2008-07-01 | BWBR0001854 | Wetboek van Strafrecht
This commit is contained in:
parent
8708b9a0d9
commit
e512f9299e
1 changed files with 132 additions and 39 deletions
|
|
@ -276,82 +276,177 @@ De vordering wordt in dat geval ingediend door het openbaar ministerie belast me
|
|||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** De veroordeelde tot vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte ten hoogste een jaar bedraagt wordt vervroegd in vrijheid gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste zes maanden heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan.
|
||||
**1.** De veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf eenderde gedeelte is ondergaan.
|
||||
|
||||
**2.** De veroordeelde tot tijdelijke vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte meer dan een jaar bedraagt wordt vervroegd in vrijheid gesteld wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan.
|
||||
**2.** De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van de vorige leden wordt de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is doorgebracht onder de termijn begrepen, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering reeds in mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft ondergaan.
|
||||
**3.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de rechter op grond van artikel 14a heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien op grond van artikel 14g, eerste lid, de tenuitvoerlegging van het geheel of een gedeelte van een vrijheidsstraf is gelast.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is doorgebracht onder de termijn begrepen, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, reeds in mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft ondergaan.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf geheel of gedeeltelijk heeft te ondergaan, worden deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoergelegd. In dat geval worden de tenuitvoer te leggen gedeelten gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit artikel en artikel 15a toepasselijk zijn.
|
||||
**5.** Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf heeft te ondergaan, worden deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit artikel en de artikelen 15a tot en met 15l van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**6.** De artikelen 570 en 570a van het Wetboek van Strafvordering zijn toepasselijk.
|
||||
**6.** De artikelen 570 en 570a van het Wetboek van Strafvordering zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
|
||||
|
||||
Vervroegde invrijheidstelling kan worden uitgesteld of achterwege blijven indien:
|
||||
**2.** Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld.
|
||||
|
||||
a. de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens is geplaatst in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden en zijn verpleging voortzetting behoeft;
|
||||
b. de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld terzake van een misdrijf waarvoor ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten en dat is begaan na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf;
|
||||
c. is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen;
|
||||
d. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet.
|
||||
**3.** De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden deelname aan programmatische activiteiten gericht op terugkeer in de maatschappij of het ondergaan van bijzondere zorg, zoals verslavingszorg of geestelijke gezondheidszorg. De bijzondere voorwaarden kunnen tevens beperkingen betreffende het gedrag en de bewegingsvrijheid van de veroordeelde omvatten. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel w, van de Penitentiaire beginselenwet worden verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het openbaar ministerie, met de tenuitvoerlegging van de straf belast, van oordeel is dat er op een der gronden genoemd in het eerste lid reden is een vervroegde invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, richt het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering tot het gerechtshof te Arnhem. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Een afschrift van de vordering wordt toegezonden aan de veroordeelde.
|
||||
**4.** De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.
|
||||
|
||||
**3.** In de gevallen als bedoeld in het vijfde lid van artikel 15 komt deze bevoegdheid toe aan het openbaar ministerie bij het gerecht waarvan de uitspraak het laatst in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel aan het openbaar ministerie bij het gerecht, dat de langste ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf heeft opgelegd.
|
||||
**5.** Het openbaar ministerie neemt de beslissing omtrent het stellen van bijzondere voorwaarden.
|
||||
|
||||
**4.** De in het tweede lid bedoelde vordering dient uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip waarop vervroegde invrijheidstelling ingevolge het vorige artikel zou moeten plaats vinden te zijn ontvangen op de griffie van het gerechtshof. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid zich eerst nadien heeft voorgedaan.
|
||||
**6.** De directeur van de penitentiaire inrichting adviseert omtrent de te stellen bijzondere voorwaarden. De reclassering kan adviseren omtrent de te stellen bijzondere voorwaarden.
|
||||
|
||||
**5.** Vervroegde invrijheidstelling kan tevens worden uitgesteld of achterwege blijven, indien de feiten of omstandigheden als genoemd in het eerste lid, onder *b, c* en *d*, zich hebben voorgedaan gedurende de periode die ingevolge artikel 27, eerste lid, op de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
|
||||
**7.** Het openbaar ministerie kan de gestelde bijzondere voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen. Zodanige wijziging wordt de veroordeelde terstond schriftelijk medegedeeld.
|
||||
|
||||
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de totstandkoming van de beslissing, bedoeld in het vijfde en het zevende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 15b
|
||||
|
||||
**1.** Bij zijn vordering zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof toe. De voorzitter van het gerechtshof bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen. Indien zulks niet wordt vastgesteld, stelt de griffier een afschrift van de vordering en van de daarop betrekking hebbende stukken de advocaat-generaal bij het gerechtshof ter hand.
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast.
|
||||
|
||||
**2.** Hangende de beslissing van het gerechtshof op de vordering wordt de veroordeelde niet vervroegd in vrijheid gesteld.
|
||||
**2.** Het openbaar ministerie kan een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Reclasseringsregeling 1995 opdracht geven de veroordeelde begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.
|
||||
|
||||
**3.** Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, geeft de voorzitter op verzoek van de veroordeelde aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman. De veroordeelde en zijn raadsman kunnen voor de aanvang van het onderzoek van de stukken kennis nemen. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Zowel de advocaat-generaal als de veroordeelde is bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260 en 263 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing. Het gerechtshof kan ambtshalve ook andere personen horen.
|
||||
|
||||
**5.** Het onderzoek vindt plaats ter openbare terechtzitting. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn en zich door zijn raadsman te doen bijstaan. De advocaat-generaal is bij het onderzoek aanwezig en wordt terzake gehoord.
|
||||
|
||||
**6.** De artikelen 268, tweede lid, 269, 270, 271, eerste lid, 272, 273, eerste en tweede lid, 277, 281, 284, eerste lid, 287, tweede en derde lid, 288, eerste, tweede en vierde lid, 289, eerste, tweede en derde lid, 290 tot en met 297, 315, 319, 320, eerste en tweede lid, 322, 324, 326 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** De in het zesde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het uit te oefenen toezicht.
|
||||
|
||||
### Artikel 15c
|
||||
|
||||
**1.** Indien het gerechtshof de vordering van het openbaar ministerie toewijst, verleent het machtiging de veroordeelde op het in de vordering aangegeven tijdstip in vrijheid te stellen. Het openbaar ministerie is bevoegd te vorderen dat vervroegde invrijheidstelling, waarvan uitstel is gelast, wederom wordt uitgesteld of niet plaats vindt, indien zich na de aanvankelijke beslissing opnieuw een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in het eerste lid van artikel 15a.
|
||||
**1.** De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het gerechtshof de vordering geheel of gedeeltelijk afwijst, bepaalt het op welk tijdstip de veroordeelde vervroegd in vrijheid gesteld zal worden.
|
||||
**2.** De proeftijd van de algemene voorwaarde is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar.
|
||||
|
||||
**3.** De beslissing van het gerechtshof omtrent een vordering is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Vanwege de advocaat-generaal wordt zij onverwijld aan het openbaar ministerie dat de vordering instelde en aan de veroordeelde ter kennis gebracht.
|
||||
**3.** De proeftijd van een bijzondere voorwaarde wordt door het openbaar ministerie vastgesteld, maar is ten hoogste gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
|
||||
|
||||
**4.** Tegen de beslissing van het gerechtshof staat geen rechtsmiddel open.
|
||||
**4.** De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 15d
|
||||
|
||||
In gevallen waarin het gerechtshof een vordering geheel of gedeeltelijk afwijst kan het op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, ondergaan uit hoofde van het tweede lid van artikel 15b. De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, derde, vierde en vijfde lid, 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld of achterwege blijven indien:
|
||||
|
||||
a. de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens is geplaatst in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden en zijn verpleging voortzetting behoeft;
|
||||
b. is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, welke misdraging kan blijken uit:
|
||||
|
||||
1°. ernstige bezwaren of een veroordeling terzake van een misdrijf;
|
||||
2°. gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf;
|
||||
c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet;
|
||||
d. door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven;
|
||||
e. de vrijheidsstraf die ten uitvoer wordt gelegd, voortvloeit uit een onherroepelijke veroordeling door een buitenlandse rechter en de tenuitvoerlegging overeenkomstig het toepasselijke verdrag is overgenomen, voorzover de mogelijkheid van uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling de instemming van de buitenlandse autoriteit met de overbrenging heeft bevorderd.
|
||||
|
||||
**2.** Voorwaardelijke invrijheidstelling kan tevens worden uitgesteld of achterwege blijven, indien de feiten of omstandigheden als genoemd in het eerste lid, onder b, c of d, zich hebben voorgedaan gedurende de periode die ingevolge artikel 27, eerste lid, op de vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht.
|
||||
|
||||
**3.** Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat er op een van de gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, verzoekt hij het openbaar ministerie om een daartoe strekkende vordering in te dienen.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er op een van de gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, richt het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering tot de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Een afschrift van de vordering wordt toegezonden aan de veroordeelde.
|
||||
|
||||
**5.** In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd.
|
||||
|
||||
**6.** De vordering, bedoeld in het vierde lid, dient uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te zijn ontvangen op de griffie van de rechtbank. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid zich eerst nadien heeft voorgedaan.
|
||||
|
||||
**7.** De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met een bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is uitgesteld, achterwege blijven. Het derde tot en met zesde lid zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 15e
|
||||
|
||||
**1.** Bij de vordering, bedoeld in artikel 15d, vierde lid, zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe. De voorzitter van de rechtbank bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** Hangende de beslissing van de rechtbank wordt de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, geeft de voorzitter op verzoek van de veroordeelde aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman. De veroordeelde en zijn raadsman kunnen voor de aanvang van het onderzoek van de stukken kennis nemen. Artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde is bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260 en 263 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** De zaak kan worden behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer van de rechtbank. Het onderzoek van de zaak vindt plaats ter openbare terechtzitting. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn en zich door een raadsman te doen bijstaan. Het openbaar ministerie is bij het onderzoek aanwezig en wordt ter zake gehoord. Gedurende het onderzoek kan het openbaar ministerie zijn ingediende vordering wijzigen.
|
||||
|
||||
**6.** De artikelen 268, tweede en derde lid, 269 tot en met 277, 278, tweede lid, 279, 281, 284, eerste lid, 286, 287, tweede en derde lid, 288 tot en met 311, 315, 316, 318, 319, 320, eerste en tweede lid, 321, 322, 324, 326 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** De in het zesde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voorzover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 15f
|
||||
|
||||
**1.** Indien de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15d, vierde lid, toewijst, bepaalt hij dat de veroordeelde op het in de vordering aangegeven tijdstip in vrijheid zal worden gesteld.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de rechtbank de vordering geheel of gedeeltelijk afwijst, bepaalt hij op welk tijdstip de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** De rechtbank kan in zijn beslissing omtrent de vordering adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden.
|
||||
|
||||
**4.** De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechtbank.
|
||||
|
||||
**5.** Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen rechtsmiddel open.
|
||||
|
||||
### Artikel 15g
|
||||
|
||||
**1.** Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.
|
||||
|
||||
**2.** De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan, opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 15h
|
||||
|
||||
**1.** Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld zich zodanig heeft gedragen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen, kan zijn aanhouding worden bevolen door het openbaar ministerie.
|
||||
|
||||
**2.** Het openbaar ministerie dient indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, naast de vordering, bedoeld in artikel 15i, tweede lid, onverwijld een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechter-commissaris.
|
||||
|
||||
**3.** De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis te nemen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de hervatting van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde.
|
||||
|
||||
**6.** Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De termijn van de schorsing eindigt van rechtswege:
|
||||
|
||||
a. met ingang van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de duur van de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend;
|
||||
b. met ingang van het tijdstip van de beslissing van de rechtbank over de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15j.
|
||||
|
||||
**8.** Het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit ambtshalve doen, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.
|
||||
|
||||
### Artikel 15i
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en gehele of gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, verzoekt hij het openbaar ministerie om een daartoe strekkende vordering in te dienen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, dient het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust.
|
||||
|
||||
**3.** Tot kennisneming van de vordering is bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van het strafbare feit en kan bij gelegenheid van een veroordeling terzake van dat strafbare feit worden toegewezen.
|
||||
|
||||
**4.** In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de vordering zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe. De voorzitter van de rechtbank bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen. In het geval bedoeld in het derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de zaak gelijktijdig met de behandeling van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd.
|
||||
|
||||
**6.** Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en indien artikel 15b, tweede lid, is toegepast, degene die met begeleiding en toezicht is belast, tot bijwoning van de zitting oproepen onder betekening van de vordering.
|
||||
|
||||
**7.** In de gevallen waarin de behandeling van de zaak niet gelijktijdig geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, is artikel 15e, derde tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 15j
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15i, tweede lid, wordt toegewezen, gelast de rechtbank dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan. De rechtbank kan in zijn beslissing omtrent de vordering adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden.
|
||||
|
||||
**2.** In het geval dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen nadat zij is geschorst, wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geacht te zijn hervat op de dag van de aanhouding, bedoeld in artikel 15h, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld in kennis van de beslissing van de rechtbank.
|
||||
|
||||
**4.** Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover zij geen deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel open.
|
||||
|
||||
### Artikel 15k
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
In de gevallen waarin een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het gerecht in feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 15h, vijfde lid. De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 15l
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, kan Onze Minister van Justitie bepalen dat voor een bepaalde periode en voor bepaalde categorieën gedetineerden de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip kan plaatsvinden in verband met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen in penitentiaire inrichtingen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien Onze Minister van Justitie toepassing geeft aan het eerste lid, wordt daarvan mededeling gedaan in de Staatscourant. Van de plaatsing in de Staatscourant wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
**3.** Indien Onze Minister van Justitie toepassing geeft aan het eerste lid, wordt het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling met niet meer dan drie maanden vervroegd.
|
||||
|
||||
**4.** De periode, bedoeld in het eerste lid, is niet langer dan zes maanden. De toepassing van het eerste lid kan door Onze Minister van Justitie te allen tijde worden beëindigd. Indien Onze Minister van Justitie voortzetting van de toepassing van het eerste lid noodzakelijk acht, kan de periode worden verlengd met zes maanden. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -417,8 +512,6 @@ Over de wijze waarop de taakstraf wordt of is verricht, kan het openbaar ministe
|
|||
|
||||
**3.** Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf oplegde. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen.
|
||||
|
||||
**4.** Op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is artikel 15 niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 22h
|
||||
|
||||
Op de behandeling van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22f, derde lid, en artikel 22g, derde lid, zijn de artikelen 14h, met uitzondering van de eerste volzin van het eerste lid, 14i en 14j van dit wetboek en artikel 449, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
|
@ -513,7 +606,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 24e
|
||||
|
||||
Op de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is het bepaalde in artikel 15 niet van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue