From e3a62892d2af8b970252ffb5864a0c1439016b25 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Apr 2011 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2011-04-01 | BWBR0029156 | Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 --- .../BWBR0029156/README.md | 83 +++++++++++-------- 1 file changed, 49 insertions(+), 34 deletions(-) diff --git a/beleidsregel/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006/BWBR0029156/README.md b/beleidsregel/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006/BWBR0029156/README.md index 050034c85b6..707af1dad39 100644 --- a/beleidsregel/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006/BWBR0029156/README.md +++ b/beleidsregel/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006/BWBR0029156/README.md @@ -20,31 +20,40 @@ De korting die wordt opgelegd naar aanleiding van een niet-naleving van een rand ### Artikel 3 -**1.** Op grond van de beoordeling van de niet-naleving van de norm aan de hand van de omvang, de ernst en het al dan niet permanente karakter besluit de minister dat ten aanzien van de in het tweede lid genoemde niet-nalevingen van de randvoorwaarden sprake is van een niet-naleving van gering belang zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009. +**1.** Gelet op de beoordeling van de niet-naleving van de norm aan de hand van de omvang, de ernst en het al dan niet permanente karakter besluit de minister in afwijking van artikel 2 dat sprake is van een niet-naleving van gering belang zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bij de niet-naleving van de in het tweede lid bedoelde randvoorwaarden voor zover de niet-naleving onmiddellijk of binnen de aan de landbouwer door de controleambtenaar mede te delen periode aantoonbaar is hersteld. **2.** -De in het eerste lid bedoelde niet-nalevingen van de randvoorwaarden betreffen: +De in het eerste lid bedoelde randvoorwaarden betreffen: -a. artikel 2, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, juncto artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; -b. artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, eerste tot en met zesde gedachtestreepje, en derde lid van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het register in geringe mate onvolledig is of voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; -c. artikelen 8, eerste lid, en 12 van de Regeling identificatie en registratie van dieren juncto artikel 4, eerste tot en met derde lid, van Verordening (EG) 1760/2000, in het geval van het verlies van één oormerk bij maximaal 10% van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van runderen goed wordt nageleefd; -d. artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) 1760/2000, juncto artikel 19, eerste tot en met vijfde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het bedrijfsregister onvolledig is bijgehouden ten aanzien van maximaal 10% van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van runderen goed wordt nageleefd; -e. artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening 1760/2000, voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van runderen goed wordt nageleefd; -f. artikel 2, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, juncto artikel 4 van de regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; -g. artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) 21/2004 juncto artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van het verlies van één identificatiemiddel bij maximaal 10% van de schapen of geiten tot het absolute aantal van 20 schapen of geiten, en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van schapen en geiten goed wordt nageleefd; -h. de artikelen 38d en 38e van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het maximaal 3 mutaties betreft of in het geval de houder geen veeteelt bedrijft; -i. artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover het middel niet meer is of de middelen niet meer zijn toegelaten, en er geen vermoeden bestaat dat het middel of de middelen nog worden gebruikt of zijn bedoeld voor gebruik; -j. artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren, in samenhang met artikel 2.1. van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling Diervoeders 2012, in samenhang met artikel 5, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel II onder 2a, 2b en 2e van Verordening (EG) 183/2005 voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; -k. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 8a, 8d en 8^e van Verordening (EG) nr. 852/2004, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; -l. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) nr. 852/2004, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; -m. Artikel 2.2, tiende lid, onderdeel l, subonderdeel 4°, en onderdeel r, van de Wet dieren in samenhang met artikel 4, lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder III, onder 8b van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met artikel 8A.11 van het Besluit diergeneesmiddelen en in samenhang met artikel 9A.8 van de Regeling diergeneesmiddelen, voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden; -n. artikel 7 van het Kalverenbesluit, voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt, bij een gering aantal kalveren en bij onmiddellijk herstel; -o. artikel 9, tweede en derde lid, van het Varkensbesluit, voor zover het materiaal incidenteel ontbreekt en dit onmiddellijk wordt hersteld; -p. artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit, voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht dat onmiddellijk wordt hersteld, en -q. artikel 6, eerste lid, van het Besluit welzijn productiedieren, voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden en de niet-naleving onmiddellijk wordt hersteld. - -**3.** De minister besluit in afwijking van artikel 2 geen korting op te leggen indien de niet-naleving van gering belang, zoals bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk of binnen de door de controleambtenaar aan de landbouwer mede te delen termijn aantoonbaar is hersteld. +a. artikel 9 juncto artikel 31, eerste lid, van de Flora- en faunawet, voor zover de niet-naleving geschiedt terwijl de gedragscode is nageleefd; +b. artikel 28 juncto artikel 27, 29 en 30 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet juncto artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet; +c. artikel 2, eerste tot en met vijfde lid, juncto artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover de houder de varkens hobbymatig houdt; +d. artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, eerste tot en met zesde gedachtestreepje, en derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het register onvolledig is of, voor zover de houder de varkens hobbymatig houdt, het register ontbreekt; +e. artikel 2, eerste en tot met vierde lid, juncto artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover de houder de runderen hobbymatig houdt; +f. artikel 8, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren juncto artikel 4, eerste tot en met derde lid, van Verordening (EG) 1760/2000, in het geval van oormerkverlies dat maximaal 5 runderen of 15 procent van de runderen betreft waarbij in het geval van verlies van beide merken bij een rund het desbetreffende rund identificeerbaar is; +g. artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) 1760/2000, juncto artikel 19, eerste lid, tot en met ‘Verordening (EG) 1760/2000’, en tweede tot en met vijfde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het bedrijfsregister onvolledig is bijgehouden waarbij tot 15% van de aanwezige dieren of het aantal van maximaal 5 dieren niet of onjuist is vermeld; +h. artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) 1760/2000, voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld. +i. artikel 2, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, juncto artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van een hobbyhouder; +j. artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) 21/2004 juncto artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van verlies van één merk dat maximaal 5 schapen of geiten of 15% van de schapen of geiten betreft; +k. de artikelen 38d en 38e van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van een hobbyhouder dan wel voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld; +l. artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover het niet toegelaten middel in kleine hoeveelheden aanwezig is en er geen vermoeden bestaat dat het middel bedoeld is voor gebruik dan wel dat het middel nog wordt gebruikt; +m. artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover het gebruiksvoorschrift recentelijk is gewijzigd; +n. artikel 26, eerste en tweede lid, Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden; +o. artikel 2 Kaderwet diervoerders juncto de artikelen 15, 17, eerste lid, en 20 van Verordening (EG) nr. 178/2002, voor zover het diervoeder licht is verontreinigd met een minder gevaarlijke stof; +p. artikel 13 van de Regeling diervoeders 2010 juncto artikel 5, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel I, onder 4e en 4g van Verordening (EG) nr. 183/2005, voor zover er geen direct risico op verontreiniging van diervoeders ontstaat; +q. artikel 13 van de Regeling diervoeders 2010 juncto artikel 5, eerste lid en Bijlage I, deel A, onderdeel II, onder 2a, 2b, en 2e van Verordening (EG) nr. 183/2005; +r. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 8a, 8d en 8e van Verordening (EG) nr. 852/2004; +s. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) nr. 852/2004; +t. artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 8b van Verordening (EG) nr. 852/2004, juncto artikel 96 van de Diergeneesmiddelenregeling, voor zover het register onvolledig is bijgehouden; +u. artikel 4 juncto Bijlage 1 onder 8 van Richtlijn 2008/119/EG, voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt en bij onmiddellijk herstel; +v. artikel 7 Kalverenbesluit, voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt, bij een klein aantal kalveren en bij onmiddellijk herstel; +w. artikel 9 Kalverenbesluit, voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht dat onmiddellijk wordt hersteld; +x. artikel 9, tweede en derde lid, van het Varkensbesluit, voor zover het materiaal incidenteel ontbreekt en dit onmiddellijk wordt hersteld. +y. artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit, voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht dat onmiddellijk wordt hersteld; +z. artikel 6, eerste lid, Besluit welzijn productiedieren, voor zover het register onvolledig is bijgehouden en dit onmiddellijk hersteld wordt; +aa. Bijlage II, paragraaf 5, van de Regeling GLB inkomenssteun 2006, voor zover sprake is van geringe verstruiking, en +bb. Bijlage II, paragraaf 6, van de regeling GLB Inkomenssteun 2006. ### Artikel 4 @@ -52,11 +61,9 @@ Voor de toepassing van artikel 70, zesde lid, en artikel 71, vierde lid, van Ver ### Artikel 5 -**1.** Een niet-naleving is opzettelijk begaan indien de landbouwer de desbetreffende niet-naleving heeft beoogd of indien de landbouwer het risico heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft. +**1.** -**2.** - -Opzet wordt beoordeeld aan de hand van in ieder geval één of meer van de volgende criteria: +Opzet wordt in ieder geval beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: a. in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd; b. de mate van complexiteit van de randvoorwaarde; @@ -65,15 +72,22 @@ d. de niet-naleving veronderstelt een actieve handeling dan wel het bewust nalat e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de randvoorwaarde, en f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd. -**3.** +**2.** -In het geval waarin een niet-naleving door een derde is begaan op de landbouwgrond of in het kader van het bedrijf van een landbouwer wordt desbetreffende niet-naleving aan de landbouwer toegerekend als een opzettelijke niet-naleving indien de landbouwer blijkens: +De niet-nalevingen van de volgende randvoorwaarden zijn in ieder geval opzettelijk: -a. de keuze voor de derde, -b. het door de landbouwer op de derde uitgeoefende toezicht, of -c. de door de landbouwer aan de derde gegeven instructies - -heeft beoogd of het risico heeft aanvaard dat de niet-naleving zou plaatsvinden. +a. artikel 9 juncto artikel 31, eerste lid, Flora- en faunawet, voor wat betreft het vangen van beschermde inheemse vogels. +b. artikel 10 juncto artikel 31, tweede lid, Flora- en faunawet; +c. artikel 4, artikel 4b en artikel 5 Besluit gebruik meststoffen; +d. artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor wat betreft het gebruik van een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel; +e. artikel 2, eerste lid, Diergeneesmiddelenwet; +f. artikel 44 Diergeneesmiddelenwet juncto artikel 82 Diergeneesmiddelenregeling; +g. artikel 46 Diergeneesmiddelenwet juncto artikel 81, eerste lid, Diergeneesmiddelenregeling; +h. artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten; +i. artikel 2, eerst lid, onderdeel a, van de Verordening PVV Verbod op gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede bèta-agonisten 1997; +j. artikel 4 juncto Bijlage 1 onder 8 van Richtlijn 2008/119/EG; +k. artikel 3 Kalverenbesluit, en +l. artikel 3, eerste lid, Varkensbesluit. ### Artikel 5a @@ -104,8 +118,9 @@ b. het perceel hoofdzakelijk een verkeerskundige of infrastructurele functie ken 4. stroken grasland langs verharde landingsbanen voor vliegverkeer; c. het perceel een bovenste bodemlaag heeft die vanwege in Nederland gebruikelijke natuurlijke omstandigheden zoals getijde, neerslag, of grondwaterstand, onbruikbaar zijn voor de landbouw zoals: -1. slikken; -2. schorren en kwelders, tenzij deze beteelbaar of beweidbaar zijn in de aaneengesloten periode tussen 31 mei en 31 augustus. +1. slikken, +2. schorren, +3. kwelders, tenzij deze beteelbaar of beweidbaar zijn in de aaneengesloten periode tussen 31 mei en 31 augustus. ### Artikel 6