2010-04-01 | BWBR0022233 | Besluit OM-afdoening
This commit is contained in:
parent
9cc172f697
commit
e358752715
1 changed files with 81 additions and 3 deletions
|
|
@ -55,6 +55,84 @@ e. de datum van ontvangst van het afschrift.
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk III. De strafbeschikking in de zin van
|
||||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. strafbeschikkingsbevoegdheid: de bevoegdheid een strafbeschikking uit te vaardigen, bedoeld in artikel 257b van de wet;
|
||||
b. bevoegde ambtenaar: de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 3.2.
|
||||
c. hoofdofficier van justitie: officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket, het functioneel parket of het landelijk parket;
|
||||
d. buitengewoon opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van de wet;
|
||||
e. toezichthouder: toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
|
||||
f. direct toezichthouder: direct toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Als korpschef in de zin van dit hoofdstuk wordt aangemerkt met betrekking tot
|
||||
|
||||
a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 3.2, eerste en tweede lid: de korpschef van het politiekorps waarbij zij in dienst zijn, dan wel hun praktijkstage vervullen;
|
||||
b. de ambtenaren werkzaam bij de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid:
|
||||
|
||||
1. voor de toepassing van artikel 3.4: de betrokken districtscommandant;
|
||||
2. voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk: de commandant van de Koninklijke marechaussee;
|
||||
c. de ambtenaren, bedoeld in artikel 3.2, vierde lid: het hoofd van de organisatie waarbij zij werkzaam zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
**1.** Voor de in artikel 3.3, onderdeel a, aangewezen zaken wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de hulpofficieren van justitie, bedoeld in artikel 154, onderdelen a en b, van de wet, alsmede aan de hulpofficieren van justitie, bedoeld in artikel 154, onderdeel c, van de wet, voor zover het betreft de brigadecommandanten en de afdelingscommandanten en de adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters die als hun vervanger zijn aangewezen, voor zolang zij als zodanig optreden, alsmede de adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters, ingedeeld bij de centrale recherche Koninklijke marechaussee en de recherchegroepen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de in artikel 3.3, onderdeel b, aangewezen zaken wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van de wet, alsmede aan de ambtenaren die een basisopleiding volgen aan de Politieacademie, uitsluitend gedurende hun praktijkstage bij een politiekorps.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de in artikel 3.3, onderdelen b en c, aangewezen zaken wordt strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder c, van de wet.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de in artikel 3.3, onderdeel b, aangewezen zaken wordt strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover deze ambtenaren bevoegd zijn tot de opsporing van die zaken.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid, aanhef en onderdeel c, wordt voor de in artikel 3.3, onderdeel b, aangewezen zaken geen strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van de gemeente, voor zover voor die zaken in de desbetreffende gemeente krachtens een verordening als bedoeld in artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
Als zaken waarin de strafbeschikkingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend worden aangewezen:
|
||||
|
||||
a. de zaken, aangeduid in de bijlage van dit besluit en zoals nader omschreven in de richtlijnen, gesteld door het openbaar ministerie, die de ontdekking betreffen van een misdrijf, omschreven in artikel 310 of 321 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het feit de toe-eigening betreft van goederen met een waarde van ten hoogste € 120 uit een winkel, voor zover de verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
|
||||
b. de zaken welke betreffen de op heterdaad of met een technisch hulpmiddel door de bevoegde ambtenaar ontdekte overtredingen, aangeduid in de bijlage van dit besluit, voor zover de verdachte hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten in de bijlage van dit besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan;
|
||||
c. de op heterdaad of met een technisch hulpmiddel ontdekte verkeersovertredingen, aangeduid in de bijlage van dit besluit en strafbaar gesteld bij artikel 169 van het Wetboek van Militair Strafrecht juncto de Verkeersregeling defensie voor zover de verdachte militair is en hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten in de bijlage van dit besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan en de overtreding is begaan op een militair terrein met een voertuig dat niet bij de krijgsmacht in gebruik is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
**1.** De hoofdofficier van justitie kan de strafbeschikkingsbevoegdheid van een bevoegde ambtenaar tot nader bericht intrekken indien de taakvervulling van deze ambtenaar zulks naar zijn oordeel vordert. Alvorens een beschikking als bedoeld in de eerste zin te geven, hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef.
|
||||
|
||||
**2.** De korpschef draagt zorg voor de uitvoering van de beschikking.
|
||||
|
||||
**3.** De hoofdofficier van justitie geeft zijn nader bericht slechts na hernieuwd overleg.
|
||||
|
||||
**4.** Van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een buitengewoon opsporingsambtenaar, wordt een afschrift gezonden aan de direct toezichthouder van de ambtenaar. Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de ambtenaar is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de toezichthouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
**1.** De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat naar zijn oordeel het belang van een goede rechtsbedeling vordert dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens een besluit als in het eerste lid bedoeld te nemen, hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef. Dit horen kan achterwege blijven, indien de hoofdofficier van justitie het nodig oordeelt dat in het gehele arrondissement in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid.
|
||||
|
||||
**3.** De betrokken korpschef draagt zorg voor de uitvoering van het besluit, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het besluit, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op buitengewoon opsporingsambtenaren wordt een afschrift gezonden aan de betrokken direct toezichthouder. Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de ambtenaren is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de toezichthouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
**1.** Het openbaar ministerie vaardigt richtlijnen uit waarin ten aanzien van elk feit waarvoor de bevoegde ambtenaar een strafbeschikking kan uitvaardigen de hoogte van de daarin op te leggen geldboete wordt bepaald. Deze richtlijnen worden in de Staatscourant bekend gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegde ambtenaar wordt in het bezit gesteld van een lijst met de feiten waarvoor de strafbeschikking kan worden uitgevaardigd en met de bedragen van de geldboeten die daarin kunnen worden opgelegd. Desgevraagd verleent hij aan de betrokken persoon inzage in deze lijst.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
**1.** De bevoegde ambtenaar houdt aantekening van elke zaak waarin hij van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid gebruik maakt.
|
||||
|
||||
**2.** De hoofdofficier van justitie wint periodiek rapport in van de korpschefs van de regionale politiekorpsen over de wijze waarop de onder hen ressorterende in het arrondissement hun dienst uitoefenende ambtenaren gebruik hebben gemaakt van de verleende strafbeschikkingsbevoegdheid. De korpschefs zenden hun rapporten in door tussenkomst van de betrokken korpsbeheerder.
|
||||
|
||||
**3.** Het hoofd van het landelijk parket, bedoeld in artikel 137, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, wint periodiek rapport in van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten over de wijze waarop de onder deze ressorterende ambtenaren gebruik hebben gemaakt van de verleende strafbeschikkingsbevoegdheid. De korpschef zendt zijn rapport in door tussenkomst van de korpsbeheerder.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Wijziging van enkele besluiten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1
|
||||
|
|
@ -101,12 +179,12 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** De artikelen van de hoofdstukken I, II en V van dit besluit, alsmede de artikelen van hoofdstuk IV van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 4.1, onderdelen A, tweede lid, C, E, G en H, 4.4, onderdeel C, 4.7 en 4.8, treden in werking op het tijdstip waarop de Wet OM-afdoening in werking treedt.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen van hoofdstuk III, de daarop gebaseerde bijlage, artikel 4.1, onderdelen A, tweede lid, C, E, G en H, artikel 4.4, onderdeel C, en de artikelen 4.7 en 4.8 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
**2.** De artikelen van hoofdstuk III, de daarop gebaseerde bijlage, artikel 4.1, onderdelen A, tweede lid, C, E, G en H, en artikel 4.4, onderdeel C van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 4.8 van dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat niet later is gelegen dan drie jaar na het krachtens het tweede lid bepaalde tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit OM-afdoening.
|
||||
|
||||
## Bijlage . , bedoeld in
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue