2016-01-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000
This commit is contained in:
parent
532fdb55e4
commit
e594756449
1 changed files with 30 additions and 69 deletions
|
|
@ -96,7 +96,7 @@ b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister
|
|||
|
||||
**thuiswonende deelnemer**: deelnemer die niet een uitwonende deelnemer is,
|
||||
|
||||
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van de artikelen 3.4 en 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
|
||||
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van artikel 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
|
||||
|
||||
**uitwonende deelnemer**: deelnemer die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
|
||||
|
||||
|
|
@ -232,7 +232,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Indien de deelnemer aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.
|
||||
**3.** Indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, kan de aanvraag in het daarop volgende studiejaar worden ingediend indien de uitschrijving binnen vier maanden voor het einde van het desbetreffende studiejaar heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.7a
|
||||
|
||||
|
|
@ -393,12 +393,7 @@ a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud,
|
|||
b. een tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld, en
|
||||
c. een reisvoorziening.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Dit budget kan worden verhoogd met:
|
||||
|
||||
a. een toeslag voor een partner ingevolge artikel 3.4, of
|
||||
b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
|
||||
**2.** Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
|
||||
|
||||
**3.** De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de artikelen 3.13, eerste lid, 3.16 en 3.18, wordt voor een deelnemer verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
|
|
@ -418,24 +413,13 @@ a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
|
|||
b. het collegegeldkrediet; en
|
||||
c. een reisvoorziening.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Dit budget kan worden verhoogd met:
|
||||
|
||||
a. een toeslag voor een partner ingevolge artikel 3.4, of
|
||||
b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
|
||||
**2.** Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
|
||||
|
||||
**3.** De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
**1.** Aan een studerende met een partner die financieel van hem afhankelijk is en die niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, wordt een toeslag voor een partner toegekend.
|
||||
|
||||
**2.** Uitsluitend als financieel afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een toetsingsinkomen heeft dat naar de maatstaf van 1 januari 2008 minder bedraagt dan € 8 129,26 per 1 januari 2015: € 9.234,45en die de verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12 jaar waarvoor op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag bestaat. Bij de bepaling van het toetsingsinkomen van de partner is artikel 8, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 3.17, derde tot en met zesde en tiende lid, van deze wet, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen in artikel 3.18.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -481,7 +465,7 @@ In afwijking van de eerste volzin kan een studerende als bedoeld in de eerste vo
|
|||
|
||||
**2.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**3.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2012 gelijk aan € 16 288,94per 1 januari 2015: € 16.890,62. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2013 gelijk is aan € 22.407,00per 1 januari 2015: € 21.399,51.
|
||||
**3.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2012 gelijk aan € 16 288,94per 1 januari 2016: € 17.052,77. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2013 gelijk is aan € 22.407,00per 1 januari 2016: € 21.604,95.
|
||||
|
||||
**4.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
|
||||
|
||||
|
|
@ -508,12 +492,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
**1.** Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van artikel 3.9, indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
|
||||
b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de vereisten genoemd in de aanhef, alsmede in onderdeel a.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -580,7 +559,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 3.17
|
||||
|
||||
**1.** Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2015: € 13.856,11.
|
||||
**1.** Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2016: € 13.989,13.
|
||||
|
||||
**2.** Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -592,7 +571,7 @@ a. een uitkering op grond van de Participatiewet, de Toeslagenwet of de Wet inko
|
|||
b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en
|
||||
c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar waarin de deelnemer zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een deelnemer hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
|
||||
|
||||
**4.** Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 naar de maatstaf van 1 januari 2015 per 1 september 2015: € 332,30 buiten beschouwing.
|
||||
**4.** Voor iedere maand dat een deelnemer een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2016: € 335,73 buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -655,19 +634,13 @@ Indien het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de a
|
|||
|
||||
**1.** Studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak.
|
||||
|
||||
**2.** Studiefinanciering wordt niet toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag.
|
||||
**2.** Een aanvraag voor studiefinanciering wordt voor het einde van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft ingediend.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**3.** Studiefinanciering of de verhoging daarvan wordt niet toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
Aan de studerende die reeds studiefinanciering ontvangt en een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor:
|
||||
**4.** De reisvoorziening of het levenlanglerenkrediet wordt niet toegekend voor een periode die is gelegen vóór de datum van indiening van de aanvraag.
|
||||
|
||||
a. het normbedrag voor een uitwonende studerende,
|
||||
b. een toeslag voor een partner, of
|
||||
c. een toeslag voor een één-oudergezin,
|
||||
|
||||
wordt de verhoging van de studiefinanciering niet toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
**4.** Op aanvraag van de studerende onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag aangeeft. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
|
||||
**5.** Op aanvraag van de studerende onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag aangeeft. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.22
|
||||
|
||||
|
|
@ -811,7 +784,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
**2.** Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
|
||||
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2016: € 925,95. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
|
||||
|
||||
**4.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
|
||||
|
||||
|
|
@ -883,7 +856,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
|
|||
|
||||
**1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
|
||||
|
||||
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 € 916,96. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
|
||||
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2016: € 925,95. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
|
||||
|
||||
**3.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
|
||||
|
||||
|
|
@ -942,7 +915,7 @@ b. voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7
|
|||
|
||||
**3.** De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
|
||||
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2016: € 925,95. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
|
||||
|
||||
**5.** Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1122,7 +1095,7 @@ b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afg
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 1.230,12.
|
||||
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 1.242,18.
|
||||
|
||||
.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1254,12 +1227,7 @@ Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan v
|
|||
a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
|
||||
b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
|
||||
b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1331,8 +1299,8 @@ a. een beschikking genomen is waarvan de studerende of de debiteur onderscheiden
|
|||
b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, zich niet heeft voorgedaan,
|
||||
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
|
||||
d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
|
||||
e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b, en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b,
|
||||
f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b, of
|
||||
e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de studerende op grond van artikel 3.10 of aan de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, omdat op dat moment niet werd voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, maar blijkt dat wel aan die voorwaarde is voldaan,
|
||||
f. gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de studerende op grond van artikel 3.10 of aan de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, of
|
||||
g. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
|
||||
|
||||
**3.** Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c, voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld.
|
||||
|
|
@ -1644,7 +1612,7 @@ Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoo
|
|||
|
||||
### Artikel 11.1
|
||||
|
||||
**1.** Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de artikelen 3.4, tweede lid, 3.9, derde lid, 3.17, eerste en vierde lid, 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2 en 6.2a, aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
|
||||
**1.** Per 1 januari van ieder kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, derde lid, 3.17, eerste en vierde lid, 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2 en 6.2a, aan op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onderdeel B, wordt voor de studiejaren 2009–2010 tot en met 2018–2019 jaarlijks op 1 september verhoogd met een bedrag van € 1,84. Het bedrag van de basislening, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onderdeel B, wordt gelijktijdig met hetzelfde bedrag verlaagd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1674,9 +1642,8 @@ Het eerste lid is niet van toepassing op:
|
|||
|
||||
a. het begrip partner,
|
||||
b. het begrip toetsingsinkomen,
|
||||
c. het begrip vreemdeling,
|
||||
d. artikel 1.8, en
|
||||
e. artikel 3.4, vierde lid.
|
||||
c. het begrip vreemdeling, en
|
||||
d. artikel 1.8.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1881,10 +1848,10 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw
|
|||
|
||||
| | thuiswonende | uitwonende |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 649,34 | € 833,22 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 854,13 |
|
||||
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 102,77 | € 279,14 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 286,15 |
|
||||
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 245,30 | € 258,35 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 266,71 |
|
||||
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 301,27 | € 295,73 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 301,27 |
|
||||
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 655,70 | € 833,22 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 862,50 |
|
||||
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 103,78 | € 279,14 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 288,95 |
|
||||
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 249,56 | € 258,35 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 271,19 |
|
||||
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 302,36 | € 295,73 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 302,36 |
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1919,19 +1886,13 @@ d. de aan de voucher verbonden verplichtingen voor de rechthebbende of de instel
|
|||
|
||||
### Artikel 12.16
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.18 geldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing van paragraaf 3.3 voor een student die ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 266,71.
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.18 geldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing van paragraaf 3.3 voor een student die ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 271,19.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 109,67.
|
||||
**2.** Voor de student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 110,74.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.17
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 kan de toeslag, bedoeld in artikel 3.4, onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van hoofdstuk 5 kan de toeslag, bedoeld in artikel 3.4, worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende de periodes, bedoeld in de artikelen 5.2, eerste lid, 5.2a, 5.2b en 5.2c.
|
||||
|
||||
**3.** Op aanvraag kan een studerende als bedoeld in artikel 3.4, gedurende de in artikel 4.7, derde lid, onderscheidenlijk 5.2, vierde lid, bedoelde periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in het vierde lid.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 3.4, derde lid, bedraagt de partnertoeslag naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 584,28 per 1 september 2015 naar de maatstaf van 1 januari 2015: € 598,95 per maand.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.18
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue