2020-07-01 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO
This commit is contained in:
parent
d0fe389b55
commit
e6383325d3
1 changed files with 44 additions and 40 deletions
|
|
@ -53,7 +53,7 @@ leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond: leerling:
|
|||
|
||||
a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep,
|
||||
b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije,
|
||||
c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba,
|
||||
c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname of een van de Caribische delen van het Koninkrijk,
|
||||
d. van wie ten minste een van de ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder c of d, van de Vreemdelingenwet 2000,
|
||||
e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië;
|
||||
|
||||
|
|
@ -100,7 +100,7 @@ Het bevoegd gezag van een school ten aanzien waarvan Onze Minister heeft meegede
|
|||
|
||||
**2.** De aanspraak op de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 134, van de wet, ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, ontstaat aanspraak op bekostiging voor de uitgaven van 1 lid van het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school, bedoeld in artikel 121, tweede lid, eerste volzin, van de wet begint.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, ontstaat aanspraak op bekostiging voor de uitgaven van 1 lid van het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school, bedoeld in artikel 121, tweede lid, eerste volzin, van de wet begint.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -263,7 +263,7 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode
|
|||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
|
||||
**1.** Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
|
||||
|
||||
**2.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba en overige leerlingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -293,9 +293,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 12a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.
|
||||
|
||||
**2.** Indien artikel 134, achtste lid, van de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.
|
||||
**2.** Indien artikel 134, achtste lid, van de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -357,9 +357,9 @@ De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29 en 30, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante datum.
|
||||
**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29 en 30, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante datum.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -440,7 +440,7 @@ b. de aanvullende bekostiging voor kleine scholen die de basisschool als school
|
|||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** Het Centraal bureau voor de statistiek berekent jaarlijks de achterstandsscore van elke basisschool op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool en van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet.
|
||||
**1.** Het Centraal bureau voor de statistiek berekent jaarlijks de achterstandsscore van elke basisschool op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool en van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -477,7 +477,7 @@ De achterstandsscore van een basisschool is de uitkomst van de formule A−B en
|
|||
|
||||
**3.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het tweede lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het tweede lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0401 formatieplaats.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 28a
|
||||
|
||||
|
|
@ -490,27 +490,27 @@ Vervallen
|
|||
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen toegekend indien:
|
||||
|
||||
a. de uitkomst van de formule X – Y dan wel, indien in dat schooljaar reeds aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen is toegekend, de uitkomst van de formule X – Z, groter is dan of gelijk is aan 13, waarbij de factoren X, Y en Z worden berekend overeenkomstig het tweede lid; en
|
||||
b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de eerste dag van de maand, bedoeld in de in het tweede lid genoemde factor X, op de school of scholen staan ingeschreven, uiterlijk 4 weken na die dag zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet.
|
||||
b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de eerste dag van de maand, bedoeld in de in het tweede lid genoemde factor X, op de school of scholen staan ingeschreven, uiterlijk 4 weken na die dag zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De factoren X, Y en Z, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend:
|
||||
|
||||
X = de som van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, op de eerste schooldag van een schooljaar dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar;
|
||||
X = de som van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, op de eerste schooldag van een schooljaar dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar;
|
||||
|
||||
Y= de som van 103% van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de som van 103% van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, bedoeld in artikel 121, tweede lid, van de wet, op 1 oktober van het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden;
|
||||
Y= de som van 103% van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de som van 103% van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, bedoeld in artikel 121, tweede lid, van de wet, op 1 oktober van het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden;
|
||||
|
||||
Z = de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei van de aantallen leerlingen is toegekend
|
||||
|
||||
**3.** Indien sprake is van een school die per 1 augustus van het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, is ontstaan uit een samenvoeging, wordt bij de berekening van de in het tweede lid, genoemde factor Y 103% genomen van het aantal leerlingen van alle bij die samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden.
|
||||
**3.** Indien sprake is van een school die per 1 augustus van het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, is ontstaan uit een samenvoeging, wordt bij de berekening van de in het tweede lid, genoemde factor Y 103% genomen van het aantal leerlingen van alle bij die samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de berekening van de in het tweede lid genoemde factor Y, wordt het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, berekend overeenkomstig artikel 121, vierde en vijfde lid, van de wet.
|
||||
**4.** Bij de berekening van de in het tweede lid genoemde factor Y, wordt het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, berekend overeenkomstig artikel 121, vierde en vijfde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de berekening van 103% van de aantallen leerlingen, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel getal.
|
||||
|
||||
**6.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling van X, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden. Indien de telling van X heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag, en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op deze aanvullende bekostiging, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend.
|
||||
**6.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling van X, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden. Indien de telling van X heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag, en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op deze aanvullende bekostiging, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend.
|
||||
|
||||
**7.** De in het eerste lid bedoelde aanvullende bekostiging wordt toegekend voor het aantal leerlingen dat X meer bedraagt dan Y, respectievelijk indien in dat schooljaar reeds aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen is toegekend, voor het aantal leerlingen dat X meer bedraagt dan Z, en bedraagt per leerling een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
|
||||
**7.** De in het eerste lid bedoelde aanvullende bekostiging wordt toegekend voor het aantal leerlingen dat X meer bedraagt dan Y, respectievelijk indien in dat schooljaar reeds aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen is toegekend, voor het aantal leerlingen dat X meer bedraagt dan Z, en bedraagt per leerling een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
|
||||
|
||||
**8.** Het bedrag dat de uitkomst is van de toepassing van het zevende lid wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden vanaf de maand van toekenning tot het einde van het schooljaar en vervolgens gedeeld door twaalf.
|
||||
|
||||
|
|
@ -518,11 +518,11 @@ Z = de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in het s
|
|||
|
||||
### Artikel 29a
|
||||
|
||||
**1.** Indien aan een basisschool een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs is verbonden, wordt op basis van een aanvraag van het bevoegd gezag aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet, toegekend, indien bij deze afdeling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar ten minste elf leerlingen staan ingeschreven.
|
||||
**1.** Indien aan een basisschool een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs is verbonden, wordt op basis van een aanvraag van het bevoegd gezag aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet, toegekend, indien bij deze afdeling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar ten minste elf leerlingen staan ingeschreven.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 juli van het voorafgaand schooljaar door middel van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier ingediend.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijke gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal formatieplaatsen.
|
||||
**3.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijke gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal formatieplaatsen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -556,11 +556,11 @@ Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het derde lid, en het leeftij
|
|||
|
||||
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor bijzondere groei toegekend, indien:
|
||||
|
||||
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
|
||||
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
|
||||
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
|
||||
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
|
||||
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
|
||||
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet.
|
||||
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.
|
||||
|
||||
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel 29.
|
||||
|
||||
|
|
@ -592,7 +592,7 @@ Onze Minister verstrekt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels per
|
|||
|
||||
**2.** Het bedrag dat is bestemd voor personeelskosten kan met maximaal twee procent per jaar stijgen ten opzichte van het meest recent vastgestelde subsidiebedrag dat is bestemd voor personeelskosten.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid vervalt met ingang van 31 december 2025.
|
||||
**3.** Het tweede lid vervalt met ingang van 31 december 2025.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het berekenen van de hoogte van het subsidiebedrag wordt uitgegaan van ten hoogste veertig uren per schooljaar door leerlingen te ontvangen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -657,6 +657,10 @@ Indien er geen of onvoldoende gegevens zijn voor een betrouwbaar oordeel over de
|
|||
a. het verkrijgen van nadere gegevens van de school over de resultaten en de doorstroom van leerlingen;
|
||||
b. onderzoek en verificatie ter plekke.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.6a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIIb. Ontwikkelingsperspectief, deskundigen, inrichting commissies en orthopedagogisch-didactische centra
|
||||
|
||||
### Artikel 34.7
|
||||
|
|
@ -764,23 +768,23 @@ c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, d
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De overgangsbekostiging voor personele kosten, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
|
||||
De overgangsbekostiging voor personele kosten, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
|
||||
|
||||
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband bekostiging die bestaat uit een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag vermenigvuldigd met de hoeveelheid formatie die in onderstaande tabel is aangegeven bij de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is verklaard:
|
||||
b. naast de op basis van onderdeel a berekende bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband.
|
||||
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband bekostiging die bestaat uit een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag vermenigvuldigd met de hoeveelheid formatie die in onderstaande tabel is aangegeven bij de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is verklaard:
|
||||
b. naast de op basis van onderdeel a berekende bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
**2.** De overgangsbekostiging voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt toegekend van 1 augustus tot en met 31 december van het desbetreffende jaar.
|
||||
**2.** De overgangsbekostiging voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt toegekend van 1 augustus tot en met 31 december van het desbetreffende jaar.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt als volgt berekend:
|
||||
|
||||
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school in het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband vijf twaalfde deel van de bekostiging volgens onderstaande tabel.
|
||||
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school in het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband vijf twaalfde deel van de bekostiging volgens onderstaande tabel.
|
||||
b. naast de in onderdeel a bedoelde bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling.
|
||||
|
||||
### Artikel 35a
|
||||
|
||||
**1.** De omvang van het her te besteden bedrag, bedoeld in artikel XIA, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt: het her te besteden bedrag is de vermenigvuldiging van een bedrag met de hoeveelheid leerlingen als bedoeld in artikel 35, eerste en derde lid, onderdeel a.
|
||||
**1.** De omvang van het her te besteden bedrag, bedoeld in artikel XIA, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt: het her te besteden bedrag is de vermenigvuldiging van een bedrag met de hoeveelheid leerlingen als bedoeld in artikel 35, eerste en derde lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een hoeveelheid formatie die wordt vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -800,21 +804,21 @@ Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in het tweede lid, bedra
|
|||
|
||||
### Artikel 35b
|
||||
|
||||
**1.** De vereveningspercentages voor personele kosten, bedoeld in artikel XIII, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) zijn voor samenwerkingsverbanden voor wie de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, van genoemd artikel negatief is, voor het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar, bedoeld in genoemd artikel, respectievelijk 90%, 75%, 60% en 30%. Indien de uitkomst van de in de eerste volzin bedoelde berekening positief is, zijn de percentages, bedoeld in de vorige volzin in de daar bedoelde jaren respectievelijk 95%, 80%, 60% en 30%.
|
||||
**1.** De vereveningspercentages voor personele kosten, bedoeld in artikel XIII, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) zijn voor samenwerkingsverbanden voor wie de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, van genoemd artikel negatief is, voor het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar, bedoeld in genoemd artikel, respectievelijk 90%, 75%, 60% en 30%. Indien de uitkomst van de in de eerste volzin bedoelde berekening positief is, zijn de percentages, bedoeld in de vorige volzin in de daar bedoelde jaren respectievelijk 95%, 80%, 60% en 30%.
|
||||
|
||||
**2.** De vereveningspercentages voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel XIV, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) zijn voor samenwerkingsverbanden voor wie de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, van genoemd artikel negatief is, voor het derde, vierde, vijfde en zesde jaar, bedoeld in genoemd artikel, respectievelijk 90%, 75%, 60% en 30%. Indien de uitkomst van de in de eerste volzin bedoelde berekening positief is, zijn de percentages, bedoeld in de vorige volzin in de daar bedoelde jaren respectievelijk 95%, 80%, 60% en 30%.
|
||||
**2.** De vereveningspercentages voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel XIV, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) zijn voor samenwerkingsverbanden voor wie de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, van genoemd artikel negatief is, voor het derde, vierde, vijfde en zesde jaar, bedoeld in genoemd artikel, respectievelijk 90%, 75%, 60% en 30%. Indien de uitkomst van de in de eerste volzin bedoelde berekening positief is, zijn de percentages, bedoeld in de vorige volzin in de daar bedoelde jaren respectievelijk 95%, 80%, 60% en 30%.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
**1.** Het samenwerkingsverband is gehouden om, wanneer een bevoegd gezag of een personeelsorganisatie daarom verzoekt, met dat bevoegd gezag en de personeelsorganisaties een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het personeel dat in het derde schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, nog niet zal zijn herplaatst en dat niet als gevolg van natuurlijk verloop zal zijn uitgestroomd op of voor 1 augustus 2016.
|
||||
**1.** Het samenwerkingsverband is gehouden om, wanneer een bevoegd gezag of een personeelsorganisatie daarom verzoekt, met dat bevoegd gezag en de personeelsorganisaties een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het personeel dat in het derde schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, nog niet zal zijn herplaatst en dat niet als gevolg van natuurlijk verloop zal zijn uitgestroomd op of voor 1 augustus 2016.
|
||||
|
||||
**2.** Een bevoegd gezag als bedoeld in het eerste lid is het bevoegd van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst, waar het personeel in het schooljaar 2014–2015 in dienst is.
|
||||
|
||||
**3.** Het personeel, bedoeld in het eerste lid, is het personeel dat op 1 mei 2012 als ambulant begeleider in dienst was bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst.
|
||||
**3.** Het personeel, bedoeld in het eerste lid, is het personeel dat op 1 mei 2012 als ambulant begeleider in dienst was bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personeel, niet zijnde ambulant begeleiders, dat op 1 mei 2012 is dienst was bij een samenwerkingsverband als bedoeld in de wet, een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en dat in het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, niet zal zijn herplaatst.
|
||||
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personeel, niet zijnde ambulant begeleiders, dat op 1 mei 2012 is dienst was bij een samenwerkingsverband als bedoeld in de wet, een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en dat in het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, niet zal zijn herplaatst.
|
||||
|
||||
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde en vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt.
|
||||
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde en vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt.
|
||||
|
||||
### Artikel 36a
|
||||
|
||||
|
|
@ -826,11 +830,11 @@ Het bedrag van de vermeerdering of vermindering, bedoeld in het eerste lid, is d
|
|||
|
||||
| A = | de uitkomst van de formule D + E + F – G + H waarbij | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | D = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | E = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28a, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | F = | de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet op basis van artikel 14, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | G = | de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet op basis van artikel 14, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | H = | het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018 vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag; en |
|
||||
| | D = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | E = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28a, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | F = | de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet op basis van artikel 14, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | G = | de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet op basis van artikel 14, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; |
|
||||
| | H = | het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018 vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag; en |
|
||||
| | | |
|
||||
| B = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28; | |
|
||||
| | | |
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue