeven in artikel 259, kan de in de eerste volzin aangegeven bevoegdheid door elk der personeelsvertegenwoordigers worden uitgeoefend binnen vijf dagen nadat in het in artikel 258 bedoelde overleg is geconstateerd dat een overeenstemming kan worden bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** De commissie doet uitspraak binnen 30 dagen nadat het geschil aan haar is voorgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 261
|
||||
|
||||
**1.** Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de bijzondere instelling ten grondslag ligt, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan dat een overlegorgaan bestaat uit vertegenwoordigers van het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorganen en de vertegenwoordigers van de naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komende personeelsorganisaties. Onze Minister kan bij het verlenen van toestemming nadere voorzieningen treffen voor de toepassing van dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag toont bij zijn verzoek aan dat dit wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van het personeel van de instelling.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister trekt de toestemming in indien het verzoek niet langer wordt ondersteund door twee derden van het personeel van de instelling.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen, wijziging van andere besluiten, slotbepalingen en citeertitel
|
||||
|
||||
### Titel 1. Algemeen overgangsrecht salarissen
|
||||
|
|
@ -1501,11 +2799,25 @@ b. wiens salaris op 31 juli van enig schooljaar werd vastgesteld op het een na h
|
|||
|
||||
### Artikel 262a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Voor de betrokkene die op of na 1 augustus 2000 wordt benoemd en voor wie vóór die datum een salaris is vastgesteld op grond van artikel 100, zoals dat luidde op 31 juli 2000, wordt laatstbedoeld salaris voor de toepassing van de artikelen 89 tot en met 93 buiten beschouwing gelaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 263
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 90 wordt ten aanzien van de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. die op of na 1 augustus 1997 wordt benoemd aan een instelling als bedoeld in artikel 1 onderdeel d, onder 1° of 2°, in een functie als bedoeld in titel 12 of 13 van hoofdstuk 1,
|
||||
b. wiens vorige onderwijsfunctie, bedoeld in artikel 90, een functie is als bedoeld in titel 12 van hoofdstuk 1, en
|
||||
c. die in de vorige onderwijsfunctie, bedoeld in artikel 90 een toeslag begininkomens genoot ingevolge de artikelen I-P23 tot en met I-P26 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals die artikelen op 31 juli 1997 luidden,
|
||||
|
||||
het in de vorige onderwijsfunctie genoten salaris verhoogd met de onder c bedoelde toeslag.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van het salaris en de toeslag begininkomens behorende bij een normbetrekking.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het in het eerste lid bepaalde bedrag niet voorkomt in het vanaf 1 augustus 1997 geldende carrièrepatroon behorende bij de op 31 juli 1997 vervulde onderwijsfunctie respectievelijk de vorige onderwijsfunctie, bedoeld in artikel 90, wordt de uitkomst van het eerste lid bepaald op het naasthogere bedrag in dat carrièrepatroon.
|
||||
|
||||
**4.** Van 1 augustus 1997 tot 1 augustus 1998 is artikel V-P12 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals dat artikel op 1 augustus 1997 luidde, niet van toepassing op de betrokkene voor wie ingevolge artikel 263 het salaris in de vorige onderwijsfunctie wordt vastgesteld overeenkomstig een van de tabellen, opgenomen in bijlage 1H.
|
||||
|
||||
### Artikel 264
|
||||
|
||||
|
|
@ -1689,6 +3001,16 @@ b. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar een salaris overeenkomstig het vo
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4. Overgangsrecht leraren speciale scholen voor basisonderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 277
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die werkzaam is in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 aan een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht indien hij werkzaam blijft aan genoemde school nadat de afdeling ervan is omgevormd tot of samengevoegd met een school voor voortgezet onderwijs. De aanspraak blijft voorts behouden indien de betrokkene uit hoofde van zijn benoeming werkzaamheden gaat verrichten ten behoeve van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak op bezoldiging geldt als bedoeld in artikel 147 of een salarisuitzicht als bedoeld in artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt die aanspraak, onderscheidenlijk dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het tot stand brengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 228). De aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. Indien de betrokkene uit deze functie ontslag wordt verleend, wordt hij voor de toepassing van artikel 276 in deze functie geacht benoemd te zijn gebleven in de functie die hij vervulde voordat hij in eerstgenoemde functie werd benoemd.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs aan een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 13 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het tweede of derde lid, behoudt die aanspraak of garantie indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het tweede lid, tweede en derde volzin, en het derde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Overgangsrecht formatie en salariëring onderwijsondersteunend en beheerspersoneel
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Algemeen
|
||||
|
|
@ -1701,7 +3023,14 @@ b. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar een salaris overeenkomstig het vo
|
|||
|
||||
### Artikel 279
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De betrokkene die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 en die op 1 januari 2000 in diezelfde functie blijft benoemd, heeft met ingang van 1 januari 2000 aanspraak op een salaris bij het op hem van toepassing zijnde salarisnummer als bedoeld in bijlage S13 zoals deze gold op die datum indien hij op 31 december 1999 voldeed aan een van de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. hij werd voor het tweede, derde of vierde achtereenvolgende jaar bezoldigd naar het bij zijn functie behorende maximumsalaris in schaal 1, 2, 3, 4 of 5, of
|
||||
b. hij werd bezoldigd naar een bedrag vermeld achter een salarisnummer beginnend met de letter U.
|
||||
|
||||
**2.** Van de betrokkene die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 en die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk 14 van titel 1 of in een functie als bedoeld in titel 12 of 13 van hoofdstuk 1, wordt ten behoeve van de vaststelling van het salaris in de nieuwe functie het in die vorige onderwijsfunctie genoten salaris vastgesteld zoals het zou zijn vastgesteld op grond van het eerste lid, indien op 31 december 1999 is voldaan aan een van de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b. De eerste volzin is niet van toepassing op de betrokkene die wordt benoemd in een functie als bedoeld in artikel 91, tweede lid.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Instellingen voor basisonderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -1721,78 +3050,150 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4. Speciale scholen voor basisonderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 282
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in artikel II van het besluit van 30 november 1993 (Stb. 696), behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het tot stand brengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 228). Deze aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in titel 14 van hoofdstuk 1 ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak geldt als bedoeld in het eerste lid, behoudt die aanspraak indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 5. Wijziging van andere besluiten
|
||||
|
||||
### Artikel 283
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijspersoneel.
|
||||
|
||||
### Artikel 284
|
||||
|
||||
Wijzigt het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw.
|
||||
|
||||
### Artikel 285
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel.
|
||||
|
||||
### Artikel 286
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO.
|
||||
|
||||
### Artikel 287
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit van 8 oktober 1991, houdende vaststelling van regeling betaling IZK bij onderwijsinstellingen (gewijzigde betaalmaanden Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982) (Stb. 514).
|
||||
|
||||
### Artikel 288
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.
|
||||
|
||||
### Artikel 289
|
||||
|
||||
Wijzigt het Formatiebesluit W.V.O..
|
||||
|
||||
### Artikel 290
|
||||
|
||||
Wijzigt het Formatiebesluit WEC.
|
||||
|
||||
### Artikel 291
|
||||
|
||||
Wijzigt het Formatiebesluit WPO.
|
||||
|
||||
### Artikel 292
|
||||
|
||||
Wijzigt het Overlegbesluit onderwijspersoneel.
|
||||
|
||||
### Artikel 293
|
||||
|
||||
Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit 1989.
|
||||
|
||||
### Artikel 294
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit van 16 december 1997, houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit verplicht-verzekerden Ziekenfondswet in verband met het onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel (Stb. 715).
|
||||
|
||||
### Titel 6. Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel
|
||||
|
||||
### Artikel 295
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 295a
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 101 en 107 zijn van toepassing op het tijdvak vanaf 1 januari 2000 en artikel 106 is van toepassing op het tijdvak vanaf 1 augustus 2001.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2000 wordt artikel 107, eerste lid, van dit besluit gelezen als: Het bevoegd gezag kan uitsluitend ten laste van eigen middelen met inachtneming van de in of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gegeven normering en beperkingen aan de betrokkenen uitkeringen verstrekken, verstrekkingen doen, vergoedingen toekennen, geschenken geven en zaken ter beschikking stellen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder h, j, l, n, q tot en met w, en artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals die artikelen luidden in het kalenderjaar 2000. Onverminderd de eerste volzin, kan het bevoegd gezag aan de betrokkene zaken verstrekken of ter beschikking stellen voor zover de waarde ervan is bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 13, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde in het kalenderjaar 2000.
|
||||
|
||||
**3.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2000 wordt artikel 107, tweede lid, van dit besluit gelezen als: Het bevoegd gezag kan met inachtneming van de in of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gegeven normering en beperkingen aan de betrokkene toekennen vergoedingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder u, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde in het kalenderjaar 2000, voor het totaal aantal uren dat de betrokkene meer gewerkt heeft of voor het deel waarvoor de betrokkene afziet van een of meer aanspraken als bedoeld in het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**4.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2001 worden de verwijzingen naar de Wet op de loonbelasting 1964 in artikel 107, eerste lid, van dit besluit aangevuld met artikel 11, eerste lid, onder r en s, en artikel 31, tweede lid, onder g, zoals die wetsartikelen luidden in het kalenderjaar 2001.
|
||||
|
||||
**5.** Ten aanzien van het kalenderjaar 2002 worden de verwijzingen naar de Wet op de loonbelasting 1964 in artikel 107, eerste lid, van dit besluit aangevuld met artikel 11, eerste lid, onder r, en artikel 31, tweede lid, onder g, zoals die wetsartikelen luidden in het kalenderjaar 2002.
|
||||
Het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel wordt ingetrokken, met dien verstande dat het met de regelingen die op dat besluit berustten, van toepassing blijft voor het tijdvak waarvoor het gelding had, voor zover daarin geen wijziging zal worden aangebracht via het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
|
||||
|
||||
### Artikel 296
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit berusten ministeriële regelingen die betrekking hebben op de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en die zijn gebaseerd op artikelen van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, op de desbetreffende vernummerde artikelen van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 297
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1A. Salarisschalen met salarisnummers en maandbedragen behorende bij een normbetrekking
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 1B. Maandsalarissen voor jeugdigen met salarisnummers behorende bij een normbetrekking, bedoeld in artikel 94 van dit besluit
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 1C. Maximumsalarisbedragen per maand bij een normbetrekking, bedoeld in de
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 1D. Begintrajecten met salarisbedragen bij normbetrekking per maand voor de salarisvaststelling van functies als bedoeld in
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 1F. Bevattende aanlooptraject voor functies in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995, bedoeld in
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 1G. Maandsalaris voor de salarisvaststelling van de functie leraar in opleiding (LIO)
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het salaris van de leraar in opleiding die is benoemd of aangesteld aan een:
|
||||
|
||||
– basisschool bedraagt bij een normbetrekking 1003,18 euro;
|
||||
|
||||
– speciale school voor basisonderwijs, aan een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel aan een school of instelling voor speciaal en voortgezet onderwijs, bedraagt bij een normbetrekking 1040,75 euro.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1H. Tabellen waarmee het laatstgenoten salaris wordt vastgesteld voor betrokkenen die voor 1-1-00 voor het laatst in het primair onderwijs werkzaam zijn geweest. Zie voor meer informatie publicatie PO/PJ-15 363 (Salarisvaststelling herintreders) van 29 mei 1998, gepubliceerd in Gele katern van Uitleg nr. 15
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
## Bijlage 2. Toelagen en kortingen
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**Onderdeel 1: Minimumloon** per maand bij een normbetrekking, bedoeld in artikel 98 van dit besluit.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Onderdeel 2: Minimum vakantie-uitkering** per maand bij een normbetrekking, bedoeld in artikel 75, derde lid, van dit besluit.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Onderdeel 3: E.H.B.O-toelage,** bedoeld in artikel 115 van dit besluit: 8,26 euro per maand.
|
||||
|
||||
**Onderdeel 4: Toelagen schoolleiding basisscholen,** bedoeld in artikel 140, eerste lid, van dit besluit
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**Onderdeel 5:** toelage, bedoeld in artikel 140, tweede en derde lid, van dit besluit 96,20 euro per maand, met uitzondering van de toelage voor de adjunct directeur met een maximumschaal 9 (y ≥ 200 leerlingen) waarvoor de toelage gerekend vanaf 1 januari 2001 rekeninghoudend met loonpeil 1 maart 2001 98,47 euro per maand bedraagt.
|
||||
|
||||
**Onderdeel 6: Uitlooptoeslag** per maand bij een normbetrekking, bedoeld in artikel 273 van dit besluit.
|
||||
|
||||
## Bijlage 3. Bevattende bedragen met betrekking tot de tegemoetkoming in de verhuiskosten en enkele andere bedragen zoals aangegeven in
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
## Bijlage 4. Overzicht tegemoetkoming reiskosten per maand, bedoeld in de
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 5. Percentages wegens genot van verstrekkingen aangevuld met maximum inhoudingsbedragen, bedoeld in
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
## Bijlage 12-1. bij
|
||||
|
||||
Taakkarakteristiek normfuncties directie basisonderwijs
|
||||
|
|
@ -1841,8 +3242,10 @@ Voor een leraar aan een speciale school voor basisonderwijs geldt maximumschaal
|
|||
|
||||
## Bijlage 13-2. bij
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Taakkarakteristiek normfunctie leraar speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (schaal 10)
|
||||
|
||||
De functie van leraar omvat:
|
||||
|
||||
## Bijlage 14-1. bij
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Normfuncties, taakkarakteristieken, benoemingsvereisten en maximumschalen bij scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs en instellingen voor basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als aangegeven in paragraaf 3 van titel 14 van hoofdstuk 1.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue