2007-10-18 | BWBR0012289 | Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
This commit is contained in:
parent
483b72b6f4
commit
e5314ba591
1 changed files with 159 additions and 444 deletions
|
|
@ -288,17 +288,7 @@ Het is niet mogelijk om een verzoek om advies ten behoeve van een vreemdeling di
|
|||
|
||||
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
|
||||
|
||||
In artikel 14, eerste lid, onder c, Vw is de bevoegdheid neergelegd van de Minister van Justitie om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt geen gebruik gemaakt.
|
||||
|
||||
Als regel van de Vw geldt dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in artikel 3.6 Vb aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve verleend kunnen worden). Dat geldt ook voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en tevens voor wijziging van een zodanige verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
Gelet op artikel 3.100 Vb is, in gevallen waarin de vreemdeling hangende de besluitvorming op een aanvraag een ander verblijfsdoel nastreeft, sprake van wijziging van het verblijfsdoel, waarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.
|
||||
|
||||
Gelet op hetgeen in B1/2.1 is vermeld (er moet op de aanvraag worden beslist zoals deze is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan waarom is gevraagd), is in gevallen waarin de vreemdeling een ander verblijfsdoel nastreeft dan waarvoor hij verblijf heeft gevraagd, geen ruimte om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen voor een ander doel dan waarom is gevraagd. Een uitzondering hierop geldt voor de verblijfsvergunningen als bedoeld in artikel 3.6 Vb, die zonder daartoe strekkende aanvraag kunnen worden verleend.
|
||||
|
||||
Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.81 Vb wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 Vb niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 Vb van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
|
||||
In artikel 14, eerste lid, onder c, Vw is de bevoegdheid neergelegd van de Minister van Justitie om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt slechts gebruik gemaakt indien schending van het familie-, gezins- of privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM aan de orde is.
|
||||
|
||||
#### 2.1. Beperking
|
||||
|
||||
|
|
@ -1137,65 +1127,45 @@ Met voortzetting van verblijf wordt hier gedoeld op het continueren van verblijf
|
|||
|
||||
De aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw, is in ieder geval tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag vóór de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt. De tijdig ingediende aanvraag tot het verlenen, het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf (zie artikel 3.80 Vb). Het mvv- vereiste blijft buiten toepassing. De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan de datum waarop de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning afloopt (zie artikel 26, tweede lid, Vw). Als de vreemdeling niet-toerekenbaar buiten staat was de gegevens waaruit blijkt dat aan alle voorwaarden wordt voldaan tijdig te overleggen, kan aansluitend verblijfsrecht worden verleend (zie artikel 26, derde lid, Vw).
|
||||
|
||||
Artikel 3.82, tweede lid, Vb is niet van toepassing op tijdig ingediende aanvragen tot het verlenen, het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verstreken, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late ontvangst van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen (zie artikel 3.80, eerste lid, Vb). In deze gevallen wordt getoetst aan voortzetting van verblijf, zodat het mvv-vereiste niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
De vraag of de te late ontvangst van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag, desnoods door tussenkomst van derden. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid niet is gewezen op de omstandigheid dat zijn verblijfsvergunning binnenkort afloopt en dat verlenging moet worden gevraagd, komt in dit verband geen betekenis toe. Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteit- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, kan geen algemene regel worden gegeven over de termijn waarbinnen de achtergelaten vrouw een aanvraag moet hebben ingediend. Als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, IND of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, wordt haar een te late indiening van de aanvraag niet toegerekend. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdelinge om bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf aan te geven dat er sprake is van achterlating, en de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf, stelt de IND de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund. Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/5.3.2, B1/7, B16 en B2/10.2.4.
|
||||
|
||||
Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten. Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan tevens worden gedacht aan de situatie waarbij de vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend, waarbij de geldigheidsduur van de vergunning op het moment dat de inwilligende beschikking bekend wordt gemaakt reeds is geëindigd, omdat geen gebruik gemaakt kon worden van de met artikel 3.67, tweede lid, Vb gegeven bevoegdheid. Indien de vreemdeling in dit geval de aanvraag indient binnen zes maanden nadat de inwilligende beschikking bekend is gemaakt, kan de vreemdeling niet worden toegerekend dat hij de aanvraag niet heeft ingediend voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning eindigde. Uiteraard zijn de twee hiervoor genoemde voorbeelden niet de enige situaties waarin sprake is van omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn. De aanvraag tot het verlenen, het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning die is ontvangen nadat de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is afgelopen dan wel nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken dan wel nadat het verblijf als Nederlander is geëindigd, maar waarbij sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf (zie artikel 3.80, eerste lid, Vb). De vergunning kan met terugwerkende kracht worden verleend (zie artikel 26, derde lid, Vw).
|
||||
|
||||
De aanvraag tot het verlenen, het verlengen of het wijzigen van een verblijfsvergunning die is ontvangen nadat de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is afgelopen dan wel nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken dan wel nadat het verblijf als Nederlander is geëindigd, maar die nog wel is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf (zie artikel 3.82, eerste lid, Vb). De redelijke termijn van zes maanden vangt aan op de dag waarop het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw, of als Nederlander is geëindigd. De vergunning wordt in dit geval niet met terugwerkende kracht verleend. De vergunning zal worden verleend met als ingangsdatum de datum van aanvraag, of zo veel later als de vreemdeling heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 26 Vw). Er ontstaat derhalve een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling, hetgeen gevolgen heeft voor de opbouw van verdere verblijfsrechten (een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, optie of naturalisatie). Dit is slechts anders als sprake is van feiten en omstandigheden die de vreemdeling niet toe te rekenen zijn.
|
||||
|
||||
Een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van het verblijfsdoel van een verblijfsvergunning die meer dan zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is ontvangen, wordt in beginsel aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating (zie artikel 3.80, tweede lid, Vb). Het mvv-vereiste is in deze gevallen onverkort van toepassing.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van aanvragen om verlenging dan wel wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning, die zijn ingediend na afloop van de eerder verleende vergunning, zijn uitzonderingen opgenomen in artikel 3.82, tweede lid, Vb. Als de vreemdeling onder deze uitzonderingen valt, is artikel 3.81, eerste lid, Vb niet van toepassing. Dit betekent dat – indien de vreemdeling niet vóór het einde van de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van de vergunning indient – het mvv-vereiste onverkort van toepassing is, ook al is de aanvraag ingediend binnen een redelijke termijn. In artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder c, Vb is een specifieke bepaling opgenomen voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als geestelijk voorganger of godsdienstleraar. Deze uitzondering wordt gemaakt in het belang van het toezicht op vreemdelingen en de openbare orde. Ten aanzien van deze groep wordt vooraf een onderzoek ingesteld of er vanuit het oogpunt van de openbare orde en openbare rust bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de desbetreffende vreemdeling, en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling als godsdienstig functionaris zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. Dat geldt zowel indien de vreemdeling niet tijdig heeft verzocht om verlenging, als ook indien hij voor een andere groepering wil werken. Echter, indien de vreemdeling, die aanvankelijk een verblijfsvergunning had onder de beperking verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, wijziging naar een geheel ander verblijfsdoel (niet zijnde als geestelijk voorganger of godsdienstleraar) wenst, geldt het reguliere beleid ten aanzien van aanvragen om wijziging van het verblijfsdoel. Ten overvloede zij er hierbij op gewezen dat een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich tegen (al dan niet tijdelijke) verblijfsbeëindiging kan verzetten, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling aantoonbaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehouden, geldt het mvv-vereiste onverkort.
|
||||
|
||||
Op het punt van het beleid ten aanzien van de openbare orde of de nationale veiligheid wordt uitgegaan van voortzetting van verblijf, omdat er sprake is van ononderbroken hoofdverblijf in Nederland.
|
||||
|
||||
In de artikelen 14, 15 en 15a Rwn is een aantal verliesgronden opgenomen voor het Nederlanderschap van meerderjarigen. De aanvraag van de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren op grond van de artikelen 14, 15 en 15a Rwn wordt ingevolge artikel 3.82, eerste lid, Vb gelijkgesteld met de niet-tijdig ingediende aanvraag en is daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste, indien de aanvraag binnen een redelijke termijn van zes maanden is ontvangen (zie B4/2.2.3). De uitzonderingsgronden van artikel 3.82, tweede lid, Vb zijn onverkort van toepassing.
|
||||
|
||||
De termijn van zes maanden vangt aan:
|
||||
|
||||
– op de dag waarop de beschikking, strekkende tot intrekking van het Nederlanderschap, bekend wordt gemaakt (zie artikel 14 Rwn);
|
||||
– op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt vanwege de vrijwillige verkrijging van de andere nationaliteit (zie artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, Rwn);
|
||||
– op de dag van het afleggen van de verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit (zie artikel 15, eerste lid, onder b, Rwn);
|
||||
– op de dag waarop het verlies wegens langdurig verblijf in het buitenland van rechtswege is ingetreden (zie artikel 15, eerste lid, onder c, Rwn);
|
||||
– op de dag waarop de beschikking, strekkende tot intrekking van het Nederlanderschap, bekend wordt gemaakt (zie artikel 15, eerste lid, onder d, Rwn);
|
||||
– op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt wegens vrijwillige krijgsdienst bij een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen Nederland dan wel een bondgenootschap waarvan Nederland lid is (zie artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e, Rwn);
|
||||
– op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt doordat de meerderjarige de nationaliteit verkrijgt van een Staat die partij is bij het Nationaliteitenverdrag (zie artikel 15a, aanhef en onder a, Rwn);
|
||||
– op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt doordat de meerderjarige ingevolge de Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname de Surinaamse nationaliteit verkrijgt (zie artikel 15a, aanhef en onder b, Rwn).
|
||||
• op de dag waarop de beschikking, strekkende tot intrekking van het Nederlanderschap, bekend wordt gemaakt (zie artikel 14 Rwn);
|
||||
• op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt vanwege de vrijwillige verkrijging van de andere nationaliteit (zie artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, Rwn);
|
||||
• op de dag van het afleggen van de verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit (zie artikel 15, eerste lid, onder b, Rwn);
|
||||
• op de dag waarop het verlies wegens langdurig verblijf in het buitenland van rechtswege is ingetreden (zie artikel 15, eerste lid, onder c, Rwn);
|
||||
• op de dag waarop de beschikking, strekkende tot intrekking van het Nederlanderschap, bekend wordt gemaakt (zie artikel 15, eerste lid, onder d, Rwn);
|
||||
• op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt wegens vrijwillige krijgsdienst bij een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is (zie artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e, Rwn);
|
||||
• op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt doordat de meerderjarige de nationaliteit verkrijgt van een Staat die partij is bij het Nationaliteitenverdrag (zie artikel 15a, aanhef en onder a, Rwn);
|
||||
• op de dag waarop van rechtswege het verlies van het Nederlanderschap intreedt doordat de meerderjarige ingevolge de Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname de Surinaamse nationaliteit verkrijgt (zie artikel 15a, aanhef en onder b, Rwn).
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling niet aantoont wanneer de redelijke termijn van zes maanden is aangevangen, dan wordt aangenomen dat deze termijn reeds verstreken is. Indien het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14 Rwn, dan is het volgende van belang. Er is sprake van de situatie bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder b, Vb, indien:
|
||||
|
||||
– het geven van een valse verklaring of het bedrog, dan wel het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap relevant feit, voorafgaand aan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap heeft plaatsgevonden in een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; en
|
||||
– de betreffende gegevens of feiten tot afwijzing van de oorspronkelijke verblijfsaanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.
|
||||
• het geven van een valse verklaring of het bedrog, dan wel het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap relevant feit, voorafgaand aan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap heeft plaatsgevonden in een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; en
|
||||
• de betreffende gegevens of feiten tot afwijzing van de oorspronkelijke verblijfsaanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.
|
||||
|
||||
In deze situaties wordt de aanvraag niet op grond van artikel 3.82, eerste lid, Vb vrijgesteld van het mvv-vereiste. Artikel 3.71 Vb is onverkort van toepassing.
|
||||
|
||||
De aanvraag van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken (al dan niet met terugwerkende kracht), maar waarbij de aanvraag nog wel is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden na de datum waarop de intrekkingsbeschikking is bekendgemaakt, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf. De aanvraag is dan namelijk ingediend binnen een redelijke termijn nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken (zie hierboven bij ‘Niet-tijdig maar binnen de redelijke termijn’ ). Dit geldt uiteraard niet indien sprake is van de uitzonderingssituaties bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb:
|
||||
|
||||
– als de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en sprake is van omstandigheden bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb, dan geldt dat de aanvraag slechts tijdig is ingediend indien deze is ingediend vóór het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken. Alleen in die gevallen is betrokkene immers in het bezit van een geldige verblijfsvergunning op het moment dat de verlengingsaanvraag wordt ingediend.
|
||||
– als de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en sprake is van omstandigheden bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb, en betrokkene de aanvraag heeft ingediend ná het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken, is geen sprake van een tijdig ingediende aanvraag. Betrokkene was immers formeel niet meer in het bezit van een geldige verblijfsvergunning op het moment dat de verlengingsaanvraag werd ingediend; dat betrokkene nog wel in het bezit was van een verblijfsdocument, doet daaraan niet af. Als betrokkene formeel nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, omdat deze is ingetrokken tot en met de datum waarop zij verleend werd, kan betrokkene gelet op het voorgaande per definitie niet tijdig een verlengingsaanvraag indienen. De verlengingsaanvraag wordt in deze gevallen aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating (zie artikel 3.80, tweede lid, Vb). Het mvv-vereiste is dan onverkort van toepassing.
|
||||
• als de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en sprake is van omstandigheden bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb, dan geldt dat de aanvraag slechts tijdig is ingediend indien deze is ingediend vóór het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken. Alleen in die gevallen is betrokkene immers in het bezit van een geldige verblijfsvergunning op het moment dat de verlengingsaanvraag wordt ingediend.
|
||||
• als de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en sprake is van omstandigheden bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb, en betrokkene de aanvraag heeft ingediend ná het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken, is geen sprake van een tijdig ingediende aanvraag. Betrokkene was immers formeel niet meer in het bezit van een geldige verblijfsvergunning op het moment dat de verlengingsaanvraag werd ingediend; dat betrokkene nog wel in het bezit was van een verblijfsdocument, doet daaraan niet af. Als betrokkene formeel nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, omdat deze is ingetrokken tot en met de datum waarop zij verleend werd, kan betrokkene gelet op het voorgaande per definitie niet tijdig een verlengingsaanvraag indienen. De verlengingsaanvraag wordt in deze gevallen aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating (zie artikel 3.80, tweede lid, Vb). Het mvv-vereiste is dan onverkort van toepassing.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 73 Vw wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Afwijking van deze hoofdregel geldt evenwel indien de aanvraag is afgewezen wegens onder andere het ontbreken van een mvv (zie artikel 73, tweede lid, onder a, Vw). De rechtsgevolgen zoals neergelegd in artikel 27 Vw treden onverkort in werking.
|
||||
|
||||
Indien voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet zowel de verlengingsaanvraag en de gegevens en bescheiden waarmee is aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn ontvangen, zal het verblijfsrecht van de vreemdeling niet aaneengesloten zijn. Dat heeft gevolgen voor de opbouw van rechten (bijvoorbeeld voor de latere verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie). Het is derhalve van belang dat de vreemdeling de aanvraag en de gegevens tijdig indient.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 26, derde lid, Vw kan de verblijfsvergunning echter worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt, indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen.
|
||||
|
||||
Indien de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden de vreemdeling niet is toe te rekenen, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning.
|
||||
|
||||
Omstandigheden die een te late indiening niet verschonen, zijn in ieder geval vakantie, detentie, nonchalance of het niet hebben ontvangen of gelezen van de rappelbrief. In deze gevallen ontstaat er een gat in het verblijfsrecht (zie artikel 3.80 en 3.81 Vb). In gevallen waarin de vreemdeling een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning heeft ingediend, maar blijkt dat niet langer aan de daaraan verbonden beperking wordt voldaan, althans een ander verblijfsdoel wordt nagestreefd, wordt daarom niet (alsnog) ambtshalve aan de voorwaarden voor het nieuwe doel getoetst.
|
||||
|
||||
In die gevallen wordt de vreemdeling er bij de beschikking op de voorliggende aanvraag op gewezen dat het nieuwe verblijfsdoel niet is meegewogen bij de beslissing op de aanvraag, althans dat ter zake van dat nieuwe verblijfsdoel een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, kan worden ingediend. Uiteraard geldt dit niet indien de wijziging dermate gering is dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, met name in het geval de vreemdeling verlenging heeft gevraagd van de verblijfsvergunning die hem is verleend voor verblijf bij partner en hij inmiddels met die partner is gehuwd.
|
||||
|
||||
Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wordt echter wel gebruik gemaakt indien intrekking van een verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de orde is wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, maar internationale verplichtingen aan verblijfsbeëindiging in de weg staan, als bedoeld in B1/5.3.3.
|
||||
|
||||
Er wordt geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid neergelegd in artikel 3.67, eerste lid, aanhef en onder a, Vb wanneer er sprake is van een aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de vergunning is verleend. Deze aanvragen worden immers beoordeeld op de voet van de regelgeving ten aanzien van aanvragen om verlening van een vergunning. De verlenging met een duur van vijf jaren is aan de orde wanneer reeds verblijf was toegestaan in het kader van hetzelfde verblijfsdoel gedurende minimaal een jaar. Wanneer het verblijfsdoel gewijzigd wordt, dient de vreemdeling eerst gedurende een periode van minimaal een jaar in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of een relatie, voordat verlenging met een duur van vijf jaren aan de orde kan zijn.
|
||||
|
||||
Alleen als de aanvraag om wijziging van de vergunning wordt afgewezen, maar de tegelijkertijd ingediende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning wel wordt ingewilligd, kan toepassing worden gegeven aan artikel 3.67, eerste lid, aanhef en onder a, Vb.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 26, tweede lid, Vw wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
|
||||
|
|
@ -1214,58 +1184,32 @@ De vergunning wordt ingetrokken, indien niet wordt voldaan aan de beperking waar
|
|||
|
||||
##### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De hieronder gegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw (zie artikel 19 Vw).
|
||||
Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De hieronder gegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw (zie artikel 19 Vw). Enkele bijzondere voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd houden in dat de aanvrager zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. Zie in dit verband artikel 3.23, 3.71 en 3.82 Vb. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw, wordt op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, Vw afgewezen, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Hoofdverblijf en verplaatsing van hoofdverblijf zijn feitelijke begrippen. Een vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland, wanneer hij niet duurzaam in Nederland verblijft. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling is uitgeschreven uit de GBA van een Nederlandse gemeente of in Nederland geen adres heeft waar hij geregeld kan worden aangetroffen. Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. Met de wil van de vreemdeling wordt slechts rekening gehouden voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen. Aanwijzingen voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
|
||||
|
||||
Enkele bijzondere voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd houden in dat de aanvrager zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. Zie in dit verband artikel 3.23, 3.71 en 3.82 Vb.
|
||||
|
||||
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw, wordt op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, Vw afgewezen, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.
|
||||
|
||||
Hoofdverblijf en verplaatsing van hoofdverblijf zijn feitelijke begrippen. Een vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland, wanneer hij niet duurzaam in Nederland verblijft. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling is uitgeschreven uit de GBA van een Nederlandse gemeente of in Nederland geen adres heeft waar hij geregeld kan worden aangetroffen. Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. Met de wil van de vreemdeling wordt slechts rekening gehouden voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen.
|
||||
|
||||
Aanwijzingen voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
|
||||
|
||||
– uitschrijving uit de GBA;
|
||||
– de afmelding bij de belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;
|
||||
– mededeling aan de vreemdelingenpolitie van vertrek naar het buitenland (zie artikel 4.37, eerste lid, onder d, in samenhang met 4.37, vijfde lid, Vb);
|
||||
– het nemen van ontslag bij de werkgever of bedrijfsbeëindiging;
|
||||
– het opzeggen van een bank- of girorekening;
|
||||
– het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Nederland;
|
||||
– de afkoop van pensioenrechten;
|
||||
– de ontruiming van de woning in Nederland en het over de grens brengen van de inboedel; en
|
||||
– het (onder)verhuren aan derden van de woning in Nederland.
|
||||
• uitschrijving uit de GBA;
|
||||
• de afmelding bij de belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;
|
||||
• mededeling aan de vreemdelingenpolitie van vertrek naar het buitenland (zie artikel 4.37, eerste lid, onder d, in samenhang met 4.37, vijfde lid, Vb);
|
||||
• het nemen van ontslag bij de werkgever of bedrijfsbeëindiging;
|
||||
• het opzeggen van een bank- of girorekening;
|
||||
• het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Nederland;
|
||||
• de afkoop van pensioenrechten;
|
||||
• de ontruiming van de woning in Nederland en het over de grens brengen van de inboedel; en
|
||||
• het (onder)verhuren aan derden van de woning in Nederland.
|
||||
|
||||
Deze factoren zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Indien daarentegen de vreemdeling de vreemdelingenpolitie er tevoren van in kennis heeft gesteld dat hij tijdelijk, maar niet langer dan negen maanden, in het buitenland beoogt te verblijven, dan is dit een aanwijzing dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland wenst te vestigen.
|
||||
|
||||
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien de vreemdeling:
|
||||
|
||||
– bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet;
|
||||
– meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden; of
|
||||
– voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.
|
||||
|
||||
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:
|
||||
|
||||
– Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of
|
||||
– buiten Nederland is gedetineerd dan wel buiten Nederland gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.
|
||||
• Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of
|
||||
• buiten Nederland is gedetineerd dan wel buiten Nederland gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.
|
||||
|
||||
De vreemdeling wordt niet geacht zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:
|
||||
|
||||
– indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of
|
||||
– indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, van het reglement van dienst BuZa die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland.
|
||||
• indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of
|
||||
• indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, van het reglement van dienst BuZa die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland.
|
||||
|
||||
Verplaatsing hoofdverblijf heeft overigens tot gevolg dat de vreemdeling niet voldoet aan de beperking die verband houdt met het verblijf waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd, zodat de aanvraag met toepassing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw kan worden afgewezen.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, IND of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht.
|
||||
|
||||
Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf, stelt de IND de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund.
|
||||
|
||||
Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/5.1, B1/5.3.2, B16/7 en B2/10.2.4.
|
||||
|
||||
Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.
|
||||
|
||||
In artikel 4.52 Vb is opgenomen in welke gevallen de vreemdeling zijn verblijfsdocument dient in te leveren. Het ingenomen verblijfsdocument wordt door de vreemdelingenpolitie voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, gezonden naar het Bureau Documenten van de IND.
|
||||
|
||||
In de situatie waarin de vreemdeling zich in persoon meldt bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft met de mededeling dat hij zijn hoofdverblijf naar buiten Nederland wenst te verplaatsen, attendeert de burgemeester de vreemdeling erop dat het verblijfsdocument bij de vreemdelingenpolitie moet worden ingeleverd. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verkregen. Indien de vreemdeling daarentegen schriftelijk melding maakt van het voornemen van de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar het buitenland, zendt de burgemeester dit bericht door aan de vreemdelingenpolitie.
|
||||
|
||||
##### 5.3.3. Onjuiste gegevens
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder c, Vw kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Onder het verstrekken van onjuiste gegevens wordt ook begrepen het achterhouden van essentiële (juiste) gegevens. Op grond van artikel 18, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.84 Vb. Zij zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw.
|
||||
|
|
@ -1482,23 +1426,16 @@ Als voorbeeld kan worden genoemd de vreemdeling aan wie in aansluiting op (tijde
|
|||
|
||||
Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder c, Vw kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw, worden afgewezen, indien de vreemdeling in de periode, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder a, Vw zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven.
|
||||
|
||||
Het verblijf in Nederland dient in beginsel ononderbroken te zijn. De aanvraag wordt echter niet in alle gevallen afgewezen waarin de verblijfsduur niet aaneensluitend is. Zo is een onderbreking van het verblijf in Nederland door verblijf buiten Nederland gedurende maximaal zes maanden achtereenvolgend, of maximaal tien maanden in de gehele periode van vijf jaar, onvoldoende om de aanvraag af te wijzen. Deze perioden tellen echter niet mee voor de berekening van de totale verblijfsduur van vijf jaren.
|
||||
|
||||
De aanvraag wordt niet vanwege overschrijding van de bovengenoemde termijn van onderbreking van het verblijf afgewezen indien deze is ingediend door:
|
||||
|
||||
– een meerderjarige vreemdeling die tussen het vierde en het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw, en wiens aanvraag is ontvangen voor het drieëntwintigste levensjaar (zie artikel 3.92, eerste lid, onder a1, Vb en B4/5.1);
|
||||
– een meerderjarige vreemdeling die voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b, dan wel l, Vw, en voor wie Nederland naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land is (zie artikel 3.92, eerste lid, onder a2, Vb en B4/5.1); of
|
||||
– een vreemdeling die weliswaar langer dan zes of tien maanden buiten Nederland heeft verbleven, maar daarbij niet het hoofdverblijf heeft verplaatst (zie artikel 3.92, eerste lid, onder b, Vb).
|
||||
• een meerderjarige vreemdeling die tussen het vierde en het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw, en wiens aanvraag is ontvangen voor het drieëntwintigste levensjaar (zie artikel 3.92, eerste lid, onder a1, Vb en B4/5.1);
|
||||
• een meerderjarige vreemdeling die voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b, dan wel l, Vw, en voor wie Nederland naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land is (zie artikel 3.92, eerste lid, onder a2, Vb en B4/5.1); of
|
||||
• een vreemdeling die weliswaar langer dan zes of tien maanden buiten Nederland heeft verbleven, maar daarbij niet het hoofdverblijf heeft verplaatst (zie artikel 3.92, eerste lid, onder b, Vb).
|
||||
|
||||
Het gedeelte van het verblijf buiten Nederland dat tien maanden in totaal, of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland het tijdvak van zes maanden, te boven gaat wordt buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar (artikel 3.92, zevende lid, Vb).
|
||||
|
||||
De beoordeling of de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden voor zover die blijkt uit diens gedragingen.
|
||||
|
||||
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:
|
||||
|
||||
a. Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of
|
||||
b. buiten Nederland is gedetineerd en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.
|
||||
|
||||
Daarnaast geldt als beleidsregel dat een vreemdeling niet geacht wordt zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:
|
||||
|
||||
a. indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of
|
||||
|
|
@ -1506,23 +1443,13 @@ b. indien en zo lang hij feitelijk de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, b
|
|||
|
||||
Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, IND of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht.
|
||||
|
||||
Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf, stelt de IND de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund.
|
||||
|
||||
Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/5.1, B1/5.3.2, B2/10.2.4 en B16/7.
|
||||
|
||||
Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.
|
||||
|
||||
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, indien de aanvraag is ingediend door de vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf op grond van de in artikel 3.92 Vb geregelde terugkeeropties (zie artikel 3.92 en 4.52 Vb).
|
||||
|
||||
De politie zendt het verblijfsdocument voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, naar het Bureau Documenten van de IND.
|
||||
|
||||
Indien sprake is van beroepsmatige detachering (ook in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening) in een andere EU-lidstaat, telt het verblijf buiten Nederland wel mee bij de berekening van de duur van het rechtmatig verblijf voor de toekenning van de status van langdurig ingezetene (zie artikel 3.92, derde lid, onder a, Vb).
|
||||
|
||||
De EG-status als langdurig ingezetene kan na intrekking in sommige gevallen worden herkregen. Herverkrijging is mogelijk indien de vreemdeling, die als langdurig ingezetene houder is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw (zie artikel 3.92, derde lid, onder b, Vb):
|
||||
|
||||
– na verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere lidstaat, zijn aanvraag om herverkrijging binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat, heeft ingediend;
|
||||
– na verblijf buiten de Gemeenschap gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, de aanvraag binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies indient; of
|
||||
– na verkrijging van de EG-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene in een andere lidstaat, binnen twaalf maanden na het verlies van de Nederlandse status een aanvraag indient.
|
||||
• na verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere lidstaat, zijn aanvraag om herverkrijging binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat, heeft ingediend;
|
||||
• na verblijf buiten de Gemeenschap gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, de aanvraag binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies indient; of
|
||||
• na verkrijging van de EG-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene in een andere lidstaat, binnen twaalf maanden na het verlies van de Nederlandse status een aanvraag indient.
|
||||
|
||||
##### 7.1.4. Middelen van bestaan
|
||||
|
||||
|
|
@ -4463,387 +4390,169 @@ Indien na de toetsing aan de voorgaande hoofdstukken de vreemdeling geen verblij
|
|||
#### 10.2. Toetsingskader
|
||||
|
||||
Hieronder wordt aangegeven welke vragen moeten worden beantwoord bij de toetsing aan artikel 8 EVRM.
|
||||
|
||||
a. Gezinsleven
|
||||
|
||||
Is er sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM? Zie B2/10.2.1.
|
||||
|
||||
b. Inmenging
|
||||
|
||||
Levert het niet toestaan van het (voortgezet) verblijf aan de vreemdeling een inmenging op in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven van betrokkenen? Zie B2/10.2.2.
|
||||
|
||||
c. Positieve verplichting
|
||||
|
||||
Indien geen sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven: is er sprake van een positieve verplichting om de vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan? Zie B2/10.2.3.
|
||||
|
||||
d. Negatieve verplichting
|
||||
|
||||
Indien sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven: is deze inmenging gerechtvaardigd op grond van artikel 8, tweede lid EVRM? Zie B2/10.2.4.
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
##### 10.2.1. Familie- of gezinsleven
|
||||
Wat wordt verstaan onder privé-, familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM?
|
||||
|
||||
Wanneer levert het niet toestaan van voortzetting van het verblijf aan de vreemdeling een inmenging op in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven of van het privé-leven van betrokkene? En wanneer is een dergelijke inmenging gerechtvaardigd in het licht van het artikel 8, tweede lid, EVRM?
|
||||
|
||||
Om gerechtvaardigd te zijn dient de inmenging:
|
||||
|
||||
• te zijn voorzien bij wet;
|
||||
• een legitiem doel te dienen; en
|
||||
• proportioneel te zijn.
|
||||
|
||||
Welke wegingscriteria dienen in de belangenafweging te worden betrokken?
|
||||
|
||||
##### 10.2.1. Begrippen
|
||||
|
||||
Het begrip familie- of gezinsleven in artikel 8 EVRM heeft een andere betekenis dan (nationale) begrippen als feitelijke gezinsband en familierechtelijke relatie. In veel gevallen waarin de feitelijke gezinsband is verbroken, zal er toch gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaan.
|
||||
In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
de echtgenoten in een reëel huwelijk (*lawful and genuine marriage*). Van belang is welke invulling aan de verwantschap wordt gegeven. Ingeval van een schijnhuwelijk is namelijk geen sprake van gezinsleven. Formeel is er dan wel een familierechtelijke relatie, maar dat is niet genoeg om gezinsleven aan te nemen. Er wordt geen daadwerkelijke invulling aan die verwantschap gegeven om gezinsleven aan te kunnen nemen;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
de partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen (homo- of heteroseksuele) relatie;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
de ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige en meerderjarige kinderen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
In de volgende gevallen kan eveneens sprake zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
de erkenner en het kind, mits aan de relatie tussen het kind en de erkenner daadwerkelijk invulling wordt gegeven;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
de biologische vader en het kind, mits er sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals een relatie tussen die vader en de moeder die voldoende op een lijn is te stellen met een huwelijk (ongeacht of de geboorte van het kind plaatsvond voor of nadat de relatie of de samenleving was verbroken) of feitelijke contacten (als samenleving, verzorging en/of opvang) met het kind;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
adoptiefouders en het kind, mits daaraan voldoende invulling wordt gegeven;
|
||||
|
||||
|
||||
d.
|
||||
pleegouders of opvangouders en het kind, mits daaraan voldoende invulling wordt gegeven;
|
||||
|
||||
|
||||
e.
|
||||
overige naaste bloedverwanten, zoals de grootouders en het kleinkind, broer of zus, de oom/tante en de neef/nicht, mits er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (*more than normal emotional ties*).
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
|
||||
###### 10.2.1.1. Einde van het gezinsleven
|
||||
In de volgende gevallen kan eveneens sprake zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
|
||||
|
||||
a. de erkenner en het kind, mits aan de relatie tussen het kind en de erkenner daadwerkelijk invulling wordt gegeven;
|
||||
b. de biologische vader en het kind, mits er sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals een relatie tussen die vader en de moeder die voldoende op een lijn is te stellen met een huwelijk (ongeacht of de geboorte van het kind plaatsvond voor of nadat de relatie of de samenleving was verbroken) of feitelijke contacten (als samenleving, verzorging en/of opvang) met het kind;
|
||||
c. adoptiefouders en het kind, mits daaraan voldoende invulling wordt gegeven;
|
||||
d. pleegouders of opvangouders en het kind, mits daaraan voldoende invulling wordt gegeven;
|
||||
e. overige naaste bloedverwanten, zoals de grootouders en het kleinkind, broer of zus, de oom/tante en de neef/nicht, mits er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (more than normal emotional ties).
|
||||
|
||||
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
|
||||
|
||||
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
|
||||
In de zaak Bensaid van 6 februari 2001, nr 44599/98, heeft het EHRM het begrip privé-leven als volgt gedefinieerd: ‘Privé-leven is een ruim begrip en leent zich niet voor een uitputtende definitie. Het Hof heeft inmiddels bepaald dat elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht (gender identification), naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven belangrijke elementen zijn van de persoonlijke sfeer die door artikel 8 EVRM beschermd worden. Geestelijke gezondheid moet ook gezien worden als een essentieel deel van privé-leven in het kader van het aspect morele integriteit. Artikel 8 EVRM beschermt het recht op een identiteit, persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties aan te gaan en te ontwikkelen met andere mensen en de buitenwereld. Het behoud van een geestelijke stabiliteit is in deze context een onontbeerlijke voorwaarde om het recht op respect voor het privé-leven effectief te genieten’.
|
||||
|
||||
##### 10.2.2. Inmenging
|
||||
|
||||
Inmenging wordt aangenomen, indien de vreemdeling:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst wordt verklaard (ook indien sprake is van eerste toelating!), tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
gedurende lange tijd als tweede generatie migrant in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning; of
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
het verblijf van de vreemdeling wordt beëindigd, tenzij de verblijfsvergunning er niet toe strekte de uitoefening van het gezinsleven in Nederland mogelijk te maken, bijvoorbeeld omdat de ontnomen verblijfstitel is verleend voor verblijf bij een (eerdere) echtgenoot, geregistreerd partner of ongehuwde partner.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
In het algemeen wordt geen inmenging aangenomen indien de vreemdeling:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
niet in het bezit was van een verblijfsvergunning, ongeacht de vraag of hij feitelijk in Nederland verbleef;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
in het bezit was van een verblijfsvergunning die was verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of omdat de vreemdeling relevante gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid; of
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
in het bezit was van een verblijfsvergunning die er niet (mede) toe strekte het gezinsleven in Nederland mogelijk te maken.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, indien de vreemdeling:
|
||||
|
||||
• met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst wordt verklaard (ook indien sprake is van eerste toelating!), tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten;
|
||||
• gedurende lange tijd als tweede generatie migrant in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning; of
|
||||
• het verblijf van de vreemdeling wordt beëindigd, dat wil zeggen in *alle* gevallen (asiel en regulier, ongeacht de grond waarop verblijf is verleend) waarin voortgezette toelating wordt geweigerd of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven of privé-leven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezins- dan wel privé-leven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn of in afwachting van een beslissing, gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn, dan wel een negatieve beslissing op de lopende aanvraag, weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen. Evenmin is sprake van inmenging in het geval een verblijfsvergunning is verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of door de vreemdeling achtergehouden gegevens die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.
|
||||
|
||||
a. is de inmenging in de regelgeving voorzien (provided by law)? Onder regelgeving wordt in dit verband in ieder geval verstaan de Vw, het Vb, het VV en de Vc;
|
||||
b. vervolgens wordt beoordeeld of de inmenging (de verblijfsbeëindiging) plaatsvindt in het belang van een of meer van de gronden genoemd in artikel, 8 tweede lid, EVRM:
|
||||
|
||||
• de openbare orde en nationale veiligheid;
|
||||
• het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten;
|
||||
• de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden;
|
||||
• de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen; en
|
||||
• het economisch welzijn van het land.
|
||||
c. ten slotte wordt beoordeeld of de inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving.
|
||||
|
||||
Het feit dat de afwijzende beslissing (a) is gebaseerd op de regelgeving en (b) in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van de meerdere wegingsfactoren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de inmenging (met een beroep op het economisch welzijn van Nederland, respectievelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten) te rechtvaardigen. Er zal telkens een op de concrete zaak toegespitste afweging dienen plaats te vinden van de algemene belangen van de samenleving enerzijds en de individuele belangen van de vreemdeling en – indien daarvan sprake is – zijn gezinsleden anderzijds.
|
||||
|
||||
###### 10.2.2.1. Aanvragen om eerste verblijfsaanvaarding
|
||||
|
||||
In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezinsleven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen.
|
||||
200720016-10-200708-10-20072007/30200720016-10-200708-10-20072007/3018-10-2007
|
||||
|
||||
###### 10.2.2.2. Aanvragen om voortzetting van verblijf
|
||||
|
||||
In het algemeen vormt verblijfsbeëindiging (de intrekking van de verblijfsvergunning of de niet-verlenging van de geldigheidsduur daarvan) wel inmenging in het recht op gezinsleven. Het gaat hier om de nadrukkelijke beëindiging door de overheid van verblijfsrecht, dat het gezinsleven mogelijk maakte, welk verblijfsrecht eerder even nadrukkelijk was verleend.
|
||||
200720016-10-200708-10-20072007/30200720016-10-200708-10-20072007/3018-10-2007
|
||||
|
||||
##### 10.2.3. Positieve verplichting
|
||||
##### 10.2.3. Belangenafweging
|
||||
|
||||
Indien er geen sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven, wordt beoordeeld of er sprake is van een positieve verplichting om de vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan. De grens tussen positieve en negatieve verplichtingen is niet altijd even scherp te trekken. In beide gevallen zijn vergelijkbare (doch niet identieke) beginselen van toepassing.
|
||||
Zowel bij eerste toelating als bij inmenging dient altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafwegingen bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving.
|
||||
|
||||
Om de omvang van de (negatieve of positieve) verplichtingen van de overheid te bepalen, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen en uiteindelijk moet een eerlijk evenwicht worden bereikt tussen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de weigering van de verblijfsvergunning enerzijds, en de persoonlijke belangen die zijn gediend met het in Nederland uitoefenen van het gezinsleven anderzijds. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (*a certain margin of appreciation*) toe. Bij de weigering van eerste toelating van vreemdelingen tot het Nederlandse grondgebied is die groter dan bij de weigering van voortgezet verblijf.
|
||||
###### 10.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een positieve verplichting vindt een afweging plaats van de belangen van de vreemdeling alsmede zijn gezinsleden tegen de algemene belangen. In dat kader wordt in ieder geval betrokken:
|
||||
Bij gezinshereniging dan wel -vorming zal in ieder geval in de belangenafweging betrokken dienen te worden of:
|
||||
|
||||
– of er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen; en
|
||||
– of er sprake is van bijzondere omstandigheden; en
|
||||
– bij ouders en meerderjarige kinderen of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (more than normal emotional ties).
|
||||
• het gezinsleven is aangegaan terwijl geen verblijfsrecht is verleend;
|
||||
• er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen;
|
||||
• er sprake is van bijzondere omstandigheden;
|
||||
• bij ouders en meerderjarige kinderen of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (more than normal emotional ties).
|
||||
|
||||
###### 10.2.3.1. Gezinshereniging kinderen met ouders
|
||||
Ingeval van gezinshereniging van kinderen met hun ouders dienen, gelet op de uitspraak van het EHRM inzake Sen (12 december 2001, nr 3144565/96) in de belangenafweging in ieder geval betrokken te worden:
|
||||
|
||||
Indien sprake is van een aanvraag om eerste toelating in het kader van gezinshereniging met ouders, is van belang dat aandacht wordt besteed aan de in de uitspraak van het EHRM inzake Sen (21 december 2001, nr. 3144565/96), gemaakte belangenafweging, ook al komt het feitencomplex niet geheel overeen met dat van de zaak Sen.
|
||||
• de duur van het legale verblijf van de ouder(s) in Nederland;
|
||||
• indien sprake is van een nieuwe (huwelijks)partner: de banden die hij/zij heeft met het land van herkomst van degene die gezinshereniging vraagt. Indien tevens sprake is van kinderen uit een eerdere (huwelijks)relatie, en de andere ouder woont nog in het land van herkomst, kan dit bij beoordeling van deze omstandigheid betrokken worden;
|
||||
• indien tegenwerking van de nieuwe (huwelijks)partner als reden wordt gegeven voor de late gezinshereniging: de rol die deze omstandigheid in de belangafweging speelt (hierbij kan van belang zijn in welk gezin het kind op dit moment verblijft);
|
||||
• de bijzondere situatie van het gezin in Nederland (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gehandicapt kind);
|
||||
• de banden die de in Nederland wonende kinderen met het land van herkomst hebben (dit geldt voor alle in het gezin verblijvende kinderen);
|
||||
• de omstandigheid of in het land van herkomst nog familie woonachtig is die de verzorging van betrokkene op zich kunnen nemen.
|
||||
|
||||
Dit wil zeggen dat bij de belangenafweging in het kader van gezinshereniging met (zowel minder- als meerderjarige) kind(eren) bezien moet worden of de uitspraak inzake Sen betekenis heeft, en zo ja welke. Daarbij kunnen bij de in het kader van de positieve verplichting te maken belangenafweging de volgende omstandigheden aan de orde komen:
|
||||
Bij de beoordeling van het familie- of gezinsleven van meerderjarige kinderen en hun ouders dient in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding. Indien de banden zodanig bijzonder zijn dat aangenomen moet worden dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is, leidt dit op zichzelf nog niet tot de conclusie dat tevens sprake is van een verplichting om de vreemdeling verblijf toe te staan. Die omstandigheid vormt één van de aspecten die in de belangenafweging betrokken dient te worden. Hieraan komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe.
|
||||
|
||||
– de duur van het legale verblijf van de ouder(s) in Nederland;
|
||||
– indien sprake is van een nieuwe (huwelijks)partner: de banden die hij/zij heeft met het land van herkomst van degene die gezinshereniging vraagt. Indien tevens sprake is van kinderen uit een eerdere (huwelijks)relatie, en de andere ouder woont nog in het land van herkomst, kan dit bij beoordeling van deze omstandigheid betrokken worden;
|
||||
– indien tegenwerking van de nieuwe (huwelijks)partner als reden wordt gegeven voor de late gezinshereniging: de rol die deze omstandigheid in de belangafweging speelt (hierbij kan van belang zijn in welk gezin het kind op dit moment verblijft);
|
||||
– de bijzondere situatie van het gezin in Nederland (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gehandicapt kind);
|
||||
– de banden die de in Nederland wonende kinderen met het land van herkomst hebben (dit geldt voor alle in het gezin verblijvende kinderen);
|
||||
– de omstandigheid of in het land van herkomst nog familie woonachtig is die de verzorging van betrokkene op zich kunnen nemen.
|
||||
In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:
|
||||
|
||||
###### 10.2.3.2. Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding
|
||||
• de nationaliteit van het in Nederland gevestigde kind;
|
||||
• de leeftijd van het in Nederland gevestigde kind;
|
||||
• de bijzondere omstandigheden van het in Nederland gevestigde kind;
|
||||
• de bijdrage die de vreemdeling levert in de kosten voor, en opvoeding van de kinderen;
|
||||
• de gezagsverhouding;
|
||||
• de frequentie en regelmaat van het contact met het kind (als uitgangspunt wordt hierbij een minimum van 8 uur per week of één weekend in de twee weken aangehouden. Indien de omvang van het feitelijk contact minder is zou dit in de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling kunnen worden meegenomen);
|
||||
• het belang van het kind bij de aanwezigheid van de vreemdeling;
|
||||
• de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven.
|
||||
|
||||
Tussen ouders en hun (meerderjarige) kinderen is vanaf de geboorte sprake van gezinsleven (zie B2/10.2.1.1). Bij de belangenafweging in het kader van de positieve verplichting dient betrokken te worden of er sprake is van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele banden (more than the normal emotional ties). Indien de banden zodanig bijzonder zijn dat aangenomen moet worden dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is, leidt dit op zichzelf nog niet tot de conclusie dat tevens sprake is van een positieve verplichting om de vreemdeling verblijf toe te staan. Die omstandigheid vormt één van de aspecten die in de belangenafweging betrokken dient te worden. Hieraan komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe.
|
||||
Indien openbare orde aspecten een rol spelen in de weigering (verder) verblijf toe te staan dienen de uit het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 inzake Boultif (nr 54273/00) volgende ‘guiding principles’ in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden:
|
||||
|
||||
• de aard en ernst van het gepleegde misdrijf;
|
||||
• de duur van het verblijf in het gastland;
|
||||
• het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokkene gedurende die tijd;
|
||||
• de nationaliteiten van alle betrokkenen;
|
||||
• de gezinssituaties van de vreemdeling, zoals de duur van het huwelijk;
|
||||
• andere factoren die uitdrukking geven aan de feitelijke invulling van het huwelijk;
|
||||
• de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/ zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging;
|
||||
• de vraag of er kinderen uit het huwelijk zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd;
|
||||
• de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o) t(e) zal ondervinden als hij/ zij de vreemdeling zou volgen naar het land van herkomst, waarbij het enkele feit dat hij/zij meegaat zekere problemen met zich zal brengen op zichzelf de verblijfsbeëindiging niet in de weg staan
|
||||
|
||||
Blijkens de uitspraak van het EHRM inzake Üner, van 18 oktober 2006, nr 46410/99 dient, naast deze criteria tevens gekeken te worden naar:
|
||||
|
||||
• het belang en welzijn van de kinderen, in het bijzonder de ernst van de problemen die kinderen waarschijnlijk zouden ondervinden in het land van herkomst van de vreemdeling; en
|
||||
• de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de vreemdeling met het gastland en met zijn land van herkomst.
|
||||
|
||||
Om onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen dient sprake te zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Dit betekent dat voor het aannemen van schending van het privé-leven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur (circa dertig jaar, zie de uitspraken van het EHRM inzake Sisojeva van 16 juni 2005, nr 14492/03, Shevanova van 15 juni 2006, nr 58822/00 en Slivenko van 9 oktober 2003, nr 48321/99) eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus (zie uitspraak van het EHRM inzake Mendizabal van 17 januari 2006, nr 51431/99).
|
||||
|
||||
In de belangenafweging dient in ieder geval te worden betrokken het totaal van de in het gastland aangegane sociale banden en de intensiteit daarvan, de verblijfsduur in het gastland en de onzekerheid van de verblijfsstatus.
|
||||
|
||||
Daarnaast volgt uit de uitspraak inzake Üner, dat de Boultif-criteria ook toegepast kunnen worden op alle zaken waar het gaat om verblijfsbeëindiging van ingeburgerde vreemdelingen, waarbij geen sprake is van gezinsleven, na een strafrechtelijke veroordeling. Daarbij zullen, gelet op het ontbreken van het gezinsleven, alleen de eerste drie Boultif-criteria en de uit de uitspraak van Üner volgende hechtheid van de sociale en culturele banden van de vreemdeling met het gastland en zijn land van herkomst, van belang zijn.
|
||||
|
||||
Indien ongewenstverklaring aan de orde is dient gelet op de uitspaak van het EHRM van 31 januari 2006, inzake Sezen (nr 50252/99), naast de hiervoor genoemde belangen, in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden of en hoe lang de vreemdeling na invrijheidstelling in Nederland gezinsleven kon opbouwen, voordat tot ongewenstverklaring is overgegaan. Daarnaast dient in geval van ongewenstverklaring in de belangenafweging betrokken te worden dat, met ongewenstverklaring, het gedurende een aantal jaren voor de vreemdeling onmogelijk is zijn of haar gezin in Nederland te bezoeken.
|
||||
|
||||
###### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
|
||||
|
||||
Objectieve belemmeringen zien op belemmeringen om het gezinsleven tussen de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden buiten Nederland uit te oefenen. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, zal veelal moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. In het zich daartoe lenende geval zal echter ook moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in een derde land kan worden uitgeoefend. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon Nederlander of vreemdeling is. Nederlanders kunnen zich in het algemeen ook in andere landen vestigen. In iedere zaak zal beoordeeld moet worden of er op dit moment sprake is van een objectieve belemmering. In het algemeen gelden daarbij de volgende uitgangspunten.
|
||||
|
||||
Van een objectieve belemmering om het privé-leven in het land van herkomst uit te oefenen, zal gelet op de uitspraak van het EHRM van 22 juni 2004 inzake F versus UK (nr 17341/03) geen sprake zijn.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd, zijn of haar eigen verantwoordelijkheden draagt, ook voor wat betreft de kosten van zijn of haar levensonderhoud en dat van de gezinsleden die hij of zij wenst te laten overkomen. Daarom wordt van de hoofdpersoon verwacht dat hij of zij gedurende een langere termijn alles op alles heeft gezet om werk te krijgen en zodoende duurzaam te gaan beschikken over voldoende zelfstandige bestaansmiddelen. Daarbij wordt van hem of haar een actieve houding verwacht.
|
||||
|
||||
Van de hoofdpersoon wordt in ieder geval verwacht dat hij actief naar werk zoekt. De hoofdpersoon moet zeer duidelijk en gedocumenteerd kunnen aangeven wat hij allemaal heeft ondernomen om aan de toelatingsvoorwaarden te gaan voldoen.
|
||||
|
||||
De redelijke termijn vangt in beginsel aan op de datum van dagtekening van de beschikking, waarbij de hoofdpersoon is toegelaten en waarmee hij toegang tot de arbeidsmarkt heeft verkregen. Dat is dus niet de (eerdere) ingangsdatum van het verblijfsrecht dat met terugwerkende kracht wordt verleend.
|
||||
|
||||
Indien sprake is van gezinsvorming, en er dus niet reeds in het land van herkomst sprake was van gezinsleven tussen de toegelaten hoofdpersoon en het gezinslid, maar het gezinsleven eerst is aangegaan nadat de hoofdpersoon zich in Nederland heeft gevestigd, wordt slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een schending van artikel 8 EVRM aangenomen. In het algemeen zal daarvan slechts sprake zijn, indien duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan.
|
||||
|
||||
In veel zaken waarin sprake is van een Nederlands kind, wordt een beroep gedaan op artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Dat artikel ziet niet op het verlenen van een verblijfstitel aan een niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind, maar op aanspraken die een onderdaan van een betreffende staat jegens die staat geldend kan maken in het kader van feitelijke toelating tot het grondgebied van de staat en het bestendig verblijf aldaar. Nu uitzetting van een Nederlands kind in verblijfsprocedures van zijn ouders strikt genomen niet aan de orde is, komt aan artikel 3 van het Vierde Protocol van het EVRM in dit verband geen beslissende betekenis toe. Dit neemt niet weg dat, zoals hiervoor in deze paragraaf reeds is aangegeven, de belangen van het kind in de belangenafweging binnen artikel 8 EVRM worden betrokken.
|
||||
|
||||
###### 10.2.3.3. Openbare orde aspecten en belangenafweging
|
||||
|
||||
Indien sprake is van openbare orde aspecten die, vanuit nationaal vreemdelingrechtelijk oogpunt, aan (verder) verblijf in de weg staan dienen in de in het kader van artikel 8 EVRM te maken belangenafweging de uit het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 inzake Boultif (nr 54273/00) volgende ‘guiding principles’ betrokken te worden.
|
||||
Indien (verder) verblijf, gelet op het inzake openbare orde en nationale veiligheid geldende (beleids)regels kan worden geweigerd, heeft al een belangenafweging plaats gevonden. De belangenafweging die vervolgens in het kader van artikel 8 EVRM dient plaats te vinden, is echter niet dezelfde. Uit het arrest van het EHRM inzake Boultif volgt dat in ieder geval de volgende omstandigheden in de belangenafweging betrokken dienen te worden:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de aard en ernst van het gepleegde misdrijf;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de duur van het verblijf in het gastland;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokkene gedurende die tijd;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de nationaliteiten van alle betrokkenen;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de gezinssituaties van de vreemdeling, zoals de duur van het huwelijk;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
andere factoren die uitdrukking geven aan de feitelijke invulling van het huwelijk;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/ zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de vraag of er kinderen uit het huwelijk zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o) t(e) zal ondervinden als hij/ zij de vreemdeling zou volgen naar het land van herkomst. Hierbij is van belang dat het enkele feit dat hij/zij meegaat zekere problemen met zich zal brengen op zichzelf de uitzetting niet kan stuiten.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Voortzetting van verblijf
|
||||
|
||||
Indien, in verband met aspecten van openbare orde, voortzetting van het verblijf wordt beëindigd of de vreemdeling ongewenst wordt verklaard met toepassing van artikel 67 Vw (tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten), is er sprake van inmenging in het recht op het uitoefenen van het gezinsleven. In die gevallen dient beoordeeld te worden of die inmenging gerechtvaardigd is in het licht van het tweede lid van artikel 8 EVRM (zie B2/10.2.4). Hierbij wordt nog opgemerkt dat, indien sprake is van meerdere zware misdrijven, aan het belang van de Staat in het algemeen meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van de vreemdeling.
|
||||
|
||||
Eerste toelating en inmenging
|
||||
|
||||
Ook indien de eerste toelating van een vreemdeling wordt geweigerd in verband met aspecten van openbare orde zullen, indien sprake is van inmenging, de hiervoor genoemde guiding principles bij de belangenafweging (zie B2/10.2.3) meegenomen dienen te worden. In dat geval dient in het algemeen meer gewicht te worden toegekend aan het belang van de Staat.
|
||||
Indien tevens wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van de vreemdeling is, ook bij eerste toelating – tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten – steeds sprake van inmenging. Beoordeeld dient te worden of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM (zie B2/10.2.4). Bedoelde belangenafweging kan, na de gemaakte belangenafweging, de weigering van het verblijf wellicht rechtvaardigen. Wanneer daarnaast geconcludeerd wordt dat de vreemdeling de mogelijkheid geboden moet worden zijn of haar gezin in Nederland te bezoeken, is aanvullend de ongewenstverklaring op grond van artikel 8 EVRM niet te rechtvaardigen.
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
200720016-10-200708-10-20072007/30200720016-10-200708-10-20072007/3018-10-2007
|
||||
|
||||
###### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
|
||||
|
||||
Objectieve belemmeringen zien op belemmeringen om het gezinsleven tussen de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden buiten Nederland uit te oefenen. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, zal veelal moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. In het zich daartoe lenende geval zal echter ook moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in een derde land kan worden uitgeoefend. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon Nederlander of vreemdeling is. Nederlanders kunnen zich in het algemeen ook in andere landen vestigen. In iedere zaak zal beoordeeld moet worden of er op dit moment sprake is van een objectieve belemmering. In het algemeen gelden daarbij de volgende uitgangspunten:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien op het moment waarop de toets aan artikel 8 EVRM plaatsvindt, ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit een bepaald (gedeelte van een) land of behorend tot een bepaalde bevolkingsgroep een beleid wordt gevoerd op grond waarvan zij – ongeacht de individuele merites van de casus – op voorhand in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel (artikel 29 onder d, Vw), bestaat er een vermoeden van een objectieve belemmering. Dat vermoeden van een objectieve belemmering kan slechts op individuele gronden van de betreffende concrete zaak worden weerlegd. Daarbij zijn, naast aanwijzingen in het individuele relaas, van belang eventuele ambtsberichten van het ministerie van BuZa, eventuele brieven aan de Tweede Kamer, en eventuele maatgevende jurisprudentie;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien op de individuele merites van de zaak een verblijfsvergunning asiel is verleend (en het gezinslid uit hetzelfde land komt), bestaat een zeer sterk vermoeden van een objectieve belemmering, dat slechts op individuele gronden van de betreffende zaak kan worden weerlegd. Voor de vraag naar de aanwezigheid van objectieve belemmeringen is doorslaggevend de vraag of de persoonlijke omstandigheden die tot de verblijfsvergunning asiel hebben geleid, op dit moment nog steeds aanwezig zijn. Dat geldt ook indien die hoofdpersoon inmiddels tot Nederlander is genaturaliseerd. Indien duidelijk is dat de situatie van de hoofdpersoon – indien de beoordeling daarvan thans zou plaatsvinden – geen aanleiding zou vormen om hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel (en de hoofdpersoon dus uit Nederland zou kunnen worden verwijderd), kan op grond van de individuele merites van die zaak worden besloten geen objectieve belemmering aan te nemen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien de situatie in het land van herkomst in gunstige zin is gewijzigd. Daarbij wordt scherp gelet op indicaties die duiden op de (al dan niet eenmalige of tijdelijke) terugkeer van de hoofdpersoon naar het land van herkomst, ook ingeval van handschoenhuwelijken;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
indien het gezinsleven niet in het land van herkomst, maar mogelijk wel in dat derde land kan worden uitgeoefend, terwijl de hoofdpersoon en de gezinsleden geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de feitelijke mogelijkheden van toegang/toelating van het gezin tot dat derde land, wordt voorshands geen objectieve belemmering aangenomen. De verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden dienen daarover helderheid te verschaffen en dat te onderbouwen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De aanwezigheid van een objectieve belemmering vormt een van de factoren die in de belangenafweging moeten worden betrokken. Indien er geen sprake is van een objectieve belemmering, is er in beginsel echter ook geen sprake van een positieve verplichting.
|
||||
Indien er wel sprake is van een objectieve belemmering, brengt dat niet zonder meer een positieve verplichting tot verlening van een verblijfsvergunning mee. Alsdan moet de op de individuele zaak toegespitste belangenafweging worden gemaakt. De objectieve belemmering is dan – naast onder meer de invulling die reeds in het land van herkomst aan het gezinsleven werd gegeven, de middelen van bestaan, de openbare orde, de situatie in het land van herkomst en dergelijke – een van de vele wegingsfactoren in die belangenafweging.
|
||||
Die belangenafweging valt alleen dan op voorhand al in het voordeel van de vreemdeling uit, indien er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te gaan voldoen, zinloos is. Dat wordt slechts aangenomen indien:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
er sprake is van een reeds in het land van herkomst bestaande feitelijke gezinsband;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
er geen sprake is van openbare orde aspecten;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
er een objectieve belemmering is om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen; en
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of volledig en blijvend arbeidsongeschikt, dan wel blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven niet tot deze categorie behoort, moet dus een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging worden gemaakt. Daarbij vormt het bestaan van de objectieve belemmering een zware maar niet noodzakelijkerwijs doorslaggevende wegingsfactor.
|
||||
Uitgangspunt is dat de Nederlandse overheid enerzijds belang heeft bij het voeren en handhaven van een restrictief toelatingsbeleid, maar dat de Nederlandse overheid anderzijds de uitoefening van het gezinsleven niet blijvend onmogelijk maakt. Daarbij spelen in de belangenafweging onder meer een rol:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de eigen verantwoordelijkheid van de toegelaten hoofdpersoon om aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging te gaan voldoen;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
openbare orde aspecten;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de situatie van de gezinsleden in het land van herkomst;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
voorafgaand legaal verblijf in Nederland;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de invulling die reeds voor de verlening van een verblijfsvergunning van de hoofdpersoon in het land van herkomst aan het gezinsleven werd gegeven. Zo wordt bij gezinsvorming (waarbij er geen sprake van is dat reeds in het land van herkomst voor de verlening van de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon gezinsleven werd uitgeoefend) een zeer zwaar gewicht toegekend aan het feit dat de hoofdpersoon bij het aanvangen van het gezinsleven het risico heeft aanvaard dat het gezinsleven niet in Nederland kan worden uitgeoefend.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd, zijn of haar eigen verantwoordelijkheden draagt, ook voor wat betreft de kosten van zijn of haar levensonderhoud en dat van de gezinsleden die hij of zij wenst te laten overkomen. Daarom wordt van de hoofdpersoon verwacht dat hij of zij gedurende een langere termijn alles op alles heeft gezet om werk te krijgen en zodoende duurzaam te gaan beschikken over voldoende zelfstandige bestaansmiddelen. Daarbij wordt van hem of haar een actieve houding verwacht.
|
||||
|
||||
De mate van inspanningen
|
||||
|
||||
Die actieve houding brengt mee dat van de hoofdpersoon in ieder geval wordt verwacht dat hij actief naar werk zoekt, ook als dat werk niet aansluit bij zijn opleiding en werkervaring, dat hij zulk werk ook daadwerkelijk aanvaardt, dat hij ingeschreven staat bij het arbeidsbureau en diverse uitzendbureaus en daarbij te kennen heeft gegeven bereid te zijn alle soorten arbeid op welk niveau dan ook te aanvaarden, en dat hij zeer intensief solliciteert op allerlei bestaande vacatures (uiteraard ook onder zijn opleidingsniveau). Ook wordt van hem verwacht dat hij uit eigener beweging potentiële werkgevers aanschrijft die geen vacatures hebben bekendgemaakt (open sollicitaties), dat hij zorgdraagt voor de erkenning van zijn buitenlandse diploma’s en zich op alle denkbare wijzen laat bemiddelen, en dat hij – zo hij ook na langere tijd geen werk weet te krijgen – een op de arbeidsmarkt gerichte (avond)studie (al dan niet op eigen kosten) volgt. De hoofdpersoon moet zeer duidelijk en gedocumenteerd kunnen aangeven wat hij allemaal heeft ondernomen om aan de toelatingsvoorwaarden te gaan voldoen.
|
||||
|
||||
De redelijke termijn
|
||||
|
||||
De redelijke termijn vangt in beginsel aan op de datum van dagtekening van de beschikking, waarbij de hoofdpersoon is toegelaten en waarmee hij toegang tot de arbeidsmarkt heeft verkregen. Dat is dus niet de (eerdere) ingangsdatum van het verblijfsrecht dat met terugwerkende kracht wordt verleend. Indien bij beschikking van 1 april een verblijfsvergunning is verleend met ingang van 1 januari, vangt de redelijke termijn aan op 1 april.
|
||||
Dat uitgangspunt lijdt slechts dan uitzondering indien de overheid de hoofdpersoon onevenredig lang heeft afgehouden van de verblijfsvergunning en daarmee van toegang tot de arbeidsmarkt. Indien de hoofdpersoon voor de inwerkingtreding van de Vw eerst een voorwaardelijke vergunning tot verblijf heeft gehad en nadien zijn verblijf op grond van een andere verblijfsvergunning is voortgezet, tellen de jaren waarin hij arbeid heeft mogen verrichten gedurende de voorwaardelijke vergunning tot verblijf periode mee.
|
||||
Als richtsnoer wordt voor de duur van de redelijke termijn een termijn van drie jaren gehanteerd. Van belang is dat die termijn korter of langer kan zijn naar gelang de overige feiten en omstandigheden van het individuele geval. Welke feiten en omstandigheden in het individuele geval spelen, kan op voorhand niet worden vastgesteld. In een bijzonder geval kan de positie waarin de gezinsleden buiten Nederland verkeren, ook indien die positie niet dusdanig schrijnend is dat enkel op grond daarvan al verblijf zou moeten worden aanvaard, aanleiding vormen een kortere termijn dan drie jaren te hanteren. Ook bijzondere omstandigheden betreffende de toegelaten hoofdpersoon kunnen in beginsel leiden tot de toepassing van een kortere termijn. De omstandigheden die tot het hanteren van een kortere termijn kunnen leiden, zijn dermate afhankelijk van de individuele zaak, dat daarvoor geen algemene regels kunnen worden opgesteld. Indien zich echter geen bijzondere feiten of omstandigheden voordoen, wordt een termijn van drie jaren als richtsnoer aangehouden.
|
||||
Indien de aanvang van de aantoonbare inspanningen van de hoofdpersoon later is dan het moment van zijn eigen toelating, of indien de hoofdpersoon anderszins in gebreke is gebleven om zich langere tijd actief op te stellen, heeft dat invloed op de termijn. De hoofdpersoon moet immers eerst gedurende een redelijk lange termijn alles op alles hebben gezet om aan de reguliere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning van de gezinsleden te gaan voldoen en zo zijn verantwoordelijkheden voor zichzelf en zijn gezin te nemen. Indien de hoofdpersoon zich nauwelijks of geen moeite heeft getroost om een arbeidsplaats te bemachtigen en zich passief heeft opgesteld, kan ook na langere tijd niet worden geoordeeld dat er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin nimmer aan de toelatingsvoorwaarden kan worden voldaan.
|
||||
|
||||
Geen doorslaggevende betekenis
|
||||
|
||||
De enkele omstandigheid dat de hoofdpersoon door een ander bestuursorgaan is ontheven of vrijgesteld van de sollicitatieplicht, is op zichzelf niet doorslaggevend; van belang is dat hij die zich daarop beroept ook aantoont waarom hij is vrijgesteld. Zo komt aan de zorg voor een jong kind of het enkele volgen van een cursus geen doorslaggevende betekenis toe, aangezien dat niet meebrengt dat hij nimmer aan de voorwaarden zal kunnen voldoen. Indien de ontheffing/vrijstelling van de sollicitatieplicht is gebaseerd op blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid, kan die arbeidsongeschiktheid wel doorslaggevend zijn. Indien de ontheffing/vrijstelling van de sollicitatieplicht niet doorslaggevend is, dient dat in de beschikking te worden gemotiveerd.
|
||||
Slechts indien de hoofdpersoon bij wie verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging wordt beoogd, gedurende de richttermijn van (in beginsel) drie jaren al het mogelijke heeft gedaan om werk tegen voldoende inkomen te vinden en hij, ondanks zijn inzet, geen uitzicht op een betaalde werkkring heeft, zal de balans bij de belangenafweging in zijn voordeel kunnen uitslaan.
|
||||
|
||||
Gezinsvorming
|
||||
|
||||
Indien sprake is van gezinsvorming, en er dus niet reeds in het land van herkomst sprake was van gezinsleven tussen de toegelaten hoofdpersoon en het gezinslid, maar het gezinsleven eerst is aangegaan nadat de hoofdpersoon zich in Nederland heeft gevestigd, wordt slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een positieve verplichting aangenomen. In het algemeen zal daarvan slechts sprake zijn, indien duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan.
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
200720016-10-200708-10-20072007/30200720016-10-200708-10-20072007/3018-10-2007
|
||||
|
||||
##### 10.2.4. Negatieve verplichting
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
is de inmenging in de regelgeving voorzien (provided by law)? Onder regelgeving wordt in dit verband in ieder geval verstaan de Vw, het Vb, het VV en de Vc;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
vervolgens wordt beoordeeld of de inmenging (de verblijfsbeëindiging) plaatsvindt in het belang van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de openbare orde en nationale veiligheid;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen; en
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
het economisch welzijn van het land.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
ten slotte wordt beoordeeld of de inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het feit dat de afwijzende beslissing (a) is gebaseerd op de regelgeving en (b) in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van de meerdere wegingsfactoren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de inmenging (met een beroep op het economisch welzijn van Nederland, respectievelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten) te rechtvaardigen. Er zal telkenmale een op de concrete zaak toegespitste afweging dienen plaats te vinden van de algemene belangen van de samenleving enerzijds en de individuele belangen van de vreemdeling en zijn gezinsleden anderzijds.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
In de beschikking wordt bij die belangenafweging allereerst verwezen naar de voorafgaande belangenafweging (die eerder bij de toetsing aan het nationale beleid en de nationale regelgeving heeft plaatsgevonden). De toetsing aan artikel 8 EVRM is een eindtoets, die volgt op een eerdere beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor (voortzetting van) verblijf op grond van de regelgeving. Bij de totstandkoming van de regelgeving zelf zijn (in abstracto) de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid, reeds afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de vreemdeling en zijn gezinsleden die zijn gediend met het uitoefenen van gezinsleven (in Nederland). Zo is, indien bijvoorbeeld verblijf wordt beëindigd wegens inbreuk op de openbare orde, reeds getoetst aan de glijdende schaal, waarin de duur van het verblijf van de vreemdeling (en daarmee in abstracto diens banden met Nederland) zijn gerelateerd aan de ernst van de inbreuk (en daarmee het algemene belang). Ook in dat geval kan er echter sprake zijn van andere zwaarwegende factoren op grond waarvan toch in het voortgezet verblijf behoort te worden berust, of op grond waarvan moet worden afgezien van ongewenstverklaring. Er kan echter evenzeer sprake zijn van (aanvullende) feiten en omstandigheden die in de belangenafweging bijdragen tot de rechtvaardiging van de inbreuk, ook indien die bij de toetsing aan het nationale recht niet direct hebben bijgedragen tot de afwijzende beslissing. Daarbij valt onder meer te denken aan eerdere (geringe) strafbare feiten, een beroep op de algemene middelen, een geringe mate van inburgering of weinig concrete invulling aan het gezinsleven.
|
||||
Voorts is van belang dat het economisch welzijn meer omvat dan slechts de bescherming van de algemene middelen. Ook indien de vreemdeling die niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder hem verblijf in Nederland was toegestaan en die ook niet voldoet aan de voorwaarden voor voorgezet verblijf, op enig moment wel beschikt over een arbeidsplaats, is het economisch welzijn van Nederland in geding. Het economisch welzijn strekt zich ook uit tot, bijvoorbeeld, de bescherming van de arbeidsmarkt (de vreemdeling werkt weliswaar, maar er is prioriteitgenietend aanbod) en de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en dergelijke).
|
||||
|
||||
Welke belangen?
|
||||
|
||||
Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. De wegingsfactoren kunnen dan ook niet limitatief worden opgesomd. Van belang zijn in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond in de individuele zaak kan worden toegekend, en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van die kinderen worden bezien.
|
||||
Afhankelijk van het geval kunnen spelen:
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
(ingeval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen) de leeftijd van het kind, de aanwezigheid van een gezagsverhouding, de bijdrage die de vreemdeling levert tot de kosten van de in Nederland verblijvende kinderen, de frequentie en regelmaat waarmee contact met die kinderen wordt onderhouden, de betrokkenheid bij hun opvoeding en verzorging, en het belang van die kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de intensiteit van het gezinsleven en het belang van de kinderen bij de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland minder is;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de intensiteit van het gezinsleven met de overige in Nederland achterblijvende gezinsleden, de mate waarin van die gezinsleden kan worden gevergd dat zij zich met de vreemdeling in diens herkomstland vestigen, en de vraag of het gezinsleven is aangegaan tijdens verblijf op grond van een geldige verblijfsvergunning of tijdens illegaal verblijf in Nederland;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de duur van het (rechtmatige) verblijf van de vreemdeling in Nederland en de duur van het verblijf in het land van herkomst, de frequentie, duur en aard van verblijf in het land van herkomst na de inreis in Nederland, het hebben gevolgd van onderwijs in Nederland en in het land van herkomst, het arbeidsverleden in Nederland en in het land van herkomst, de beheersing van de Nederlandse taal en de taal van het land van herkomst, eventuele verzoeken tot naturalisatie tot Nederlander, de eventuele vervulling van de militaire dienstplicht in het land van herkomst, een eventuele (huwelijks)relatie met een in Nederland geboren en getogen Nederlander, de aanwezigheid van andere familieleden in Nederland en in het land van herkomst, de mate waarin de vreemdeling in Nederland en in het land van herkomst een sociaal leven heeft opgebouwd, en de mogelijkheden om het sociale leven in het herkomstland weer op te pakken. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de banden met het land van herkomst sterker zijn. Indien die banden slechts louter juridisch zijn (door het enkele bezit van de nationaliteit van het herkomstland) zal inmenging aanzienlijk minder snel zijn te rechtvaardigen;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
persoonlijke omstandigheden, zoals een ernstige handicap en hulpbehoevendheid, en de positie waarin de vreemdeling, gelet op die omstandigheden, bij terugkeer zal komen te verkeren;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de aard en duur van het verblijfsrecht in Nederland. Inmenging is eerder te rechtvaardigen naarmate de vreemdeling korter in Nederland heeft verbleven, indien het verblijfsrecht tijdelijk van aard was en de vreemdeling daarmee het risico heeft genomen dat het gezinsleven niet blijvend in Nederland kan worden uitgeoefend;
|
||||
|
||||
|
||||
–
|
||||
de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven. Is op objectieve wijze (bijvoorbeeld door overlegging van daarop betrekking hebbende documenten) aangetoond dat er sprake is van een (proef)omgangsregeling waaraan voldoende feitelijke invulling wordt gegeven dan wel er pogingen in het werk zijn gesteld om een (proef)omgangsregeling vast te stellen. Er is sprake van een gerechtvaardigde inmenging indien is gebleken dat de procedure inzake de (proef)omgangsregeling enkel tot doel heeft het verblijf in Nederland voort te zetten. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid zal aan de hand van een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging beoordeeld moeten worden of de inmenging gerechtvaardigd is, waarbij de (proef)omgangsregeling een van de diverse wegingsfactoren is.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM
|
||||
|
||||
In veel zaken waarin sprake is van een Nederlands kind, wordt een beroep gedaan op artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Dat artikel ziet niet op de verlening van een verblijfstitel aan de niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind, doch op de aanspraken die een Nederlander op verlening van een verblijfsvergunning en bestendig verblijf in Nederland kan doen gelden jegens de Nederlandse overheid. Omdat uitzetting van het Nederlandse kind niet aan de orde is, komt daarbij geen beslissende betekenis toe aan het (op artikel 3 van het Vierde Protocol gebaseerde) recht van het Nederlandse kind om niet te worden uitgezet. Toch moet in de belangenafweging (naast de andere aan de orde zijnde belangen) worden betrokken het feit dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit en als zodanig aanspraak heeft op verblijf, opvoeding en verzorging in Nederland. Dat feit (en de overige belangen) moeten worden afgewogen tegen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid. Die zullen meestal zijn gelegen in het economische welzijn van Nederland, maar soms ook (in combinatie met) de openbare orde en/of een andere grond. De centrale vraag daarbij is of van het kind gevergd kan worden met de vreemdeling in het buitenland te gaan wonen. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van leeftijd, worteling en eventuele toelatingsbeletselen in het vreemde land. Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Zie ten aanzien hiervan tevens B1/5.1, B1/5.3.2, en B16/7.
|
||||
Meestal zal er ook sprake zijn van gezinsleven tussen de andere ouder en het Nederlandse kind. Indien het hoogstwaarschijnlijk is dat het kind de niet-Nederlandse ouder naar het buitenland zal volgen, is er sprake van inmenging in het recht op gezinsleven tussen het kind en die andere ouder. De vraag of die inmenging op de grond van het economisch welzijn van Nederland gerechtvaardigd is, zal onder meer afhangen van de vraag of de relatie (waaruit het kind is geboren) werd onderhouden in een periode waarin het de vreemdeling was toegestaan bij de (huwelijks)partner in Nederland te verblijven, de intensiteit van het gezinsleven tussen het kind en die andere ouder (de aard en de frequentie van de contacten, de naleving van een omgangsregeling, het leveren van bijdragen en dergelijke). Het gaat daarbij om de feitelijke situatie. Aan het enkele feit dat er geen formele overeenkomst is getroffen (bijvoorbeeld met betrekking tot omgangsrecht of financiële bijdragen) is niet van belang indien er wel feitelijk sprake is van omgang of financiële bijdragen. Anderzijds legt een enkele formele omgangs- of betalingsregeling geen gewicht in de schaal, indien die niet feitelijk wordt nagekomen.
|
||||
|
||||
200620116-10-200630-08-20062006/30200620116-10-200630-08-20062006/3001-01-2007
|
||||
200720016-10-200708-10-20072007/30200720016-10-200708-10-20072007/3018-10-2007
|
||||
|
||||
##### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
Indien het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam hoofdpersoon met wie het gezinsleven moet worden toegestaan)’.
|
||||
200720016-10-200708-10-20072007/30200720016-10-200708-10-20072007/3018-10-2007
|
||||
|
||||
#### 10.3. Ambtshalve wijziging
|
||||
|
||||
Artikel 14, eerste lid, onder c, Vw geeft de bevoegdheid om op aanvraag van de houder of ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen. Deze bevoegdheid zal worden gebruikt in alle gevallen waarin de verblijfsbeëindiging van de reguliere verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 EVRM. Als gevolg van de systematiek van de Vw, waarmee een strikte scheiding tussen de verblijfsvergunning regulier en de verblijfsvergunning asiel is beoogd, dient in een asielprocedure, indien verblijf op grond van artikel 8 EVRM wordt beoogd, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier te worden ingediend.
|
||||
|
||||
Dit betekent niet dat bij elke reguliere verblijfsbeëindiging ambtshalve zal worden beoordeeld of sprake is van artikel 8 EVRM. Een dergelijke beoordeling vind slechts plaats in de gevallen waarin expliciet een beroep op dit artikel wordt gedaan, dan wel waar een vreemdeling zelf feiten en omstandigheden naar voren brengt waaruit dit kan worden opgemaakt.
|
||||
|
||||
#### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
Indien het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam hoofdpersoon met wie het gezinsleven moet worden toegestaan)’.
|
||||
|
||||
## 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
|
||||
|
||||
### 1. Inleiding
|
||||
|
|
@ -9915,7 +9624,9 @@ Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor
|
|||
|
||||
Indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten (zie ten aanzien hiervan tevens B1/5.1, B1/5.3.2, en B2/10.2.4).
|
||||
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met ter zake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten (zie ten aanzien hiervan tevens B1/5.1, B1/5.3.2 en B16/7).
|
||||
|
||||
Aan de hand van de door de vreemdeling overgelegde informatie omtrent factoren 1, 2 en 3 kan de IND zonodig een individueel ambtsbericht opvragen bij het Ministerie van BuZa.
|
||||
|
||||
|
|
@ -9940,8 +9651,12 @@ Indien de aangifte van mensenhandel van het slachtoffer tot een veroordeling van
|
|||
|
||||
Om het recht op voortgezet verblijf niet geheel afhankelijk te maken van het verloop van de strafzaak zal, indien de strafzaak niet tot een veroordeling leidt, doch de uitspraak anders luidt, en er wel tenminste drie jaar is verstreken tussen de verlening van de verblijfsvergunning op grond van dit hoofdstuk en het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak, de verblijfsduur van het slachtoffer als belangrijkste humanitaire factor wegen. Hierbij is dan eveneens van belang dat de rechterlijke uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is geworden doordat geen rechtsmiddel is aangewend tegen de uitspraak in eerste aanleg óf, indien wel een rechtsmiddel is aangewend, het Gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.
|
||||
|
||||
In het geval de strafzaak is geëindigd in een sepot en een eventueel beklag niet is gehonoreerd, wordt de aanvraag om voortgezet verblijf beoordeeld conform het hiernavolgend beleid.
|
||||
|
||||
Indien de Amv niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.51, kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. Hierin voorziet artikel 3.52 Vb.
|
||||
|
||||
Van de bevoegdheid om de vergunning in een dergelijk geval aldus te wijzigen zal geen gebruik worden gemaakt indien er een of meer van de algemene gronden voor weigering van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
#### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
|
||||
|
||||
Een bijzondere categorie verblijfsvergunningen in verband met voortgezet verblijf wordt gevormd door de vergunningen die worden verleend op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue