2008-03-26 | BWBR0020674 | Besluit inburgering

This commit is contained in:
Coornhert 2008-03-26 12:00:00 +00:00
parent 8b4834347e
commit e450f69ada

View file

@ -30,14 +30,15 @@ k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening, gecombine
l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;
m. prognose: de opgave van het college met betrekking tot:
1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
2°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
3°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
4°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
5°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
2°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
3°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
4°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
5°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
n. budget: het budget dat in het jaar waarop de prognoses betrekking hebben beschikbaar is voor de verstrekking aan gemeenten van de voorschotten op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdragen;
o. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen;
p. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006.
p. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006;
q. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft.
## Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
@ -325,7 +326,9 @@ c. een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving.
**3.** De resultaten van de in het eerste lid genoemde examens worden door de IB-Groep beoordeeld door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid. De resultaten worden uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd». De resultaten worden niet herbeoordeeld.
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de examens, genoemd in het eerste lid.
**4.** De resultaten van het in het eerste lid genoemde examen waarbij het geautomatiseerde systeem niet tot een beoordeling heeft kunnen komen, worden beoordeeld door examinatoren.
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de examens, genoemd in het eerste lid.
### Artikel 3.10
@ -550,6 +553,8 @@ b. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het examen
**4.** Een lening ten behoeve van het afleggen van het inburgeringsexamen wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige tevens een lening ontvangt ten behoeve van het volgen van een cursus.
**5.** De lening wordt niet verstrekt indien aan de inburgeringsplichtige een persoonsvolgend budget is verstrekt.
### Artikel 4.2
**1.** De inburgeringsplichtige heeft aanspraak op de lening gedurende een periode van ten hoogste drie jaar gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de eerste verstrekking van de lening.
@ -709,7 +714,8 @@ Geen recht op vergoeding heeft:
a. de gewezen inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld;
b. de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij het betreft een vreemdeling als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. degene die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen is behaald, niet inburgeringsplichtig was, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
d. degene aan wie de vergoeding reeds eerder is verstrekt.
d. degene aan wie de vergoeding reeds eerder is verstrekt;
e. degene aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt.
**2.** Het eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing op de vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, derde lid.
@ -1025,23 +1031,25 @@ Het voorschot voor een gemeente wordt berekend:
a. indien de door die gemeente ingediende prognose niet tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ];
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ];
b. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget daartoe toereikend is, met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ];
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ];
c. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget niet toereikend is, met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ].
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ].
**4.**
In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld:
met de letter A: het voorschot voor een gemeente ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft;
met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter C: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter B bedoelde inburgeringsvoorziening;
met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter E: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter D bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening;
met de letter F: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
met de letter G: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter F bedoelde inburgeringsvoorziening;
met de letter H: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter I: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter H bedoelde inburgeringsvoorziening;
met de letter J: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
@ -1051,7 +1059,7 @@ In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld:
**5.** Indien door Onze Minister toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel c, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met de door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot.
**6.** Onze Minister verhoogt ten behoeve van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen het voorschot voor een gemeente met een met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, vastgesteld bedrag.
**6.** Onverminderd het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, kan Onze Minister besluiten het voorschot voor een gemeente te verhogen dan wel te verlagen indien de jaarlijkse vaststelling van de prijs, bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, daartoe aanleiding geeft.
**7.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 december van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast.
@ -1126,30 +1134,34 @@ waarin wordt voorgesteld:
met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid;
met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar;
met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen;
met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid;
met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid.
**2.** Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.
**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft, heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.
**4.** Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, vast.
**4.** Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarop het vaste en variabele deel betrekking hebben, vast.
**5.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting.
**6.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald.
**6.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop beide delen van de rijksbijdrage betrekking hebben. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot.
### Artikel 7.7
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.3, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast.
**2.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
**2.** Onze Minister stelt jaarlijks de landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus vast. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop deze prijs wordt vastgesteld.
**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
**3.** Onze Minister stelt de voorschotvergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, en de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet.
**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
**4.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e, g en i, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f, h en j, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
**5.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
**6.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
### Artikel 7.8
@ -1318,15 +1330,15 @@ A U (V x W) = { [ ( B x C ) + ( D x E ) + ( F x G ) + ( H x I ) + ( J x
In de formule, genoemd in het eerste lid, wordt voorgesteld:
met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;
met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L;