From e2484b311f7bc10658567d99d972bacdf496599d Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 1 Aug 2006 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2006-08-01 | BWBR0002399 | Wet op het voortgezet onderwijs --- .../BWBR0002399/README.md | 560 ++++++++++-------- 1 file changed, 317 insertions(+), 243 deletions(-) diff --git a/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md b/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md index 0dcee3ad8f0..8c760afb142 100644 --- a/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md +++ b/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet op het voortgezet onderwijs bwb_id: BWBR0002399 type: wet status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2003-08-01' +datum_inwerkingtreding: '2006-08-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0002399 citeertitel: Wet op het voortgezet onderwijs --- @@ -50,8 +50,6 @@ b. een bijzondere school: het schoolbestuur; «contractactiviteiten»: activiteiten als bedoeld in artikel 20, tweede lid; -«de basisvorming in het voortgezet onderwijs»: het onderwijs, bedoeld in de artikelen 11a tot en met 11e; - «personeel»: a. de benoemde rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of leraar, en overig personeel benoemd in een andere functie dan het geven van onderwijs; @@ -59,7 +57,9 @@ b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld, tenzij «nascholing»: een vorm van scholing, gegeven aan leden van het personeel om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend op de in de initiële opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te verdiepen en uit te breiden; -«leerlinggebonden budget»: een leerlinggebonden budget voor een leerling als bedoeld in artikel 77a. +«leerlinggebonden budget»: een leerlinggebonden budget voor een leerling als bedoeld in artikel 77a; + +«kerndoelen»: de op grond van artikel 11b vastgestelde na te streven inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, bedoeld in artikel 11c, gericht op het verwerven door leerlingen van kennis, inzicht en vaardigheden. ### Artikel 2 @@ -130,37 +130,25 @@ Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen die in verband met ziekte t Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal. +### Artikel 6d + +Onderwijs in lichamelijke opvoeding, bestaande uit praktische bewegingsactiviteiten, wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs. Dit onderwijs vindt plaats gespreid over de schoolweken, en in zodanige substantiële omvang en schooltijd dat wordt voldaan aan de eisen op het gebied van kwaliteit, intensiteit en variëteit van de bewegingsactiviteiten neergelegd in kerndoelen en examenprogramma’s. Daarbij wordt uitgegaan van de situatie zoals die op 1 augustus 2005 voor het bewegingsonderwijs gold. In afwijking van de tweede volzin geldt voor het laatste leerjaar het voorschrift, dat het onderwijs in het eindexamenvak lichamelijke opvoeding niet eerder mag worden afgesloten dan in de maand december. + ### Artikel 7 **1.** Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs wordt gegeven aan gymnasia, athenea en lycea, elk met een cursusduur van zes jaren. **2.** Aan de gymnasia wordt in elk geval onderwijs verzorgd in Latijnse taal en letterkunde en Griekse taal en letterkunde. -**3.** - -Het onderwijs aan de gymnasia en athenea omvat: - -a. de in artikel 11a bedoelde periode van basisvorming, en -b. de in artikel 12 bedoelde periode van voorbereidend hoger onderwijs. - -**4.** Elke school die een gymnasium en een atheneum omvat, is een lyceum. Van een lyceum is ten minste het eerste leerjaar gemeenschappelijk. +**3.** Elke school die een gymnasium en een atheneum omvat, is een lyceum. Van een lyceum is ten minste het eerste leerjaar gemeenschappelijk. ### Artikel 8 -**1.** - Hoger algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven: a. aan scholen met een cursusduur van vijf jaren; b. aan afdelingen van athenea, lycea en scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. Deze hebben een cursusduur van twee jaren en vangen aan na drie jaren voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of na vier jaren middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. -**2.** - -Het onderwijs aan deze scholen en afdelingen omvat: - -a. de in artikel 11a bedoelde periode van basisvorming, en -b. de in artikel 12 bedoelde periode van voorbereidend hoger onderwijs. - ### Artikel 9 Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs dan wel op hoger algemeen voortgezet onderwijs, en dat mede algemene vorming omvat. Het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van vier jaren. @@ -171,7 +159,7 @@ Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter v **2.** -De theoretische leerweg omvat een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op: +De theoretische leerweg omvat een door het bevoegd gezag in te richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste 1000 uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma is gericht op: a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs, en @@ -179,7 +167,7 @@ c. een voorbereiding op het hoger algemeen voortgezet onderwijs. **3.** -Het onderwijs in de theoretische leerweg kan met ingang van het derde leerjaar worden gegeven, en wordt uiterlijk met ingang van het vierde leerjaar gegeven in de volgende sectoren: +Het onderwijs in de theoretische leerweg wordt met ingang van het derde leerjaar gegeven in de volgende sectoren: a. techniek, b. zorg en welzijn, @@ -215,7 +203,7 @@ c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onder **8.** Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel b, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd. -**9.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft. +**9.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft. **10.** De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. @@ -229,14 +217,14 @@ Voorbereidend beroepsonderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereidi **2.** -De beroepsgerichte leerwegen omvatten een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op: +De beroepsgerichte leerwegen omvatten een door het bevoegd gezag in te richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste 1000 uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma is gericht op: a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, en b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs. **3.** -Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen kan met ingang van het derde leerjaar worden gegeven, en wordt uiterlijk met ingang van het vierde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren: +Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen wordt met ingang van het derde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren: a. techniek, b. zorg en welzijn, @@ -279,7 +267,7 @@ Bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld: a. de afdelingsvakken en intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, b. voorschriften met betrekking tot intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, met inbegrip van voorschriften waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder kan worden afgeweken van het eerste lid, en -c. voorschriften omtrent de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. +c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft. @@ -400,14 +388,14 @@ landbouw en natuurlijke omgeving. **2.** -De gemengde leerweg omvat een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op: +De gemengde leerweg omvat een door het bevoegd gezag in te richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste 1000 uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma is gericht op: a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, en b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs. **3.** -Het onderwijs in de gemengde leerweg kan met ingang van het derde leerjaar worden gegeven, en wordt uiterlijk met ingang van het vierde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren: +Het onderwijs in de gemengde leerweg wordt met ingang van het derde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren: a. techniek, b. zorg en welzijn, @@ -450,7 +438,7 @@ Bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld: a. de afdelingsvakken en intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, b. voorschriften met betrekking tot intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, en -c. voorschriften omtrent de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. +c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft. @@ -481,9 +469,9 @@ Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie vaststaat dat a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, en b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, niet leidt tot het behalen van een diploma of een getuigschrift voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 29. -**3.** Praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd, en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Praktijkonderwijs wordt zodanig ingericht dat de kerndoelen van de basisvorming zo veel mogelijk kunnen worden bereikt. Praktijkonderwijs bereidt de leerling voor op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een niveau dat ligt onder het niveau van de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. +**3.** Praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd, en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Praktijkonderwijs wordt zo veel mogelijk op basis van de kerndoelen verzorgd. Praktijkonderwijs bereidt de leerling voor op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een niveau dat ligt onder het niveau van de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. -**3a.** In afwijking van artikel 11c, eerste lid, wordt het praktijkonderwijs zodanig ingericht dat de leerlingen per schooljaar ten minste 1000 klokuren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen ontvangen per dag ten hoogste 5,5 klokuren praktijkonderwijs, voor zover het betreft aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden. +**3a.** Wat betreft de eerste twee leerjaren wordt het praktijkonderwijs zodanig ingericht dat de leerlingen in afwijking van artikel 11c, eerste lid, onder a, per leerjaar ten minste 1000 uren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen ontvangen per dag ten hoogste 5,5 uren praktijkonderwijs, voor zover het betreft aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden. **4.** Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs of van een school met een afdeling voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van de tweede volzin van het derde lid en van lid 3a, indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11c, 22 en 29. @@ -516,7 +504,7 @@ b. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor voortge **9.** De regionale verwijzingscommissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. -**10.** Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is erkend, wordt verbonden aan een regionaal werkzame schoolbegeleidingsdienst in de desbetreffende regio. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze, beoordelingscriteria en subsidie van de regionale verwijzingscommissies, de aan de regionale verwijzingscommissies te leveren gegevens en de wijze waarop de ouders worden geïnformeerd over de aanvragen bij en de beschikkingen en adviezen van de regionale verwijzingscommissies. +**10.** Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is erkend, kan worden verbonden aan rechtspersonen die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en die daartoe door Onze minister zijn aangewezen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze, beoordelingscriteria en subsidie van de regionale verwijzingscommissies, de aan de regionale verwijzingscommissies te leveren gegevens en de wijze waarop de ouders worden geïnformeerd over de aanvragen bij en de beschikkingen en adviezen van de regionale verwijzingscommissies. **11.** De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. @@ -561,88 +549,77 @@ e. de inspectie een positief advies heeft uitgebracht. ### Artikel 11a -**1.** Het onderwijs aan de scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f, vangt aan met een periode van basisvorming. - -**2.** - -De basisvorming in het voortgezet onderwijs omvat, behoudens het bepaalde in artikel 11e, eerste en tweede lid, tenminste de vakken: - -a. Nederlandse taal, Engelse taal, een tweede moderne taal door de leerling te kiezen uit Franse taal en Duitse taal, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, economie, wiskunde, natuur- en scheikunde, biologie, verzorging, informatiekunde, techniek, lichamelijke opvoeding, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist of informatiekunde als apart vak wordt aangeboden dan wel wordt geïntegreerd in andere in dit onderdeel genoemde vakken, en -b. twee vakken te kiezen uit tenminste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, drama of dans; van de in dit onderdeel genoemde vakken kunnen niet uitsluitend de vakken dans te zamen met drama, noch uitsluitend vakken behorende tot de beeldende vorming gegeven worden. - -Onder de Nederlandse taal kan mede worden begrepen de Friese taal. Op de scholen in de provincie Fryslân omvat de basisvorming in het voortgezet onderwijs tevens onderwijs in de Friese taal, tenzij de inspecteur op verzoek van het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk ontheffing van deze verplichting heeft verleend. - -**3.** In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kan de basisvorming in het voorgezet onderwijs in het eerste leerjaar, in plaats van de vakken genoemd in onderdeel b van dat lid, omvatten: een oriëntatie op de vakken muziek, dans, drama en op de vakken behorende tot de beeldende vorming. - -**4.** Ten aanzien van de vakken, genoemd in het tweede lid, eerste volzin, worden, telkens voor een periode van ten hoogste 5 jaar, bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, bevat een adviesurentabel voor de vakken, genoemd in het tweede lid, eerste volzin, die als grondslag dient voor de vaststelling van de kerndoelen. Vaststelling van kerndoelen voor een volgende periode vindt plaats met inachtneming van een evaluatie van de geldende kerndoelen. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. - -**5.** Voor de school geldt de eis dat zij ten minste de kerndoelen, bedoeld in het vierde lid, als aan het eind van de basisvorming te bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. - -**6.** Indien een bevoegd gezag van een bijzondere school dringend bedenkingen heeft tegen de krachtens het vierde lid vastgestelde kerndoelen, kan het bevoegd gezag voor een of meer vakken eigen kerndoelen voor de school vaststellen. Deze kerndoelen zijn van gelijk niveau als de kerndoelen, bedoeld in het vierde lid. Het bevoegd gezag zendt de vastgestelde kerndoelen aan de inspecteur. - -**7.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de vakken die gedurende de periode van basisvorming in combinatie met elkaar gegeven kunnen worden, alsmede omtrent de vakken waarin, naast het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen, bedoeld in het vierde lid, nog onderwijs moet worden verzorgd in de eerste drie leerjaren. De vierde tot en met zesde volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. +Het onderwijs in de eerste twee leerjaren wordt zodanig ingericht dat met behoud van keuzevrijheid de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar een van de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b of 10d of naar het derde leerjaar voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en hoger algemeen voortgezet onderwijs en vervolgens naar de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12. ### Artikel 11b -**1.** De basisvorming in het voortgezet onderwijs beslaat een periode van drie leerjaren. +**1.** -**2.** Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de basisvorming in het voortgezet onderwijs zodanig wordt ingericht dat de kerndoelen, bedoeld in artikel 11a, in drie leerjaren kunnen worden bereikt. +Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld, waarbij aandacht wordt besteed aan aspecten van: -**3.** Het bevoegd gezag kan in de loop van de periode, bedoeld in het eerste lid, met het oog op het belang van leerlingen, de basisvorming in het voortgezet onderwijs zodanig inrichten dat leerlingen de kerndoelen, bedoeld in artikel 11a, in ten minste twee en ten hoogste vier leerjaren kunnen bereiken. +a. Nederlandse taal, +b. Engelse taal, +c. geschiedenis en staatsinrichting, +d. aardrijkskunde, +e. economie, +f. wiskunde, +g. natuur- en scheikunde, +h. biologie, +i. verzorging, +j. informatiekunde, +k. techniek, +l. lichamelijke opvoeding, en +m. beeldende vorming, muziek, drama en dans. + +**2.** De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken. ### Artikel 11c -**1.** Gedurende de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs worden per leerjaar ten minste 1280 lesuren van 50 minuten onderwijs verzorgd. +**1.** -**2.** Gedurende de periode die aan basisvorming wordt besteed, worden, behoudens in geval van toepassing van artikel 11d of het derde lid, per leerjaar tenminste 1000 lesuren van 50 minuten onderwijs verzorgd in de vakken genoemd in artikel 11a, tweede lid. Na het tweede leerjaar kan het bevoegd gezag een lager aantal lesuren hanteren, afhankelijk van de mate waarin een leerling de vakken die de basisvorming omvat, heeft afgesloten. Indien het bevoegd gezag gedurende de eerste twee jaren van de periode van basisvorming naast onderwijs in de vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid, tevens onderwijs in andere vakken, niet zijnde godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, aanbiedt, draagt het er zorg voor dat voor het onderwijs in deze andere vakken uitgangspunten worden gehanteerd in overeenstemming met de kerndoelen bedoeld in artikel 11a. +Het bevoegd gezag richt voor de eerste twee leerjaren een in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma in. Dit programma voldoet aan de volgende voorwaarden: -**3.** Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs kan in het eerste of tweede leerjaar, ter voorbereiding op het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in de artikelen 10, 10b en 10d, een programma verzorgen ter oriëntatie op het onderwijs in de sectoren van die leerwegen. Het in de eerste volzin bedoelde programma omvat niet meer dan 10 procent van het aantal lesuren over de eerste twee leerjaren. +a. het bevoegd gezag werkt de kerndoelen uit voor de verschillende schoolsoorten en verschillende groepen leerlingen, onverminderd de doorstroombevordering met behoud van keuzevrijheid van leerlingen, bedoeld in artikel 11a, +b. het programma omvat per leerjaar ten minste 1040 uren, en +c. in de eerste twee leerjaren worden gezamenlijk ten minste 1425 uren onderwijs verzorgd op basis van de kerndoelen. -**4.** Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs kan, in plaats van het derde lid en met inachtneming van artikel 11e, tweede lid, in het eerste of tweede leerjaar, ter voorbereiding op het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 10b, een programma verzorgen ter oriëntatie op het onderwijs in de sectoren van die leerweg. Het in de eerste volzin bedoelde programma is uitsluitend bestemd voor de leerling die is toegelaten tot het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, en voor wie naar de verwachting van het bevoegd gezag het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg het meest geschikt is. Het programma omvat niet meer dan 20 procent van het aantal lesuren over de eerste twee leerjaren. +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven voor het verzorgen van onderwijs in de eerste twee leerjaren naast het onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen. -**5.** Het onderwijs kan worden verzorgd in een ander aantal minuten per lesuur dan 50. In dat geval dient de totale tijd waarin onderwijs wordt verzorgd niet te dalen beneden die welke is voorgeschreven. +**3.** De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken. + +**4.** Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. ### Artikel 11d -De scholen, bedoeld in artikel 10a, kunnen na het tweede leerjaar voor daarvoor in aanmerking komende leerlingen minder dan 1000 lesuren onderwijs verzorgen in de vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid, en in plaats van deze uren onderwijs verzorgen in op het beroep gerichte vakken. Voorwaarde hiervoor is dat in totaal ten minste 3000 lesuren onderwijs wordt verzorgd in de vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid. +**1.** Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs kan na overleg met de ouders een leerling ontheffing verlenen voor onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onderdeel a. Het bevoegd gezag bepaalt bij de ontheffing welk onderwijs voor de leerling in de plaats komt voor de onderdelen waarvoor ontheffing is verleend. -### Artikel 11e - -**1.** Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a, kan na overleg met de ouders een leerling op individuele basis vrijstelling verlenen voor een van de vakken genoemd in artikel 11a, tweede lid. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welk onderwijs voor de leerling in de plaats komt voor het vak waarvan vrijstelling is verleend. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende vrijstelling en vermeldt de gronden waarop deze vrijstelling berust. De eerste volzin vindt geen toepassing indien ten aanzien van de leerling met toepassing van artikel 11c, vierde lid, een oriënterend programma is vastgesteld. - -**2.** Indien het bevoegd gezag een oriënterend programma als bedoeld in artikel 11c, vierde lid, vaststelt, verleent het de leerling vrijstelling van het vak Franse taal of het vak Duitse taal, genoemd in artikel 11a, tweede lid, onder a. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende vrijstelling. Vaststelling van een oriënterend programma en verlening van vrijstelling als bedoeld in de eerste volzin blijven achterwege indien de leerling reeds met toepassing van artikel 11e, eerste lid, is vrijgesteld voor een van de vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid. - -**3.** De scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a, kunnen ten behoeve van leerlingen die daarvoor in aanmerking komen, bij de inrichting van het onderwijs voor een of meer vakken afwijken van de kerndoelen en van de voorschriften, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, en artikel 22, derde lid, de onderdelen a tot en met d, voor zover deze voorschriften verband houden met het bepaalde in artikel 11a. Het bevoegd gezag bepaalt bij vrijstelling van een of meer vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid, welk onderwijs in de vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid, daarvoor in de plaats komt. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze wordt vastgesteld welke leerlingen in aanmerking komen voor de afwijkingen, bedoeld in dit lid. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. - -### Artikel 11f - -Vervallen - -### Artikel 11g - -**1.** In afwijking van de artikelen 10f, derde lid, tweede volzin, 11a, vijfde lid, 11b, tweede en derde lid, en 11f, tweede lid, beslist het bevoegd gezag welke kerndoelen of onderdelen van kerndoelen, vastgesteld op grond van artikel 11a, vierde lid, het als aan het eind van de basisvorming te bereiken doelstellingen hanteert. - -**2.** In afwijking van artikel 11a, vierde lid, en van artikel 4, derde lid, van het Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming 1998–2003 gelden de kerndoelen die in genoemd besluit zijn vastgelegd, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. +**2.** Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs kan voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen, bij de inrichting van het onderwijs afwijken van een of meer programmaonderdelen of van de voorschriften bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onderdeel a. De laatste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald hoe wordt vastgesteld welke leerlingen in aanmerking komen voor deze afwijkingen. **3.** -In afwijking van de artikelen 11b, tweede en derde lid, 11c, tweede lid, en 11d worden, onverminderd het bepaalde in het vierde lid, ten behoeve van leerlingen in het voortgezet onderwijs in de eerste drie leerjaren gezamenlijk ten minste 2800 lesuren van 50 minuten onderwijs in de vakken genoemd in artikel 11a, tweede lid, met dien verstande dat in die periode: +Voor leerlingen: -a. in elk vak genoemd in artikel 11a, tweede lid, onder a, met uitzondering van informatiekunde, ten minste 80 lesuren van 50 minuten onderwijs worden verzorgd, en -b. in de vakken genoemd in artikel 11a, tweede lid, onder b, gezamenlijk ten minste 160 lesuren van 50 minuten onderwijs worden verzorgd. +a. die leerwegondersteunend onderwijs volgen als bedoeld in artikel 10e, of +b. voor wie het bevoegd gezag het volgen van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 10b1 het meest geschikt acht, verzorgt het bevoegd gezag in de eerste twee leerjaren gezamenlijk ten minste 1425 uren onderwijs op basis van kerndoelen. -**4.** +### Artikel 11e -In afwijking van het derde lid en in afwijking van de artikelen 11b, 11c, tweede lid, 11d en 11e, tweede en derde lid, worden ten behoeve van leerlingen: +**1.** Op scholen in de provincie Fryslân wordt met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen tevens onderwijs gegeven in de Friese taal en cultuur, tenzij Gedeputeerde Staten op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing van deze verplichting hebben verleend. -a. voor wie naar de verwachting van het bevoegd gezag het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, het meest geschikt is, of -b. die leerwegondersteunend onderwijs volgen als bedoeld in artikel 10e, in de eerste twee leerjaren gezamenlijk ten minste 1920 lesuren van 50 minuten onderwijs verzorgd in vakken genoemd in artikel 11a, tweede lid. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld voor de Friese taal en cultuur. -**5.** In afwijking van artikel 11c, vierde lid, behoeft het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs bij toepassing van dat artikellid, artikel 11e, tweede lid, niet in acht te nemen. +**3.** De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken. + +### Artikel 11f + +Op het onderwijs in het derde leerjaar aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en voor hoger algemeen voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing: + +a. artikel 11a, en +b. artikel 11c met uitzondering van het eerste lid, onderdelen a en c. ### Artikel 12 -**1.** Het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat aansluitend op de periode van basisvorming een periode van voorbereidend hoger onderwijs. +**1.** Het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat met ingang van het vierde leerjaar een periode van voorbereidend hoger onderwijs. **2.** @@ -797,10 +774,14 @@ Vervallen De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door: a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien de leerling is opgenomen in een academisch ziekenhuis of -b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 280, artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 165 van de Wet op de expertisecentra indien de leerling is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de leerling in verband met ziekte thuis verblijft. +b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra indien de leerling is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de leerling in verband met ziekte thuis verblijft. **3.** De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen. +**4.** Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin. + +**5.** Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen. + ### Artikel 19 **1.** In een scholengemeenschap zijn tot één school verenigd een school of inrichting in de zin van deze wet en een of meer andere al dan niet in deze wet bedoelde scholen, niet zijnde instellingen van hoger onderwijs. @@ -835,17 +816,12 @@ b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 280, artikel 179 van de W De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan, naast het bepaalde in het tweede lid, slechts voorschriften inhouden omtrent: -a. voor het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, het aantal lessen dat gedurende de cursus in vakken of in groepen van vakken ten minste moet worden verzorgd en het aantal studielessen dat gedurende de cursus ten minste moet worden verzorgd, alsmede voor het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs, het in uren uitgedrukte aantal lessen dat gedurende de cursus in lichamelijke opvoeding ten minste moet worden verzorgd, -b. voor het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs: - -1°. het aantal lessen dat – behoudens godsdienst- of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan bijzondere scholen – gedurende de cursus mag worden besteed aan het onderwijs in andere, door het bevoegd gezag te kiezen vakken, -2°. het aantal lessen dat gedurende de cursus in alle vakken te zamen moet worden verzorgd, met inbegrip van de studielessen, -3°. de duur van de lessen en van de studielessen, en -c. de stage, alsmede de buitenschoolse praktijkcomponent van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 10b1. +a. voor het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs, het in uren uitgedrukte aantal lessen dat gedurende de cursus in lichamelijke opvoeding ten minste moet worden verzorgd, en +b. de stage, alsmede de buitenschoolse praktijkcomponent van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 10b1. ### Artikel 23 -Ten behoeve van de scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en de scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt bij algemene maatregel van bestuur een adviesurentabel vastgesteld voor het aantal lessen dat gedurende de cursus in elk van de vakken genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d of in groepen van die vakken ten minste kan worden verzorgd, en het aantal studielessen dat gedurende de cursus ten minste kan worden verzorgd. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. +Vervallen ### Artikel 23a @@ -867,7 +843,13 @@ Vervallen **3.** Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 32d van de wet. -**4.** Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval op welke wijze het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt gerealiseerd en vaststelt welke maatregelen ter verbetering van de kwaliteit nodig zijn. +**4.** + +Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval: + +a. de wijze waarop het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt gerealiseerd, +b. de wijze waarop het bevoegd gezag vaststelt welke maatregelen ter verbetering van de kwaliteit nodig zijn, en +c. maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. **5.** Onze Minister kan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs of afdelingen daarvan aanwijzen, waarvan de schoolplannen met zijn toestemming mogen afwijken van de in dit artikel gestelde eisen. @@ -882,10 +864,11 @@ a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het onderwijsleerproces 1°. het percentage leerlingen dat doorstroomt naar een hoger leerjaar of een ander soort onderwijs, 2°. het percentage leerlingen dat de school zonder diploma verlaat en het percentage leerlingen dat voor het eindexamen slaagt, b. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt vormgegeven -c. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, +c. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, de inrichting van het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren waarbij wordt aangegeven of sprake is van vakoverstijgende programmaonderdelen en de inzet van het personeel daarbij, d. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 27, tweede lid, waarbij een ontwerp van een overeenkomst voor een dergelijke bijdrage, die voldoet aan de eisen die in artikel 27, tweede lid, zijn geformuleerd, in de schoolgids wordt opgenomen, -e. de rechten en plichten van de ouders, de voogden, de verzorgers, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in artikel 24b, waarbij wat betreft de leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten opgenomen in het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g, en -f. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 24, eerste lid, omschreven bijdragen. +e. de rechten en plichten van de ouders, de voogden, de verzorgers, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in artikel 24b, waarbij wat betreft de leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten opgenomen in het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g, +f. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 24, eerste lid, omschreven bijdragen, en +g. het beleid met betrekking tot de veiligheid. **2.** @@ -1091,11 +1074,11 @@ b. dat de leerling binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen **2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen. -**3.** Indien door de ouders, voogden of verzorgers of, indien de leerling meerderjarig is, door de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan de Informatie Beheer Groep de beschikbare gegevens van de leerling, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats. +**3.** Indien door de ouders, voogden of verzorgers of, indien de leerling meerderjarig is, door de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan de Informatie Beheer Groep de beschikbare gegevens van de leerling, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer. **4.** De Informatie Beheer Groep verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het sociaal-fiscaalnummer van de leerling, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een sociaal-fiscaalnummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de leerling. Het onderwijsnummer is een door de Informatie Beheer Groep uitgegeven en aan de leerling toegekend persoonsgebonden nummer. -**5.** Het bevoegd gezag neemt de in het eerste lid bedoelde gegevens op in de leerlingenadministratie van de school. +**5.** Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de leerlingenadministratie van de school. **6.** Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn sociaal-fiscaalnummer, neemt het bevoegd gezag dit sociaal-fiscaalnummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de leerlingenadministratie van de school in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep onder opgave van het sociaal-fiscaalnummer en het onderwijsnummer van de leerling. @@ -1172,17 +1155,15 @@ Vervallen **3.** De conrectoren en de adjunct-directeuren hebben tot taak de rector onderscheidenlijk de directeur bij te staan en bij afwezigheid te vervangen. -**4.** Tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur kan slechts worden benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming hij, die met inachtneming van artikel 33, eerste lid, kan worden benoemd tot leraar in een van de vakken, die aan de school worden onderwezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent het aantal door de rector, directeur, conrector of adjunct-directeur ten minste te geven lessen en, in verband daarmee, omtrent de toepassing van de derde volzin. Voor ten hoogste de helft van het aantal personeelsleden, bestaande uit de rector of de directeur en de aan de school verbonden conrectoren of adjunct-directeuren, kan het bevoegd gezag afwijken van de eerste volzin, met uitzondering van het vereiste van de in artikel 33, eerste lid, onder a, bedoelde verklaring omtrent het gedrag, mits daarbij de voorschriften, bedoeld in de tweede volzin, in acht worden genomen. +**4.** Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te ondersteunen. -**5.** Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te ondersteunen. Bij benoeming van een lid van het overige personeel is artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a, van overeenkomstige toepassing. +**5.** Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak van schooldecaan. -**6.** Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak van schooldecaan. +**6.** Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de leden van de centrale directie, bedoeld in artikel 32a, eerste lid. -**7.** Het tweede en derde lid, en het vierde lid met uitzondering van het vereiste van de in artikel 33, eerste lid, onder a, bedoelde verklaring omtrent het gedrag, zijn niet van toepassing op de leden van de centrale directie, bedoeld in artikel 32a, eerste lid. +**7.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school. Het bevoegd gezag bepaalt, zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de eerste volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie, functies en taken van het personeel van de school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te geven nadere voorschriften. -**8.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school. Het bevoegd gezag bepaalt, zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de eerste volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie, functies en taken van het personeel van de school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te geven nadere voorschriften. - -**9.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «vakken» tevens verstaan, programma-onderdelen als bedoeld in de artikelen 13 en 14. +**8.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «vakken» tevens verstaan, programma-onderdelen als bedoeld in de artikelen 13 en 14. ### Artikel 32a @@ -1216,22 +1197,36 @@ Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, kan bep **1.** -Leraren worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Om tot leraar te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming dient de betrokkene in het bezit te zijn van: +Leraren worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Om tot leraar te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming dient de betrokkene: -a. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden; -b. een bewijs van bekwaamheid voor het door hem aan die school te geven onderwijs; -c. een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, voor zover aangewezen bij algemene maatregel van bestuur; -d. in plaats van een bewijs als bedoeld onder b en een bewijs als bedoeld onder c gezamenlijk, een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen; en die niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten. +a. in het bezit te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, +b. in het bezit te zijn van: -**2.** In bijzondere gevallen kan Onze minister aan personen, die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, ten aanzien van dit vak of dit onderdeel ontheffing verlenen van de in het eerste lid onder b en c gestelde eisen. +1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, of +2°. een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, afgegeven ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of +3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 118k, en +c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs te zijn uitgesloten. -**3.** Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan ten aanzien van degene, die hem vervangt, telkens voor ten hoogste een jaar worden afgeweken van de eisen, gesteld in het eerste lid onder b en c. Indien in een vacature niet terstond kan worden voorzien door de benoeming of de tewerkstelling zonder benoeming van een leraar die aan de genoemde eisen voldoet, is het bepaalde in de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. +**2.** In bijzondere gevallen kan Onze minister aan personen, die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, ten aanzien van dit vak of dit onderdeel ontheffing verlenen van de in het eerste lid onder b gestelde eisen. -**4.** In het eerste leerjaar van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs, of voor praktijkonderwijs kan een leraar, die daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag bekwaam is, ook onderwijs geven in andere vakken dan die, waarvoor het in zijn bezit zijnde bewijs van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid onder b, geldt. In bijzondere gevallen kan het bepaalde in de vorige volzin eveneens toepassing vinden ten aanzien van een leraar in het tweede leerjaar van een daarbedoelde school. +**3.** Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan ten aanzien van degene, die hem vervangt, telkens voor ten hoogste een jaar worden afgeweken van de eisen, gesteld in het eerste lid onder b. Indien in een vacature niet terstond kan worden voorzien door de benoeming of de tewerkstelling zonder benoeming van een leraar die aan de genoemde eisen voldoet, is het bepaalde in de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. -**5.** In de gevallen, bedoeld in het derde en vierde lid, is, voorzover niet bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 35a, anders is bepaald, de toestemming van de inspectie vereist. Tegen de weigering van de toestemming kan het bevoegd gezag een voorziening vragen bij Onze minister. Het vragen van voorziening wordt gelijkgesteld met het instellen van administratief beroep. +**4.** Degene die benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming is voor enig vak, mag, onverminderd het vijfde lid, door het bevoegd gezag gedurende ten hoogste twee jaren worden belast met werkzaamheden als leraar waarvoor hij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen. Aan de eerste volzin wordt uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. De tweede volzin is in dat geval van overeenkomstige toepassing. De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd gezag toestaan dat in de eerste twee leerjaren wordt afgeweken van de eis, bedoeld in de tweede volzin. -**6.** Het eerste lid onder b en c is niet van toepassing op een leraar, in zoverre deze belast is met het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. +**5.** + +Indien in het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 11c, sprake is van vakoverstijgende programmaonderdelen, kan in de eerste twee leerjaren worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vakoverstijgende programmaonderdelen voorzover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: + +a. leraren die deel uitmaken van een team voldoen ieder aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, waarbij de leraren in het team als geheel beschikken over de bekwaamheidseisen voor de vakken die zijn betrokken bij het vakoverstijgende programmaonderdeel, +b. leraren die deel uitmaken van een team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van het deel van het onderwijs van het desbetreffende vakoverstijgende programmaonderdeel waarvoor zij voldoen aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, en +c. het onderwijs in het desbetreffende vakoverstijgende programmaonderdeel kan worden verzorgd door: + +1°. leden van het team, en +2°. andere leraren die daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt zijn. Daarbij stelt het bevoegd gezag, de opvattingen van de leden van het team in aanmerking nemend, vast of de inhoudelijke of didactische kennis en vaardigheden van deze leraren voldoende zijn. Indien dat niet het geval is, wordt eveneens vastgesteld hoe hierin alsnog wordt voorzien. Het bevoegd gezag legt dit vast in de geordende gegevens, bedoeld in artikel 37a. + +**5a.** Bij toepassing van het vijfde lid is het derde lid van overeenkomstige toepassing. + +**6.** Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de toepassing van het derde lid, de eerste volzin van het vierde lid, het vijfde lid en lid 5a. **7.** Het eerste lid is niet van toepassing op een leraar, in zoverre deze belast is met het verrichten van werkzaamheden in verband met contractactiviteiten. @@ -1239,12 +1234,12 @@ d. in plaats van een bewijs als bedoeld onder b en een bewijs als bedoeld onder **9.** -Onverminderd het derde, vierde en achtste lid en artikel 35a kan ten aanzien van studenten die: +Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, lid 5a en het achtste lid en artikel 35a kan ten aanzien van studenten die: a. aan een hogeschool een duale opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en aan die opleiding ten minste 180 studiepunten hebben behaald, dan wel b. een duale opleiding als bedoeld in dat artikel aan een universiteit volgen -tot leraar voortgezet onderwijs ten behoeve van het geven van het onderwijs waarvoor de desbetreffende opleiding opleidt tot het daarvoor vereiste getuigschrift, worden afgeweken van de eisen in het eerste lid onder b en c, met dien verstande dat het tijdelijk dienstverband van de student een periode beslaat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van studenten die ten minste 166 doch nog geen 180 studiepunten hebben behaald, indien door de desbetreffende hogeschool wordt verklaard dat de student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare en tevens voor het dienstverband relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing van de vorige volzin vervalt ten aanzien van die student die niet binnen vier weken na aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt. De in artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst vermeldt tevens de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht. +tot leraar voortgezet onderwijs ten behoeve van het geven van het onderwijs waarvoor de desbetreffende opleiding opleidt tot het daarvoor vereiste getuigschrift, worden afgeweken van de eisen in het eerste lid onder b, met dien verstande dat het tijdelijk dienstverband van de student een periode beslaat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van studenten die ten minste 166 doch nog geen 180 studiepunten hebben behaald, indien door de desbetreffende hogeschool wordt verklaard dat de student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare en tevens voor het dienstverband relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing van de vorige volzin vervalt ten aanzien van die student die niet binnen vier weken na aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt. De in artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst vermeldt tevens de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht. **10.** Vervallen. @@ -1254,45 +1249,81 @@ tot leraar voortgezet onderwijs ten behoeve van het geven van het onderwijs waar **13.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig afwijkende, regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid ten aanzien van het verzorgen van door het bevoegd gezag vastgestelde vakken en andere programma-onderdelen, behoudens godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. +**14.** In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 118k vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring. + +**15.** Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid, onder b, ten aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen leraar voor een beperkte betrekkingsomvang te worden belast met een uitsluitend lesgevende taak voor vakken waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste volzin bedoelde lesgevende taken ten hoogste een aantal van op jaarbasis gemiddeld 4 klokuren per week. + +### Artikel 33a + +Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Unie behaald bewijsstuk als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, de bevoegdheid verlenen tot het geven van voortgezet onderwijs. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen. + ### Artikel 34 -**1.** De bewijzen van bekwaamheid, bedoeld in artikel 33, eerste lid onder b, worden onderscheiden in bewijzen van bekwaamheid van de eerste en van de tweede graad. +**1.** -**2.** De bewijzen van bekwaamheid worden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. Bij de aanwijzing worden de graad van het bewijs van bekwaamheid en het vak of de combinatie van vakken waarvoor het bewijs van bekwaamheid geldt, vermeld. +Tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die: -**3.** Aan de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorwaarden met betrekking tot de inhoud van de gevolgde studie en de opgedane praktijkervaring worden verbonden. +a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, en +b. met inachtneming van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, kan worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming tot leraar in een van de vakken die aan de school worden onderwezen, en +c. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van artikel 36, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het bezit is van een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dat is voldaan aan die eisen, of +d. in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten al dan niet in artikel 36, tweede lid, bedoelde werkzaamheden afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroeps-opleidingen, of +e. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en +f. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van de onder c bedoelde werkzaamheden. -**4.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven tot overleg over het onderwerp. +**2.** Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de leden van de centrale directie van een school als bedoeld in artikel 32a, eerste lid. + +**3.** Het bevoegd gezag van een school aan het hoofd waarvan geen centrale directie is geplaatst, kan voor ten hoogste de helft van het aantal, bestaande uit de rector of de directeur en de aan de school verbonden conrectoren of adjunct-directeuren, afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b. ### Artikel 35 -**1.** Het bezit van een bewijs van bekwaamheid van de eerste graad voor het desbetreffende vak of de combinatie van vakken is vereist voor het geven van onderwijs in de hoogste drie leerjaren van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, in de hoogste twee leerjaren van scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, in afdelingen, als bedoeld in artikel 8, eerste lid. +**1.** -**2.** Het bezit van een bewijs van bekwaamheid van de tweede graad voor het desbetreffende vak of de combinatie van vakken is vereist voor het geven van onderwijs in de laagste drie leerjaren van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en van scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, aan scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs en aan scholen voor praktijkonderwijs. +De onderwijsondersteunend functionaris kan worden belast met in artikel 36, derde lid, bedoelde werkzaamheden in het voortgezet onderwijs indien deze: -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de vereisten voor het geven van onderwijs aan daarbij aan te geven schoolsoorten en in daarbij aan te geven vakken of combinaties van vakken, waarbij van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt afgeweken. +a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en +b. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat is voldaan aan de in artikel 36, derde lid, bedoelde bekwaamheidseisen of +c. in het bezit is van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, afgegeven ten aanzien van de door hem te verrichten werkzaamheden, of +d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en +e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden. -**4.** Een bewijs van bekwaamheid van de eerste graad geldt tevens als bewijs van bekwaamheid van de tweede graad voor het vak of de combinaties van vakken, waarop dat bewijs van bekwaamheid betrekking heeft, en voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere vakken of combinaties van vakken. +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten. -**5.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na overlegging zijn verstreken, en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven tot overleg over het onderwerp. +**3.** De onderwijsondersteunende functionaris die niet voldoet aan de eisen van het eerste lid, onder b, c of d, mag voor zover het werkzaamheden betreft waarvoor op grond van artikel 36, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de eerste volzin wordt uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de eerste volzin. + +**4.** Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 36, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid onder b tot en met d. ### Artikel 35a -Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur kunnen in bijzondere gevallen, in afwijking van de eisen, gesteld in artikel 33, eerste lid onder b en c, leraren die in het bezit zijn of worden geacht in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid van de tweede graad en van een bewijs als bedoeld in artikel 33, eerste lid onder c, tot een bepaald aantal lessen tijdelijk tevens onderwijs geven in het desbetreffende vak of de combinatie van vakken aan de scholen of leerjaren van scholen, waarvoor het bezit van een bewijs van bekwaamheid van de eerste graad is vereist. In de gevallen bedoeld in de eerste volzin, is melding aan de inspectie vereist. +Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur, kunnen in bijzondere gevallen, in afwijking van de eisen van benoembaarheid, gesteld in artikel 33, eerste lid onder b, leraren die voldoen aan de in artikel 36, eerste juncto vijfde lid, bedoelde bekwaamheidseisen, niet zijnde bekwaamheidseisen voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, tot een bepaald aantal lessen tijdelijk tevens onderwijs geven in het desbetreffende vak of de desbetreffende combinatie van vakken aan de scholen of leerjaren van scholen waarvoor moet worden voldaan aan laatstgenoemde bekwaamheidseisen. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin, is melding aan de inspectie vereist. ### Artikel 36 -**1.** Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur kan Onze minister verklaren, dat een leraar wordt geacht in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid van de eerste of de tweede graad tot het geven van voortgezet onderwijs in vakken, waarvoor geen bewijzen van bekwaamheid zijn aangewezen, en van een bewijs als bedoeld in artikel 33, eerste lid onder c. +**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor leraren. -**2.** De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing, indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de eerste drie volzinnen, kan worden afgeweken. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of onderwijskundige leiding omvatten, bekwaamheidseisen worden vastgesteld. + +**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces. + +**4.** + +De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van: + +a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en +b. vakbekwaamheid. + +**5.** De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen kunnen worden onderscheiden naar schoolsoort en naar samenhangende leerjaren, met dien verstande dat zij in elk geval specifiek worden vastgesteld voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid. + +**6.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. + +**7.** Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de in het eerste en derde lid voorgeschreven bekwaamheidseisen en kan een representatief geachte beroepsorganisatie in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het tweede lid kunnen worden vastgesteld. Onze Minister stelt deze organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen, van ouders en van leerlingen. ### Artikel 37 -Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld voor de verkrijging van de bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, bedoeld in artikel 33, eerste lid onder c. +Degene die voor een bepaald vak voldoet aan de in artikel 36, eerste juncto vijfde lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, is daarmee tevens bekwaam voor dat vak voor zover dat wordt verzorgd in het voortgezet onderwijs niet zijnde de periode van voorbereidend hoger onderwijs. -### Artikel +### Artikel 37a -Vervallen +Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens. ### Artikel 37b @@ -1320,7 +1351,13 @@ Ten behoeve van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 19, worden bij alg ### Artikel 38 -Vervallen +**1.** Degene die beschikt over een in artikel 118k bedoelde geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, onder a, sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 118l, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende vervangende voorziening. + +**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit van het daarin bepaalde. + +**3.** Tevens worden bij algemene maatregel van bestuur bijzondere zonodig van deze wet afwijkende voorschriften gegeven voor gevallen waarin men voor dezelfde werkzaamheden wenst te worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming aan scholen die niet uitgaan van hetzelfde bevoegd gezag. + +**4.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. ### Artikel 38a @@ -1355,13 +1392,13 @@ Vervallen **1.** Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn voor een functie in het voortgezet onderwijs, in de educatie of het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, in het hoger beroepsonderwijs of in het basisonderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de school te verkrijgen. -**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, betreft studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, of anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding. +**2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, betreft studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft of anderszins studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen. **3.** Het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma waarvoor het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht is, studenten als bedoeld in het eerste lid tot de school toe te laten, bedraagt gezamenlijk 5 procent van het in uren uitgedrukte totale aantal in dat schooljaar te geven lessen en te verzorgen onderdelen van het in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma. Onze minister kan het percentage lager stellen. **4.** Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school ontzeggen, indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en aan de inspectie. -**5.** De rector of de directeur dan wel de centrale directie regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door de leraren van de studenten in de school in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid of een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie. +**5.** De rector of de directeur dan wel de centrale directie regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door de leraren van de studenten in de school in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie. **6.** Onze minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar. @@ -1506,7 +1543,7 @@ f. de omvang van de betrekking; g. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer; h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het bevoegd gezag. -**2.** Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijzen van bekwaamheid, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akte van aanstelling van het aan de school verbonden personeel worden bewaard. +**2.** Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akte van aanstelling van het aan de school verbonden personeel worden bewaard. **3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder aanstelling. @@ -1532,6 +1569,13 @@ Vervallen **5.** Voor de toepassing van dit artikel worden met kerkelijke gemeenten gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die zich blijkens de statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. +**6.** + +Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring van de aanwijzende kerkelijke gemeente of plaatselijke kerk: + +a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en +b. zijn bekwaamheid onderhoudt. + ### Artikel 47 **1.** Aan de openbare scholen worden op verzoek van door Ons tot dit doel toegelaten genootschappen op geestelijke grondslag de leerlingen, wier ouders, voogden of verzorgers daartoe de wens te kennen geven, in de gelegenheid gesteld in de schoollokalen levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen van leraren, daartoe door deze genootschappen aan te wijzen. @@ -1542,6 +1586,13 @@ Vervallen **4.** Aan de genootschappen, bedoeld in het eerste lid, kan een subsidie worden verstrekt. De artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCenW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat de subsidie slechts kan worden verstrekt bij algemene maatregel van bestuur. +**5.** + +Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring van het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag: + +a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en +b. zijn bekwaamheid onderhoudt. + #### Hoofdstuk III. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kas van het bijzonder schoolonderwijs ### Artikel 48 @@ -1589,7 +1640,7 @@ h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het be **2.** De akte van benoeming bevat bepalingen inzake gronden voor schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen. -**3.** Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijzen van bekwaamheid, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van benoeming van het aan de school verbonden personeel worden bewaard. +**3.** Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van benoeming van het aan de school verbonden personeel worden bewaard. **4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming. @@ -1642,7 +1693,7 @@ In een geval als bedoeld in artikel 39c, vierde lid, eerste volzin, maakt het be Op het personeel van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan niet met een of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra, -b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, behoudens artikel 20, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, uitsluitend ten doel stelt om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit 's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra, +b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, behoudens artikel 20, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, uitsluitend ten doel stelt om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit 's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en van de Wet op de expertisecentra, c. niet het maken van winst beoogt, d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder begrepen formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs, en e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit artikel werkzaam te willen zijn, @@ -1698,16 +1749,9 @@ Het bestuur van een bijzondere school voor voortgezet onderwijs geeft binnen vie ### Artikel 55 -**1.** +**1.** Algemeen voortgezet onderwijs wordt slechts gegeven door wie voldoet aan artikel 33, eerste lid. Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid en veertiende en vijftiende lid, is van overeenkomstige toepassing. -Algemeen voortgezet onderwijs mag slechts worden gegeven door hem, die in het bezit is van: - -a. een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 33, eerste lid onder a; -b. een bewijs van bekwaamheid, als bedoeld in artikel 33, eerste lid onder b; en die niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten. - -**2.** Het eerste lid onder b is niet van toepassing op een leraar, in zoverre deze belast is met het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. - -**3.** Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid, is van toepassing. +**2.** Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 36, derde lid, worden met betrekking tot het algemeen voortgezet onderwijs slechts verricht door wie voldoet aan artikel 35, eerste lid. Artikel 35, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 56 @@ -1726,7 +1770,7 @@ Vervallen De aanwijzing geschiedt op een daartoe tot Onze minister gericht verzoek van het schoolbestuur. Bij het verzoek worden overgelegd: a. het schoolplan van de school; -b. een opgave van de bewijzen van bekwaamheid en van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding van de leraren; +b. bewijsstukken dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen; c. de statuten en het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die de school in stand houdt. ### Artikel 58 @@ -1741,8 +1785,6 @@ c. de statuten en het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegd **5.** De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn ten minste gelijk aan die, vastgesteld krachtens artikel 27, eerste lid, alsmede de leden 1a en 1b. -**6.** Artikel 33 is van toepassing. - ### Artikel 59 Onze minister kan de aanwijzing intrekken, indien niet langer wordt voldaan aan de artikelen 56 en 58 of indien van misbruik van de verleende aanwijzing is gebleken. De aanwijzing kan door Onze minister tevens worden ingetrokken indien het schoolbestuur of het personeel van de school in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. @@ -1979,7 +2021,7 @@ Tegen een besluit op grond van deze afdeling met uitzondering van artikel 75d ka ### Artikel 75d -Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen, die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCenW-subsidies van toepassing. +Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen, die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCenW-subsidies van toepassing. ### Artikel 76 @@ -2575,7 +2617,7 @@ Vervallen ### Artikel 96g -**1.** Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden dan wel openbare scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het desbetreffende onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad onverminderd artikel 118b, eerste lid, bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 96i tot en met 96k niet van toepassing. +**1.** Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden dan wel openbare scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het desbetreffende onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 96i tot en met 96k niet van toepassing. **2.** De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van scholen naar dezelfde maatstaf. @@ -2607,7 +2649,7 @@ Vervallen ### Artikel 96h -**1.** Indien een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand houdt en zij uitgaven wil doen ten behoeve van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs of het praktijkonderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad onverminderd artikel 118b, eerste lid, daarvoor bij verordening een regeling vaststellen. +**1.** Indien een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand houdt en zij uitgaven wil doen ten behoeve van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs of het praktijkonderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen. **2.** Artikel 96g, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing. @@ -2631,7 +2673,7 @@ i. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld ten behoeve van het openbaar o **2.** Indien de gemeente een deel van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid onderdeel d, dan wel een deel van de ontvangsten, bedoeld in de onderdelen f of g van dat lid, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid onderdeel a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld in de onderdelen c of h van dat lid. Indien de gemeente bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten, bedoeld in het eerste lid onderdeel d, onderscheidenlijk als ontvangsten als bedoeld in de onderdelen f of g van dat lid. -**3.** Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 86, eerste lid, onderdeel d, alsmede het bedrag dat door de gemeente met toepassing van artikel 118b, eerste lid, ter zake van exploitatiekosten is uitgegeven. +**3.** Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 86, eerste lid, onderdeel d. **4.** Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a en d, worden buiten beschouwing gelaten de bedragen die door de gemeente met toepassing van artikel 118b, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de personeelskosten, onderscheidenlijk de daarop betrekking hebbende ontvangsten. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en h worden voorts buiten beschouwing gelaten de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van bedragen die door derden zijn betaald, de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 96g, zesde lid, tweede volzin, en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 96h, eerste lid, een aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel gedurende de periode waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan. @@ -2889,7 +2931,7 @@ Vervallen Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere leerling aan de Informatie Beheer Groep, tezamen met de volgende gegevens van de leerling: -a. de postcode van de woonplaats; +a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats; b. de datum van in- of uitschrijving; c. de soort onderwijs; d. indien van toepassing de leerweg, de sector, de afdeling of het profiel; @@ -2899,7 +2941,7 @@ g. de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het schoolexamen en het c h. indien van toepassing de aanduiding van de minderheidsgroep en de verblijfsduur in Nederland, voorzover de desbetreffende minderheidsgroep of verblijfsduur als categorie is opgenomen in een ministeriële regeling waarin voorschriften zijn vastgesteld omtrent toekenning van een aanvullende vergoeding voor personeelskosten als bedoeld in artikel 85a, eerste lid; en i. het registratienummer van de school dan wel scholengemeenschap of, indien sprake is van een nevenvestiging, het registratienummer daarvan. -**3.** Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede lid. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid. +**3.** Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid. **4.** Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, gebruiken in het verkeer met Onze minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de school. @@ -2909,7 +2951,11 @@ i. het registratienummer van de school dan wel scholengemeenschap of, indien spr **7.** Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die leerling. -**8.** Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling ter uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. +**8.** Dit lid is nog niet in werking getreden. + +**9.** Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling van het voortgezet onderwijs in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds. + +**10.** Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling ter uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. ### Artikel 103c @@ -2937,13 +2983,16 @@ i. het registratienummer van de school dan wel scholengemeenschap of, indien spr **3.** Onze minister kan ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van een school het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het verkeer met die school, al dan niet tezamen met de gegevens, bedoeld in het tweede lid. +**4.** Onze minister kan ten behoeve van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het verkeer met een school. + ### Artikel 103f Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 118g uitsluitend ten behoeve van: a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969; b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 118h, eerste lid, eerste volzin; -c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 118h, eerste lid, tweede en derde volzin. +c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 118h, eerste lid, tweede en derde volzin; +d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 9e, derde en vierde lid, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c. ### Artikel 104 @@ -3067,102 +3116,37 @@ Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de uitvo Het toezicht op de beoordeling door de regionale verwijzingscommissies, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, en artikel 10g, tweede lid, is opgedragen aan de inspectie. De artikelen 3 en 9 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing. -## Titel IVA. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid +## Titel IVA. Onderwijsachterstanden ### Artikel 118a -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor een periode van telkens 4 schooljaren een landelijk beleidskader vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing, voor zover het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en door of namens een der kamers te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de tweede tot en met vierde volzin, kan worden afgeweken. +Burgemeester en wethouders, de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente, en de bevoegde gezagsorganen van de in de gemeente gelegen agrarische opleidingscentra als bedoeld in artikel 1.3.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, voeren tenminste jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt. Burgemeester en wethouders kunnen de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijven burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij zij initiatieven nemen tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vragen burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt binnen 4 weken aan burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit. Burgemeester en wethouders maken dit advies bekend aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente. -**2.** Het landelijk beleidskader vermeldt de landelijke doelstellingen van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding en verstrekt informatie over de voornemens van de rijksoverheid met betrekking tot de landelijke evaluatie van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding. +**2.** Onze minister stelt een geschillencommissie in. + +**3.** De commissie bestaat uit een voorzitter en 4 leden, die allen door Onze minister worden benoemd. De 4 leden worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist. + +**4.** De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van 4 jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend. ### Artikel 118b -**1.** De gemeenteraad stelt voor een periode van telkens 4 schooljaren een plan vast, onderwijsachterstandenplan genaamd, ter bestrijding van onderwijsachterstanden. Indien het totaal van de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en c, minder is dan € 113 500, kan de gemeenteraad afzien van de vaststelling van het plan. In dat geval besluit de gemeenteraad op andere wijze omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, waarbij de gemeenteraad het landelijk beleidskader in acht neemt. - -**2.** Onder onderwijsachterstanden worden verstaan die negatieve effecten op de leer- en ontwikkelingsmogelijkheden van leerlingen, die het gevolg zijn van sociale, economische en culturele omstandigheden. - -**3.** - -Het onderwijsachterstandenplan vermeldt in elk geval: - -a. de wijze waarop de doelstellingen, genoemd in het landelijk beleidskader, bedoeld in artikel 118a, in kwalitatieve en kwantitatieve zin worden uitgewerkt, -b. de wijze waarop de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, anders dan de in onderdeel c genoemde middelen, worden ingezet, alsmede de scholen en instellingen die de daaruit voortvloeiende activiteiten zullen verrichten, -c. de wijze waarop de scholen de door hen ontvangen middelen in het kader van onderwijsachterstandenbestrijding inzetten, voor zover het betreft de aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met bijzondere groepen leerlingen, verstrekt op grond van artikel 85a, anders dan de middelen bestemd voor: -1°. tussentijdse instroom van leerlingen in het voorafgaand schooljaar, -2°. herberekening van middelen, en -3°. tussentijdse instroom van leerlingen in het lopend schooljaar, met dien verstande dat de scholen de zeggenschap hebben over de wijze waarop dit wordt geoperationaliseerd, -d. de wijze waarop de scholen verantwoording afleggen over de inzet van de in onderdeel c bedoelde middelen in overeenstemming met het plan en de wijze waarop de scholen en instellingen rekening en verantwoording afleggen inzake de besteding van de middelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, -e. de procedure met betrekking tot de wijziging van het plan, en -f. de wijze waarop de gemeenteraad het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid evalueert. - -**4.** - -Het onderwijsachterstandenplan vermeldt tevens de omvang van de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen: - -a. de middelen die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in artikel 118d, uit 's Rijks kas ontvangt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, -b. de middelen, anders dan bedoeld in onderdeel a, die de gemeenteraad bestemt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, en -c. de middelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, die de scholen ontvangen. - -De gemeenteraad kan de onderdelen a en c van het plan, voor zover het betreft een aanpassing als gevolg van de wijziging van de omvang van deze middelen, zonder toepassing van het zesde lid wijzigen, indien het voornemen tot wijziging is bekend gemaakt en niet binnen vier weken na de bekendmaking door ten minste een bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen school is verzocht om het op overeenstemming gericht overleg te doen plaatsvinden. - -**5.** - -Het onderwijsachterstandenplan heeft betrekking op: - -a. basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs, -b. scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, -c. scholen als bedoeld in deze wet, en -d. andere instellingen. - -Voor de toepassing van deze titel wordt met een school gelijkgesteld een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen. - -**6.** - -Vaststelling en wijziging van het onderwijsachterstandenplan of het nemen van een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, geschiedt niet dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de gemeente. De gemeenteraad stelt daartoe bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald: - -a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het tiende lid, uit te brengen, -b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en -c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt. - -Bij het overleg kunnen door het gemeentebestuur andere instellingen worden betrokken. - -**7.** Binnen een jaar na de vaststelling van het landelijk beleidskader, bedoeld in artikel 118a, stelt de gemeenteraad het onderwijsachterstandenplan vast. - -**8.** Het onderwijsachterstandenplan kan tussentijds worden gewijzigd. - -**9.** Indien de vaststelling en wijziging van het onderwijsachterstandenplan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, leiden tot kosten van werkloosheidsuitkeringen, komen deze kosten ten laste van het Rijk indien het ontstaan van deze kosten in redelijkheid is toe te rekenen aan het Rijk. - -**10.** Tijdens het in het zesde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van het onderwijsachterstandenplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien het bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het plan. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan. - -**11.** Het gemeentebestuur kan een subsidieplafond vaststellen en bepalen hoe het beschikbare bedrag met inachtneming daarvan wordt verdeeld. +Vervallen ### Artikel 118c -Ten behoeve van leerlingen van 14 jaar en ouder die behoren tot een van de groepen leerlingen, bedoeld in artikel 37 van het Inrichtingsbesluit W.V.O., en die voor de eerste maal als leerling aan een Nederlandse school zijn ingeschreven, kunnen activiteiten worden verricht die zijn gericht op een verbeterde doorstroming naar het vervolgonderwijs indien dit van belang is in verband met activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. De activiteiten kunnen zonodig afwijken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11f en 22. +Vervallen ### Artikel 118d -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor het bestrijden van onderwijsachterstanden, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt. - -**2.** Burgemeester en wethouders verstrekken de middelen, bedoeld in artikel 118b, vierde lid, onderdelen a en b, aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen. - -**3.** Onze minister kan voor bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen of groepen van gevallen tegemoet komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van het eerste lid van dit artikel mochten voordoen. +Vervallen ### Artikel 118e -Onze minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de jaarrekening, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het jaarverslag, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet, het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. +Vervallen ### Artikel 118f -**1.** Het toezicht op het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in de gemeente is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Het toezicht op burgemeester en wethouders in verband met de evaluatie van de landelijke doelstellingen van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding wordt uitgeoefend door bij besluit van Onze minister aangewezen personen. Het toezicht op de bevoegde gezagsorganen van de scholen en andere instellingen die betrokken zijn of betrokken worden bij de uitvoering van het plan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van de vaststelling van het plan, wordt in verband met de opstelling van het plan of het in deze volzin bedoelde besluit en voor de evaluatie uitgeoefend door bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen. De artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. - -**2.** Indien het bevoegd gezag van een school naar het oordeel van burgemeester en wethouders de middelen, bedoeld in artikel 118b, vierde lid, onderdelen a en b, niet besteedt overeenkomstig het onderwijsachterstandenplan, ofeen besluit omtrent de verdeling van middelen indien burgemeester en wethouders op grond van artikel 118b, eerste lid, tweede volzin, hebben afgezien van de vaststelling van het plan, kunnen burgemeester en wethouders de middelen geheel of gedeeltelijk inhouden. - -**3.** Indien het bevoegd gezag van een school naar het oordeel van burgemeester en wethouders de middelen, bedoeld in artikel 118b, vierde lid, onderdeel c, niet besteedt overeenkomstig het onderwijsachterstandenplan, maken burgemeester en wethouders hiervan melding aan Onze minister. - -**4.** Indien het gemeentebestuur naar het oordeel van Onze minister de voorschriften in deze titel niet nakomt, kan Onze minister de uitkering, bedoeld in artikel 118d, geheel of gedeeltelijk inhouden. - -**5.** Indien Onze Minister toepassing geeft aan het vierde lid in verband met een besluit van burgemeester en wethouders dat leidt tot kosten van werkloosheidsuitkeringen en de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, een verzoek als bedoeld in artikel 96o, derde lid, met betrekking tot een niet door de gemeente in stand gehouden school als gevolg van dat besluit van burgemeester en wethouders heeft ingewilligd, vergoedt Onze Minister aan deze rechtspersoon de als gevolg van die inwilliging gemaakte kosten van werkloosheidsuitkeringen. +Vervallen ## Titel IVB. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen @@ -3211,17 +3195,107 @@ c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde melding, regist **3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid. +## Titel IVC. Zij-instroom in het beroep + ### Artikel 118j -Vervallen +In deze titel wordt verstaan onder: + +a. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; +b. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat voor zover het openbare instellingen betreft, de artikelen 9.2, tweede lid, 10.9, tweede lid, en 11.1, tweede lid, van die wet van overeenkomstige toepassing zijn. ### Artikel 118k -Vervallen +**1.** Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 118l voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen aan het in artikel 118o bedoelde bekwaamheidsonderzoek, geeft het bestuur van een instelling die op grond van artikel 118n is erkend, een geschiktheidsverklaring af. + +**2.** Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld. ### Artikel 118l -Vervallen +**1.** Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond van artikel 118n is erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene de aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met betrokkene is uitgenodigd. + +**2.** + +Het geschiktheidsonderzoek omvat: + +a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, van voldoende belang zijn in verhouding tot de door deze beoogde werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is +b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor die werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de beoordeling of betrokkene in de feitelijke klassituatie tot verantwoord lesgeven in staat is, alsmede +c. de beoordeling, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk moeten worden geacht om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek. + +**3.** + +Uit de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek blijkt dat betrokkene in het bezit is van: + +a. een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, +b. een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d respectievelijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of van een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van die wet, aangewezen op grond van artikel 7.24, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voorzover betrokkene voornemens is onderwijs te geven in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beroepsgerichte vakken als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen voor overeenkomstig onderwijs, of +c. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het bestuur van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert, gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a respectievelijk b. + +**4.** Het in het tweede lid, onder b, bedoelde onderzoek is erop gericht, vast te stellen of betrokkene in voldoende mate beschikt over kennis, inzicht en vaardigheden om te kunnen worden belast met het geven van onderwijs dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, in aanmerking nemend dat betrokkene in de periode van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming begeleid en verder geschoold zal worden om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek. De in de eerste volzin bedoelde kennis en vaardigheden en het in die volzin bedoelde inzicht zijn afgeleid van de in artikel 36, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen en omvatten in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden. + +**5.** + +Het geschiktheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarbij in gelijke mate zijn betrokken, + +a. personen die zijn belast of belast zijn geweest met het geven van onderwijs aan een lerarenopleiding, alsmede +b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde personeelsleden van het bevoegd gezag dat is betrokken bij het geschiktheidsonderzoek. + +**6.** Ten behoeve van het uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek is de aanvrager aan de instelling die het onderzoek zal verrichten, een bij ministeriële regeling vast te stellen bijdrage verschuldigd. + +**7.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. + +### Artikel 118m + +**1.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, onder a, is partij bij de in artikel 38, eerste lid, bedoelde overeenkomst. + +**2.** Indien na het sluiten van die overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft dat instellingsbestuur tijdig een toereikende vervangende voorziening. + +### Artikel 118n + +**1.** Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek. Erkenning vindt uitsluitend plaats indien de instelling voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen met betrekking tot onafhankelijkheid, deskundigheid en betrouwbaarheid. Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van artikel 118l, tweede lid, onder c. + +**2.** Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen van het bestuur van de instelling. + +### Artikel 118o + +Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld. + +### Artikel 118p + +**1.** + +Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze Minister heeft gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot: + +a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 118l, tweede lid, onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of +b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het desbetreffende getuigschrift, dan wel +c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten. + +**2.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die op grond van het eerste lid, onder b, bevoegd is tot het uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoek, stelt de leraar die zich daartoe heeft gemeld en voor wie de scholing en begeleiding is afgerond overeenkomstig de in artikel 38, eerste lid bedoelde overeenkomst, tijdig in de gelegenheid deel te nemen aan dat onderzoek. + +**3.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het bekwaamheidsonderzoek aan dat bestuur een bijdrage is verschuldigd voor uitvoering van dat onderzoek. Bij ministeriële regeling kan voor deze bijdrage een maximum worden vastgesteld. + +### Artikel 118q + +**1.** Het in artikel 118n en het in artikel 118p bedoelde bestuur dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. + +**2.** Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een instelling een of meer van de in artikel 118n, of artikel 118p, eerste lid, bedoelde bevoegdheden worden ontnomen indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ontneming. + +### Artikel 118r + +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 118l, tweede lid, onder b, en vierde lid. + +**2.** + +Tevens kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld voor de uitvoering van deze titel, waaronder in elk geval voorschriften met betrekking tot: + +a. waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren, +b. de scholing en begeleiding, en het bekwaamheidsonderzoek, waaronder voorschriften ter waarborging van de kwaliteit, alsmede +c. de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en voor afgifte van de geschiktheidsverklaring. + +**3.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. + +### Artikel 118s + +Het in artikel 118n en het in artikel 118p bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze titel. Het bestuur zendt de inspectie van het onderwijs telkens na zes maanden een overzicht van in die periode afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen. ## Titel V. Slotbepalingen