2024-09-24 | BWBR0049842 | Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
This commit is contained in:
parent
c13ec50738
commit
e3ecd401e0
1 changed files with 285 additions and 4 deletions
|
|
@ -16,14 +16,15 @@ citeertitel: Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
|
|||
|
||||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *groep:* groep als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek;
|
||||
- *grote onderneming:* onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
|
||||
- *Kaderbesluit:*
|
||||
Kaderbesluit subsidies I en M;
|
||||
- *Minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
|
||||
- *Richtlijn (EU) 2018/2001:*
|
||||
Richtlijn 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328);
|
||||
- *mkb-onderneming:* onderneming in de zin van artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
|
||||
- *RVO:* Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
|
||||
- *verordening 2018/858:*
|
||||
Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L151);
|
||||
- *verordening (EU) 2018/858:*
|
||||
verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L151);
|
||||
- *verordening 2023/1804:*
|
||||
verordening (EU) 2023/1804 van het Europese Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU van het Europese Parlement en de raad (PbEU 2023, L234).
|
||||
|
||||
|
|
@ -349,6 +350,286 @@ b. het kenteken van het betrokken waterstofvoertuig.
|
|||
|
||||
### Paragraaf 2.3. Private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.1
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *AC laadstation:* laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter;
|
||||
- *OV-concessiehouder:* vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer;
|
||||
- *DC laadstation:* laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter;
|
||||
- *exploitant van laadinfrastructuur:* onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden;
|
||||
- *hernieuwbare elektriciteit:* elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
|
||||
- *laadinfrastructuur:* oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
|
||||
- *laadlocatie:* locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken;
|
||||
- *laadpunt:* laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804;
|
||||
- *laadstation:* laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804;
|
||||
- *MIA:* Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009;
|
||||
- *stationaire batterij:* systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.2
|
||||
|
||||
Deze paragraaf heeft tot doel het stimuleren van investeringen gericht op versnelling van de uitrol van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
|
||||
|
||||
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
|
||||
b. investeringen in de aanleg van nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
|
||||
|
||||
a. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation, verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur en de meest geschikte locaties passend bij de bedrijfsvoering, beschikbare netcapaciteit en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
|
||||
b. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
|
||||
c. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
|
||||
|
||||
a. de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten, in combinatie met:
|
||||
b. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt;
|
||||
c. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW die in totaal bestaan uit ten minste vier laadpunten; of
|
||||
d. een of meer AC laadstations met een vermogen vanaf 43 kW.
|
||||
|
||||
**4.** De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien de subsidie voor de activiteit bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten minste € 25.000 betreft.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De stationaire batterij bedoeld in het vierde lid:
|
||||
|
||||
a. heeft een maximaal in- en uitgaand vermogen van 50% van het gecontracteerde transportvermogen;
|
||||
b. heeft een maximale C-waarde van 0,25; en
|
||||
c. heeft een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 kWh.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.4
|
||||
|
||||
**1.** Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door een onderneming die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan een samenwerkingsverband van ondernemingen als bedoeld in het eerste lid subsidie aanvragen voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid geldt dat voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, indien de investering de aanleg van een laadstation betreft met een vermogen vanaf 600 kW, alleen een OV-concessiehouder subsidie kan aanvragen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste en tweede lid kan geen subsidie worden aangevraagd door:
|
||||
|
||||
a. een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen;
|
||||
b. een exploitant van laadinfrastructuur.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid, onderdeel b, kan een exploitant van laadinfrastructuur subsidie aanvragen indien de aanvraag realisatie van laadinfrastructuur voor eigen voertuigen of voertuigen van de eigen werknemers betreft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.5
|
||||
|
||||
**1.** Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, zijn subsidiabel de kosten van het advies.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid komen investeringskosten als bedoeld in artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor on-site productie van hernieuwbare elektriciteit niet voor subsidie in aanmerking.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.6
|
||||
|
||||
**1.** De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 3.500, met dien verstande dat de subsidie per aanvrager, of indien meerdere aanvragers tot dezelfde groep behoren, per groep, maximaal € 10.000 per kalenderjaar bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
|
||||
|
||||
a. voor een grote onderneming:
|
||||
|
||||
i. € 452 voor een AC laadstation met een vermogen vanaf 11 kW;
|
||||
ii. € 1.200 voor een AC laadstation met een vermogen vanaf 43 kW;
|
||||
iii. € 2.640 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 20 kW;
|
||||
iv. € 6.421 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 50 kW;
|
||||
v. € 18.644 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 150 kW;
|
||||
vi. € 27.535 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 225 kW;
|
||||
vii. € 41.696 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 350 kW;
|
||||
viii. € 70.306 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 600 kW.
|
||||
b. voor een mkb-onderneming:
|
||||
|
||||
i. € 904 voor een AC laadstation met een vermogen vanaf 11 kW;
|
||||
ii. € 2.400 voor een AC laadstation met een vermogen vanaf 43 kW;
|
||||
iii. € 5.279 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 20 kW;
|
||||
iv. € 12.842 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 50 kW;
|
||||
v. € 37.287 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 150 kW;
|
||||
vi. € 55.069 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 225 kW;
|
||||
vii. € 83.393 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 350 kW.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd het tweede lid is de subsidiehoogte bij een modulair systeem, waarbij sprake is van een fysieke scheiding tussen laadstations en vermogenskast, gebaseerd op de som van het geïnstalleerd vermogen dat parallel maximaal geleverd kan worden door de vermogenskast.
|
||||
|
||||
**4.** De subsidie voor aanvragen als bedoeld in artikel 2.3.11 wordt verminderd met 11,25% forfaitaire milieu-investeringsaftrek over de gemelde in aanmerking komende investeringskosten bedoeld in artikel 2.3.11, tweede lid, onderdeel i.
|
||||
|
||||
**5.** In aanvulling op het tweede en derde lid bedraagt de subsidie per aanvrager maximaal € 350.000 per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het vijfde lid geldt geen maximum indien de aanvrager OV-concessiehouder is.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
|
||||
|
||||
a. voor een grote onderneming € 80 per kWh opslag;
|
||||
b. voor een mkb-onderneming € 160 per kWh opslag.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, voor het jaar 2024:
|
||||
|
||||
a. € 17.900.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
|
||||
b. € 15.542.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft;
|
||||
c. € 3.480.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft.
|
||||
|
||||
**2.** In aanvulling op het eerste lid geldt dat de Minister in totaal ten hoogste 400 subsidies verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2024:
|
||||
|
||||
a. € 4.500.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven;
|
||||
b. € 800.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven.
|
||||
|
||||
**4.** De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid geldt voor een volledige aanvraag voor een subsidie van minder dan € 25.000 die is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond voor het betreffende jaar is bereikt, en die na de loting bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluit geen subsidie ontvangt, als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.7a
|
||||
|
||||
Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2025.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.7b
|
||||
|
||||
Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2026.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.7c
|
||||
|
||||
Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2027.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.7d
|
||||
|
||||
Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2028.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.8
|
||||
|
||||
Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 24 september 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.9
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, per laadlocatie een aanvraag indienen.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, per laadlocatie een aanvraag per kalenderjaar indienen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, bevat in afwijking van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. naam en adres van de aanvrager;
|
||||
b. het bankrekeningnummer;
|
||||
c. adresgegevens van de locatie waarvoor het laadadvies wordt opgesteld;
|
||||
d. contactpersoon met contactgegevens;
|
||||
e. inschrijfnummers bij de Kamer van Koophandel van de aanvrager en de onderneming bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
f. de doelgroep waartoe de beoogde gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
|
||||
g. het opgestelde advies;
|
||||
h. factuur en betaalbewijs voor het advies bedoeld in onderdeel g;
|
||||
i. de-minimisverklaring.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag wordt ingediend door de penvoerder van het samenwerkingsverband bevat deze:
|
||||
|
||||
a. naam en adres van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
|
||||
b. contactpersoon met contactgegevens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
|
||||
c. inschrijfnummer van de deelnemers aan het samenwerkingsverband bij de Kamer van Koophandel.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.11
|
||||
|
||||
**1.** Indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de aanvraag voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, ingediend binnen 13 weken na de datum waarop de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De aanvraag bevat, naast de in artikel 10 van het Kaderbesluit genoemde gegevens, ten minste:
|
||||
|
||||
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer;
|
||||
b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is;
|
||||
c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
|
||||
d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
|
||||
e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur is aangelegd;
|
||||
f. een factuur voor de aanleg van de laadstations, voorzien van merk, type en specificaties van de laadstations, waaruit het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt op welke datum de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd;
|
||||
g. de-minimisverklaring;
|
||||
h. een document waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 met CS-certificaat of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; en
|
||||
i. hoogte van de gemelde in aanmerking komende investeringskosten op grond van de MIA.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de aangevraagde subsidie ten minste € 25.000 bedraagt, bevat een aanvraag tot subsidieverlening voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, naast de in artikel 10 van het Kaderbesluit genoemde gegevens ten minste:
|
||||
|
||||
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer;
|
||||
b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is;
|
||||
c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
|
||||
d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
|
||||
e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur wordt aangelegd;
|
||||
f. een contract met de netbeheerder dat de voorziene netcapaciteit dekt;
|
||||
g. een offerte met merk, type en specificaties van de laadstations en met de installatiekosten waaruit het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt dat:
|
||||
|
||||
i. het laadsysteem permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 met CS-certificaat of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; en
|
||||
ii. het project gelet op de realisatiedatum uiterlijk 24 maanden na de verlening kan worden afgerond;
|
||||
h. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor de aanleg van laadinfrastructuur op dezelfde locatie.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van eerste lid, onderdeel f, overlegt de aanvrager een capaciteitsberekening waarin wordt aangetoond dat de benodigde netcapaciteit binnen 24 maanden na de verlening gerealiseerd wordt, indien de benodigde netcapaciteit meer dan 50% is van het gecontracteerde transportvermogen dat blijkt uit het contract bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.
|
||||
|
||||
**3.** In aanvulling op eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, een offerte met opslagcapaciteit, vermogen en C-waarde van de stationaire batterij, waaruit tevens blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.13
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
**2.** In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onder a, indien de adviseur tot dezelfde groep of onderneming behoort als de aanvrager.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.14
|
||||
|
||||
**1.** De subsidie wordt direct vastgesteld indien de subsidieverlening minder dan € 25.000 bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** Op grond van artikel 16 van het Kaderbesluit zijn de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing op subsidies van € 125.000 of meer.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.15
|
||||
|
||||
In aanvulling op artikel 17 van het Kaderbesluit is de subsidieontvanger verplicht binnen 24 maanden na de subsidieverlening het project af te ronden en de laadinfrastructuur in gebruik te nemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.16
|
||||
|
||||
Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, verstrekt de Minister gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening een voorschot van 50 procent van het totaal verleende bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.17
|
||||
|
||||
**1.** Een subsidieontvanger kan bij de Minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
|
||||
|
||||
**2.** De subsidieontvanger kan bij de Minister een eenmalig verzoek doen tot uitstel van ten hoogste 12 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien hij kan aantonen dat de benodigde tijd voor de realisatie van de laadinfrastructuur langer is dan de periode, genoemd in artikel 2.3.15.
|
||||
|
||||
**3.** In aanvulling op artikel 24, derde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, in elk geval de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur op het elektriciteitsnet is aangesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.18
|
||||
|
||||
**1.** Subsidie voor de activiteiten bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, wordt verleend op basis van de de-minimisverordening.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Subsidie voor de activiteiten bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, wordt:
|
||||
|
||||
a. verleend op basis van de de-minimisverordening indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt;
|
||||
b. in andere gevallen verleend op basis van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue