2008-01-01 | BWBR0007168 | Wet belastingen op milieugrondslag
This commit is contained in:
parent
5a52eaa79f
commit
e491e4d120
1 changed files with 640 additions and 461 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet belastingen op milieugrondslag
|
|||
bwb_id: BWBR0007168
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2000-01-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2008-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0007168
|
||||
citeertitel: Wet belastingen op milieugrondslag
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -19,8 +19,10 @@ Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:
|
|||
a. een belasting op grondwater;
|
||||
b. een belasting op leidingwater;
|
||||
c. een belasting op afvalstoffen;
|
||||
d. een belasting op brandstoffen;
|
||||
e. een energiebelasting.
|
||||
d. een belasting op kolen;
|
||||
e. een energiebelasting;
|
||||
f. (gereserveerd);
|
||||
g. een verpakkingenbelasting.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -30,9 +32,9 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaa
|
|||
|
||||
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
|
||||
b. Onze Ministers: Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
c. GN-code: een code als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), zoals deze luidt op 1 januari 2002.
|
||||
c. GN-code: een code als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), zoals deze luidt op 1 januari 2002.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, en artikel 36a, eerste lid, onderdelen m, n en o, worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in de richtlijn nr. 2003/96/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEG L 283), in overeenstemming met artikel 2, lid vijf, van die richtlijn zijn aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de datum in het eerste lid, onderdeel c, worden vervangen door de datum van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in artikel 32, onderdeel a, en artikel 47, eerste lid, onderdelen m en n, worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in de richtlijn nr. 2003/96/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU L 283), in overeenstemming met artikel 2, lid vijf, van die richtlijn zijn aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de datum in het eerste lid, onderdeel c, worden vervangen door de datum van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. Grondwaterbelasting
|
||||
|
||||
|
|
@ -49,17 +51,20 @@ b. zoet grondwater: grondwater dat minder dan 300 milligram chloride per liter b
|
|||
c. een inrichting: een inrichting als bedoeld in de Grondwaterwet, bestemd tot het onttrekken van grondwater;
|
||||
d. onttrekken van grondwater: het onttrekken van grondwater aan de bodem door middel van een inrichting;
|
||||
e. infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater;
|
||||
f. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur;
|
||||
f. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meter per uur;
|
||||
g. een waterleidingbedrijf: een waterleidingbedrijf in de zin van de Waterleidingwet;
|
||||
h. OEDI: een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen gecombineerde inrichting voor grondwaterwinning met voorschakeling van oeverfiltratie en diepinfiltratie.
|
||||
|
||||
**2.** Inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één inrichting aangemerkt.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden als één inrichting aangemerkt:
|
||||
|
||||
a. inrichtingen die een samenhangend geheel vormen;
|
||||
b. inrichtingen van dezelfde houder die op minder dan een kilometer afstand van elkaar gelegen zijn en die worden gebruikt voor overeenkomstige doeleinden.
|
||||
|
||||
**3.** Als waterleidingbedrijf wordt mede aangemerkt de persoon die of het lichaam dat op zichzelf niet een waterleidingbedrijf is in de zin van de Waterleidingwet, doch met een dergelijk bedrijf in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig is verweven dat die persoon of dat lichaam met dat bedrijf een eenheid vormt.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de wijze waarop de pompcapaciteit van een inrichting bepaald wordt.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater:
|
||||
|
||||
|
|
@ -80,75 +85,70 @@ De belasting wordt geheven van de houder van een inrichting.
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** De belasting wordt berekend over de onttrokken hoeveelheid grondwater, gemeten in kubieke meters.
|
||||
**1.** De belasting wordt berekend over de onttrokken hoeveelheid grondwater, gemeten in kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** Op de belasting wordt een vermindering toegepast, berekend over het aantal kubieke meters geïnfiltreerd water, indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken of voor het infiltreren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet en voor zover het infiltreren van water geschiedt in rechtstreeks verband met een belaste onttrekking van grondwater.
|
||||
**2.** Op de belasting wordt een vermindering toegepast, berekend over het aantal kubieke meter geïnfiltreerd water, indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken of voor het infiltreren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet en voor zover het infiltreren van water geschiedt in rechtstreeks verband met een belaste onttrekking van grondwater.
|
||||
|
||||
**3.** Op voordracht van Onze Ministers kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het aantal kubieke meters van de onttrekking onderscheidenlijk de infiltratie van water wordt vastgesteld.
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Ministers vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze waarop het aantal kubieke meter van de onttrekking onderscheidenlijk de infiltratie van water wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip van onttrekking.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Vrijstellingen en tarief
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
Vrijgesteld zijn de volgende onttrekkingen van grondwater:
|
||||
|
||||
a. onttrekking door middel van een inrichting met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 kubieke meters per uur;
|
||||
b. onttrekking door middel van een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouw- en waterbouwkundige werken, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 000 kubieke meters per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 4 achtereenvolgende maanden;
|
||||
c. onttrekking door middel van een inrichting die bij wijze van proef grondwater aan de bodem onttrekt, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 000 kubieke meters per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 4 achtereenvolgende maanden;
|
||||
d. onttrekking door middel van een inrichting ten behoeve van noodvoorzieningen, waaronder mede worden verstaan brandputten, koeling van noodstroomaggregaten, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt voor buitengewone omstandigheden;
|
||||
e. onttrekking door middel van een inrichting die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend wordt gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, dan wel voor beide doeleinden;
|
||||
f. onttrekkingen ten behoeve van de sanering van het grondwater;
|
||||
g. onttrekkingen ten behoeve van koude- en warmte-opslag door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken en terugvoeren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet;
|
||||
h. onttrekkingen ten behoeve van het gebruik als spoelwater voor meermaals te gebruiken produktverpakkingen;
|
||||
i. onttrekkingen ten behoeve van landijsbanen.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** Het tarief bedraagt per kubieke meter onttrokken grondwater € 0,1855.
|
||||
**1.** Het tarief bedraagt per kubieke meter onttrokken grondwater € 0,1883.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief nihil voor onttrekkingen door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken en terugvoeren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor onttrekkingen met behulp van een OEDI per kubieke meter onttrokken grondwater € 0,0600 voor zover de in een jaar onttrokken hoeveelheid grondwater de in dat jaar geïnfiltreerde hoeveelheid water niet overschrijdt, met dien verstande dat in dat geval de onttrekking door middel van een oevergrondwaterwinning en de infiltratie niet in aanmerking worden genomen.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor onttrekkingen met behulp van een OEDI per kubieke meter onttrokken grondwater € 0,0609 voor zover de in een jaar onttrokken hoeveelheid grondwater de in dat jaar geïnfiltreerde hoeveelheid water niet overschrijdt, met dien verstande dat in dat geval de onttrekking door middel van een oevergrondwaterwinning en de infiltratie niet in aanmerking wordt genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
De in artikel 6, tweede lid, bedoelde vermindering bedraagt per kubieke meter geïnfiltreerd water € 0,1577.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Vrijstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
De in artikel 6, tweede lid, bedoelde vermindering bedraagt per kubieke meter geïnfiltreerd water € 0,1554.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
### Afdeling 4a. Teruggaaf
|
||||
Vrijgesteld zijn de volgende onttrekkingen van grondwater:
|
||||
|
||||
### Artikel 10a
|
||||
a. onttrekking door middel van een inrichting met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meter per uur;
|
||||
b. onttrekking door middel van een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouw- en waterbouwkundige werken, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 000 kubieke meter per maand en de onttrekking niet langer duurt dan vier aaneengesloten maanden;
|
||||
c. onttrekking door middel van een inrichting die bij wijze van proef grondwater aan de bodem onttrekt, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 000 kubieke meter per maand en de onttrekking niet langer duurt dan vier aaneengesloten maanden;
|
||||
d. onttrekking door middel van een inrichting ten behoeve van noodvoorzieningen, waaronder mede wordt verstaan brandputten, koeling van noodstroomaggregaten, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden;
|
||||
e. onttrekking door middel van een inrichting die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend wordt gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, dan wel voor beide doeleinden;
|
||||
f. onttrekkingen in het kader van een bodem- of grondwatersaneringsproject;
|
||||
g. onttrekkingen ten behoeve van koude- en warmteopslag door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken en terugvoeren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet;
|
||||
h. onttrekkingen ten behoeve van landijsbanen.
|
||||
|
||||
**1.** Aan degene die van een waterleidingbedrijf betrokken water gebruikt als spoelwater voor meermaals te gebruiken produktverpakkingen wordt op zijn verzoek door de inspecteur een teruggaaf verleend van de belasting op de betrokken hoeveelheid spoelwater.
|
||||
**2.** Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt slechts één maal per inrichting verleend.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
**3.** Indien zich in de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde periode van vier aaneengesloten maanden ten gevolge van aantoonbare overmacht een onderbreking in de werkzaamheden voordoet, wordt die periode verlengd met een periode die gelijk is aan de duur van de overmachtsituatie.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het vierde lid bedoelde kennisgeving.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het derde lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.
|
||||
|
||||
**5.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
|
||||
### Afdeling 6. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** De belastingplichtige is gehouden een administratie te voeren zodanig dat daaruit de hoeveelheden van de onttrekkingen en van de infiltraties van water te allen tijde duidelijk blijken.
|
||||
**1.** De belastingplichtige voert een administratie waaruit de hoeveelheden van de onttrekkingen en van de infiltraties van water duidelijk blijken.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting moet worden voldaan.
|
||||
**2.** Geen administratie behoeft te worden gevoerd ter zake van een onttrekking als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, d, e, f, g en h.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIA. Belasting op leidingwater
|
||||
**3.** Geen administratie behoeft te worden gevoerd ter zake van een onttrekking als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b en c, indien vaststaat dat de onttrekking niet langer dan twee aaneengesloten maanden zal duren en de pompcapaciteit van de inrichting minder dan zestig kubieke meter per uur bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 11a
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
|
|
@ -156,37 +156,37 @@ a. leidingwater: water dat door een waterleidingbedrijf of een afzonderlijke wat
|
|||
b. waterleidingbedrijf: een waterleidingbedrijf als bedoeld in de Waterleidingwet;
|
||||
c. afzonderlijke watervoorziening: landgebonden voorziening, niet zijnde een waterleidingbedrijf, voor de winning of behandeling van water, dat met behulp van een leiding of distributienet als leidingwater ter beschikking wordt gesteld;
|
||||
d. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening, waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;
|
||||
e. particuliere installatie voor centrale watervoorziening: een voorziening voor de levering van water aan meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken, welke installatie permanent is aangesloten op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening.
|
||||
e. particuliere installatie voor centrale watervoorziening: installatie voor de levering van water aan meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, welke installatie permanent is aangesloten op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 11b
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
Onder de naam belasting op leidingwater wordt een belasting geheven op leidingwater.
|
||||
|
||||
### Artikel 11c
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** De belasting wordt geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 300 kubieke meter per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting.
|
||||
**1.** De belasting wordt geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 300 kubieke meter per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden wordt de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrens naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
**2.** Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden wordt de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrens naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de levering van leidingwater aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd water, met dien verstande dat, indien de exploitant van de installatie aan degene die het leidingwater heeft geleverd een verklaring heeft overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken, bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken dat door de installatie van water wordt voorzien, ten hoogste wordt geheven over een hoeveelheid van 300 kubieke meter vermenigvuldigd met dat aantal.
|
||||
**3.** Bij de levering van leidingwater aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd water, met dien verstande dat, indien de exploitant van de installatie aan degene die het leidingwater heeft geleverd een verklaring heeft overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken, bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken dat door de installatie van water wordt voorzien, ten hoogste wordt geheven over een hoeveelheid van 300 kubieke meter vermenigvuldigd met dat aantal.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 11d
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
|
||||
|
||||
### Artikel 11e
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in kubieke meters.
|
||||
**1.** De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke meters bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt aan die verbruikers.
|
||||
**2.** Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke meter bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt aan die verbruikers.
|
||||
|
||||
### Artikel 11f
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -196,70 +196,54 @@ a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorsch
|
|||
|
||||
1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede
|
||||
2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode;
|
||||
b. in andere gevallen op het tijdstip van de uitreiking van de factuur.
|
||||
b. in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt en geen voorschotbedrag wordt ontvangen, op het tijdstip van de uitreiking van de factuur;
|
||||
c. in overige gevallen op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 11c, eerste lid, wordt de hoeveelheid water, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 14, eerste lid, wordt de hoeveelheid leidingwater, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid.
|
||||
|
||||
**3.** Onder de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotten.
|
||||
**3.** In gevallen waarin per verbruiksperiode van twaalf maanden meer dan 300 kubieke meter leidingwater via een aansluiting aan een verbruiker wordt geleverd en ter zake van die levering voorschotnota’s worden uitgereikt of voorschotbedragen worden ontvangen, wordt bij de berekening van de op de verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotbedragen naar evenredigheid rekening gehouden met de belasting die overeenkomstig artikel 14, eerste lid, ter zake van de hoeveelheid van 300 kubieke meter verschuldigd is.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
**4.** Onder de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotbedragen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de in het vierde lid bedoelde verrekening leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 11g
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Het tarief bedraagt € 0,149 per kubieke meter.
|
||||
Het tarief bedraagt € 0,151 per kubieke meter leidingwater.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Vrijstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 11h
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
**1.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van leidingwater door middel van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden.
|
||||
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van leidingwater door middel van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden.
|
||||
|
||||
**2.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter effectuering van de toepassing van het eerste lid. Daarbij worden tevens regels gesteld inzake administratieve verplichtingen.
|
||||
### Afdeling 6. Teruggaaf
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Teruggaven
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
### Artikel 11i
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van de levering van leidingwater, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 11d, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het vierde lid bedoelde kennisgeving.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het derde lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.
|
||||
|
||||
**5.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 11j
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor zover de belasting over de hoeveelheden leidingwater die door een verbruiker in een verbruiksperiode van 12 maanden van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor zover de belasting over de hoeveelheden leidingwater die door een verbruiker in een verbruiksperiode van twaalf maanden van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
|
||||
|
||||
**2.** De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de verbruiker.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 11i, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 11k
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De in artikel 15 bedoelde belastingplichtige voert een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.
|
||||
|
||||
De belastingplichtige, bedoeld in artikel 11d, is gehouden een administratie te voeren zodanig dat – voor zover dat voor de heffing van de belasting van belang kan zijn daaruit te allen tijde duidelijk blijken:
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.
|
||||
|
||||
a. de gegevens betreffende de door hem verrichte leveringen;
|
||||
b. de gegevens betreffende de toepassing van de in artikel 11c, eerste lid, bedoelde hoeveelheidsgrens.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen moet worden voldaan.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Afvalstoffenbelasting
|
||||
## Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -272,18 +256,17 @@ ba. nuttige toepassing: nuttige toepassing als bedoeld in de Wet milieubeheer;
|
|||
bb. storten: storten als bedoeld in de Wet milieubeheer;
|
||||
c. inrichting: een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, werken daaronder niet begrepen, waarin afvalstoffen worden verwijderd;
|
||||
d. baggerspecie: grond die uit de bodem is vrijgekomen via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte, daaronder begrepen sediment en het residu van de reiniging van baggerspecie;
|
||||
e. ontinktingsresidu: de afvalstof die bij papier- en kartonfabrieken die oud papier als grondstof inzetten, ontstaat tijdens het proces waarbij het oud papier wordt ontinkt door middel van een flotatie- of wasproces;
|
||||
f. stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur dan wel door menselijk toedoen worden voortgebracht;
|
||||
g. preparaten: mengsels of oplossingen van stoffen;
|
||||
h. volumieke massa: gewicht per volume-eenheid uitgedrukt in kilogram per kubieke meter;
|
||||
i. percolaat: vloeistof die uit gestorte afvalstoffen komt of daarmee in contact is geweest;
|
||||
j. stortgas: gas dat uit gestorte afvalstoffen vrijkomt als gevolg van biologische afbraakreacties.
|
||||
e. stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur dan wel door menselijk toedoen worden voortgebracht;
|
||||
f. preparaten: mengsels of oplossingen van stoffen;
|
||||
g. volumieke massa: gewicht per volume-eenheid uitgedrukt in kilogram per kubieke meter;
|
||||
h. percolaat: vloeistof die uit gestorte afvalstoffen komt of daarmee in contact is geweest;
|
||||
i. stortgas: gas dat uit gestorte afvalstoffen vrijkomt als gevolg van biologische afbraakreacties.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden niet tot afvalstoffen gerekend die stoffen, preparaten en andere producten, die voldoen aan de voorwaarden van bij algemene maatregel van bestuur opgesomde besluiten en regelingen volgens welke deze stoffen, preparaten en andere producten buiten inrichtingen met een stortplaats milieuhygiënisch verantwoord zijn toe te passen, dan wel bestemd zijn te worden gebruikt voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen toepassingen die hetzij verband houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uitmaken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -294,30 +277,64 @@ b. de verwijdering van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontsta
|
|||
|
||||
**2.** De aan een inrichting afgegeven afvalstoffen worden geacht alle te zijn afgegeven ter verwijdering.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
De belasting wordt geheven van de houder van een inrichting.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** De belasting wordt berekend over het gewicht van de afvalstoffen, gemeten in kilogrammen.
|
||||
|
||||
**2.** Door Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het gewicht van de afvalstoffen wordt bepaald.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het gewicht van de afvalstoffen wordt bepaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop:
|
||||
|
||||
a. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, ter verwijdering worden afgegeven;
|
||||
b. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, binnen de inrichting waarin deze stoffen zijn ontstaan, worden verwijderd.
|
||||
a. de afvalstoffen ter verwijdering worden afgegeven;
|
||||
b. de afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze stoffen zijn ontstaan, worden verwijderd.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Vrijstellingen en tarief
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
**1.** Op de verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of andere producten die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, hebben verlaten, met dien verstande dat de vermindering niet wordt toegepast ter zake van percolaat of stortgas.
|
||||
|
||||
**2.** Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat voor de berekening van de verschuldigde belasting met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen.
|
||||
|
||||
**3.** Het in het tweede lid bedoelde verhoudingsgetal wordt gebaseerd op de gegevens uit het voorafgaande tijdvak. Na afloop van het kalenderjaar vindt herrekening plaats op de voet van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde vermindering van belasting en het in het tweede lid bedoelde verhoudingsgetal worden toegepast.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het tarief bedraagt in geval van:
|
||||
|
||||
a. het storten van afvalstoffen: € 88,21 per 1000 kilogram;
|
||||
b. het verbranden van afvalstoffen: nihil.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief € 14,56 per 1000 kilogram voor:
|
||||
|
||||
a. afvalstoffen die uitsluitend bestaan uit de categorie van afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 21, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;
|
||||
b. gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
|
||||
c. afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1100 kilogram per kubieke meter;
|
||||
d. bij regeling van Onze Ministers aan te wijzen afvalstoffen die niet verbrandbaar en niet herbruikbaar zijn, die onvermengd zijn met andere afvalstoffen en die rechtstreeks door de producent worden aangeboden.
|
||||
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde afvalstoffen moeten worden aangeboden.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5*. Vrijstelling
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** Vrijgesteld is de verwijdering van baggerspecie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -325,236 +342,270 @@ b. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, binnen de in
|
|||
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde verklaring wordt verstrekt door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
### Afdeling 6*. Teruggaaf
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het tarief bedraagt in geval van:
|
||||
Op verzoek wordt teruggaaf verleend van belasting ter zake van afvalstoffen die afkomstig zijn van een overtreder jegens wie krachtens artikel 18.2 van de Wet milieubeheer bestuursdwang is toegepast, indien:
|
||||
|
||||
a. Het storten van afvalstoffen: € 86,91 per 1000 kilogram;
|
||||
b. het verbranden van afvalstoffen: nihil.
|
||||
a. de afvalstoffen ter verwijdering aan een inrichting zijn afgegeven door of vanwege het bevoegd gezag van een provincie of van een gemeente;
|
||||
b. de afvalstoffenbelasting door de houder van de inrichting bij de provincie of de gemeente in rekening is gebracht;
|
||||
c. de afvalstoffen gescheiden van andere afvalstoffen zijn afgegeven aan de inrichting; en
|
||||
d. de kosten die verband houden met de toepassing van bestuursdwang, hieronder begrepen de stortkosten, de verschuldigde afvalstoffenbelasting en de overige kosten die direct met de verwijdering van de afvalstoffen verband houden, niet of niet geheel verhaald kunnen worden op de overtreder.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** De teruggaaf wordt verleend aan de provincie of de gemeente, die de afvalstoffen ter verwijdering heeft afgegeven.
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief € 14,34 per 1000 kilogram voor:
|
||||
**3.** De teruggaaf bedraagt maximaal de betaalde afvalstoffenbelasting die naar evenredigheid is toe te rekenen aan het deel van de totale kosten van de toepassing van bestuursdwang dat niet verhaald kan worden op de overtreder.
|
||||
|
||||
a. afvalstoffen die uitsluitend bestaan uit de categorieën van afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 17 en 21 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;
|
||||
b. gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
|
||||
c. afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1100;
|
||||
d. bij regeling van Onze Ministers aan te wijzen afvalstoffen die niet verbrandbaar en niet herbruikbaar zijn, die onvermengd zijn met andere afvalstoffen en die rechtstreeks door de producent worden aangeboden.
|
||||
### Afdeling 7*. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Ministers regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde afvalstoffen moeten worden aangeboden.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4a. Teruggaaf
|
||||
|
||||
### Artikel 18a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 18b
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van belasting verleend met betrekking tot stoffen, preparaten of andere producten die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, verlaten, met dien verstande dat geen teruggaaf wordt verleend voor percolaat of stortgas.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde stoffen, preparaten of andere producten die nuttig zijn toegepast, nadere regels worden gesteld ter berekening van het terug te geven bedrag aan belasting.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen.
|
||||
|
||||
**4.** Het verhoudingsgetal, bedoeld in het derde lid, wordt gebaseerd op de in het voorafgaande tijdvak gerealiseerde cijfers. Na afloop van het kalenderjaar vindt herrekening plaats op de voet van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 18c
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van de afgifte ter verwijdering van afvalstoffen, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 14, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
**1.** De belastingplichtige is gehouden een administratie te voeren zodanig dat daaruit te allen tijde duidelijk blijken de aard, de hoeveelheid en de herkomst van de afvalstoffen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verplichting moet worden nagekomen.
|
||||
**2.** De belastingplichtige is gehouden de administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze is opgenomen welke stoffen, preparaten of andere producten als bedoeld in artikel 22, tweede lid, in welke hoeveelheden en op welk tijdstip de inrichting zijn binnengebracht dan wel hebben verlaten.
|
||||
|
||||
**3.** De belastingplichtige is gehouden de administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze is opgenomen welke stoffen, preparaten of andere producten als bedoeld in artikel 12, tweede lid, in welke hoeveelheden en op welk tijdstip de inrichting zijn binnengebracht dan wel hebben verlaten.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Brandstoffenbelasting
|
||||
## Hoofdstuk V. Kolenbelasting
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. kolen: producten van de GN-codes 2701, 2702 en 2704;
|
||||
b. brandstof: een stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten, bij welke verbranding verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken;
|
||||
c. afleveren: het aan de voorraad onttrekken door een leverancier in verband met de afgifte aan of verzending naar een afnemer;
|
||||
d. gebruiken: het aanwenden als brandstof;
|
||||
e. duaal gebruik: aanwenden van kolen zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** Onder de naam brandstoffenbelasting wordt een belasting geheven op kolen.
|
||||
|
||||
**2.** De belasting wordt geheven ter zake van de aflevering of het gebruik van kolen.
|
||||
|
||||
**3.** De belasting wordt slechts geheven voorzover de kolen door degene die deze aflevert of gebruikt, zijn gewonnen, vervaardigd of binnen Nederland zijn gebracht.
|
||||
|
||||
**4.** De belasting wordt geheven ongeacht de bewerking die op de kolen is toegepast.
|
||||
|
||||
**5.** Als aflevering of gebruik wordt niet aangemerkt het gebruik van kolen voor het vervaardigen van kolen, energieproducten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d en e, of minerale oliën als bedoeld in de Wet op de accijns indien het gebruik van de kolen plaats vindt binnen de inrichting waarin zij zijn ontstaan.
|
||||
|
||||
**6.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder het vijfde lid toepassing vindt.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
De belasting wordt geheven van degene die de kolen aflevert of gebruikt.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
De belasting wordt geheven per eenheid brandstof, uitgedrukt in kilogram.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de aflevering of het gebruik van de kolen plaatsvindt.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** Het tarief bedraagt per 1000 kilogram kolen € 12,76.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief nihil voor kolen die worden afgeleverd met een buiten Nederland gelegen bestemming, mits kan worden aangetoond dat de desbetreffende brandstoffen in verband met de aflevering buiten Nederland zijn gebracht.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Vrijstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de aflevering of het gebruik van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30%.
|
||||
|
||||
**2.** Als installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30% wordt aangemerkt een installatie met een gemiddeld gebruik van maximaal 12 megajoule per opgewekt kWh.
|
||||
|
||||
**3.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van duaal gebruik van kolen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, worden verleend.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Teruggaaf
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** Aan degene die door derden aan hem afgeleverde kolen heeft aangewend anders dan als brandstof of voor duaal gebruik, wordt op zijn verzoek door de inspecteur een teruggaaf verleend van de belasting.
|
||||
|
||||
**2.** Aan degene die kolen aflevert met een buiten Nederland gelegen bestemming, dan wel buiten Nederland brengt teneinde daar door hem te worden afgeleverd of gebruikt, wordt op verzoek door de inspecteur een teruggaaf verleend van de belasting op de desbetreffende kolen.
|
||||
|
||||
**3.** De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**4.** Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het vijfde lid bedoelde kennisgeving.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het vierde lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.
|
||||
|
||||
**6.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**7.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30% als bedoeld in artikel 26.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt verleend aan de verbruiker.
|
||||
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt verleend.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 27, derde tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** De belastingplichtige is gehouden een administratie te voeren zodanig dat, voorzover dat voor de heffing van belang kan zijn, daaruit te allen tijde duidelijk blijken de gegevens betreffende het winnen, vervaardigen, binnen Nederland brengen, afleveren en gebruiken van kolen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting moet worden voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
b. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor de verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten;
|
||||
c. duaal gebruik: aanwenden van kolen zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof;
|
||||
d. vervaardigen van kolen: elk handelen waarbij of waardoor kolen ontstaan;
|
||||
e. inrichting: iedere plaats waar op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk kolen onder schorsing van belasting mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden;
|
||||
f. plaats voor tijdelijke opslag: plaats die als zodanig is goedgekeurd krachtens artikel 51, eerste lid, van het Communautair douanewetboek;
|
||||
g. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
|
||||
h. derde land: elk ander grondgebied dan het grondgebied van de lidstaten zoals dat is omschreven in artikel 2 van richtlijn nr. 92/12/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PbEG L 76);
|
||||
i. communautaire douaneregeling: communautaire douaneregeling als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel I, van de Wet op de accijns;
|
||||
j. schorsing van belasting: stelsel waarin van kolen die worden vervaardigd, worden verwerkt, voorhanden zijn of worden vervoerd, op grond van de bepalingen van deze wet de belasting nog niet is geheven;
|
||||
k. ondernemer: ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968;
|
||||
l. uitslag: brengen van kolen buiten een plaats die voor kolen als inrichting is aangewezen;
|
||||
m. invoer: vanuit een derde land brengen van kolen in Nederland.
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van kolen als brandstof binnen een inrichting.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van kolen waarvan de belasting niet is geheven, door:
|
||||
|
||||
a. een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een inrichting;
|
||||
b. een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer;
|
||||
c. een natuurlijk persoon voor andere doeleinden dan voor persoonlijk gebruik.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het tweede lid is, onder bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, niet van toepassing met betrekking tot kolen die worden vervoerd naar:
|
||||
|
||||
a. een inrichting;
|
||||
b. een andere lidstaat via Nederland;
|
||||
c. een derde land.
|
||||
|
||||
**4.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verplichtingen waaraan de in het tweede lid bedoelde personen of lichamen voor de toepassing van dit hoofdstuk moeten voldoen.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als uitslag wordt niet aangemerkt het brengen van kolen vanuit een inrichting naar:
|
||||
|
||||
a. een andere inrichting;
|
||||
b. een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, in een andere lidstaat;
|
||||
c. een derde land.
|
||||
|
||||
**2.** Als uitslag wordt niet aangemerkt het gebruik van kolen voor het vervaardigen van kolen, aardgas als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel m, producten die op grond van artikel 48, tweede lid, als aardgas worden aangemerkt, of minerale oliën als bedoeld in artikel 25 van de Wet op de accijns.
|
||||
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder het eerste en tweede lid toepassing vinden.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als invoer wordt mede aangemerkt:
|
||||
|
||||
a. het in Nederland beëindigen van een communautaire douaneregeling waaronder kolen zijn geplaatst, anders dan door plaatsing onder een andere communautaire douaneregeling;
|
||||
b. het in Nederland onttrekken van kolen aan een communautaire douaneregeling;
|
||||
c. het eigen gebruik als brandstof in Nederland van kolen die onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst of binnen een plaats voor tijdelijke opslag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Als invoer wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. brengen van kolen vanuit een derde land naar een inrichting of naar een plaats voor tijdelijke opslag;
|
||||
b. in Nederland plaatsen onder een communautaire douaneregeling van vanuit een derde land binnengebrachte kolen;
|
||||
c. brengen van kolen die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling naar een inrichting;
|
||||
d. brengen van kolen vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een inrichting;
|
||||
e. onder ambtelijk toezicht vernietigen van kolen die onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Onder de naam kolenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van kolen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VA. Energiebelasting
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
**1.** Ter zake van uitslag wordt de belasting geheven van de vergunninghouder van de inrichting.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 33, tweede lid, geheven van degene die de kolen voorhanden heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
**1.** Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Als inrichting kan worden aangemerkt:
|
||||
|
||||
a. een plaats waar kolen worden vervaardigd;
|
||||
b. een plaats waar geen kolen worden vervaardigd maar die dient voor de opslag van kolen, indien de hoeveelheid kolen die gemiddeld over een jaar voorhanden is meer bedraagt dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen hoeveelheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek dient te bevatten.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 38, tweede lid, kan, indien degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen niet beschikt over een plaats waar kolen worden vervaardigd dan wel opgeslagen, een verzoek om een vergunning voor een inrichting door de inspecteur worden toegewezen, indien deze persoon in Nederland is gevestigd en in de uitoefening van zijn onderneming optreedt als handelaar in kolen, maar de door hem gekochte kolen niet zelf in opslag neemt.
|
||||
|
||||
**4.** De artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.** Ter zake van uitslag wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 33, tweede lid, verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de kolen.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet, met uitzondering van artikel 868 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Maatstaf van heffing
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
De belasting wordt berekend over het gewicht van de kolen, uitgedrukt in kilogram.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Het tarief bedraagt per 1000 kilogram kolen € 12,95.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Vrijstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt anders dan als brandstof.
|
||||
|
||||
**2.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30 percent. Als installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30 percent wordt aangemerkt een installatie met een gemiddeld verbruik van maximaal 12 megajoule per opgewekt kWh.
|
||||
|
||||
**3.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die duaal worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**4.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Teruggaaf
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een in artikel 44, eerste tot en met derde lid, bedoelde wijze.
|
||||
|
||||
**2.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die – anders dan vanuit een inrichting – zijn gebracht naar een andere lidstaat dan wel een derde land.
|
||||
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
**1.** De belastingplichtige voert een administratie waaruit, voor zover dat voor de heffing van belang kan zijn, de gegevens betreffende het vervaardigen, invoeren, uitslaan en gebruik van kolen duidelijk blijken.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van de belasting, regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. het vervoer van kolen;
|
||||
b. het leveren van kolen;
|
||||
c. het voorhanden hebben van kolen buiten een inrichting.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op kolen die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 83 van de Wet op de accijns is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Energiebelasting
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 36a
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas: hetgeen ingevolge de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns onder deze begrippen wordt verstaan;
|
||||
b. L: een liter bij een temperatuur van 15°C;
|
||||
b. L: een liter bij een temperatuur van 15 graden Celsius;
|
||||
c. weg, motorrijtuig en pleziervaartuig: hetgeen ingevolge artikel 27, vijfde lid, van de Wet op de accijns onder deze begrippen wordt verstaan;
|
||||
d. invoer: invoer in de zin van de Wet op de accijns;
|
||||
e. uitslag: uitslag in de zin van de Wet op de accijns;
|
||||
f. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen *a* tot en met *e*, van de Wet waardering onroerende zaken op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;
|
||||
f. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;
|
||||
g. installatie voor warmtekrachtkoppeling: een installatie waarin aardgas wordt verstookt voor de gecombineerde opwekking van warmte en kracht met een totaal energetisch rendement van minimaal 60%, gebaseerd op de calorische onderwaarde van het gas. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het rendement van de elektriciteitsopwekking en tweederde deel van het rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas;
|
||||
h. installatie voor blokverwarming: een gemeenschappelijke voorziening, niet zijnde een installatie voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in onderdeel *g*, voor de verwarming van meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel *c*, van de Wet waardering onroerende zaken;
|
||||
h. installatie voor blokverwarming: een gemeenschappelijke voorziening voor de verwarming van meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken;
|
||||
i. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;
|
||||
j. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
|
||||
k. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is;
|
||||
l. Nm^3: een normaalkubiekemeter;
|
||||
m. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00;
|
||||
n. overige gassen: hoogovengas, cokesovengas, kolengas, raffinaderijgas en KV-gas als bedoeld in de GN-code 2705;
|
||||
o. elektriciteit: elektrische energie van de GN-code 2716;
|
||||
p. brandstof: een stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten, bij welke verbranding verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken;
|
||||
q. energie-intensief bedrijf: een zakelijke eenheid als bedoeld in artikel 36i, zevende lid, waar de kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0% van de productiewaarde uitmaken, of waar de verschuldigde energiebelasting en accijns op minerale oliën ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt;
|
||||
r. kosten van aankoop van energieproducten en elektriciteit, productiewaarde en toegevoegde waarde: hetgeen ingevolge artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEG L 283) onder deze begrippen wordt verstaan;
|
||||
s. CNG: aardgas dat na compressie geschikt is voor de aanwending in motorrijtuigen;
|
||||
t. CNG-vulstation: een rechtstreeks op het distributienet van aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen.
|
||||
m. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00;
|
||||
n. elektriciteit: elektrische energie van de GN-code 2716;
|
||||
o. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten;
|
||||
p. energie-intensief bedrijf: een zakelijke eenheid als bedoeld in onderdeel t, waar de kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0% van de productiewaarde uitmaken, of waar de verschuldigde energiebelasting en accijns op minerale oliën ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt;
|
||||
q. kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit, productiewaarde en toegevoegde waarde: hetgeen ingevolge artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 2003/96/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU L 283) onder deze begrippen wordt verstaan;
|
||||
r. CNG: aardgas dat na compressie geschikt is voor de aanwending in motorrijtuigen;
|
||||
s. CNG-vulstation: een rechtstreeks op het distributienet van aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen;
|
||||
t. zakelijk verbruik: verbruik door een zakelijke eenheid die zelfstandig, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of verrichter van diensten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Rijks-, regionale en lokale overheden, alsmede andere publiekrechtelijke lichamen worden als zakelijke eenheid aangemerkt voor zover zij werkzaamheden of transacties verrichten die bij een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoring van enige betekenis zouden leiden;
|
||||
u. niet-zakelijk verbruik: verbruik anders dan het zakelijk verbruik, bedoeld in onderdeel t;
|
||||
v. elektriciteitsbeurs: beurs als bedoeld in artikel 86e van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
w. gasbeurs: beurs als bedoeld in artikel 66b van de Gaswet;
|
||||
x. verbruiksperiode:
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de herleiding van feitelijke hoeveelheden van halfzware olie en gasolie tot hoeveelheden bij een temperatuur van 15°C.
|
||||
1°. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen: tijdvak waarop de eindfactuur betrekking heeft;
|
||||
2°. in overige gevallen: kalenderjaar;
|
||||
y. eindfactuur: definitieve factuur waarin verrekening plaatsvindt met de voorschotnota’s of voorschotbedragen die betrekking hebben op het tijdvak waarop de factuur ziet.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de herleiding van feitelijke hoeveelheden van halfzware olie en gasolie tot hoeveelheden bij een temperatuur van 15 graden Celsius.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.
|
||||
|
||||
**4.** Met betrekking tot elektriciteit wordt onder distributienet verstaan een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998, met uitzondering van een net als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, onderdeel q.
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, onderdeel p.
|
||||
|
||||
**6.** Met betrekking tot aardgas wordt onder distributienet verstaan een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet.
|
||||
|
||||
**7.** Indien in een tijdvak van 18 maanden een of meerdere voorschotnota’s worden uitgereikt dan wel een of meerdere voorschotbedragen worden ontvangen en uiterlijk binnen 13 weken na afloop van dat tijdvak geen eindfactuur wordt uitgereikt, wordt dat tijdvak van 18 maanden aangemerkt als verbruiksperiode.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 36b
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -563,357 +614,485 @@ Onder de naam energiebelasting wordt een belasting geheven op de volgende produc
|
|||
a. halfzware olie;
|
||||
b. gasolie;
|
||||
c. vloeibaar gemaakt petroleumgas;
|
||||
d. aardgas;
|
||||
e. overige gassen; en
|
||||
f. elektriciteit.
|
||||
d. aardgas; en
|
||||
e. elektriciteit.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt als één van de onder het eerste lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde producten, niet zijnde één van deze producten, mede aangemerkt elk product dat direct of indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als één van deze producten.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt als één van de onder het eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde producten, niet zijnde één van deze producten, mede aangemerkt elk product dat direct of indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als één van deze producten.
|
||||
|
||||
### Artikel 36c
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven ter zake van de uitslag en van de invoer, als was de belasting een accijns.
|
||||
Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven ter zake van de uitslag en van de invoer, als was de belasting een accijns.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot aardgas wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een aansluiting aan een CNG-vulstation. Met betrekking tot overige gassen wordt de belasting geheven ter zake van de levering aan de verbruiker.
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot elektriciteit wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker, met uitzondering van de levering van elektriciteit aan degene die op zijn beurt leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht.
|
||||
**1.** Met betrekking tot aardgas en elektriciteit wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een aansluiting aan een CNG-vulstation.
|
||||
|
||||
**4.** Als een levering als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt mede aangemerkt het verbruik van aardgas, overige gassen en elektriciteit, indien deze op andere wijze zijn verkregen dan door een levering als bedoeld in het tweede en derde lid. Als een levering als bedoeld in het derde lid wordt mede aangemerkt het verbruik van elektriciteit, indien de elektriciteit is verkregen door tussenkomst van de Amsterdam Power Exchange, alsmede het verbruik van elektriciteit door degene die leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht.
|
||||
**2.** Indien de verbruiker, bedoeld in het eerste lid, via een aansluiting elektriciteit op het distributienet heeft ingevoed ter zake waarvan artikel 31c, tweede lid, dan wel artikel 95c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 wordt toegepast, is het eerste lid van toepassing op het positieve saldo van de via de aansluiting geleverde elektriciteit minus de via de aansluiting ingevoede elektriciteit.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een levering van aardgas of elektriciteit via een aansluiting wordt verricht aan een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het leveren van aardgas of elektriciteit dan wel aan een verbruiker die op zijn beurt het geleverde product geheel of gedeeltelijk via een aansluiting levert aan een verbruiker, wordt eerstgenoemde levering niet aangemerkt als een levering als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt mede aangemerkt het verbruik van aardgas en elektriciteit, indien:
|
||||
|
||||
a. deze producten op andere wijze zijn verkregen dan door een levering als bedoeld in het eerste lid;
|
||||
b. deze producten zijn verkregen door tussenkomst van een gasbeurs of een elektriciteitsbeurs;
|
||||
c. het verbruik betreft door degene die leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het vierde lid is niet van toepassing met betrekking tot de verbruiker die:
|
||||
|
||||
a. elektriciteit heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit biomassa die niet als zuivere biomassa wordt aangemerkt;
|
||||
b. elektriciteit heeft opgewekt door middel van een noodinstallatie in geval van storingen bij de levering via het net;
|
||||
b. elektriciteit heeft opgewekt door middel van een noodinstallatie in geval van storingen bij de levering via het distributienet;
|
||||
c. stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas heeft gewonnen;
|
||||
d. elektriciteit heeft opgewekt door middel van een installatie voor warmtekrachtkoppeling.
|
||||
|
||||
**6.** Als levering wordt niet aangemerkt het verbruik van een van de producten genoemd in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d en e, indien die producten worden verbruikt voor de vervaardiging van producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, alsmede lichte olie als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet op de accijns en zware stookolie als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de accijns, in dezelfde inrichting waarin zij zijn ontstaan.
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**7.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder het vijfde en zesde lid toepassing vinden.
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
**8.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
Als levering wordt niet aangemerkt het verbruik van aardgas voor de vervaardiging van producten als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdelen a tot en met d, alsmede lichte olie als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet op de accijns en zware stookolie als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de accijns in dezelfde inrichting waarin dat aardgas is ontstaan, mits dat verbruik blijkt uit de administratie.
|
||||
|
||||
### Artikel 36d
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen, voor andere doeleinden dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen.
|
||||
Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen dan wel voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, voor andere doeleinden dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen dan wel voor de voortstuwing van luchtvaartuigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 36e
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven van degene die ter zake accijns verschuldigd is of zou zijn, indien van die brandstoffen accijns zou worden geheven.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot aardgas, overige gassen en elektriciteit wordt de belasting geheven van degene die de levering verricht.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 52 geheven van degene die de halfzware olie, de gasolie of het vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt bij toepassing van artikel 36*c*, vierde lid, de belasting geheven van de verbruiker.
|
||||
**3.** Met betrekking tot aardgas en elektriciteit wordt de belasting geheven van degene die de levering verricht.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid dient, indien degene die de levering aan de verbruiker verricht, niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht, degene die de levering verricht in Nederland ter zake van deze levering een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen. De fiscaal vertegenwoordiger treedt op namens degene die levert aan de verbruiker en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de aangifte en de betaling van de belasting, alsmede de verplichtingen, bedoeld in artikel 36n.
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid wordt bij toepassing van artikel 50, vierde lid, de belasting geheven van degene van wie het verbruik op grond van artikel 50, vierde lid, is aangemerkt als een levering als bedoeld in artikel 50, eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** De fiscaal vertegenwoordiger dient in het bezit te zijn van een daartoe verstrekte vergunning van de inspecteur.
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
**6.** Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek moet bevatten.
|
||||
**1.** Voor de toepassing van artikel 53, derde lid, stelt degene die de levering aan de verbruiker verricht, indien hij niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de belasting.
|
||||
|
||||
**7.** Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.
|
||||
**2.** De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe door de inspecteur verstrekte vergunning.
|
||||
|
||||
**8.** Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing en de invordering, regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken. Het verlenen, het weigeren, het wijzigen en het intrekken van de vergunning geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
**3.** Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
|
||||
|
||||
**9.** In afwijking van het tweede lid wordt de belasting geheven van de verbruiker indien degene die de levering aan de verbruiker verricht en geen fiscaal vertegenwoordiger heeft, niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht.
|
||||
**4.** Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
**10.** Indien in een verbruiksperiode van 12 maanden ten aanzien van de verbruiker, bedoeld in het derde en negende lid, zowel sprake is van door hem op grond van het derde onderscheidenlijk negende lid verschuldigde belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair is verschuldigd op grond van het tweede lid.
|
||||
**5.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 36f
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 36*e*, eerste lid, wordt de belasting bij toepassing van artikel 36*d* geheven van degene die de halfzware olie, de gasolie of het vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt.
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
|
||||
|
||||
### Artikel 36g
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
De belasting wordt voor halfzware olie, gasolie, vloeibaar gemaakt petroleumgas en aardgas geheven per eenheid brandstof, uitgedrukt in L, kilogram of m^3, en voor elektriciteit en overige gassen per eenheid energie-inhoud, uitgedrukt in kWh onderscheidenlijk gigajoule.
|
||||
De belasting wordt voor halfzware olie, gasolie, vloeibaar gemaakt petroleumgas en aardgas berekend per eenheid brandstof, uitgedrukt in L, kilogram of kubieke meter, en voor elektriciteit per eenheid energie-inhoud, uitgedrukt in kWh.
|
||||
|
||||
### Artikel 36h
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
**1.** De belasting met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de accijns ter zake van die brandstoffen verschuldigd wordt of zou worden indien van die brandstoffen accijns zou worden geheven.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 36*d* verschuldigd op het tijdstip waarop het gebruik plaatsvindt.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 52 verschuldigd op het tijdstip waarop het gebruik plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De belasting met betrekking tot de levering van aardgas, overige gassen en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd:
|
||||
De belasting met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd:
|
||||
|
||||
a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen:
|
||||
|
||||
1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede
|
||||
2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode;
|
||||
2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode, dan wel, bij toepassing van artikel 47, zesde lid, op de laatste dag van het aldaar bedoelde tijdvak van 18 maanden;
|
||||
b. in andere gevallen op het tijdstip van de uitreiking van de factuur.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel *a*, onder 1°, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, onder 1°, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden.
|
||||
|
||||
**5.** Onder de in het derde lid, onderdeel *a*, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotten.
|
||||
**5.** In afwijking van het derde lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 50, vierde lid, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het derde lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 36c, vierde lid, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt.
|
||||
**6.** Indien de verrekening, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel u, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
Indien in een verbruiksperiode ten aanzien van degene van wie op grond van artikel 53, vierde lid, de belasting wordt geheven zowel sprake is van door hem op grond van artikel 53, vierde lid, verschuldigde belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair wordt geheven van degene, bedoeld in artikel 53, derde lid.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 36i
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het tarief bedraagt voor:
|
||||
|
||||
a. halfzware olie, per 1000 L € 163,74;
|
||||
b. gasolie, per 1000 L € 165,10;
|
||||
c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 195,48;
|
||||
d. aardgas, met uitzondering van aardgas als bedoeld in onderdeel h, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat:
|
||||
a. halfzware olie, per 1000 L € 166,20;
|
||||
b. gasolie, per 1000 L € 167,58;
|
||||
c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 198,41.
|
||||
|
||||
– niet hoger is dan 5000 m^3, per m^3 € 0,1531;
|
||||
– hoger is dan 5000 m^3, maar niet hoger dan 170 000 m^3, per m^3 € 0,1342;
|
||||
– hoger is dan 170 000 m^3, maar niet hoger dan 1 000 000 m^3, per m^3 € 0,0372;
|
||||
– hoger is dan 1 000 000 m^3, maar niet hoger dan 10 000 000 m^3, per m^3 € 0,0118;
|
||||
– hoger is dan 10 000 000 m^3, per m^3 € 0,0110 voor niet-zakelijk verbruik en per m^3€ 0,0078 voor zakelijk verbruik;
|
||||
e. hoogovengas, cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas, per 1000 gigajoule € 129,14;
|
||||
f. KV-gas, per 1000 gigajoule € 510,02;
|
||||
g. elektriciteit voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat:
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief nihil voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen dan wel voor de voortstuwing van luchtvaartuigen.
|
||||
|
||||
– niet hoger is dan 10 000 kWh, per kWh € 0,0716;
|
||||
– hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000 kWh, per kWh € 0,0369;
|
||||
– hoger is dan 50 000 kWh, maar niet hoger dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,0102;
|
||||
– hoger is dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,0010 voor niet-zakelijk verbruik en per kWh € 0,0005 voor zakelijk verbruik;
|
||||
h. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, dat wordt geleverd aan een CNG-vulstation: € 0,03 per m^3.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I onderscheidenlijk € 17,8432, € 17,9759 en € 21,4424, indien geen aansluiting aanwezig is voor aardgas.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt het tarief nihil voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen of voor de voortstuwing van luchtvaartuigen.
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt het tarief voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, onderscheidenlijk€ 17,5795, € 17,7102 en € 21,1255, indien geen aansluiting aanwezig is voor aardgas.
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, bedraagt het tarief voor aardgas als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, voor aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat:
|
||||
Het tarief bedraagt voor:
|
||||
|
||||
– niet hoger is dan 5000 m^3, per m^3 € 0,01412;
|
||||
– hoger is dan 5000 m^3, maar niet hoger dan 170 000 m^3, per m^3 € 0,02245;
|
||||
– hoger is dan 170 000 m^3, maar niet hoger dan 1 000 000 m^3, per m^3 € 0,01880;
|
||||
– hoger is dan 1 000 000 m^3, maar niet hoger dan 10 000 000 m^3, per m^3 € 0,0118;
|
||||
– hoger is dan 10 000 000 m^3, per m^3 € 0,0078.
|
||||
a. aardgas, met uitzondering van aardgas als bedoeld in onderdeel b, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm^3 voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
|
||||
|
||||
**5.** Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde lager of hoger dan 35,17 megajoule per m^3 worden de in het eerste lid, onderdelen d en h, en vierde lid genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
– niet hoger is dan 5000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,1554;
|
||||
– hoger is dan 5000 kubieke meter, maar niet hoger dan 170 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,1362;
|
||||
– hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,0378;
|
||||
– hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,0120;
|
||||
– hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,0112 voor niet-zakelijk verbruik en per kubieke meter € 0,0079 voor zakelijk verbruik;
|
||||
b. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm^3, dat wordt geleverd aan een CNG-vulstation € 0,0305 per kubieke meter;
|
||||
c. elektriciteit voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, bedraagt het tarief voor aardgas € 0,1531 per m^3 voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming.
|
||||
– niet hoger is dan 10 000 kWh, per kWh € 0,0727;
|
||||
– hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000 kWh, per kWh € 0,0375;
|
||||
– hoger is dan 50 000 kWh, maar niet hoger dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,0104;
|
||||
– hoger is dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,0010 voor niet-zakelijk verbruik en per kWh € 0,0005 voor zakelijk verbruik.
|
||||
|
||||
**7.** Zakelijk verbruik is verbruik door een zakelijke eenheid die zelfstandig, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of verrichter van diensten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Rijks-, regionale en lokale overheden, alsmede andere publiekrechtelijke lichamen worden als zakelijke eenheid aangemerkt voorzover zij werkzaamheden of transacties verrichten die bij een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoring van enige betekenis zouden leiden.
|
||||
**2.** Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm^3, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
|
||||
|
||||
**8.** Niet-zakelijk verbruik is het verbruik anders dan het zakelijk verbruik, bedoeld in het negende lid.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas € 0,1554 per kubieke meter voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming.
|
||||
|
||||
**9.** Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk als niet-zakelijk verbruik worden de tarieven genoemd in het eerste lid, onderdelen d en g, voor verbruik boven 10 000 000 m^3 respectievelijk 10 000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig aangemerkt.
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedragen de tarieven nihil voor in artikel 48, tweede lid, als aardgas aangemerkte producten voor zover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.
|
||||
|
||||
**10.** Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden worden de in het eerste lid, onderdelen d en g, en vierde lid, genoemde hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
**5.** Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk verbruik als niet-zakelijk verbruik, worden de tarieven, genoemd in het eerste lid, voor verbruik boven 10 000 000 kubieke meter respectievelijk 10 000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig aangemerkt.
|
||||
|
||||
**11.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de tarieven, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d, g en h, worden toegepast.
|
||||
**6.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de tarieven, bedoeld in het eerste lid, worden toegepast.
|
||||
|
||||
**12.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het derde, vierde, en negende lid.
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**13.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, en het vierde lid, bedragen de tarieven nihil voor in artikel 36b, tweede lid, als aardgas aangemerkte producten voorzover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
**14.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, bedraagt het tarief nihil voor hoogovengas, cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas, voorzover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**15.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, vierde en zesde lid, wordt, indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de verbruiker de levering van aardgas gemeten wordt in Nm^3, de belasting verschuldigd over Nm^3. Daarbij worden de tarieven, zoals die met betrekking tot aardgas in het eerste lid, onderdeel d, vierde en zesde lid, zijn vastgesteld per m^3, toegepast.
|
||||
In afwijking van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I voor aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm^3, voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
|
||||
|
||||
– niet hoger is dan 5000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,01433;
|
||||
– hoger is dan 5000 kubieke meter, maar niet hoger dan 170 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,02279;
|
||||
– hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,01908;
|
||||
– hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,0120;
|
||||
– hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,0079.
|
||||
|
||||
**2.** Indien behalve voor het in het eerste lid vermelde doel mede aardgas wordt toegepast in één of meerdere woonhuizen, wordt per verbruiksperiode van twaalf maanden per woonhuis een geleverde hoeveelheid van 5000 kubieke meter in de heffing betrokken naar het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tenzij de geleverde hoeveelheden voor de verschillende toepassingen en de verschillende woonhuizen afzonderlijk worden gemeten.
|
||||
|
||||
**3.** Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm^3, worden de in het eerste lid genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de hoeveelheidsgrenzen, genoemd in artikel 59, eerste lid, 60, eerste en tweede lid, 67, eerste lid, en 68, tweede lid, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
Indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de verbruiker de geleverde hoeveelheid aardgas gemeten wordt in Nm^3, worden de tarieven toegepast, zoals die met betrekking tot aardgas in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, en artikel 60, eerste lid, worden toegepast per kubieke meter.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 36j
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
**1.** Op de ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit, bedoeld in artikel 36c, tweede en derde lid, verschuldigde belasting wordt een vermindering toegepast. De vermindering bedraagt € 199 per verbruiksperiode van 12 maanden per elektriciteitsaansluiting. Indien het bedrag van de over deze verbruiksperiode verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald.
|
||||
**1.** Op de ter zake van de levering van elektriciteit, bedoeld in artikel 50, eerste lid, verschuldigde belasting wordt een vermindering toegepast. De vermindering bedraagt € 199 per verbruiksperiode van twaalf maanden per elektriciteitsaansluiting. Indien het bedrag van de over deze verbruiksperiode verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald.
|
||||
|
||||
**2.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter effectuering van de toepassing van het eerste lid. Daarbij worden tevens regels gesteld inzake administratieve verplichtingen alsmede strafbaarstelling van overtreding van het bij die regels gestelde.
|
||||
**2.** In de gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen, wordt bij de berekening van het voorschotbedrag naar evenredigheid rekening gehouden met de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden wordt het in het eerste lid genoemde bedrag naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
**3.** Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden wordt het in het eerste lid genoemde bedrag naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij toepassing van artikel 36c, vierde lid, zijn het eerste en het derde lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Bij toepassing van artikel 50, vierde lid, zijn het eerste en het derde lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** De in het eerste lid bedoelde vermindering van belasting is niet van toepassing met betrekking tot zaken, al dan niet als onroerende zaak aangemerkt, die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken welke kunnen dienen als woning of ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben.
|
||||
|
||||
**6.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
### Artikel 36k
|
||||
**1.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30 percent dan wel in een installatie met behulp waarvan elektriciteit wordt opgewekt uitsluitend door middel van hernieuwbare energiebronnen en elektriciteit.
|
||||
|
||||
**1.** Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d tot en met f, die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30%.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Als installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30% wordt aangemerkt een installatie met:
|
||||
|
||||
a. een gemiddeld gebruik van maximaal 0,38 Nm^3 aardgas per opgewekt kWh;
|
||||
b. een gemiddeld gebruik van maximaal 12 megajoule per opgewekt kWh in geval van een andere brandstof.
|
||||
**2.** Als installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30 percent wordt aangemerkt een installatie met een gemiddeld gebruik van maximaal 0,38 Nm^3 aardgas per opgewekt kWh.
|
||||
|
||||
**3.** Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering van elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés.
|
||||
|
||||
**4.** Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering van aardgas en overige gassen die worden gebruikt anders dan als brandstof dan wel aardgas dat wordt gebruikt als additief of als vulstof in producten die direct of indirect zijn bestemd voor verbruik, worden aangeboden voor verkoop of worden verbruikt als aardgas.
|
||||
**4.** Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering van aardgas dat wordt gebruikt anders dan als brandstof dan wel aardgas dat wordt gebruikt als additief of als vulstof in producten die direct of indirect zijn bestemd voor verbruik, worden aangeboden voor verkoop of worden verbruikt als aardgas.
|
||||
|
||||
**5.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, worden verleend.
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
**1.** Bij op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van elektriciteit ten behoeve van zakelijk verbruik voor zover het zakelijk verbruik, na aftrek van het gedeelte van het zakelijk verbruik dat reeds is vrijgesteld op grond van artikel 64, eerste of derde lid, hoger is dan 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting. De vrijstelling wordt verleend indien de verbruiker in het kader van met Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gemaakte afspraken verplichtingen op zich heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie en hij als energie-intensief bedrijf wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden wordt de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrens naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Teruggaven
|
||||
|
||||
### Artikel 36l
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, voor zover de hoeveelheid die door een verbruiker is betrokken hoger is dan 159 000 L halfzware olie, 153 000 L gasolie onderscheidenlijk 119 000 kilogram vloeibaar gemaakt petroleumgas per kalenderjaar.
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
De teruggaaf bedraagt:
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, voor het verbruik niet hoger dan 5000 kubieke meter, voor zover het verbruik van warmte in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 158 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf maanden.
|
||||
|
||||
a. indien voornoemde producten zijn belast naar het tarief, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdelen a, b en c:
|
||||
**2.** De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het eerste lid bedoelde onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het verschil tussen het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, voor het verbruik niet hoger dan 5000 kubieke meter en het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, als aan de gebruiker een hoeveelheid aardgas geleverd zou zijn die correspondeert met de verbruikte warmte.
|
||||
|
||||
– voor halfzware olie, per 1000 L € 148,28;
|
||||
– voor gasolie, per 1000 L € 149,52; en
|
||||
– voor vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 176,88;
|
||||
b. indien voornoemde producten zijn belast naar het tarief, bedoeld in artikel 36i, derde lid:
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
|
||||
|
||||
– voor halfzware olie, per 1000 L € 2,1204;
|
||||
– voor gasolie, per 1000 L € 2,1383; en
|
||||
– voor vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 2,5293.
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**2.** De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan degene die de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken.
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
**3.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief als bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel d, voor het verbruik niet hoger dan 5000 m^3, voorzover het verbruik van warmte in een onroerende zaak die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 158 000 MJ per verbruiksperiode van 12 maanden.
|
||||
**1.** Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door de verbruiker in een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
|
||||
|
||||
**4.** De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het derde lid bedoelde onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het verschil tussen het tarief, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel d, voor het verbruik niet hoger dan 5000 m^3 en het tarief voor het verbruik gelegen tussen 5000 m^3 en 170 000 m^3.
|
||||
**2.** Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend voor zover met betrekking tot zakelijk verbruik van aardgas boven de 10 000 000 kubieke meter of elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.
|
||||
|
||||
**5.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door een verbruiker in een verbruiksperiode van 12 maanden van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
|
||||
**3.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend.
|
||||
|
||||
**6.** De teruggaaf, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend aan de verbruiker.
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**7.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
**8.** De teruggaaf, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het zevende lid bedoelde onroerende zaken. De teruggaaf bedraagt 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.
|
||||
|
||||
**9.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste, derde, vijfde, zevende, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zestiende lid, wordt verleend.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**10.** Artikel 27, derde tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij een charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling dan wel een instelling die een sociaal belang behartigt, mits:
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
De teruggaafregeling, bedoeld in het zevende lid, is onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen, eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij een charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, mits:
|
||||
|
||||
a. de instelling beschikt over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende doelstelling blijkt;
|
||||
a. de instelling beschikt over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of sociaal belang behartigende doelstelling blijkt;
|
||||
b. de feitelijke werkzaamheden van de instelling overeenkomen met de doelstelling;
|
||||
c. de instelling niet of slechts in beperkte mate werkzaam is op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
|
||||
d. de instelling niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
|
||||
e. de instelling beschikt over een eigen aansluiting.
|
||||
e. de instelling beschikt over een eigen aansluiting;
|
||||
|
||||
Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in de eerste volzin, aanhef en onderdeel a, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
|
||||
alsmede, indien het een instelling betreft die een sociaal belang behartigt:
|
||||
|
||||
De teruggaafregeling, bedoeld in de eerste volzin, is onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen, eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij instellingen die een sociaal belang behartigen.
|
||||
f. de werkzaamheden van de instelling nagenoeg geheel worden verricht door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is.
|
||||
|
||||
**12.**
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die charitatief, cultureel, wetenschappelijk of het algemeen nut beogend is dan wel een sociaal belang behartigt, mits:
|
||||
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die charitatief, cultureel, wetenschappelijk of het algemeen nut beogend is dan wel een sociaal belang behartigt, mits:
|
||||
|
||||
a. de instellingen die de onroerende zaak gebruiken beschikken over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of sociaal belang behartigende doelstelling blijkt;
|
||||
b. de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert beschikt over notarieel verleden statuten waaruit blijkt dat de instelling zich uitsluitend beheer en exploitatie van de onroerende zaak ten nutte van instellingen als bedoeld in onderdeel a ten doel stelt;
|
||||
c. de feitelijke werkzaamheden van de instellingen, bedoeld in onderdelen a en b, overeenkomen met de doelstelling;
|
||||
a. de instellingen die de onroerende zaak gebruiken, beschikken over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt, dan wel, voor zover het gaat om verenigingen als bedoeld in artikel 26 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die niet beschikken over notarieel verleden statuten, over door die verenigingen verstrekte verklaringen waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt;
|
||||
b. de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert, beschikt over notarieel verleden statuten waaruit blijkt dat de instelling zich ten doel stelt de onroerende zaak te beheren en exploiteren ten nutte van instellingen als bedoeld in onderdeel a;
|
||||
c. de feitelijke werkzaamheden van de instellingen, bedoeld in de onderdelen a en b, overeenkomen met de doelstelling;
|
||||
d. de instellingen, bedoeld in onderdeel a, niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
|
||||
e. de instellingen, bedoeld in onderdelen a en b, niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen dan wel daarvan zijn vrijgesteld;
|
||||
e. de instellingen, bedoeld in de onderdelen a en b, niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen dan wel daarvan zijn vrijgesteld;
|
||||
f. de instelling, bedoeld in onderdeel b, beschikt over een eigen aansluiting.
|
||||
|
||||
De teruggaaf, bedoeld in de eerste volzin, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting. Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel a en onderdeel b, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van dit artikel en de op dit artikel berustende bepalingen wordt een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelijkgesteld met notarieel verleden statuten indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
|
||||
|
||||
**13.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d tot en met f, die worden gebruikt op een in artikel 36k, eerste lid, bedoelde wijze.
|
||||
**5.** De teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend aan de gebruiker van de desbetreffende onroerende zaak en bedragen 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.
|
||||
|
||||
**14.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in artikel 36k, derde lid, bedoelde wijze.
|
||||
**6.** De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting.
|
||||
|
||||
**15.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en overige gassen die worden gebruikt op een in artikel 36k, vierde lid, bedoelde wijze.
|
||||
**7.** De teruggaven, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, indien geen aansluiting aanwezig is voor aardgas.
|
||||
|
||||
**16.** Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voorzover met betrekking tot zakelijk verbruik van aardgas boven de 10 000 000 m^3 of elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.
|
||||
**8.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in dit artikel, worden verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 36m
|
||||
**9.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen van aardgas en elektriciteit, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 27, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit die worden gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, bedoelde wijze.
|
||||
|
||||
**2.** Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in artikel 64, derde lid, bedoelde wijze.
|
||||
|
||||
**3.** Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in artikel 64, vierde lid, bedoelde wijze.
|
||||
|
||||
**4.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 36n
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
**1.** De belastingplichtigen, bedoeld in artikel 53, derde en vierde lid, voeren een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden voorwaarden gesteld aan de administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt of waarin stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII. (gereserveerd)
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. verpakkingen: alle producten, vervaardigd van materiaal van welke aard ook, die kunnen worden gebruikt voor het insluiten, beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van andere producten, van grondstoffen tot afgewerkte producten, over het gehele traject van producent tot gebruiker of consument, wegwerpartikelen die voor dit doel worden gebruikt daaronder begrepen, waarbij verpakkingen uitsluitend omvatten verkoop- of primaire verpakkingen, verzamel- of secundaire verpakkingen en verzend- of tertiaire verpakkingen en:
|
||||
|
||||
1°. waarbij producten als verpakking worden beschouwd indien zij aan het vorenstaande voldoen, ongeacht andere functies die de verpakking ook kan vervullen, tenzij het product integraal deel uitmaakt van een ander product en het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden;
|
||||
2°. waarbij producten die ontworpen en bedoeld zijn om op het verkooppunt te worden gevuld alsmede wegwerpartikelen die in gevulde toestand worden verkocht of die ontworpen en bedoeld zijn om op het verkooppunt te worden gevuld, slechts als verpakking worden beschouwd indien zij een verpakkingsfunctie hebben; en
|
||||
3°. waarbij de componenten van een verpakking en de bijbehorende in de verpakking verwerkte elementen worden beschouwd als deel van de verpakking waarin ze verwerkt zijn en waarbij de bijbehorende elementen die aan een verpakt product hangen of bevestigd zijn en die een verpakkingsfunctie hebben, als verpakking worden beschouwd, tenzij zij integraal deel uitmaken van dit product en alle elementen bedoeld zijn om samen verbruikt of verwijderd te worden;
|
||||
b. verkoop- of primaire verpakking: verpakking die zo is ontworpen dat zij voor de eindgebruiker of consument op het verkooppunt een verkoopeenheid vormt;
|
||||
c. verzamel- of secundaire verpakking: verpakking die zo is ontworpen dat zij op het verkooppunt een verzameling van een aantal verkoopeenheden vormt, ongeacht of deze als dusdanig aan de eindgebruiker of consument wordt verkocht, dan wel alleen dient om de rekken op het verkooppunt bij te vullen en die van het product kan worden verwijderd zonder dat dit de kenmerken ervan beïnvloedt;
|
||||
d. verzend- of tertiaire verpakking: verpakking die zo is ontworpen dat het verladen en het vervoer van verkoopeenheden of verzamelverpakkingen wordt vergemakkelijkt om fysieke schade door verlading of transport te voorkomen, weg-, spoor-, scheeps- of vliegcontainers niet daaronder begrepen;
|
||||
e. producent: de ondernemer die in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep:
|
||||
|
||||
1°. producten in een verpakking aan een ander ter beschikking stelt; of
|
||||
2°. verpakkingen aan een ander ter beschikking stelt die zijn ontworpen en bedoeld om op het verkooppunt te worden gevuld;
|
||||
f. importeur: de ondernemer die in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep producten in een verpakking vanuit een ander land in Nederland brengt;
|
||||
g. concern:
|
||||
|
||||
1°. de fiscale eenheid, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968; of
|
||||
2°. de op continuïteit gerichte samenwerkingsvorm waarbij de ene ondernemer andere ondernemers, op basis van schriftelijk vastgelegde afspraken, tegen betaling gebruik laat maken van een door eerstbedoelde ondernemer aangeboden formule, bestaande uit een samenstel van diensten en producten en een gelijk imago;
|
||||
h. ondernemer: ondernemer in de zin van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 die in Nederland is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft;
|
||||
i. biokunststof: kunststof die is gecertificeerd volgens de Europese norm EN 13 432 voor terugwinbaarheid door compostering en biodegradatie.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 81
|
||||
|
||||
Onder de naam verpakkingenbelasting wordt een belasting geheven op verpakkingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 82
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De belastingplichtige, bedoeld in artikel 36*e*, tweede lid, is gehouden een administratie te voeren zodanig dat - voor zover dat voor de heffing van de belasting van belang kan zijn - daaruit te allen tijde duidelijk blijken:
|
||||
De belasting wordt geheven ter zake van:
|
||||
|
||||
a. de gegevens betreffende de door hem verrichte leveringen;
|
||||
b. de gegevens betreffende de toepassing van de in artikel 36i, eerste lid, onderdelen d en g, bedoelde hoeveelheidgrenzen.
|
||||
a. de verpakking van ter beschikking gestelde producten, voorzover die verpakking voor het eerst door een producent in Nederland ter beschikking wordt gesteld aan een ander;
|
||||
b. de verpakking van producten, ingeval de importeur van de verpakte producten zich van die verpakking ontdoet;
|
||||
c. verpakkingen die zijn ontworpen en bedoeld om op het verkooppunt te worden gevuld, ingeval die verpakkingen voor het eerst door een producent in Nederland ter beschikking worden gesteld aan een ander.
|
||||
|
||||
**2.** Bij toepassing van artikel 36e, derde en negende lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen moet worden voldaan.
|
||||
Het eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing indien het verpakte product onderscheidenlijk de verpakkingen:
|
||||
|
||||
### Afdeling 8. Bijzondere regeling voor op duurzame wijze geproduceerde energie
|
||||
a. zich nog niet in het vrije verkeer van de Europese Gemeenschap bevinden; of
|
||||
b. bij de terbeschikkingstelling buiten Nederland worden gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 36o
|
||||
### Artikel 83
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
### Afdeling 9. Bijzondere regeling voor energiezuinige apparaten, energiebesparende voorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie (energiepremies)
|
||||
De belasting wordt geheven:
|
||||
|
||||
### Artikel 36p
|
||||
a. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel a of c, toepassing vindt: van de producent;
|
||||
b. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel b, toepassing vindt: van de importeur; of
|
||||
c. indien zowel onderdeel a als onderdeel b toepassing vindt: van de producent/importeur.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**2.** In geval een in het eerste lid, onderdeel a, b of c, bedoelde producent, importeur onderscheidenlijk producent/importeur, deel uitmaakt van een concern, wordt de belasting, in afwijking van het eerste lid, geheven van het concern.
|
||||
|
||||
### Afdeling 10. Bijzondere vrijstelling
|
||||
### Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
|
||||
|
||||
### Artikel 36q
|
||||
### Artikel 84
|
||||
|
||||
Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van zakelijk verbruikte elektriciteit bij een verbruik boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, voor het gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat hoger is dan 10 000 000 kWh, indien de verbruiker in het kader van met Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gemaakte afspraken verplichtingen op zich heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie en hij als energie-intensief bedrijf wordt aangemerkt.
|
||||
De belasting wordt berekend over het gewicht van de verpakking, gemeten in kilogrammen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 11. Bijzondere regeling voor afvalverbrandingsinstallaties
|
||||
### Artikel 85
|
||||
|
||||
### Artikel 36r
|
||||
De belasting wordt verschuldigd:
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
a. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel a, toepassing vindt: op het tijdstip waarop het verpakte product ter beschikking wordt gesteld;
|
||||
b. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel b, toepassing vindt: op het tijdstip waarop de importeur zich van de verpakking ontdoet;
|
||||
c. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel c, toepassing vindt: op het tijdstip waarop de verpakking ter beschikking wordt gesteld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Algemene bepalingen
|
||||
### Afdeling 4. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 86
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het tarief per kilogram bedraagt voor een primaire verpakking die is vervaardigd van:
|
||||
|
||||
a. glas: € 0,0456;
|
||||
b. aluminium en legeringen van aluminium: € 0,5731;
|
||||
c. overige metalen: € 0,1126;
|
||||
d. kunststof: € 0,3554;
|
||||
e. biokunststof: € 0,1777;
|
||||
f. papier en karton: € 0,0641;
|
||||
g. hout: € 0,0228;
|
||||
h. een andere materiaalsoort: € 0,1017.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het tarief per kilogram bedraagt voor een secundaire of tertiaire verpakking die is vervaardigd van:
|
||||
|
||||
a. glas: € 0,0160;
|
||||
b. aluminium en legeringen van aluminium: € 0,2011;
|
||||
c. overige metalen: € 0,0395;
|
||||
d. kunststof: € 0,1247;
|
||||
e. biokunststof: € 0,0624;
|
||||
f. papier en karton: € 0,0225;
|
||||
g. hout: € 0,0080;
|
||||
h. een andere materiaalsoort: € 0,0357.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Belastingvermindering
|
||||
|
||||
### Artikel 87
|
||||
|
||||
**1.** Op het bedrag van de belasting die in een tijdvak verschuldigd is geworden door een belastingplichtige als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel a, b, of c, dan wel tweede lid, wordt een vermindering toegepast tot ten hoogste het bedrag van die verschuldigde belasting.
|
||||
|
||||
**2.** In geval de verschuldigde belasting betrekking heeft op één materiaalsoort als bedoeld in artikel 86, is het bedrag van de vermindering: 15 000 vermenigvuldigd met het voor die materiaalsoort geldende tarief, bedoeld in artikel 86, eerste, tweede of derde lid.
|
||||
|
||||
**3.** In geval de verschuldigde belasting betrekking heeft op twee of meer van de materiaalsoorten, bedoeld in artikel 86, is het bedrag van de vermindering de optelsom van de verminderingen per materiaalsoort, waarbij de vermindering per materiaalsoort bedraagt: 15 000 vermenigvuldigd met het gewichtsaandeel van die materiaalsoort in het totaalgewicht van al die materiaalsoorten samen, vermenigvuldigd met het voor de betreffende materiaalsoort geldende tarief, bedoeld in artikel 86, eerste, tweede of derde lid.
|
||||
|
||||
**4.** In geval een materiaalsoort als bedoeld in artikel 86 zowel betrekking heeft op primaire verpakkingen als op secundaire of tertiaire verpakkingen, is het bedrag van de vermindering voor die materiaalsoort de optelsom van de verminderingen per verpakkingssoort, waarbij de vermindering per verpakkingssoort bedraagt: 15 000 vermenigvuldigd met het gewichtsaandeel van de verpakkingssoort in het totaalgewicht van alle materiaalsoorten samen, vermenigvuldigd met het voor die materiaalsoort geldende tarief, bedoeld in artikel 86, eerste, tweede of derde lid.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
|
||||
|
||||
### Artikel 88
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de belastingplichtige een administratie moet voeren voor de toepassing van de verpakkingenbelasting.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Wijze van heffing
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
### Artikel 89
|
||||
|
||||
**1.** De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan.
|
||||
|
||||
**2.** Bij toepassing van artikel 36h, tweede lid, dient in afwijking in zoverre van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de belasting uiterlijk op de dag na het in artikel 36h, tweede lid, bedoelde tijdstip op aangifte te worden voldaan.
|
||||
**2.** Bij toepassing van artikel 40, tweede lid, dan wel artikel 56, tweede lid, dient in afwijking in zoverre van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de belasting uiterlijk op de dag na het in artikel 40, tweede lid, dan wel artikel 56, tweede lid, bedoelde tijdstip op aangifte te worden voldaan.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot een negatief bedrag verleent de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag. Artikel 27, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan de inspecteur, bij toepassing van artikel 33, tweede lid, onderdeel a, op verzoek toestemming verlenen om de in een week op de voet van artikel 40, tweede lid, verschuldigd geworden belasting uiterlijk op de vrijdag van de week daaropvolgend op aangifte te voldoen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij toepassing van hoofdstuk VIII dient in afwijking in zoverre van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de belasting binnen één kwartaal na het einde van het tijdvak op aangifte te worden voldaan.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot een negatief bedrag verleent de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Aanvullende regelingen
|
||||
|
||||
### Artikel 37a
|
||||
### Artikel 90
|
||||
|
||||
De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 9, eerste lid en derde lid, 10, 11g, 18, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 25, eerste en vierde lid, 36i, eerste, derde, vierde en zesde lid, en 36l, eerste lid, onderdelen a en b, vermelde bedragen.
|
||||
De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 8, eerste en derde lid, 9, 18, 28, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 43, 58, eerste en derde lid, 59, eerste en derde lid, 60, eerste lid, 66, eerste lid, en 86, vermelde bedragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
### Artikel 91
|
||||
|
||||
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wet nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
|
||||
**1.** De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in artikel 20, eerste lid, 30, eerste lid, 45, eerste en tweede lid, 54, derde lid, 66, eerste lid, 67, eerste lid, 68, eerste en tweede lid, 69, eerste tot en met derde lid, 70, eerste tot en met derde lid, 89, derde lid, en 92, eerste lid, bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
|
||||
**2.** Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het derde lid bedoelde kennisgeving.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Evaluatie
|
||||
**3.** Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan geven, stelt hij de belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 38a
|
||||
### Artikel 92
|
||||
|
||||
Onze Ministers zenden binnen twee en een half jaar na de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de grondwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoerbaarheid van deze bepalingen alsmede over de mogelijk in de praktijk gebleken negatieve milieu-effecten en economische problemen.
|
||||
**1.** Op verzoek wordt teruggaaf verleend van belasting op leidingwater, afvalstoffenbelasting en energiebelasting, voor zover de door de belastingplichtige ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.
|
||||
|
||||
### Artikel 38b
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk 1 juli 2002 aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoering en de werking van artikel 36p alsmede over de wenselijkheid van handhaving van de desbetreffende regeling.
|
||||
### Artikel 93
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
|
||||
**1.** Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wet regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk X. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 94
|
||||
|
||||
De inwerkingtreding van deze wet wordt bij wet geregeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
### Artikel 95
|
||||
|
||||
Deze wet wordt aangehaald als: Wet belastingen op milieugrondslag.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue