2024-04-17 | BWBR0045555 | Besluit inburgering 2021

This commit is contained in:
Coornhert 2024-04-17 12:00:00 +00:00
parent 4c51c492d9
commit e7e3ae1db8

View file

@ -52,23 +52,22 @@ c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste l
Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:
a. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;
b. verblijf als vermogende vreemdeling;
c. arbeid als zelfstandige;
d. arbeid als kennismigrant;
e. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU 2009, L 155);
f. seizoenarbeid;
g. overplaatsing binnen een onderneming;
h. arbeid in loondienst;
i. grensoverschrijdende dienstverlening;
j. onderzoek in de zin van Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PbEU 2016, L132);
k. lerend werken;
l. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
m. studie;
n. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
o. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
p. medische behandeling;
q. tijdelijke humanitaire gronden;
r. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
b. arbeid als zelfstandige;
c. arbeid als kennismigrant;
d. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU 2009, L 155);
e. seizoenarbeid;
f. overplaatsing binnen een onderneming;
g. arbeid in loondienst;
h. grensoverschrijdende dienstverlening;
i. onderzoek in de zin van Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PbEU 2016, L132);
j. lerend werken;
k. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
l. studie;
m. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
n. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
o. medische behandeling;
p. tijdelijke humanitaire gronden;
q. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
**2.** Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald.
@ -525,21 +524,6 @@ d. het afleggen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, v
**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.
### Artikel 6.2a
**1.** Artikel 6.2, eerste lid, is niet van toepassing op de persoon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000.
**2.**
Aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, kan op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000 worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:
a. Het afleggen van de examenonderdelen mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, op ten minste het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen;
b. Het afleggen van het examenonderdeel Kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
c. Het afleggen van het examenonderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering; of
d. Het volgen van een alfabetiseringscursus, een inburgeringscursus, of een cursus Nederlands als tweede taal, ter voorbereiding van de examenonderdelen, genoemd in de onderdelen a tot en met c, bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet;
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
### Artikel 6.3
**1.** De inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 19, van de wet heeft, behoudens het bepaalde in artikel 20, tweede lid, van de wet, aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in artikel 11 van de wet, gedurende de verlengde termijn bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet en gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in de artikelen 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van de wet. Een persoon als bedoeld in artikel 6.1 heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt.