2006-09-15 | BWBR0017234 | Besluit EOS: lange termijn
This commit is contained in:
parent
ad1cfb7aa4
commit
e48d20b797
1 changed files with 39 additions and 21 deletions
|
|
@ -28,11 +28,14 @@ b. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:
|
|||
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
|
||||
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
|
||||
c. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen;
|
||||
d. project: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van beide, naar duurzame energiehuishouding waarvan de onderzoeksresultaten naar verwachting niet eerder dan na tien jaar na het tijdstip van subsidieverlening in de markt worden of kunnen worden toegepast;
|
||||
e. duurzame energiehuishouding: energiehuishouding die economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende kwaliteit;
|
||||
f. fundamenteel onderzoek: onderzoek, gericht op het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen;
|
||||
g. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
|
||||
h. kennisinstelling:
|
||||
d. project: lange termijn-project of neo-project;
|
||||
e. lange termijn-project: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van beide, naar een duurzame energiehuishouding, waarvan de onderzoeksresultaten naar verwachting niet eerder dan na tien jaar na het tijdstip van subsidieverlening in de markt worden of kunnen worden toegepast;
|
||||
f. neo-project: een nieuw, planmatig geheel van activiteiten, bestaande uit een haalbaarheidsstudie, fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek, met betrekking tot een innovatief, niet-conventioneel idee voor energietechniek, dat een duurzame energiehuishouding stimuleert, dat kan leiden tot een nieuw onderzoeksgebied of een nieuwe richting binnen een bestaand onderzoeksgebied en dat een hoge technologische risicograad heeft;
|
||||
g. haalbaarheidsstudie: het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse alsmede een inschatting van de technische mogelijkheden van fundamenteel of industrieel onderzoek, of een combinatie van fundamenteel en industrieel onderzoek;
|
||||
h. duurzame energiehuishouding: energiehuishouding die economisch efficiënt is, het milieu minder zwaar belast of voorziet in beschikbaarheid van energie in voldoende mate en van voldoende kwaliteit;
|
||||
i. fundamenteel onderzoek: onderzoek, gericht op het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen;
|
||||
j. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
|
||||
k. kennisinstelling:
|
||||
|
||||
1°. een onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs;
|
||||
2°. een andere dan onder 1° bedoelde geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;
|
||||
|
|
@ -51,8 +54,10 @@ h. kennisinstelling:
|
|||
|
||||
Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:
|
||||
|
||||
a. een in Nederland gevestigde ondernemer of kennisinstelling die voor eigen rekening en risico een project uitvoert dat past in een onderzoeksprogramma;
|
||||
b. de in Nederland gevestigde deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoeren dat past in een onderzoeksprogramma.
|
||||
a. een in Nederland gevestigde ondernemer of kennisinstelling die voor eigen rekening en risico een lange termijn-project uitvoert dat past in een onderzoeksprogramma;
|
||||
b. de in Nederland gevestigde deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een lange termijn-project uitvoeren dat past in een onderzoeksprogramma;
|
||||
c. degene die in Nederland voor eigen rekening en risico een neo-project uitvoert dat past in een onderzoeksprogramma;
|
||||
d. de deelnemers in een samenwerkingsverband die in Nederland voor gezamenlijke rekening en risico een neo-project uitvoeren dat past in een onderzoeksprogramma.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -62,7 +67,8 @@ a. biomassa;
|
|||
b. nieuw gas/schoon fossiel;
|
||||
c. energie-efficiëntie in de industriële en agrarische sector;
|
||||
d. gebouwde omgeving;
|
||||
e. opwekking en netten.
|
||||
e. opwekking en netten;
|
||||
f. nieuw energieonderzoek.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de in Nederland gevestigde deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -82,16 +88,18 @@ c. voor zover door verlening van de subsidie in het kalenderjaar waarin de besch
|
|||
|
||||
**3.** Indien de subsidiabele projectkosten betrekking hebben op zowel fundamenteel als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende subsidiabele projectkosten, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.
|
||||
|
||||
**4.** Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die verordening is vastgesteld en voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer. Indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een onderneming is als bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
**4.** De subsidie bedraagt 100 procent van de projectkosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan fundamenteel onderzoek en 75 procent van de projectkosten voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie voorafgaand aan industrieel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag. Daarbij kan de hoogte van de subsidiepercentages, genoemd in de eerste volzin, per periode als bedoeld in artikel 6 op een lager percentage worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**5.** Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), naar de tekst zoals deze bij die verordening is vastgesteld en voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door de ondernemer. Indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een onderneming is als bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
Onverminderd het vierde lid wordt het in het tweede lid genoemde percentage met 10 procentpunten verhoogd, indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het vijfde lid wordt het in het tweede lid genoemde percentage met 10 procentpunten verhoogd, indien subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, indien:
|
||||
|
||||
a. zich onder deze deelnemers ten minste één kennisinstelling en ten minste één ondernemer bevinden, of
|
||||
b. ten minste één deelnemer in het samenwerkingsverband in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer en deze deelnemer een wezenlijke bijdrage levert aan het project.
|
||||
|
||||
**6.** Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het desbetreffende bedrag dat bij regeling van Onze Minister is genoemd, noch, uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, meer bedraagt dan het ingevolge het eerste tot en met vierde lid geldende percentage.
|
||||
**7.** Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, niet meer bedraagt dan het ingevolge het eerste tot en met zesde lid geldende percentage.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -122,7 +130,7 @@ b. een opslag voor algemene kosten, groot 50 procent van de onder a, onder 1°,
|
|||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Er is een Adviescommissie lange termijn energieonderzoek, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie voor een project.
|
||||
**1.** Er is een Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie voor een project.
|
||||
|
||||
**2.** De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
|
||||
|
||||
|
|
@ -179,34 +187,44 @@ Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na aflo
|
|||
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
|
||||
|
||||
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
|
||||
b. indien hij het onaannemelijk acht dat het project binnen vier jaren kan worden voltooid;
|
||||
b. indien hij het onaannemelijk acht dat:
|
||||
|
||||
1°. het lange termijn-project binnen vier jaren kan worden voltooid;
|
||||
2°. het neo-project dat een haalbaarheidsstudie betreft binnen één jaar kan worden voltooid en het neo-project dat een fundamenteel onderzoek, een industrieel onderzoek of een combinatie van beide betreft binnen twee jaren kan worden voltooid.
|
||||
c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek.
|
||||
**1.** Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Onze Minister wint geen advies in over een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
|
||||
|
||||
a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van het besluit en de daarop berustende bepalingen;
|
||||
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project;
|
||||
c. indien toepassing van het projectresultaat in de markt naar verwachting eerder zal plaatsvinden dan tien jaren na het tijdstip van de subsidieverlening;
|
||||
d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren.
|
||||
c. indien toepassing van het het resultaat van het lange termijn-project in de markt naar verwachting eerder zal plaatsvinden dan tien jaren na het tijdstip van de subsidieverlening;
|
||||
d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
|
||||
e. indien het neo-project onvoldoende potentie heeft om bij te dragen aan de opbouw van een sterkere kennispositie in Nederland.
|
||||
|
||||
**3.** De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of aan de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.
|
||||
**4.** De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen criteria omtrent een duurzame energiehuishouding of aan de versterking van de kennispositie van Nederland omtrent duurzame energiehuishouding.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de rangschikking wegingsfactoren worden vastgesteld.
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de rangschikking wegingsfactoren worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek een negatief advies heeft uitgebracht.
|
||||
**1.** Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek een negatief advies heeft uitgebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 12a
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 12 verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag voor haalbaarheidsstudies in de volgorde van de ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue