From e6ba13710b7c8de0706cbefd84c17fafc0f56870 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 29 Mar 2014 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2014-03-29 | BWBR0011825 | Vreemdelingenbesluit 2000 --- .../BWBR0011825/README.md | 328 ++++++++++-------- 1 file changed, 189 insertions(+), 139 deletions(-) diff --git a/amvb/vreemdelingenbesluit-2000/BWBR0011825/README.md b/amvb/vreemdelingenbesluit-2000/BWBR0011825/README.md index d107a3020d1..15d8c38926e 100644 --- a/amvb/vreemdelingenbesluit-2000/BWBR0011825/README.md +++ b/amvb/vreemdelingenbesluit-2000/BWBR0011825/README.md @@ -18,29 +18,28 @@ citeertitel: Vreemdelingenbesluit 2000 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -a. Benelux-onderdanen: de onderdanen van de staten die partij zijn bij het op 3 februari 1958 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (Trb. 1958, 18); -b. Beneluxgebied: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden; -c. cruiseschip: hetgeen daaronder in de Schengengrenscode wordt verstaan; -d. luchtvaartuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Luchtvaartwet; -e. minderjarigheid: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; -f. vervallen; -g. Schengengebied: het grondgebied van de staten waarop de Schengengrenscode en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst van toepassing zijn; -h. Schengen Informatiesysteem: het in titel IV van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst bedoelde gemeenschappelijke informatiesysteem; -i. Schengen Uitvoeringsovereenkomst: de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de bondsrepubliek Duitsland en de Franse republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1990, 145), alsmede de daarop gebaseerde Protocollen; -j. schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; -k. staatloze: de persoon die voor de toepassing van het op 28 september 1954 te New York gesloten verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42 en 1957, 22) als staatloze geldt; -l. vliegtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet; -m. vervallen; -n. de Wet: de Vreemdelingenwet 2000; -o. zeeschip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, tweede lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet; -p. mijnbouwinstallatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet; -q. continentaal plat: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet; -r. gezinsvorming: gezinshereniging van de echtgenoot, geregistreerde partner of niet-geregistreerde partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had; -s. richtlijn 2005/71/EG: richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289); -t. tewerkstellingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen; -u. richtlijn 2009/50/EG: Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155); -v. Europese blauwe kaart: de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, afgegeven ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2009/50/EG, dan wel een door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning ter uitvoering van dat artikel; -w. vreemdelingenadministratie: de vreemdelingenadministratie, bedoeld in artikel 107 van de Wet. +- Beneluxgebied: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden; +- Benelux-onderdanen: de onderdanen van de staten die partij zijn bij het op 3 februari 1958 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (Trb. 1958, 18); +- continentaal plat: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet; +- cruiseschip: hetgeen daaronder in de Schengengrenscode wordt verstaan; +- de Wet: de Vreemdelingenwet 2000; +- Europese blauwe kaart: de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, afgegeven ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2009/50/EG, dan wel een door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning ter uitvoering van dat artikel; +- gezinsvorming: gezinshereniging van de echtgenoot, geregistreerde partner of niet-geregistreerde partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had; +- luchtvaartuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Luchtvaartwet; +- mijnbouwinstallatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet; +- minderjarigheid: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; +- richtlijn langdurig ingezetenen: richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16), zoals gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132); +- richtlijn 2005/71/EG: richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289); +- richtlijn 2009/50/EG: Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155); +- Schengen Informatiesysteem: het in titel IV van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst bedoelde gemeenschappelijke informatiesysteem; +- Schengen Uitvoeringsovereenkomst: de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de bondsrepubliek Duitsland en de Franse republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1990, 145), alsmede de daarop gebaseerde Protocollen; +- Schengengebied: het grondgebied van de staten waarop de Schengengrenscode en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst van toepassing zijn; +- schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; +- staatloze: de persoon die voor de toepassing van het op 28 september 1954 te New York gesloten verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42 en 1957, 22) als staatloze geldt; +- tewerkstellingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen; +- vliegtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet; +- vreemdelingenadministratie: de vreemdelingenadministratie, bedoeld in artikel 107 van de Wet. +- zeeschip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, tweede lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet; ### Artikel 1.2 @@ -289,7 +288,7 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze ### Artikel 2.1a -**1.** De toegang wordt niet geweigerd, indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een langdurig ingezetene, die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet en die na verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uit die staat naar Nederland terugkeert. +**1.** De toegang wordt niet geweigerd, indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een langdurig ingezetene, aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a van de Wet is verleend en die na verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uit die staat naar Nederland terugkeert. **2.** @@ -558,8 +557,8 @@ b. voor houders van een doorreisvisum met bevoegdheid tot oponthoud of van een r c. voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes maanden; d. voor houders van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfstitel als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 21, eerste lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes maanden; e. voor houders van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf: de tijd tot de vreemdeling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, van de Wet verkrijgt, maar niet langer dan de geldigheidsduur van de machtiging; -f. voor de houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel voor de echtgenoot of het minderjarig kind van die houder in geval het gezin reeds was gevormd in die staat: drie maanden; -f. voor andere vreemdelingen: acht dagen. +f. voor de houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel voor de echtgenoot of het minderjarig kind van die houder in geval het gezin reeds was gevormd in die staat: drie maanden; +g. voor andere vreemdelingen: acht dagen. **2.** De in het eerste lid, onder b en c, bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden in Nederland te verblijven. @@ -672,7 +671,7 @@ De waarborgsom, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder a, wordt gedeponeerd b De waarborgsom, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder a, wordt in ieder geval door Onze Minister aan de rechthebbende teruggegeven: a. zodra de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, of het desbetreffende voorschrift, is ingetrokken, dan wel de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verstreken; -b. zodra aan de vreemdeling de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, is verleend; +b. zodra aan de vreemdeling een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet, is verleend; c. zodra de vreemdeling Nederlander wordt of krachtens enige wet als Nederlander moet worden behandeld; d. bij overlijden van de vreemdeling, dan wel e. uiterlijk vijf jaar nadat de waarborgsom is gestort. @@ -810,7 +809,7 @@ b. de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turks **1.** -De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of langdurig ingezetene, indien: +Wanneer Onze Minister een verblijfsvergunning heeft verleend aan een langdurig ingezetene uit een andere lidstaat van de Europese Unie en diens gezin reeds was gevormd in die lidstaat, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene en het minderjarige kind van die echtgenoot partner of langdurig ingezetene, indien: a. dat kind, die echtgenoot of partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene; b. dat kind, die echtgenoot of partner beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; @@ -822,7 +821,7 @@ e. de hoofdpersoon ten behoeve van het verblijf van dat kind, die echtgenoot of In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder e, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien: -a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L 16), in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst; +a. wordt voldaan aan hoofdstuk 3 van de richtlijn langdurig ingezetenen, in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst; b. de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turkse werknemer is als bedoeld in artikelen 6 en 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, in welk geval deze hoofdpersoon niet als referent wordt aangewezen. ### Artikel 3.23b @@ -1020,7 +1019,7 @@ f. de werkgever ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling een verklaring h Indien de werkgever geen verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder f, heeft afgelegd, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien: -a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004/L 16), in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst; +a. wordt voldaan aan hoofdstuk 3 van de richtlijn langdurig ingezetenen, in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst; b. de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen. ### Artikel 3.31 @@ -1458,7 +1457,7 @@ b. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel va 1°. sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet of als Nederlander, of 2°. op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, van de Wet en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst; -c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 21 van de Wet; +c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet; d. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat; e. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit nr. 1/80; f. vervallen; @@ -1479,8 +1478,8 @@ l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming va De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet, indien de vreemdeling: -a. in Nederland wil verblijven als gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Wet; -b. ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 16) te verkrijgen; +a. in Nederland wil verblijven als gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 8, onder d, van de Wet; +b. ingevolge de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn langdurig ingezetenen te verkrijgen; c. ten genoegen van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a, af te leggen; d. het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a, niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. @@ -1548,7 +1547,7 @@ c. de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardeli **4.** In geval de aanvraag verband houdt met verblijf als familie- of gezinslid houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. -**5.** In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat. +**5.** In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat. **6.** Bij de toepassing van het vijfde lid houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst. @@ -1743,7 +1742,7 @@ b. de vreemdeling de echtgenoot of de echtgenote, het minderjarige kind, de part **12.** In geval de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met verblijf als familie- of gezinslid houdt Onze Minister bij de toepassing van de voorgaande leden in ieder geval terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. -**13.** In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, houdt Onze Minister bij de toepassing van de voorgaande leden mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat. +**13.** In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, houdt Onze Minister bij de toepassing van de voorgaande leden mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat. **14.** Bij toepassing van het dertiende lid houdt Onze Minister rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen van verblijfsbeëindiging voor de vreemdeling en zijn gezinsleden en met de banden met Nederland en het land van herkomst. @@ -1869,127 +1868,68 @@ De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wor ### Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd -#### Paragraaf 1. Toekenning Europese status van langdurig ingezetene +#### Paragraaf 1. Verlening ### Artikel 3.92 **1.** -De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet afgewezen, om reden dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8 onder a, b, dan wel l, van de Wet niet vijf jaren aaneensluitend is geweest, indien: +De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die: -a. de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die: +a. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of +b. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is. -1°. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, b, dan wel l, van de Wet heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar; -2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is; -b. de vreemdeling niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. +**2.** -**2.** De aanvraag, ingediend door vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht, wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet afgewezen, indien de duur van het niet-tijdelijke verblijfsrecht en de helft van het verblijf op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met studie, waaronder begrepen beroepsopleiding, tezamen ten minste vijf jaar bedraagt. +De verblijfsvergunning kan eveneens worden verleend aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, en die direct voorafgaande aan de remigratie: -**3.** +a. als Nederlander in Nederland verbleef; +b. rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Wet in Nederland had, of +c. gedurende vijf jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de Wet in Nederland had. -De aanvraag wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder a of c, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling: - -a. buiten Nederland heeft verbleven in verband met beroepsmatige detachering in een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; -b. als langdurig ingezetene houder is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet en deze vergunning heeft verloren wegens: - -1°. verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zonder in die staat de status van langdurig ingezetene te hebben verkregen, indien de aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat, -2°. verblijf buiten het grondgebied van de Gemeenschap gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies, of -3°. verkrijging van de status van langdurig ingezetene in een andere staat als bedoeld onder 1°, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies; -c. de vreemdeling vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van de Europese Unie verblijft als houder van een Europese blauwe kaart, onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag ten minste achttien achtereenvolgende maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en ten minste twee achtereenvolgende jaren direct voorafgaande aan de aanvraag als houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart in Nederland heeft verbleven, waarbij perioden van afwezigheid van het grondgebied van de Europese Unie geen onderbreking vormen van de termijn van vijf jaar, indien zij minder dan twaalf achtereenvolgende maanden beslaan en niet langer dan achttien maanden hebben geduurd; -d. de vreemdeling als houder van een Europese blauwe kaart in de periode van vijf jaar niet langer dan twaalf achtereenvolgende maanden en in totaal niet langer dan achttien maanden buiten Nederland heeft verbleven. - -**4.** Voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet, zijn de artikelen 3.73, 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, en 3.75 van overeenkomstige toepassing. - -**5.** Behoudens gevallen als bedoeld in artikel 3.87, kan de aanvraag slechts op grond van artikel 21, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid. Artikel 3.86, derde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing. - -**6.** Bij de toepassing van het vijfde lid houdt Onze Minister mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat en het bestaan van banden met Nederland. - -**7.** In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar buiten beschouwing gelaten het gedeelte van het verblijf buiten Nederland, dat tien maanden in totaal of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland zes maanden te boven gaat. - -**8.** - -Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het derde lid, aanhef en onder c en d, slechts van toepassing is, indien de vreemdeling het in die onderdelen bedoelde grondgebied van de Europese Unie, respectievelijk Nederland heeft verlaten om in het land van herkomst: - -a. arbeid in loondienst of als zelfstandige, dan wel vrijwilligerswerk te verrichten; -b. een studie te volgen. - -#### Paragraaf 2. Verlening op nationale voorwaarden +**3.** De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, e of f, van de Wet. ### Artikel 3.93 **1.** -De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder a of j, van de Wet afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, onder a, of door een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven: +De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven: a. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, die anders dan door eigen toedoen is verloren; b. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als: -1°. geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post, -2°. geaccrediteerd lid van het hoogste kader, het hoofd inbegrepen, van een internationale organisatie, van het geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel van een internationale organisatie, of -c. als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling als bedoeld onder a of b. +1°. geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post; +2°. geaccrediteerd lid van het hoogste kader, het hoofd inbegrepen, van een internationale organisatie; +3°. geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel van een internationale organisatie, of +c. als afhankelijk gezinslid van de vreemdeling, bedoeld onder a of b. -**2.** De aanvraag wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder b, afgewezen, indien de vreemdeling op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft en in de periode van vijf aaneengesloten jaren direct voorafgaande aan dat tijdstip rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet had. +**2.** In afwijking van artikel 3.94, tweede lid, zijn de middelen van bestaan van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid duurzaam, indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn. -**3.** +**3.** Bij de berekening van de in het eerste lid bedoelde periode van tien achtereenvolgende jaren van verblijf worden ten aanzien van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2° en 3°, alsmede zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld in onderdeel c, mede in aanmerking genomen perioden waarin die vreemdeling respectievelijk dat afhankelijke gezinslid rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet heeft gehad. -De aanvraag wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling: +**4.** De aanvraag wordt niet afgewezen op grond dat de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef, van de Wet, indien de internationale organisatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2° dan wel 3°, is ingesteld voor bepaalde tijd, minder dan tien jaren, en de vreemdeling als lid van die organisatie dan wel als zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gedurende vijf aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven. -a. als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, onder a, of -b. die duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering. - -**4.** De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet afgewezen op de in artikel 21, eerste lid, onder h, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. - -**5.** In afwijking van artikel 3.92, vierde lid, zijn de middelen van bestaan van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid duurzaam indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn. - -**6.** Bij de berekening van de in het eerste lid bedoelde periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden ten aanzien van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, onder 2°, alsmede zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld in onderdeel c, mede in aanmerking genomen perioden waarin die vreemdeling respectievelijk dat afhankelijke gezinslid rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet heeft gehad. - -**7.** De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet, indien de internationale organisatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, is ingesteld voor bepaalde tijd, minder dan tien jaren, en de vreemdeling als lid van die organisatie dan wel als zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gedurende vijf aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven. +#### Paragraaf 2. Afwijzing van de aanvraag ### Artikel 3.94 -De artikelen 3.92, eerste en zevende lid, en 3.93, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet en die direct voorafgaande aan de remigratie: +**1.** Voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet zijn de artikelen 3.73, 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, en 3.75 van overeenkomstige toepassing. -a. als Nederlander in Nederland verbleef; -b. rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Wet in Nederland had; of -c. gedurende vijf jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de Wet in Nederland had. - -#### Paragraaf 3. Intrekking en wijziging +**2.** De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt niet afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering. ### Artikel 3.95 -**1.** +**1.** Behoudens overeenkomstige toepassing van artikel 3.87 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet op grond van artikel 21, eerste lid, onder c, van de Wet slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlands equivalent daarvan, is opgelegd, en de duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde en vijfde lid. -De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet met toepassing van artikel 22, eerste lid, onder a, van de Wet ingetrokken, indien de vreemdeling: - -a. niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst; -b. aantoont dat hij langer dan zes jaar voor studie verblijft in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; of -c. aantoont dat hij, in geval van verblijf gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of meer buiten het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gedurende die periode op het grondgebied heeft verbleven van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, dan wel de Zwitserse Bondsstaat, tenzij hij langer dan zes jaar afwezig is geweest van het Nederlands grondgebied; -d. voormalig houder van een Europese blauwe kaart is, dan wel het gezinslid van een voormalig houder van een Europese blauwe kaart is, en niet langer dan een aaneengesloten periode van 24 maanden heeft verbleven buiten het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, dan wel van de Zwitserse Bondsstaat. - -**2.** Indien de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, op frauduleuze wijze is verkregen, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op de in artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond, tenzij sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken, in welk geval de verblijfsvergunning wordt gewijzigd, indien daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene» was gesteld. - -**3.** De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid. Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing. - -**4.** Onze Minister houdt bij de toepassing van het derde lid mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat. - -**5.** Bij de toepassing van het derde lid houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst. - -**6.** Indien de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, overeenkomstig het derde lid niet leidt tot verwijdering, wordt de verblijfsvergunning gewijzigd, in geval daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene» was gesteld, door die aantekening te vervangen door de aantekening «II». - -**7.** - -Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid, aanhef en onder d, slechts van toepassing is, indien de vreemdeling het in dat onderdeel bedoelde grondgebied heeft verlaten om in het land van herkomst: - -a. arbeid in loondienst of als zelfstandige, dan wel vrijwilligerswerk te verrichten; -b. een studie te volgen. +**2.** Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het dertiende en veertiende lid. ### Artikel 3.96 -Vervallen +De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet afgewezen op de in artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, verlenging of wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. ### Artikel 3.96a -**1.** De aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt afgewezen, indien de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, niet heeft behaald. +**1.** De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt afgewezen, indien de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, niet heeft behaald. **2.** @@ -2013,13 +1953,17 @@ h. meerderjarig is, in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artik **5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder e, en derde lid. +#### Paragraaf 3. Intrekking + ### Artikel 3.97 -Vervallen +De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet ingetrokken op de in artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken. ### Artikel 3.98 -Vervallen +**1.** De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlands equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid. + +**2.** De artikelen 3.86 en 3.87 zijn van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling 4. Procedurele bepalingen @@ -2117,7 +2061,7 @@ Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag, wijzi ### Artikel 3.101 -**1.** De aanvraag, bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet, wordt ingediend op een door Onze Minister aan te wijzen plaats. +**1.** Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 14, 20 en 45a, van de Wet, wordt ingediend op een door Onze Minister aan te wijzen plaats. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. @@ -2150,15 +2094,26 @@ De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanv ### Artikel 3.103a -**1.** Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ter uitvoering van artikel 8 van de Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. Indien Onze Minister aan die houder ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van deze richtlijn een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent, doet hij daarvan eveneens mededeling aan die autoriteiten. +**1.** Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te trekken of niet te verlengen. -**3.** Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling, die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen partij is bij het Verdrag, bedoeld in het eerste lid, raadpleegt hij de autoriteiten van de andere staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting. +**3.** Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen lidstaat is van de Europese Unie, raadpleegt hij de autoriteiten van de staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting. -**4.** Indien Onze Minister beslist op een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart ten behoeve van een vreemdeling die door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie reeds in het bezit is gesteld van een Europese blauwe kaart, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die andere staat. +**4.** Indien Onze Minister beslist op een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart ten behoeve van een vreemdeling die door een andere lidstaat van de Europese Unie reeds in het bezit is gesteld van een Europese blauwe kaart, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. -**5.** Onze Minister vormt het contactpunt dat door een staat als bedoeld in het eerste en vierde lid kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de in het eerste en vierde lid bedoelde richtlijn, en is verantwoordelijk voor het ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de voorgaande leden. +### Artikel 3.103aa + +**1.** Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet of afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan van een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, met de aantekening dat die staat de vreemdeling internationale bescherming heeft verleend, verzoekt Onze Minister die staat te bevestigen of de vreemdeling aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. In het bevestigend geval zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat, onverminderd het toepasselijke Unierecht en het beginsel van de eenheid van het gezin. + +**2.** In afwijking van het eerste lid en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen, kan Onze Minister de langdurig ingezetene uitzetten naar een andere staat dan de lidstaat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b. + +**3.** + +Indien de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, van een vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de aantekening bevat dat die staat verantwoordelijk is voor de internationale bescherming van de vreemdeling, is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur ervan is afgewezen, op grond dat de vreemdeling een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt, kan de vreemdeling, onverminderd de terugnameverplichting van de andere lidstaat en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen slechts van het grondgebied van de Europese Unie worden verwijderd, indien: + +a. de internationale bescherming inmiddels is ingetrokken, of +b. is voldaan aan artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b. ### Artikel 3.103b @@ -2172,15 +2127,13 @@ De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanv ### Artikel 3.104 -**1.** De beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 en 20 van de Wet, geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt bekendgemaakt door uitreiking van het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet, waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a onderscheidenlijk onder b, van de Wet blijkt, tenzij dit om technische redenen, verband houdend met het aanmaken van het document, niet mogelijk is. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking. +**1.** De beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder a of b, van de Wet, geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt bekendgemaakt door uitreiking van het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet, waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a onderscheidenlijk onder b, van de Wet blijkt, tenzij dit om technische redenen, verband houdend met het aanmaken van het document, niet mogelijk is. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking. **2.** Indien de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, in aanmerking komt voor meer dan één verblijfsdocument wordt één document uitgereikt en worden de overige beschikkingen bekendgemaakt door het stellen van een aantekening op dat document. **3.** De beschikking ten aanzien van een zich in het buitenland bevindende vreemdeling, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt bekendgemaakt na zijn aankomst in Nederland. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing. -**4.** De beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 of 20 van de Wet, wordt bekend gemaakt door toezending naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking. - -**5.** Bij de bekendmaking van de beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt de aanvrager meegedeeld welke rechten en plichten hij heeft krachtens de Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16). +**4.** De beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder a of b, van de Wet, wordt bekend gemaakt door toezending naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking. ### Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel @@ -2287,7 +2240,7 @@ d. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien ### Artikel 3.107a -**1.** De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33 van de Wet, wordt afgewezen indien de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, niet heeft behaald. +**1.** De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet, wordt afgewezen indien de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, niet heeft behaald. **2.** @@ -2309,7 +2262,7 @@ e. op grond van artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Wet inburgering of d ### Artikel 3.108 -**1.** De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, wordt door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend op een door Onze Minister te bepalen plaats. +**1.** De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder c en d, van de Wet, wordt door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend op een door Onze Minister te bepalen plaats. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. @@ -2437,8 +2390,8 @@ Het schriftelijke voornemen om: a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen indien de termijnen, bedoeld in de artikelen 3.112, eerste en derde lid, 3.113, tweede en derde lid, of 3.114, eerste en zesde lid, dan wel de op grond van artikel 3.115, eerste lid, verlengde termijn, zijn overschreden; b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen; -c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet, af te wijzen, of -d. de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, in te trekken, wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. +c. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet, af te wijzen, of +d. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder c en d, van de Wet, in te trekken, wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. **2.** @@ -2481,7 +2434,7 @@ Indien Onze Minister voornemens is om: a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen na ommekomst van de in artikel 3.110, eerste of tweede lid, genoemde termijn; b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen, of -c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet, af te wijzen, terwijl de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6, 6a, 59 of 59a van de Wet en de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe uitgereikt of toegezonden. +c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet, af te wijzen, terwijl de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6, 6a, 59 of 59a van de Wet en de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe uitgereikt of toegezonden. **2.** De artikelen 3.117, vijfde tot en met zevende lid, en 3.116, vijfde en zesde lid, zijn van toepassing. @@ -2582,10 +2535,107 @@ b. het stellen van aantekeningen in het dossier van de vreemdeling ingeval van i ### Artikel 3.123 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Ingeval Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet verleent aan een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt verzocht aan die lidstaat om een aantekening inzake internationale bescherming op te nemen dan wel te wijzigen inhoudend dat Nederland internationale bescherming heeft verleend en de datum waarop. ### Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene +#### Paragraaf 1. Verlening + +### Artikel 3.124 + +**1.** + +De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a van de Wet wordt niet op grond van artikel 45b, tweede lid, onder a, van de Wet afgewezen om reden dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e of l, van de Wet niet vijf jaren aaneensluitend is geweest, indien: + +a. de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die: + +1°. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a toe en met e of l, van de Wet, heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of +2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is; +b. de vreemdeling niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. + +**2.** + +De aanvraag wordt niet op grond van artikel 45b, tweede lid, onder a of b, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling: + +a. buiten Nederland heeft verbleven in verband met beroepsmatige detachering in een andere lidstaat van de Europese Unie; +b. als langdurig ingezetene houder is geweest van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a van de Wet en die vergunning heeft verloren wegens: + +1°. verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere lidstaat van de Europese Unie, zonder in die staat de status van EU-langdurig ingezetene te hebben verworven, indien de aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat, +2°. verblijf buiten het grondgebied van de Europese Unie gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies, of +3°. verwerving van de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies; +c. vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van de Europese Unie verblijft als houder van een Europese blauwe kaart, onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag ten minste achttien achtereenvolgende maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat van de Europese Unie en ten minste twee achtereenvolgende jaren direct voorafgaande aan de aanvraag als houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart in Nederland heeft verbleven, waarbij perioden van afwezigheid van het grondgebied van de Europese Unie geen onderbreking vormen van de termijn van vijf jaar, indien zij minder dan twaalf achtereenvolgende maanden beslaan en niet langer dan achttien maanden hebben geduurd; +d. als houder van een Europese blauwe kaart in de periode van vijf jaar niet langer dan twaalf achtereenvolgende maanden en in totaal niet langer dan achttien maanden buiten Nederland heeft verbleven. + +**3.** In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar buiten beschouwing gelaten het gedeelte van het verblijf buiten Nederland, dat tien maanden in totaal of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland zes maanden te boven gaat. + +### Artikel 3.125 + +**1.** Voor de toepassing van artikel 45b, tweede lid, onder c, van de Wet, zijn de artikelen 3.73, 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, en 3.75 van overeenkomstige toepassing. + +**2.** Behoudens overeenkomstige toepassing van artikel 3.87, kan de aanvraag slechts op grond van artikel 45b, tweede lid, onder d, van de Wet worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid. Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing. + +**3.** Bij de toepassing van het tweede lid houdt Onze Minister mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat en het bestaan van banden met Nederland. + +### Artikel 3.126 + +Op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a van de Wet is artikel 3.96a van overeenkomstige toepassing. + +#### Paragraaf 2. Intrekking + +### Artikel 3.127 + +**1.** + +De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet, wordt niet met toepassing van artikel 45d, eerste lid, onder a, van de Wet ingetrokken, indien de vreemdeling: + +a. niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst; +b. aantoont dat hij langer dan zes jaar voor studie verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie; of +c. aantoont dat hij, in geval van verblijf gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of meer buiten het grondgebied van de Europese Unie, gedurende die periode in het Schengengebied heeft verbleven, tenzij hij langer dan zes jaar afwezig is geweest van het Nederlands grondgebied; +d. voormalig houder van een Europese blauwe kaart is, dan wel het gezinslid van een voormalig houder van een Europese blauwe kaart is, en niet langer dan een aaneengesloten periode van 24 maanden heeft verbleven buiten het Schengengebied. + +**2.** + +Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a, van de Wet, op frauduleuze wijze is verkregen, wordt de vergunning ingetrokken op de in artikel 45d, derde lid, onder b, van de Wet genoemde grond. Indien sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken kan, onder intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, ingeval: + +a. op het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet, van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, geen aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst, ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet worden verleend, en, +b. op het document, bedoeld onder a, van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend wel een aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst, ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet worden verleend. + +**3.** De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet, kan met toepassing van artikel 45d, eerste lid, onder b, van de Wet worden ingetrokken op grond dat de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid. De artikelen 3.86 en 3.87 zijn van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Indien de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet, overeenkomstig het derde lid, niet leidt tot uitzetting, kan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet worden verleend ingeval op het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet, van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, geen aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst. + +**5.** Indien de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet, overeenkomstig het derde lid, niet leidt tot uitzetting, kan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet worden verleend ingeval op het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet, van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wel een aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst. + +### Artikel 3.128 + +**1.** Ingeval bij de toepassing van artikel 45d, eerste lid, onder b, van de Wet een andere lidstaat van de Europese Unie heeft bevestigd dat de vreemdeling nog steeds in die staat internationale bescherming geniet, zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat. + +**2.** In afwijking van het eerste lid en met inachtneming van de voor Nederland geldende internationale verplichtingen kan Onze Minister de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, uitzetten naar een andere staat dan de staat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b. + +**3.** Bij de verwijdering in de gevallen, bedoeld in het tweede lid en artikel 3.103aa, derde lid, onder a dan wel b, wordt het beginsel geëerbiedigd van non-refoulement, met inachtneming van de voor Nederland geldende internationale verplichtingen. + +#### Paragraaf 3. Procedurele bepalingen + +### Artikel 3.129 + +**1.** Voordat Onze Minister een aantekening krachtens artikel 45c, tweede lid, van de Wet plaatst, vraagt Onze Minister aan de eerste lidstaat van verblijf van de langdurig ingezetene of de vreemdeling nog steeds internationale bescherming geniet. + +**2.** Onze Minister beantwoordt binnen één maand de vraag van een andere lidstaat van de Europese Unie of een houder van een door Onze Minister verschaft document als bedoeld in artikel 9 van de Wet waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt met de aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet nog steeds internationale bescherming geniet. + +**3.** Ingeval Onze Minister een verzoek om wijziging ontvangt van een andere lidstaat van de Europese Unie met betrekking tot een door Onze Minister afgegeven document als bedoeld in artikel 9 van de Wet waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt en daarop geen aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst, teneinde daarop een aantekening krachtens artikel 45c, tweede lid, van de Wet te plaatsen, wordt uiterlijk drie maanden een nieuw document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet afgegeven, voorzien van die aantekening. + +**4.** Ingeval Onze Minister een verzoek ontvangt van een andere lidstaat van de Europese Unie met betrekking tot een door Onze Minister verschaft document waaruit een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt waarop een aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst, teneinde deze aantekening te wijzigen, wordt binnen drie maanden een nieuw document verschaft, voorzien van een dienovereenkomstig gewijzigde aantekening. + +**5.** Ingeval Onze Minister, nadat hij een document als bedoeld in artikel 9 van de Wet heeft verschaft waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt met daarop een krachtens artikel 45c, tweede lid, van de Wet geplaatste of gewijzigde aantekening, de verantwoordelijkheid voor de internationale bescherming van de houder ervan heeft overgenomen, verschaft hij die houder binnen drie maanden een nieuw document als bedoeld in artikel 9 van de Wet, waaruit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen blijkt en waarop een aantekening krachtens artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst. + +### Artikel 3.130 + +**1.** Bij de bekendmaking van de beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag om verlening van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet, wordt de aanvrager meegedeeld welke rechten en plichten hij heeft krachtens de richtlijn langdurig ingezetenen. + +**2.** Indien Onze Minister een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent aan een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. + +**3.** Onze Minister vormt het contactpunt dat door een andere lidstaat van de Europese Unie kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de richtlijn langdurig ingezetenen en de richtlijn 2009/50/EG, en is verantwoordelijk voor het door Nederland ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de artikelen 3.103a, 3.103aa, eerste lid, 3.123 en 3.129. + ## Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering ### Afdeling 1. Grensbewaking @@ -3175,7 +3225,7 @@ De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eer a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden. -**2.** De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Wet en houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie anders dan om redenen van veiligheid. +**2.** De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Wet en houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie anders dan om redenen van veiligheid. **3.** De maatregel wordt evenmin opgelegd aan een houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart anders dan om redenen van veiligheid. @@ -3349,7 +3399,7 @@ a. die kosten ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Wet op een vervoersondern b. die kosten zijn gemaakt een jaar of langer nadat het referentschap is geëindigd; c. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling in Nederland een ander als referent optreedt; d. de verblijfsvergunning van de vreemdeling is gewijzigd; -e. de vreemdeling in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20; +e. de vreemdeling in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b; f. de vreemdeling Nederlander wordt of krachtens enige wet als Nederlander moet worden behandeld; g. de vreemdeling is overleden. @@ -3599,7 +3649,7 @@ b. niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. **3.** -In afwijking van artikel 21, eerste en tweede lid, van de Wet, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, ingediend door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid die nog niet gedurende een tijdvak van vijf jaren rechtmatig verblijf heeft gehad, slechts afgewezen, indien hij: +In afwijking van artikel 21, eerste en zesde lid, van de Wet, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, ingediend door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid die nog niet gedurende een tijdvak van vijf jaren rechtmatig verblijf heeft gehad, slechts afgewezen, indien hij: a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.