2010-01-01 | BWBR0012066 | Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
This commit is contained in:
parent
ed77240f66
commit
e6dc2a1006
1 changed files with 116 additions and 7 deletions
|
|
@ -14,7 +14,7 @@ citeertitel: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
|
|||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
**1.** Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.64, 3.83, 3.126, 3.126a, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.1, 6.16, 6.17, 6.25, 7.6, 9.2, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
**1.** Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.64, 3.83, 3.126, 3.126a, 3.127, 4.25, 5.7, 5.20, 5.22, 5.23, 6.1, 6.16, 6.17, 6.25, 7.6, 9.2, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
**2.** Dit besluit verstaat onder wet: de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
|
|
@ -159,7 +159,10 @@ b. de volgende provinciale regelingen die in overeenstemming zijn met verordenin
|
|||
2°. wat betreft de provincie Noord-Brabant: de Verordening subsidies kwaliteits- en structuurverbetering Landelijk Gebied provincie Noord-Brabant 2001 (provinciaal blad 2001, nr. 58); de Subsidieregeling Verplaatsingskosten Veehouderij 2005 (provinciaal blad 2005, nr. 131);
|
||||
3°. wat betreft de provincie Utrecht: de Subsidieverordening verplaatsing intensieve veehouderij provincie Utrecht 2005 (provinciaal blad 2006, nr. 6);
|
||||
4°. wat betreft de provincie Gelderland: de Subsidieregeling Verplaatsing intensieve veehouderijen Gelderland (provinciaal blad 2005, nr. 542);
|
||||
5°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2005 (provinciaal blad 2005, nr. 82); de Beleidsregel Verplaatsing intensieve veehouderijen Overijssel 2005 (provinciaal blad 2006, nr. 85).
|
||||
5°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2005 (provinciaal blad 2005, nr. 82); de Beleidsregel Verplaatsing intensieve veehouderijen Overijssel 2005 (provinciaal blad 2006, nr. 85);
|
||||
6°. wat betreft de provincie Friesland: Kadersubsidieverordening pMJP Fryslân 2009 (provinciaal blad 2009, nr. 20); Subsidieverordening pMJP Fryslân 2009, hoofdstuk 1.1.3. Subsidie agrarische bedrijfsverplaatsing en daaraan gerelateerde investeringskosten (provinciaal blad 2009, nr. 48);
|
||||
7°. wat betreft de provincie Groningen: Programma landelijk gebied PMJP 2007-2013 Groningen, deel 3. Kader voor subsidies en overeenkomsten, paragraaf 9.3. Regeling bedrijfshervestiging en beëindiging (provinciaal blad 2007, nr. 36);
|
||||
8°. wat betreft de provincie Drenthe: Provinciaal Meerjarenprogramma Drenthe, deel 3. Subsidiegids, hoofdstuk 2. Subsidies voor natuur, paragraaf 2.1. Realisatie natuur binnen de EHS, Subparagrafen Verwerving EHS en Agrarische bedrijfsverplaatsingen (provinciaal blad 2007, nr. 44).
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
|
|
@ -171,7 +174,7 @@ De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenr
|
|||
|
||||
**2.** Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van pensioenaanspraken van tenminste 100 deelnemers of gewezen deelnemers en dat in aanvulling op of ter voortzetting van die pensioenaanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland lijfrenteovereenkomsten sluit.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in artikel 3.124 van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
|
||||
**3.** Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in artikel 3.124 van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
|
||||
|
||||
**4.** De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding.
|
||||
|
||||
|
|
@ -185,7 +188,7 @@ De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenr
|
|||
|
||||
**1.** Als een onderneming of instelling die bevoegd als kredietinstelling of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden lijfrentespaarrekeningen, onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde lijfrentebeleggingsrechten, bedoeld in artikel 3.126a van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de overeenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
|
||||
**2.** Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden lijfrentespaarrekeningen, onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde lijfrentebeleggingsrechten, bedoeld in artikel 3.126a van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de overeenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
|
||||
|
||||
**3.** De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk van de aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding.
|
||||
|
||||
|
|
@ -220,6 +223,62 @@ Ingeval het pensioen op grond van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangs
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien een belastingplichtige krachtens een in het derde lid omschreven titel aandelen of winstbewijzen verkrijgt van een niet in Nederland wonend natuurlijk persoon en eerder ter zake van die aandelen of winstbewijzen een conserverende aanslag is opgelegd waarvoor nog uitstel van betaling loopt, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen gesteld op de overdrachtsprijs van die aandelen of winstbewijzen waarvan is uitgegaan voor die conserverende aanslag,
|
||||
|
||||
verminderd met:
|
||||
|
||||
a. vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende aanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
|
||||
b. vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende aanslag, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en
|
||||
c. de reguliere voordelen die ingevolge artikel 4.12a van de wet niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt,
|
||||
|
||||
en vermeerderd met:
|
||||
d. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 7.3 van de wet genoot, voor zover blijkt dat die persoon hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, en
|
||||
e. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel d,
|
||||
|
||||
en verminderd met:
|
||||
f. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van de aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ingeval aan de in het eerste lid bedoelde verkrijging meerdere gebeurtenissen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende aanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van het eerste lid als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste gebeurtenis. Ter bepaling van de verkrijgingsprijs wordt deze overdrachtsprijs,
|
||||
|
||||
verminderd met:
|
||||
|
||||
a. vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende aanslagen voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
|
||||
b. vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende aanslagen, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en
|
||||
c. de reguliere voordelen die ingevolge artikel 4.12a van de wet niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt,
|
||||
|
||||
en vermeerderd met:
|
||||
d. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 7.3 van de wet hebben genoten, voor zover blijkt dat die personen hierover een naar het inkomen geheven belasting hebben betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, en
|
||||
e. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig waren, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel d,
|
||||
|
||||
en verminderd met:
|
||||
f. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van het aanmerkelijk belang niet in Nederland belastingplichtig waren, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een in het eerste bedoelde titel betreft:
|
||||
|
||||
a. een overgang onder algemene titel;
|
||||
b. een overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel;
|
||||
c. een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, of
|
||||
d. een overdracht krachtens schenking.
|
||||
|
||||
**4.** Ingeval het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de in dat lid bedoelde conserverende aanslag door de inspecteur verminderd met het bedrag van de belasting waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 ter zake van de aldaar bedoelde aandelen of winstbewijzen nog uitstel van betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering is artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing. Ingeval het eerste lid in verbinding met het tweede lid toepassing heeft gevonden, vindt de eerste en tweede volzin toepassing met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde conserverende aanslagen.
|
||||
|
||||
**5.** Ingeval het uitstel van betaling op grond van artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt voortgezet in situaties waarin aandelen of winstbewijzen die aan het verleende uitstel ten grondslag liggen zijn vervangen door andere aandelen of winstbewijzen, worden die andere aandelen of winstbewijzen geacht aan de conserverende aanslag ten grondslag te liggen en wordt de overdrachtsprijs van die andere aandelen of winstbewijzen gelijk te zijn aan de overdrachtsprijs van de aandelen of winstbewijzen die zijn vervangen.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikel wordt:
|
||||
|
||||
a. met artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
|
||||
b. met artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, derde lid aanhef en onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 26, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen luidden op 10 maart 2004, onderscheidenlijk 31 december 2000.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** Indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en de vennootschap waarop het belang betrekking heeft in Nederland is gevestigd, de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of artikel 7.5, zevende lid, van de wet met betrekking tot dat belang is toegepast, wordt de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21 van de wet, en vervolgens vermeerderd of verminderd zoals in de volgende leden is aangegeven.
|
||||
|
|
@ -240,11 +299,30 @@ Ingeval het pensioen op grond van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangs
|
|||
|
||||
**9.** Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap heeft en artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet ten aanzien van dat belang krachtens artikel 4.18 van de wet niet is toegepast toen hij Nederland verliet, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen in afwijking van de voorgaande leden gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de belastingplichtige weer in Nederland is gaan wonen.
|
||||
|
||||
**10.** Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft dat hij onder algemene titel of krachtens erfrecht onder bijzondere titel heeft verkregen in een periode dat hij niet in Nederland woonachtig was en ten aanzien van degene van wie het aanmerkelijk belang is verkregen ter zake van de vervreemding daarvan krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet verminderd met vier maal het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt en vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend. Ten aanzien van degene van wie het aanmerkelijk belang is verkregen, wordt de aanslag over het jaar waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt, verminderd met het bedrag van de belasting waarvoor met betrekking tot dat belang nog uitstel van betaling loopt.
|
||||
**10.**
|
||||
|
||||
Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en daartoe aandelen of winstbewijzen behoren die hij krachtens huwelijksvermogensrecht, erfrecht, de verdeling van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap, of gift heeft verkregen in een periode dat hij niet in Nederland woonachtig was en ten aanzien van degene van wie hij de aandelen of winstbewijzen heeft verkregen ter zake van deze overgang een conserverende aanslag is opgelegd waarvoor op het tijdstip dat de belastingplichtige in Nederland gaat wonen nog uitstel van betaling loopt, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen gesteld op de overdrachtsprijs van die aandelen of winstbewijzen waarvan is uitgegaan voor die conserverende aanslag,
|
||||
|
||||
verminderd met:
|
||||
|
||||
a. vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende aanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft;
|
||||
b. vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende aanslag, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, en
|
||||
c. de reguliere voordelen die ingevolge artikel 4.12a van de wet niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft,
|
||||
|
||||
en vermeerderd met:
|
||||
d. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen in de periode dat de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 7.3 van de wet genoot, voor zover blijkt dat de belastingplichtige hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, en
|
||||
e. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel d,
|
||||
|
||||
en verminderd met:
|
||||
f. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
|
||||
|
||||
Ingeval aan de in de eerste volzin lid bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende aanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige toepassing van artikel 15a, tweede lid, de verminderingen en vermeerderingen van de eerste volzin toegepast.
|
||||
|
||||
Artikel 15a, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**11.** Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag, waarbij deze vermindering kan leiden tot een negatieve verkrijgingsprijs; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs van de belastingplichtige van die aandelen of winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op het tijdstip van die verkrijging.
|
||||
|
||||
**12.** Voor de toepassing van het eerste tot en met het elfde lid worden met de artikelen 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.5, zevende lid, en 4.18 van de wet achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 20a, zesde lid, onderdeel i, 49, vijfde lid, en 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000. Met de artikelen 25, achtste lid, en 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 worden achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 25, zesde lid, en 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000.
|
||||
**12.** Voor de toepassing van het eerste tot en met het elfde lid worden met de artikelen 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.5, zevende lid, en 4.18 van de wet achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 20a, zesde lid, onderdeel i, 49, vijfde lid, en 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000. Met artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt gelijkgesteld artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000. Met artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 worden gelijkgesteld artikel 26, derde lid, aanhef en onderdeel a, en artikel 26, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen achtereenvolgens luidden op 10 maart 2004, respectievelijk 31 december 2000.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (
|
||||
|
||||
|
|
@ -252,6 +330,35 @@ Ingeval het pensioen op grond van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangs
|
|||
|
||||
Onder natuurterreinen als bedoeld in artikel 5.7 van de wet worden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen landbouwgronden zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a
|
||||
|
||||
**1.** De waarde, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, van de wet, wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste en tweede lid, van de wet, in aanmerking te nemen waarde (WOZ-waarde) vermenigvuldigd met de leegwaarderatio.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij een voor het enkele gebruik van de woning verschuldigde jaarlijkse huur als percentage van de WOZ-waarde van:
|
||||
|
||||
| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de leegwaarderatio |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| 0% | 1,0% | 60% |
|
||||
| 1,0% | 1,5% | 64% |
|
||||
| 1,5% | 2,0% | 68% |
|
||||
| 2,0% | 2,5% | 72% |
|
||||
| 2,5% | 3,0% | 75% |
|
||||
| 3,0% | 3,5% | 79% |
|
||||
| 3,5% | 4,0% | 82% |
|
||||
| 4,0% | – | 85% |
|
||||
|
||||
**3.** De jaarlijkse huur, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op twaalf maal de maandelijkse huur, zoals die geldt aan het begin van de verhuurperiode in het kalenderjaar. Indien de huurprijs zoals die tussen gelieerde partijen is overeengekomen zodanig is dat deze tussen willekeurige derden niet overeengekomen zou zijn, wordt de huurprijs voor de toepassing van het tweede lid gesteld op 3,5% van de WOZ-waarde.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de woning een gedeelte van een gebouwd eigendom is als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken, en niet als een afzonderlijke zaak vervreemd kan worden, bedraagt de leegwaarderatio 60%.
|
||||
|
||||
**5.** Indien van een woning een gedeelte verhuurd is, wordt slechts de WOZ-waarde van dat deel vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. Indien de WOZ-waarde van dat deel niet is vastgesteld, wordt deze bepaald door de totale WOZ-waarde van de woning te vermenigvuldigen met de verhuurde vierkante meters en te delen door de totale oppervlakte van de woning.
|
||||
|
||||
### Artikel 17b
|
||||
|
||||
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, van de wet wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** De waarde van een genotsrecht als bedoeld in artikel 5.22, derde lid, van de wet wordt gesteld op het overeenkomstig artikel 19 tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
|
||||
|
|
@ -373,7 +480,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Indien op grond van artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige kwijtschelding van belasting ter zake van belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verleend, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag aan belasting.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt met artikel 26, tweede en vierde lid, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2001.
|
||||
**2.** Indien ter zake van de vervreemding van aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan bedoelde aandelen of winstbewijzen. De eerste volzin is ook van toepassing indien het betreft een kwijtschelding van een conserverende aanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 is voortgezet bij de vervreemding aan de belastingplichtige.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden met artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, derde lid, en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen achtereenvolgens luidden op 10 maart 2004, respectievelijk 31 december 2000.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing (
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue