2022-01-01 | BWBR0014168 | Mijnbouwwet
This commit is contained in:
parent
3c394be25d
commit
e49fe09bb1
1 changed files with 150 additions and 45 deletions
|
|
@ -59,7 +59,7 @@ z. gecombineerde activiteit:
|
|||
1°. een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een mijnbouwwerk samen met één of meerdere andere mijnbouwwerken ten behoeve van aan het andere mijnbouwwerk gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle mijnbouwwerken aanzienlijk wordt beïnvloed of
|
||||
2°. het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden;
|
||||
aa. onafhankelijke verificatie: een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen, door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de vergunninghouder of eigenaar van een mijnbouwwerk die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;
|
||||
ab. productie-installatie: een mijnbouwwerk dat gebruikt wordt voor het winnen of bewerken van koolwaterstoffen, met uitzondering van inrichtingen waarvoor het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 geldt, of een pijpleiding, met uitzondering van pijpleidingen waarvoor het Besluit externe veiligheid buisleidingen geldt;
|
||||
ab. productie-installatie: een mijnbouwwerk dat gebruikt wordt voor het winnen of bewerken van koolwaterstoffen, met uitzondering van inrichtingen waarvoor het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 geldt, of een pijpleiding, met uitzondering van pijpleidingen waarvoor het Besluit externe veiligheid buisleidingen geldt;
|
||||
ac. niet-productie-installatie: een mijnbouwwerk niet zijnde een productie-installatie en niet zijnde een mijnbouwwerk bestemd voor het winnen van zout of aardwarmte of voor het opslaan van stoffen;
|
||||
ad. richtlijn 2013/30/EU: richtlijn 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);
|
||||
ae. richtlijn 2008/56/EG: richtlijn 2008/56/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PbEU 2008, L 164);
|
||||
|
|
@ -68,7 +68,14 @@ ag. pijpleiding:
|
|||
|
||||
1°. leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
|
||||
2°. andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;
|
||||
ah. risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling, die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie.
|
||||
ah. risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling, die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie;
|
||||
ai. beheerder: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een pijpleiding of kabel wordt aangelegd, gebruikt dan wel in stand gehouden;
|
||||
aj. buiten werking: een situatie, waarin een mijnbouwwerk, kabel of pijpleiding, bestemd voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen of het opsporen van CO_2-opslagcomplexen niet meer als zodanig in werking is;
|
||||
ak. buiten gebruik stellen van een boorgat: het permanent afsluiten van een boorgat;
|
||||
al. kabel: leiding voor het vervoer van elektriciteit of elektronische signalen die:
|
||||
|
||||
1°. twee of meer mijnbouwwerken verbindt of
|
||||
2°. tussen een mijnbouwwerk en een ander werk ligt en door Onze Minister is aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -82,11 +89,13 @@ ah. risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeli
|
|||
|
||||
**1.** Delfstoffen zijn eigendom van de staat.
|
||||
|
||||
**2.** De eigendom van delfstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen daarvan over op de vergunninghouder. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van delfstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning in de vorm van monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond worden onttrokken.
|
||||
**2.** De eigendom van delfstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen daarvan over op de vergunninghouder met dien verstande dat in het geval een overeenkomst als bedoeld in artikel 93, eerste lid, tot stand is gekomen, een deel van de delfstoffen in eigendom overgaat op de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, voor een percentage als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onder a, dat krachtens overeenkomst voor de vennootschap geldt.
|
||||
|
||||
**3.** De eigendom van stoffen die met gebruikmaking van een opslagvergunning worden teruggehaald, komt door het terughalen daarvan te berusten bij degene die eigenaar was van de stoffen direct voorafgaande aan het in de ondergrond brengen daarvan, dan wel bij degene die ten tijde van het terughalen de rechtsopvolger is van die eigenaar.
|
||||
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van delfstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning in de vorm van monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond worden onttrokken.
|
||||
|
||||
**4.** De staat wordt voor alle met de eigendom van delfstoffen verband houdende handelingen vertegenwoordigd door Onze Minister.
|
||||
**4.** De eigendom van stoffen die met gebruikmaking van een opslagvergunning worden teruggehaald, komt door het terughalen daarvan te berusten bij degene die eigenaar was van de stoffen direct voorafgaande aan het in de ondergrond brengen daarvan, dan wel bij degene die ten tijde van het terughalen de rechtsopvolger is van die eigenaar.
|
||||
|
||||
**5.** De staat wordt voor alle met de eigendom van delfstoffen verband houdende handelingen vertegenwoordigd door Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -220,7 +229,7 @@ c. de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veilig
|
|||
|
||||
**1.** In een opsporingsvergunning wordt bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven opsporingsactiviteiten dienen te worden verricht. In de vergunning kan tevens worden bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven verkenningsonderzoeken dienen te worden verricht.
|
||||
|
||||
**2.** In een vergunning voor opsporing en winning van koolwaterstoffen wordt de omvang van de middelen bepaald die de houder van de vergunning verplicht is aan te houden om te voldoen aan financiële verplichtingen die voort kunnen vloeien uit aansprakelijkheden ter zake van op basis van de vergunning te verrichten activiteiten.
|
||||
**2.** In een vergunning voor opsporing en winning van koolwaterstoffen wordt de omvang van de middelen bepaald die de houder van de vergunning verplicht is aan te houden om te voldoen aan financiële verplichtingen die voort kunnen vloeien uit aansprakelijkheden voor schade door zware ongevallen met mijnbouwwerken.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
|
|
@ -366,14 +375,20 @@ h. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemen
|
|||
i. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
|
||||
j. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
|
||||
k. voor zover de vergunning geldt voor de op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone,
|
||||
l. voor zover de vergunning geldt voor een gebied gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Wet ruimtelijke ordening of op de Waddeneilanden, of
|
||||
m. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee.
|
||||
l. voor zover de vergunning geldt voor een gebied gelegen binnen de Waddenzee als aangewezen krachtens de Wet ruimtelijke ordening of op de Waddeneilanden,
|
||||
m. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee, of
|
||||
n. indien een mijnbouwwerk voor de winning van delfstoffen kan worden hergebruikt voor de winning van aardwarmte en daarvoor een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c en d, is ingediend.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon zich na de waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig maakt.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan een winningsvergunning op aanvraag van de houder geheel of gedeeltelijk intrekken. Een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het voor een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.
|
||||
**3.** Onze Minister kan een winningsvergunning op aanvraag van de houder geheel of gedeeltelijk intrekken. Een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van een opsporingsvergunning kan afstand doen van de vergunning. De vergunning vervalt met ingang van de dag na die waarop Onze Minister een schriftelijke verklaring van de houder heeft ontvangen, waarbij deze van de vergunning afstand doet.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De houder van een opsporingsvergunning kan met een schriftelijke verklaring aan Onze Minister afstand doen van de vergunning met dien verstande dat de vergunning niet eerder vervalt dan met ingang van de dag nadat:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister de verklaring heeft ontvangen en
|
||||
b. de houder van de vergunning een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel heeft nageleefd.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -872,9 +887,9 @@ b. de besluiten, bedoeld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuu
|
|||
Het winningsplan bevat voor elk voorkomen binnen het vergunningsgebied ten minste een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de verwachte hoeveelheid aanwezige delfstoffen en de ligging ervan;
|
||||
b. het aanvangstijdstip en de duur van de winning;
|
||||
b. de duur van de winning;
|
||||
c. de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten;
|
||||
d. de hoeveelheden jaarlijks te winnen delfstoffen;
|
||||
d. een schatting van de verwachte hoeveelheid per jaar te winnen delfstoffen;
|
||||
e. de kosten op jaarbasis van het winnen van de delfstoffen;
|
||||
f. de bodembeweging ten gevolge van de winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald;
|
||||
g. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan met een risicobeoordeling, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat.
|
||||
|
|
@ -995,33 +1010,80 @@ b. de artikelen 2.25, eerste lid, en 8.1.
|
|||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** Een niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallatie wordt verwijderd.
|
||||
**1.** De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 meldt binnen vier weken nadat een mijnbouwwerk buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden het mijnbouwwerk buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens artikel 49, vierde lid, is aangewezen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op schroot en ander materiaal, dat ter plaatse of in de naaste omgeving terechtgekomen is bij het plaatsen, het gebruik of verwijderen van de mijnbouwinstallatie.
|
||||
**2.** De houder van een vergunning verwijdert een mijnbouwwerk dat buiten werking is, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de verplichting tot verwijdering beperken tot een door hem te bepalen diepte beneden de bodem van het oppervlaktewater.
|
||||
**3.** De houder van een vergunning overlegt binnen een jaar nadat een mijnbouwwerk buiten werking is, aan Onze Minister een verwijderingsplan, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan een termijn vaststellen, waarbinnen aan de verplichting tot verwijdering moet zijn voldaan.
|
||||
**4.** De verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn mede van toepassing op het verwijderen van verontreinigde grond, verontreinigd grondwater, verontreinigingen op of in oppervlaktewater, afval, waaronder schroot, en andere materialen, die in het gebied of in de naaste omgeving van het mijnbouwwerk zijn terechtgekomen bij het aanleggen of exploiteren van het mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 41, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Het eerste, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een gedeelte van een mijnbouwwerk, waaronder een boorgat, dat buiten werking is in de gevallen, die krachtens artikel 49, vierde lid, zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 44a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het verwijderingsplan behoeft de instemming van Onze Minister. De instemming kan onder beperkingen worden verleend en aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Als een mijnbouwwerk volgens het verwijderingsplan geheel of gedeeltelijk wordt hergebruikt of slechts gedeeltelijk wordt verwijderd, neemt Onze Minister het besluit tot instemming niet, dan nadat advies met instemming is ontvangen van het bevoegde gezag dat bij of krachtens de Omgevingswet is aangewezen voor een activiteit waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet een besluit van dat bevoegd gezag vereist is.
|
||||
|
||||
**3.** Een advies met instemming wordt verleend met overeenkomstige toepassing van de regels die voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, bij of krachtens de Omgevingswet zijn bepaald.
|
||||
|
||||
**4.** Als Onze Minister aan het verwijderingsplan instemming onthoudt, kan Onze Minister een termijn stellen voor het verwijderen van het mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan op aanvraag het besluit tot instemming wijzigen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan het besluit tot instemming:
|
||||
|
||||
a. ambtshalve wijzigen indien:
|
||||
|
||||
1°. de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
|
||||
2°. dit wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische mogelijkheden van gehele of gedeeltelijke verwijdering of hergebruik van het mijnbouwwerk;
|
||||
3°. de wijziging of actualisatie van ondergeschikte aard is;
|
||||
b. ambtshalve intrekken indien:
|
||||
|
||||
1°. de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
|
||||
2°. dit wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische mogelijkheden van gehele of gedeeltelijke verwijdering of hergebruik van het mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
### Artikel 44b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Als een mijnbouwwerk in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik of verwijdering tezamen met andere mijnbouwwerken kan Onze Minister tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting tot het overleggen van een verwijderingsplan en de verplichting tot verwijderen van het mijnbouwwerk. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Als Onze Minister verwijdering van het mijnbouwwerk tezamen met andere mijnbouwwerken of geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk met het oogmerk waarvoor de ontheffing is verleend niet meer doelmatig acht, kan Onze Minister de ontheffing wijzigen of intrekken.
|
||||
|
||||
**3.** Als Onze Minister de ontheffing intrekt, stelt Onze Minister een termijn voor het overleggen van een verwijderingsplan en kan Onze Minister een termijn stellen voor het verwijderen van het mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**4.** Onder hergebruik als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het opnieuw gebruiken van het mijnbouwwerk voor het doel waarvoor het mijnbouwwerk is opgericht.
|
||||
|
||||
### Artikel 44c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 verwijdert het mijnbouwwerk overeenkomstig het verwijderingsplan en de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Als het verwijderingsplan is uitgevoerd, overlegt de houder van een vergunning aan Onze Minister een rapport over de verwijdering.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister neemt op aanvraag van de houder van een vergunning een besluit tot instemming met het rapport als de verwijdering heeft plaatsgevonden overeenkomstig het verwijderingsplan en de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**4.** Als een mijnbouwwerk gedeeltelijk is verwijderd en een besluit tot instemming als bedoeld in het derde lid is genomen, rust de verplichting tot verwijderen van het resterende gedeelte van het mijnbouwwerk op de nieuwe exploitant.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan bepalen dat een op of in het continentaal plat gelegen kabel of pijpleiding die is gebruikt voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel voor het opslaan van stoffen, na het beëindigen van het gebruik wordt verwijderd. Artikel 44, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** De beheerder van een kabel of pijpleiding meldt binnen vier weken nadat een kabel of pijpleiding buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden de kabel of pijpleiding buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen tenzij de kabel of pijpleiding tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens artikel 49, vierde lid, is aangewezen.
|
||||
|
||||
**2.** De verplichtingen van dit artikel rusten op de beheerder van de kabel of pijpleiding, dan wel, indien niemand als beheerder kan worden aangemerkt, op de laatste beheerder van de kabel of pijpleiding.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan binnen zes maanden na de melding met overeenkomstige toepassing van artikel 44 bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding die buiten werking is, verplicht is om de kabel of pijpleiding te verwijderen overeenkomstig een door de beheerder te overleggen verwijderingsplan, tenzij de kabel of pijpleiding:
|
||||
|
||||
a. in gemeentelijk ingedeeld gebied is gelegen en
|
||||
b. met de eigenaar van de grond is overeengekomen dat de kabel of de pijpleiding niet wordt verwijderd.
|
||||
|
||||
**3.** Als Onze Minister bepaalt dat de beheerder verplicht is een kabel of pijpleiding te verwijderen, kan de beheerder een aanvraag om ontheffing indienen. Artikel 44b is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** De artikelen 44a en 44c zijn van overeenkomstige toepassing op een verwijderingsplan, respectievelijk de verwijdering, van kabels en pijpleidingen.
|
||||
|
||||
**5.** Als Onze Minister de beheerder niet heeft verplicht een kabel of pijpleiding te verwijderen en de beheerder niet verplicht is om de kabel of pijpleiding krachtens een overeenkomst met de eigenaar van de grond te verwijderen, is de beheerder verplicht om de kabel, respectievelijk pijpleiding, schoon en veilig achter te laten.
|
||||
|
||||
**6.** Als niemand als beheerder van een kabel of pijpleiding kan worden aangemerkt, rusten de verplichtingen op de laatste beheerder van de kabel of pijpleiding.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.1a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1215,17 +1277,23 @@ b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerking
|
|||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan bepalen dat zekerheid gesteld dient te worden voor de nakoming van hetgeen verschuldigd zal worden, ingeval hij een last onder bestuursdwang oplegt ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen ten aanzien van het verwijderen of achterlaten, dan wel het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties.
|
||||
**1.** Onze Minister kan bepalen dat de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25, binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het verwijderen van een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 41, vierde lid, en 46, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** De zekerheid wordt gesteld vanaf een tijdstip, voor een bedrag, met een termijn en op een wijze die Onze Minister voldoende acht.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid rust de door Onze Minister te stellen zekerheid als bedoeld in het eerste lid op de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22.
|
||||
**3.** Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen voor de handhaving van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan bepalen dat zekerheid gesteld dient te worden voor de nakoming van hetgeen verschuldigd zal worden, ingeval hij een last onder bestuursdwang oplegt ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen ten aanzien van het verwijderen of achterlaten, dan wel het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde, op of in het continentaal plat gelegen kabels of pijpleidingen.
|
||||
**1.** Onze Minister kan bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding als bedoeld in artikel 45 binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het schoon en veilig achterlaten of het verwijderen van een kabel of pijpleiding.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 45, tweede lid, en 46, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** De zekerheid wordt gesteld vanaf een tijdstip, voor een bedrag, met een termijn en op een wijze die Onze Minister voldoende acht.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen voor de handhaving van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing voor het verwijderen van een kabel of pijpleiding als bedoeld in artikel 45, derde lid, in samenhang met artikel 44b, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.3. Verdere regels
|
||||
|
||||
|
|
@ -1263,9 +1331,14 @@ De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts worden gesteld, voorzover de
|
|||
a. de scheepvaart, de landsverdediging, de visserij, de opwekking van elektriciteit, het instandhouden van de levende rijkdommen van de zee, het zuiver wetenschappelijk onderzoek en het leggen en onderhouden van onderzeese kabels en pijpleidingen;
|
||||
b. de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen, voorzover die gesteld worden, inhouden het weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of een instemming, het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan een vergunning of een instemming.
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen, voorzover die gesteld worden, inhouden het doen van een melding, het achterwege laten daarvan, het weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, een ontheffing of een instemming, het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan een vergunning, een ontheffing of een instemming, het aanwijzen van gevallen van tijdelijk buiten werking zijn van mijnbouwwerken en het aanwijzen van gevallen waarin een gedeelte van een mijnbouwwerk buiten werking is.
|
||||
|
||||
**5.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het verwijderen of achterlaten en op het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het buiten werking stellen, het buiten gebruik stellen, het verwijderen, het achterlaten, of het hergebruiken van mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen, waaronder regels over:
|
||||
|
||||
a. meldingen en het overleggen van gegevens en bescheiden;
|
||||
b. het stellen van zekerheden voor de nakoming van verplichtingen tot verwijderen, tot achterlaten of tot het na hergebruik verwijderen van mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen die buiten werking zijn.
|
||||
|
||||
**6.** De in het derde lid bedoelde regels, voorzover die gesteld worden ten behoeve van de scheepvaart, de opwekking van elektriciteit, de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten of de landsverdediging, kunnen beperkingen inhouden ten aanzien van de locaties waar de in het eerste lid bedoelde activiteiten plaats kunnen vinden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1578,7 +1651,7 @@ Winstaandeel wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van i
|
|||
|
||||
**2.** Indien de houder of de medehouder tevens houder of medehouder is van één of meer andere winningsvergunningen, kan een geconsolideerde winst- en verliesrekening worden opgemaakt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het resultaat, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de in artikel 68a bedoelde investeringsaftrek, negatief is, is sprake van een verlies. Dit verlies wordt onder toepassing van hoofdstuk IV van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verrekend met de positieve resultaten van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren.
|
||||
**3.** Indien het resultaat, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de in artikel 68a bedoelde investeringsaftrek, negatief is, is sprake van een verlies. Dit verlies wordt onder toepassing van hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verrekend met de positieve resultaten van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
|
|
@ -1606,11 +1679,9 @@ b. de waarde van de in het winningsbedrijf gewonnen en verbruikte koolwaterstoff
|
|||
|
||||
**4.** Indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een prijs- of koersrisico dat ter zake van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, behoort het resultaat uit de desbetreffende rechtshandeling tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat.
|
||||
|
||||
**5.** Indien door of aan de houder dan wel de medehouder voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van de voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
**1.** De winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt opgemaakt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3.8, 3.14, eerste lid, onderdelen b tot en met i, en derde tot en met vijfde lid, 3.25 tot en met 3.39, 3.52, 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 3.54, 3.56 en 3.57 van de Wet inkomstenbelasting 2001, alsmede de artikelen 7, vierde en vijfde lid, 8, vierde lid, 9 tot en met 10b, 14 tot en met 14b en 15d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, behoudens voorzover bij of krachtens deze wet anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen tussen de houder dan wel de medehouder enerzijds en een natuurlijk persoon in de zin van de inkomstenbelasting respectievelijk een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting anderzijds, het tegendeel voortvloeit.
|
||||
**1.** De winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt opgemaakt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3.8, 3.14, eerste lid, onderdelen b tot en met i, en derde tot en met vijfde lid, 3.25 tot en met 3.39, 3.52, 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 3.54, 3.56 en 3.57 van de Wet inkomstenbelasting 2001, alsmede de artikelen 7, vierde en vijfde lid, 8, vierde lid, 8b tot en met 8bd, 9 tot en met 10b, 14 tot en met 14b, 15d en 35 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, behoudens voorzover bij of krachtens deze wet anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen tussen de houder dan wel de medehouder enerzijds en een natuurlijk persoon in de zin van de inkomstenbelasting respectievelijk een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting anderzijds, het tegendeel voortvloeit.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de genoemde artikelen van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor «onderneming» gelezen: winningsbedrijf.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1626,7 +1697,7 @@ c. dotaties aan de voorziening ter zake van de uit een overgenomen winningsvergu
|
|||
|
||||
### Artikel 68a
|
||||
|
||||
**1.** Als een houder van een vergunning investeert in een mijnbouwwerk, anders dan een mobiele installatie als bedoeld in regels gesteld krachtens de Wet milieubeheer, voor de opsporing of winning van een voorkomen van koolwaterstoffen kan de houder en, ingeval van medehouderschap, de medehouder bij de berekening van de heffingsmaatstaf, bedoeld in artikel 66, eerste lid, aanvullend 40% van zijn deel van het investeringsbedrag ten laste brengen van het resultaat.
|
||||
**1.** Als een houder van een vergunning investeert in een niet verplaatsbaar mijnbouwwerk, voor de opsporing of winning van een voorkomen van koolwaterstoffen kan de houder en, ingeval van medehouderschap, de medehouder bij de berekening van de heffingsmaatstaf, bedoeld in artikel 66, eerste lid, aanvullend 40% van zijn deel van het investeringsbedrag ten laste brengen van het resultaat.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1635,7 +1706,7 @@ Onder investeren wordt verstaan:
|
|||
a. het aangaan van verplichtingen voor en het maken van kosten voor het aanschaffen van een ten aanzien van het voorkomen niet eerder gebruikt mijnbouwwerk;
|
||||
b. het maken van voortbrengingskosten voor een ten aanzien van het voorkomen niet eerder gebruikt mijnbouwwerk;
|
||||
c. het maken van kosten voor het aanpassen of verbeteren van een mijnbouwwerk en
|
||||
d. het maken van kosten voor het aanleggen, het uitbreiden en het wijzigen van een boorgat, waaronder, in voorkomend geval, de kosten van het huren of gebruiken van een mobiele installatie als bedoeld in regels gesteld krachtens de Wet milieubeheer;
|
||||
d. het maken van kosten voor het aanleggen, het uitbreiden en het wijzigen van een boorgat, waaronder, in voorkomend geval, de kosten van het huren of gebruiken van een verplaatsbaar mijnbouwwerk;
|
||||
|
||||
voor zover die verplichtingen, respectievelijk kosten, op de houder dan wel de medehouder drukken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1745,8 +1816,11 @@ In het belang van een doelmatige opsporing en winning, een planmatig beheer en e
|
|||
|
||||
a. het deelnemen in opsporingswerkzaamheden op grond van opsporingsovereenkomsten, overeenkomstig paragraaf 5.2.2. van deze afdeling;
|
||||
b. het deelnemen in mijnbouwwerkzaamheden op grond van mijnbouwovereenkomsten, overeenkomstig paragraaf 5.2.3. van deze afdeling, met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder in ieder geval worden begrepen behandeling, transport en verkoop van de gewonnen koolwaterstoffen*;*
|
||||
c. het uitvoeren van de taken, het uitoefenen van de rechten en het voldoen aan de verplichtingen die voor de vennootschap voortvloeien uit de overeenkomst van samenwerking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 mei 1963, nummer 39 (Stcrt. 126) en de daarmee verband houdende regelingen en overeenkomsten;
|
||||
d. Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen energiebeleid, in het bijzonder ten aanzien van opsporing, winning, beheer en afzet van koolwaterstoffen.
|
||||
c. het sluiten van overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste en derde lid, met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder het begeleiden, bewaken en monitoren van het systeem van overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste, tweede en derde lid;
|
||||
d. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister over de vaststelling, toepassing en uitvoering van de overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste, tweede en derde lid, alsmede over de aard en omvang van de door een houder van een vergunning gestelde of te stellen financiële zekerheden;
|
||||
e. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister, indien informatie over financiële zekerheden, informatie over zeggenschap dan wel andere informatie daartoe aanleiding geeft;
|
||||
f. het uitvoeren van de taken, het uitoefenen van de rechten en het voldoen aan de verplichtingen die voor de vennootschap voortvloeien uit de overeenkomst van samenwerking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 mei 1963, nummer 39 (Stcrt. 126) en de daarmee verband houdende regelingen en overeenkomsten;
|
||||
g. Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen energiebeleid, in het bijzonder ten aanzien van opsporing, winning, beëindiging van opsporing en winning, alsmede het beheer en afzet van koolwaterstoffen.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, kunnen de vennootschap bij besluit van Onze Minister andere taken dan de taken, bedoeld in het eerste lid, worden opgedragen in het algemeen belang van het energiebeleid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de algemene belangen omschreven ten behoeve waarvan en de gevallen waarin Onze Minister de vennootschap een opdracht als bedoeld in de eerste volzin kan geven. Onze Minister kan aan een besluit tot het geven van een opdracht voorschriften en beperkingen verbinden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1873,7 +1947,7 @@ b. financieel nadeel voor de vennootschap.
|
|||
|
||||
Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de mijnbouwwerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
|
||||
|
||||
a. de vergunninghouder de uit de voorkomens gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen voor 40% in eigendom overdraagt aan de vennootschap;
|
||||
a. de vergunninghouder en de vennootschap de verdeling van de uit de voorkomens gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen vaststellen op 60% voor de vergunninghouder, respectievelijk 40% voor de vennootschap;
|
||||
b. zowel de vergunninghouder als de vennootschap gerechtigd is het eigen aandeel in de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen in natura op te nemen, met dien verstande dat zij ernaar streven zoveel mogelijk samen te werken bij de verkoop van de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen uit de voorkomens;
|
||||
c. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de afzet regelmatig overleg plegen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1942,6 +2016,32 @@ c. de overeenkomst tot stand komt binnen een jaar na het besluit van Onze Minist
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.4. Financiële zekerheid verwijderen of hergebruiken mijnbouwwerken
|
||||
|
||||
### Artikel 97c
|
||||
|
||||
Deze paragraaf heeft betrekking op personen die een vergunning houden voor het opsporen, winnen of opslaan van koolwaterstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 97d
|
||||
|
||||
**1.** Als één natuurlijke persoon of rechtspersoon een vergunning houdt, brengen deze persoon en de vennootschap een overeenkomst tot stand die strekt tot het begeleiden, bewaken en monitoren van de financiële zekerheid voor de nakoming van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede en vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Als twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen de vergunning gezamenlijk houden, brengen deze personen onderling een overeenkomst tot stand die strekt tot het stellen van financiële zekerheid voor de nakoming van ieders aandeel in de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede en vierde lid.
|
||||
|
||||
**3.** De personen, bedoeld in het tweede lid, en de vennootschap brengen gezamenlijk een overeenkomst tot stand die strekt tot het begeleiden, bewaken en monitoren van de uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot de inhoud van overeenkomsten als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, en daarmee verband houdende overeenkomsten tot het stellen van zekerheden.
|
||||
|
||||
**5.** Als personen een overeenkomst als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid sluiten, die afwijkt van de regels, bedoeld in het vierde lid, behoeft de overeenkomst instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**6.** Ontbinding van een overeenkomst komt niet tot stand dan na instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 97e
|
||||
|
||||
**1.** Iedere persoon, bedoeld in artikel 22, tweede lid, eerste volzin, meldt een wijziging in zijn directe en indirecte zeggenschap binnen vier weken na die wijziging aan de vennootschap in het geval een wijziging betrekking heeft op de helft of meer van de stemrechten in een aandeelhoudersvergadering dan wel de benoeming, de schorsing of het ontslag van de helft of meer van de bestuurders, commissarissen of vennoten.
|
||||
|
||||
**2.** Als een wijziging in de zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geeft, adviseert de vennootschap Onze Minister over de toepassing van de artikelen 47 en 48.
|
||||
|
||||
**3.** Als de wijziging in de zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, mogelijk nadelig is voor een te stellen of gestelde zekerheid als bedoeld in de artikelen 47 en 48 en de melding niet is gedaan binnen de termijn van vier weken, bedoeld in dat lid, is een rechtshandeling, die nodig is voor de wijziging van de zeggenschap vernietigbaar door een rechterlijke uitspraak, onverminderd de toepassing van artikel 40, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek door een persoon als bedoeld in artikel 97d, tweede lid, of de vennootschap.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.3. Afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 98
|
||||
|
|
@ -2321,7 +2421,7 @@ c. te voorzien in maaltijden en andere benodigdheden.
|
|||
|
||||
### Artikel 132
|
||||
|
||||
De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens artikel 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9, zijn gesteld met uitzondering van artikel 111, artikel 120, tweede lid, en artikel 111 in samenhang met artikel 121.
|
||||
De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens de artikelen 47, eerste lid, 48, eerste lid, en 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9, zijn gesteld met uitzondering van artikel 111, artikel 120, tweede lid, en artikel 111 in samenhang met artikel 121.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.4. Retributie
|
||||
|
||||
|
|
@ -2331,10 +2431,13 @@ De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder be
|
|||
|
||||
Een exploitant van een productie-installatie, een eigenaar van een niet-productie-installatie, een eigenaar van een pijpleiding en een netbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de Gaswet zijn, indien van toepassing in afwijking van artikel 2.9a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een vergoeding verschuldigd voor:
|
||||
|
||||
a. het door Onze Minister op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing of instemming met betrekking tot mijnbouw, of het beoordelen van een melding voor een handeling met een mobiele installatie;
|
||||
a. het door Onze Minister:
|
||||
|
||||
1°. op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing, instemming, maatwerkvoorschrift of toestemming;
|
||||
2°. adviseren over of instemmen met activiteiten inzake een mijnbouwwerk, het beoordelen van een melding of het beoordelen van gegevens en bescheiden die zijn verstrekt voor een activiteit inzake een mijnbouwwerk;
|
||||
b. de door de inspecteur-generaal uit te voeren taken als bedoeld in artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g, met dien verstande dat een vergoeding niet in rekening wordt gebracht voor:
|
||||
|
||||
1°. advisering en het doen uitvoeren van onderzoek dat geen verband houdt met het verlenen, wijzigen of intrekken op aanvraag van een vergunning of instemming;
|
||||
1°. advisering en onderzoek dat wordt uitgevoerd voor een ander doel dan een advies aan of het toezicht op een besluit van Onze Minister, respectievelijk de inspecteur generaal der mijnen, over handelingen als bedoeld in onderdeel a, onder 1° en 2°;
|
||||
2°. het vaststellen van een besluit als bedoeld in artikel 132.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vergoeding.
|
||||
|
|
@ -2523,7 +2626,7 @@ d. een ontheffing verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat,
|
|||
|
||||
**3.** De voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, gaan gelden als aan de opsporingsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften. De voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, gaan gelden als aan de winningsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 3 is de houder van een vergunning die ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, als een winningsvergunning wordt beschouwd, voor het tijdvak waarvoor de vergunning geldt eigenaar van de mijn waarop zij betrekking heeft.
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 3 is de houder van een vergunning die ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, als een winningsvergunning wordt beschouwd, voor het tijdvak waarvoor de vergunning geldt eigenaar van de mijn waarop zij betrekking heeft. Als een overeenkomst met de vennootschap tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, geldt dat tweede lid voor de vennootschap onverminderd, zodra de delfstoffen zijn gewonnen, tenzij in de overeenkomst een verdeling van de financiële opbrengst is overeengekomen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2685,7 +2788,7 @@ c. verminderd met het over het boekjaar na toepassing van dit artikel te betalen
|
|||
|
||||
**1.** De overeenkomst, bedoeld in artikel 81, betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in artikel 143, die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijke besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De percentages, genoemd in de artikelen 84 en 86, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in artikel 143, die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
|
||||
**2.** De percentages, genoemd in de artikelen 88 en 90, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in artikel 143, die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
|
||||
|
||||
### Artikel 161
|
||||
|
||||
|
|
@ -2695,7 +2798,7 @@ Overeenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de
|
|||
|
||||
**1.** De overeenkomst, bedoeld in artikel 89, betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijk besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De percentages, genoemd in de artikelen 92, 93 en 94, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
|
||||
**2.** De percentages, genoemd in de artikelen 94, 95 en 96, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
|
||||
|
||||
### Artikel 163
|
||||
|
||||
|
|
@ -2750,7 +2853,9 @@ Betalingen gedaan op grond van de tussen de Staat en de houder van de winningsve
|
|||
|
||||
### Artikel 167e
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Onverminderd een op 1 januari 2003 krachtens een overgangsrechtelijke bepaling geldende verplichting tot het verwijderen van mijnbouwwerken of het verwijderen dan wel schoon en veilig achterlaten van kabels en pijpleidingen zijn de artikelen 44 en 45 van toepassing op mijnbouwwerken, respectievelijk kabels en pijpleidingen, die op of na 1 januari 2003 buiten werking zijn gesteld.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 44, derde lid, kan Onze Minister gedurende vier jaar na de inwerkingtreding van dat artikel de termijn van een jaar, bedoeld in artikel 44, derde lid, verlengen met overeenkomstige toepassing van artikel 44b, derde lid, met dien verstande dat de termijn niet verder wordt verlengd dan tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat artikel.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue