2011-12-16 | BWBR0022530 | Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
This commit is contained in:
parent
b21d72fc2d
commit
e3cfdff0f5
1 changed files with 108 additions and 44 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
|
|||
bwb_id: BWBR0022530
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2007-10-17'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2011-12-16'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0022530
|
||||
citeertitel: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -24,7 +24,9 @@ e. richtlijn 2004/10/EG: richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en
|
|||
f. bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming;
|
||||
g. gasvormende toestand: toestand van een gewasbeschermingsmiddel of biocide waarin het middel of de biocide na gasvorming zijn werking verkrijgt;
|
||||
h. maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een residu van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in of op een levensmiddel of diervoeder op basis van goede landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten;
|
||||
i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200).
|
||||
i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200);
|
||||
j. uitvoeringsverordening (EU) 545/2011: Verordening (EU) nr. 545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);
|
||||
k. uitvoeringsverordening (EU) 546/2011: Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155).
|
||||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
|
||||
|
|
@ -40,7 +42,7 @@ a. alle werkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing als autoriteit voor de
|
|||
b. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 98/8/EEG;
|
||||
c. de aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9 van hoofdstuk II van verordening 396/2005/EG alsmede het doen van voorstellen voor het vaststellen van het maximaal toelaatbare residugehalte (MRL) door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld;
|
||||
d. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24, van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een toelating door het college is vastgesteld;
|
||||
e. het vaststellen van de wijze waarop op een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
|
||||
e. het vaststellen of ambtshalve wijzigen van de wijze waarop op een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden
|
||||
|
||||
|
|
@ -138,9 +140,67 @@ met dien verstande dat als het dossier, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede l
|
|||
|
||||
Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting.
|
||||
|
||||
### Artikel 8a
|
||||
|
||||
**1.** Het college hanteert in het kader van de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, slechts de in de artikelen 8b tot en met 8g en de in bijlage 1 bedoelde beoordelingsmethoden, voor zover een Europees richtsnoer dat is vastgesteld volgens de procedure, bedoeld in artikel 77 van die verordening, geen beoordelingsmethode over hetzelfde onderwerp bevat.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een in een Europees richtsnoer opgenomen beoordelingsmethode als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 8b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen en met gebruikmaking van de volgende modellen voor blootstellingssituaties:
|
||||
|
||||
a. voor het mengen en vullen van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een:
|
||||
|
||||
1°. niet-vast gewasbeschermingsmiddel bij tractortoepassingen: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1;
|
||||
2°. niet-vast middel bij handmatige toepassing: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1, voor huidblootstelling en NL model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7, voor inhalatoire blootstelling;
|
||||
3°. poedervormig middel: NL-model bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7;
|
||||
4°. granulaatvormig middel: NL-model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7, rekening houdend met de poederfractie in het middel;
|
||||
b. voor het toepassen van het gewasbeschermingsmiddel:
|
||||
|
||||
1°. buiten opwaarts of neerwaarts met grote spuitapparatuur; model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1;
|
||||
2°. buiten neerwaarts met handapparatuur: model UK POEM, bedoeld in bijlage 1 onder 9;
|
||||
3°. buiten opwaarts met handapparatuur: de 90-percentiel waarde volgens het Duitse blootstellingsmodel, bedoeld in bijlage 1 onder 6;
|
||||
4°. binnen met handapparatuur: NL-kasmodel, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7;
|
||||
c. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen of werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: model EUROPOEM II, bedoeld in bijlage 1 onder 2, voor dermale blootstelling;
|
||||
d. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met middelen of in ruimten werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: NL model voor inhalatoire blootstelling, bedoeld in bijlage 1 onder 5 en 7.
|
||||
|
||||
**2.** Het college gaat bij de beoordeling van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur volgens de uniforme beginselen, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel B Evaluatie, punt 2.4.1.3., uit van beschermingsfactoren voor deze kleding en apparatuur volgens de tabel, bedoeld in bijlage 2.
|
||||
|
||||
### Artikel 8c
|
||||
|
||||
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel voor de toepasser van een middel bestemd voor niet-professioneel gebruik, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen. Het college gebruikt voor de inschatting van de blootstelling een van de methoden, bedoeld in artikel 8b.
|
||||
|
||||
### Artikel 8d
|
||||
|
||||
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel voor de omstander, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen. Het college gebruikt voor de inschatting van de blootstelling het model EUROPOEM II, bedoeld in bijlage 1 onder 3.
|
||||
|
||||
### Artikel 8e
|
||||
|
||||
Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.2, tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbaar effect op het milieu heeft als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) 1107/2009 indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond dat:
|
||||
|
||||
a. de concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct in het grondwater gelijk is aan of lager is dan 0,1 μg/liter bij toepassing van één van de volgende methoden van beoordelen van het gewasbeschermingsmiddel:
|
||||
|
||||
1°. een berekening met het model PEARL voor het FOCUS Kremsmünster scenario, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
|
||||
2°. een berekening met het model GeoPEARL, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
|
||||
3°. een toetsing aan metingen van concentraties in het bovenste grondwater,
|
||||
4°. een berekening voor de verzadigde zone, bepaald volgens een rekenvoorschrift waarbij wordt uitgegaan van een afbraaksnelheid volgens de eerste orde kinetiek na 4 jaren op 10 meter diepte,
|
||||
5°. een toetsing aan metingen van concentraties in het diepere grondwater op minimaal 10 meter beneden het maaiveld, of
|
||||
b. bij het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal toelaatbare concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct van 0,01 μg/liter gebaseerd op een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 1 tot en met 3 niet wordt overschreden, tenzij met nadere gegevens aan de hand van een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 3, 4 of 5, wordt aangetoond dat in grondwaterbeschermingsgebieden de waarde van 0,1 μg/liter niet wordt overschreden.
|
||||
|
||||
### Artikel 8f
|
||||
|
||||
Bij de risicobeoordeling voor waterorganismen, vogels, zoogdieren, niet-doelwitarthropoden, niet-doelwitplanten of oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater, hanteert het college specifieke driftcijfers. Het college stelt deze cijfers vast en maakt hen bekend op zijn website.
|
||||
|
||||
### Artikel 8g
|
||||
|
||||
Het college beoordeelt bij de toepassing van het uniforme beginsel als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.3, aan de hand van de beoordelingsmethoden, bedoeld in bijlage 1 onder 14 en 15.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG, voor zover dit naar zijn oordeel naar wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk is, onverminderd artikel 8.
|
||||
Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009, voor zover dit naar zijn oordeel naar wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
|
|
@ -152,7 +212,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als bedoeld in de artikelen 29 en 36, derde lid, van de wet, rekening met onder meer:
|
||||
Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de wet, rekening met onder meer:
|
||||
|
||||
a. de resultaten van de risicobeoordeling, met name de relatie tussen blootstelling en effect;
|
||||
b. de aard en de ernst van het effect;
|
||||
|
|
@ -164,7 +224,7 @@ g. de naleefbaarheid van het voorschrift;
|
|||
h. de handhaafbaarheid van het voorschrift; en
|
||||
i. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor de uitvoering van geïntegreerde bestrijding, goede praktijken of het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken en materialen.
|
||||
**3.** Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, goede gewasbeschermingspraktijken of het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken en materialen.
|
||||
|
||||
**4.** Het college stelt bij iedere toelating voor niet-professioneel gebruik voorschriften als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet. Deze voorschriften hebben betrekking op gebruiksklare formuleringen en stellen beperkingen aan het formaat van de verpakking.
|
||||
|
||||
|
|
@ -293,7 +353,7 @@ b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd door:
|
|||
|
||||
**3.** De vernieuwing van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 17a, eerste lid, wordt geweigerd indien niet is voldaan aan bij regeling door Onze Minister vast te stellen voorwaarden inzake scholing.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, in een geval als bedoeld in artikel 85, derde lid, van de wet, tijdelijk of permanent intrekken. Onze Minister stelt beleidsregels vast met betrekking tot de gevallen en de mate waarin tot intrekking kan worden overgegaan.
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, in een geval als bedoeld in artikel 85, eerste of derde lid, van de wet, tijdelijk of permanent intrekken. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen en de mate waarin tot intrekking kan worden overgegaan.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister stelt bij ministeriële regeling vast wanneer en op welke wijze na intrekking opnieuw een bewijs van vakbekwaamheid verkregen kan worden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -309,38 +369,15 @@ b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd door:
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Iedere importeur, producent of leverancier die een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet binnen Nederland brengt, zorgt ervoor dat het middel uiteindelijk feitelijk over de grens wordt geleverd aan een buitenlandse handelaar of wordt geleverd aan een Nederlandse eigenaar of houder die het middel op een perceel in het grensgebied van België of Duitsland buiten het Nederlands grondgebied toepast.
|
||||
|
||||
**2.** Iedere importeur, producent of leverancier die een middel als bedoeld in het eerste lid in Nederland verhandelt, komt bij een overeenkomst die strekt tot levering van het middel aan een opvolgend eigenaar of houder schriftelijk een beding als bedoeld in artikel 253 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat overeen dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen en neemt een afschrift van deze overeenkomst in de administratie op.
|
||||
|
||||
**3.** Het is verboden zaaizaad op de markt te brengen, te ontvangen, te gebruiken of voorhanden te hebben dat is behandeld met een werkzame stof die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van de wet voor zover deze toelatingsvoorwaarden betrekking hebben op het gebruik van zaaizaad binnen Nederland.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De administratie, bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de wet, bevat ten minste de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en voor zover van toepassing, het toelatingsnummer of toelatingskenmerk in het land van bestemming,
|
||||
b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,
|
||||
c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de voorraad,
|
||||
d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als bedoeld in de onderdelen b en c,
|
||||
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de afnemer van het gewasbeschermingsmiddel of biocide in Nederland of het buitenland, en
|
||||
f. de afschriften van overeenkomsten als bedoeld in artikel 20, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
|
||||
|
||||
**3.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, d en e, worden op de factuur of het afleveringsbewijs aangegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling aanvullende administratievoorschriften stellen voor producenten, importeurs, handelaren en gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen of biociden. Onze Minister kan daarbij regels stellen inzake de administratie van de opslag van behandeld zaaizaad als bedoeld in artikel 10 en artikel 20, derde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** Een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet of een gewasbeschermingsmiddel of biocide dat niet voldoet aan de bij de toelating gestelde voorschriften wordt afzonderlijk van een toegelaten middel opgeslagen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen over de opslag van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in het eerste lid waaronder regels over de opslag van middelen die niet voldoen aan de bij de toelating gestelde voorschriften inzake het etiket en in afwijking van het eerste lid tijdelijk met toegelaten middelen worden opgeslagen.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op behandeld zaaizaad als bedoeld in artikel 10 en artikel 20, derde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Aanprijzing en administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden
|
||||
|
||||
|
|
@ -350,7 +387,7 @@ Bij een aanduiding van een productsoort als bedoeld in artikel 72, vijfde lid, v
|
|||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
**1.** Een ieder die bedrijfsmatig gewasbeschermingsmiddelen of biociden distribueert, levert of aflevert houdt een administratie bij.
|
||||
**1.** Een ieder die bedrijfsmatig biociden distribueert, levert of aflevert houdt een administratie bij.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -360,27 +397,27 @@ a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,
|
|||
b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,
|
||||
c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de voorraad,
|
||||
d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als bedoeld in de onderdelen b en c, en
|
||||
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de afnemer van het gewasbeschermingsmiddel of biocide.
|
||||
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de afnemer van de biocide.
|
||||
|
||||
**3.** De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
|
||||
**3.** De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar. De administratie is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan categorieën van middelen uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**4.** Onze Minister kan categorieën van biociden uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling aanvullende administratievoorschriften stellen voor producenten, importeurs, leveranciers en gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende administratievoorschriften worden gesteld voor producenten, distributeurs, importeurs en gebruikers van biociden.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** Een ieder die gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die niet zijn aangemerkt als geschikt voor niet-professioneel gebruik als bedoeld in artikel 76, eerste lid van de wet, voor gebruikers voorhanden heeft, ontvangt of toepast, houdt een administratie bij.
|
||||
**1.** Een ieder die biociden, die niet zijn aangemerkt als geschikt voor niet-professioneel gebruik, voor gebruikers voorhanden heeft, ontvangt of toepast, houdt een administratie bij.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De administratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,
|
||||
b. de ontvangen of toegepaste hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen of biociden,
|
||||
b. de ontvangen of toegepaste hoeveelheden biociden,
|
||||
c. de voorraad middelen op 1 januari van enig kalenderjaar,
|
||||
d. de datum van ontvangst of toepassing als bedoeld in onderdeel b, en
|
||||
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de gebruiker van het gewasbeschermingsmiddel of biocide.
|
||||
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de gebruiker van de biocide.
|
||||
|
||||
**3.** De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
|
||||
|
||||
|
|
@ -388,6 +425,14 @@ e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de gebruiker van he
|
|||
|
||||
**5.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling aanvullende administratievoorschriften stellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 25a
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009, regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registratie van de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, de opslag of het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 25b
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 73, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
|
@ -458,7 +503,7 @@ Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor een juist gebru
|
|||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een bedreiging van de plantaardige productie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet. Artikel 38, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een bedreiging van de plantaardige productie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet. Artikel 38, tweede tot en met vijfde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -539,6 +584,25 @@ b. het aanwijzen van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving va
|
|||
|
||||
**4.** De in het eerste lid genoemde productschappen kunnen tuchtrechtelijke maatregelen stellen als bedoeld in artikel 2 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 die kunnen worden toegepast bij overtreding van de in het tweede lid bedoelde verordeningen, behoudens voor de andere natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 7. Keuring van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 32b
|
||||
|
||||
**1.** Apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitsluitend gebruikt indien zij voldoet aan de eisen van bijlage II bij richtlijn 2009/128/EG en daarvan blijkt door middel van een officieel goedkeuringsbewijs.
|
||||
|
||||
**2.** Ter uitvoering van artikel 80, tweede lid, van de wet wordt medewerking gevorderd van de besturen van het Productschap Akkerbouw en het Productschap Tuinbouw.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Deze medewerking bestaat uit:
|
||||
|
||||
a. het bij verordening stellen van regels dan wel nadere regels inzake de keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder regels omtrent de keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties, het in rekening te brengen tarief voor de keuring en voor de afgifte van het officiële keuringsbewijs, alsmede de aanwijzing van apparatuur waarop het eerste lid niet van toepassing is, dan wel een afwijkende keuringsfrequentie van toepassing is;
|
||||
b. het aanwijzen van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verordeningen.
|
||||
|
||||
**4.** De medewerking bestaat voor het Productschap Akkerbouw tevens uit het bij verordening stellen van regels, inhoudende dat de krachtens het derde lid gestelde regels mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen binden, voor zover deze personen apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen gebruiken.
|
||||
|
||||
**5.** De in het tweede lid genoemde productschappen kunnen tuchtrechtelijke maatregelen stellen als bedoeld in artikel 2 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, die kunnen worden toegepast bij overtreding van de in het derde lid bedoelde verordeningen, behoudens voor de andere natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in het vierde lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Handhaving en overgangsperiode
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Handhaving
|
||||
|
|
@ -809,6 +873,6 @@ b. artikel 20, derde lid, dat in werking treedt op 1 september 2009.
|
|||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
|
||||
|
||||
## Bijlage . bij
|
||||
## Bijlage 1. , behorende bij
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
## Bijlage 2. , behorend bij
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue