2026-01-01 | BWBR0020252 | Besluit toeslag premie ziektekostenverzekering Wubo en Wuv
This commit is contained in:
parent
a9feeebf38
commit
e4f17da12c
1 changed files with 7 additions and 7 deletions
|
|
@ -14,16 +14,16 @@ citeertitel: Besluit toeslag premie ziektekostenverzekering Wubo en Wuv
|
|||
|
||||
De toeslag, bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, en 21, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de artikelen 14, tweede lid, en 15, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, wordt vastgesteld op:
|
||||
|
||||
a. € 114 per 1 januari 2025: € 237,22 per maand voor de ongehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt;
|
||||
b. € 114 per 1 januari 2025: € 237,22 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot niet te zijnen laste komt;
|
||||
c. € 184 per 1 januari 2025: € 382,90 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot te zijnen laste komt;
|
||||
d. € 118 per 1 januari 2025: € 245,53 per maand voor de ongehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
|
||||
e. € 118 per 1 januari 2025: € 245,53 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot niet te zijnen laste komt;
|
||||
f. € 236 per 1 januari 2025: € 491,10 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot te zijnen laste komt.
|
||||
a. € 114 per 1 januari 2026: € 238,00 per maand voor de ongehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt;
|
||||
b. € 114 per 1 januari 2026: € 238,00 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot niet te zijnen laste komt;
|
||||
c. € 184 per 1 januari 2026: € 384,16 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot te zijnen laste komt;
|
||||
d. € 118 per 1 januari 2026: € 246,34 per maand voor de ongehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
|
||||
e. € 118 per 1 januari 2026: € 246,34 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot niet te zijnen laste komt;
|
||||
f. € 236 per 1 januari 2026: € 492,72 per maand voor de gehuwde gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, indien de premie van verzekering tegen ziektekosten van de echtgenoot te zijnen laste komt.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Het bedrag, bedoeld in de artikelen 20, tweede lid, en 21, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de artikelen 14, derde lid, en 15, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, wordt vastgesteld op € 186,50 per 1 januari 2025: € 388,39 per verzekerde per maand.
|
||||
Het bedrag, bedoeld in de artikelen 20, tweede lid, en 21, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de artikelen 14, derde lid, en 15, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, wordt vastgesteld op € 186,50 per 1 januari 2026: € 389,67 per verzekerde per maand.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue