From e2959930219a4ce5f7f9700d06bd5c00182c7bc6 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Thu, 1 Jul 2021 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2021-07-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang --- wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md | 105 ++++++++++++--------- 1 file changed, 61 insertions(+), 44 deletions(-) diff --git a/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md b/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md index f17917f56f4..3c93bde6fa8 100644 --- a/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md +++ b/wet/wet-kinderopvang/BWBR0017017/README.md @@ -25,7 +25,7 @@ In deze wet en de op deze wet berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen; b. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau, bezoldigd is en belast is met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang; - *beroepskracht in opleiding:* degene die beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau; -- *beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met meertalige buitenschoolse opvang en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50, tweede lid, onderdeel i; +- *beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met meertalige buitenschoolse opvang en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50, tweede lid, onderdeel j; - *beroepskracht voorschoolse educatie:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a; - *buitenschoolse opvang:* kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties; - *college:* college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd of zal worden gevestigd; @@ -66,7 +66,10 @@ b. de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert. - *Onze Minister:* Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - *ouder:* de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft; - *oudercommissie:* de commissie, bedoeld in artikel 1.58; +- *ouderparticipatiecrèche:* een kindercentrum waar ouderparticipatieopvang plaatsvindt; +- *ouderparticipatieopvang:* kinderopvang als bedoeld in artikel 1.60a; - *overheidswerkgever:* de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiering sociale verzekeringen; +- *participerende ouder:* ouder die ouderparticipatieopvang verzorgt en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen; - *pedagogisch beleidsmedewerker:* de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens of het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden; - *personenregister kinderopvang:* de verzameling van gegevens die verwerkt worden ten behoeve van het doel, beschreven in artikel 1.48d, eerste lid; - *register buitenlandse kinderopvang:* het register, bedoeld in artikel 1.48b, eerste lid; @@ -130,7 +133,9 @@ Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn part a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang. -**2.** Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. +**2.** Indien het ouderparticipatieopvang in een ouderparticipatiecrèche betreft, heeft de ouder in de aanloopperiode, bedoeld in artikel 1.60b, in afwijking van het eerste lid, geen aanspraak op kinderopvangtoeslag. + +**3.** Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. ### Artikel 1.6 @@ -401,7 +406,7 @@ Vervallen **2.** De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder of voorgenomen gastouder gedaan bij het college. -**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels. +**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels. **4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer. @@ -411,7 +416,7 @@ Vervallen ### Artikel 1.46 -**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist. +**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist. **2.** In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het landelijk register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen. @@ -419,7 +424,7 @@ Vervallen **4.** Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college dit op in het landelijk register kinderopvang. -**5.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken. +**5.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken. **6.** In het besluit, waarbij een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt ingetrokken, bepaalt het college met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang, waarbij ook de einddatum van de toestemming tot exploitatie wordt opgenomen. @@ -502,14 +507,14 @@ wordt positief op de aanvraag beslist. **9.** Onze Minister kan naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het zevende of achtste lid, besluiten tot wijziging van de gegevens of tot verwijdering van de inschrijving uit het register buitenlandse kinderopvang. Indien hij hiertoe besluit verwerkt hij dit zo nodig in het register buitenlandse kinderopvang. -**10.** De artikelen 1.45 tot en met 1.47b en 1.48d tot en met 1.60 en de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid. +**10.** De de artikelen 1.45 tot en met 1.47b en 1.48d tot en met 1.60c en de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid. **11.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur: a. worden nadere regels gesteld omtrent de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het derde lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens; -b. worden nadere regels gesteld over de wijze waarop kan worden aangetoond dat een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens paragraaf 2 van deze afdeling; +b. worden nadere regels gesteld over de wijze waarop kan worden aangetoond dat een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid naar aard en strekking in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens paragraaf 2 en 4 van deze afdeling; c. kunnen ter uitvoering van het vijfde tot en met negende lid nadere regels worden gesteld. ### Artikel 1.48a @@ -603,23 +608,25 @@ a. de veiligheid en de gezondheid; b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen; c. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs; d. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie; -e. de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen; -f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk; -g. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang; -h. de beschikbare ruimte voor kinderen; -i. de opleidingseisen waaraan een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang voldoet; -j. de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers; -k. de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen. +e. de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes; +f. de herkenbaarheid van personen; +g. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk; +h. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang; +i. de beschikbare ruimte voor kinderen; +j. de opleidingseisen waaraan een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang voldoet; +k. de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers; +l. de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen. **3.** In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn: a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum; -b. de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; -c. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waar kinderen worden opgevangen; -d. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen; en -e. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres. +b. de participerende ouder; +c. de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; +d. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waar kinderen worden opgevangen; +e. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen; en +f. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres. Voor zover het natuurlijke personen betreft is een ieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingeschreven in het personenregister kinderopvang, bedoeld in artikel 1.48d. De verklaring omtrent het gedrag is bij inschrijving in het personenregister kinderopvang niet ouder dan twee maanden. @@ -802,23 +809,11 @@ f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk. ### Artikel 1.57 -**1.** Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. - -**2.** De ouders, bedoeld in het eerste lid, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag. - -**3.** De verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de houder van een kindercentrum overgelegd, voordat de ouder, bedoeld in het eerste lid, zijn werkzaamheden aanvangt. Een verklaring omtrent het gedrag is bij aanvang van de werkzaamheden niet ouder dan twee maanden. - -**4.** Indien de houder van een kindercentrum of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een ouder, bedoeld in het eerste lid, niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag verlangt de houder, al dan niet op verzoek van de toezichthouder, dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt binnen een door de houder dan wel de toezichthouder vast te stellen termijn. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. - -**5.** De verplichting van het derde lid geldt voor een ouder als bedoeld in het eerste lid, de eerste maal voordat hij de werkzaamheden aanvangt en vervolgens uiterlijk iedere twee jaar, te rekenen vanaf de dag van afgifte van de meest actuele verklaring omtrent het gedrag. - -**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van het tweede tot en met het vijfde lid. +Vervallen ### Artikel 1.57a -**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49, 1.50, eerste lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en 1.56b, eerste lid. - -**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. +Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49, 1.50, eerste lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en 1.56b, eerste lid. ### Artikel 1.57b @@ -958,9 +953,31 @@ f. wijziging van de prijs van kinderopvang. **7.** De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. +#### Paragraaf 4. Ouderparticipatiecrèches + ### Artikel 1.60a -Vervallen +Van ouderparticipatieopvang is sprake, indien: + +a. de kinderopvang uitsluitend verzorgd wordt door ten minste één ouder van elk van de kinderen die in de ouderparticipatiecrèche wordt opgevangen; +b. de kinderopvang niet verzorgd wordt op het woonadres van een ouder; +c. participerende ouders niet worden bezoldigd voor werkzaamheden bij een ouderparticipatiecrèche; +d. uitsluitend één of meer ouders van de kinderen die in de ouderparticipatiecrèche worden opgevangen de houder is van de ouderparticipatiecrèche; en +e. uit de statuten, reglement of beleidsplan en administratie van de ouderparticipatiecrèche blijkt dat de ouderparticipatiecrèche alle inkomsten ten bate van verantwoorde kinderopvang aanwendt. + +### Artikel 1.60b + +**1.** Voor de ouderparticipatiecrèche geldt een aanloopperiode van 1 jaar en 3 maanden. De aanloopperiode vangt aan op de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie van een ouderparticipatiecrèche. + +**2.** In afwijking van het eerste lid, vangt geen nieuwe aanloopperiode aan, indien de houder van een ouderparticipatiecrèche opnieuw toestemming tot exploitatie krijgt, in verband met een wijziging van de locatie van de ouderparticipatiecrèche. + +**3.** In afwijking van artikel 1.47b, derde lid, wordt het unieke nummer van een ouderparticipatiecrèche door het college, kenbaar gemaakt in het landelijk register kinderopvang, nadat de aanloopperiode, bedoeld in het eerste lid, is verstreken. + +### Artikel 1.60c + +**1.** In artikel 1.50, eerste en tweede lid, artikel 1.50b, 1.51a, eerste lid, 1.51b eerste en derde lid en 1.51c, eerste lid en de bij of krachtens die artikelen gestelde regels wordt voor de toepassing op een ouderparticipatiecrèche voor beroepskracht, personeel of werkzame persoon gelezen: participerende ouder. + +**2.** Artikel 1.50, tweede lid, onderdelen b en f, en artikel 1.58, vijfde lid, zijn niet van toepassing op een ouderparticipatiecrèche. ### Afdeling 4. Handhaving @@ -972,7 +989,7 @@ Vervallen Het college ziet toe op de naleving van: -a. de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels; +a. de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels; b. de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen; en c. de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden. @@ -988,21 +1005,23 @@ c. de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel d ### Artikel 1.62 -**1.** De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van artikel 1.45, derde lid, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels. +**1.** De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van artikel 1.45, derde lid, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels. -**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels. +**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels. **3.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels. -**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.65 en 1.66 gestelde regels. +**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a, 1.60c, 1.65 en 1.66 gestelde regels. **5.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten. +**6.** De toezichthouder verricht het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ten minste tweemaal gedurende de aanloopperiode, bedoeld in artikel 1.60b, indien het een ouderparticipatiecrèche betreft. + ### Artikel 1.63 **1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid vast in een inspectierapport. -**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. +**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. **3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, vijfde lid. @@ -1020,15 +1039,13 @@ c. de houder van een gastouderbureau, indien het rapport betrekking heeft op een ### Artikel 1.64 -**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf. - -**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. +Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf. #### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen ### Artikel 1.65 -**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. +**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. **2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. @@ -1047,7 +1064,7 @@ b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor h **1.** Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is. -**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden. +**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden. #### Paragraaf 2a. Geschillen @@ -1122,7 +1139,7 @@ Vervallen ### Artikel 1.72 -**1.** Het college kan degene die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. +**1.** Het college kan degene die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000. **2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.