2006-04-29 | BWBR0011825 | Vreemdelingenbesluit 2000
This commit is contained in:
parent
8c4d889890
commit
e867cbe279
1 changed files with 291 additions and 78 deletions
|
|
@ -69,9 +69,7 @@ Ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar buitengr
|
|||
|
||||
### Artikel 1.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister wint omtrent een te nemen beslissing op bezwaar of administratief beroep advies in van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, die optreedt als commissie in de zin van artikel 7:13 onderscheidenlijk artikel 7:19 van de Algemene wet bestuursrecht, indien bij de bestreden beschikking de toegang tot Nederland aan een gemeenschapsonderdaan wordt geweigerd, dan wel wordt vastgesteld dat een gemeenschapsonderdaan geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet toekomt, dan wel dat dit is geëindigd, op grond van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid als bedoeld in richtlijn (EG) nr. 64/221 van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PbEG 1964, 056).
|
||||
|
||||
**2.** De Adviescommissie voor vreemdelingenzaken adviseert binnen acht weken, tenzij Onze Minister een andere termijn stelt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Inrichting en werkwijze
|
||||
|
||||
|
|
@ -89,27 +87,15 @@ De commissie kan haar werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde als
|
|||
|
||||
### Artikel 1.8
|
||||
|
||||
**1.** Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van artikel 7:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is artikel 7:13, vijfde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing op de in artikel 1.9, derde lid, bedoelde vertegenwoordiger van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de commissie optreedt als adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist Onze Minister over de toepassing van artikel 7:3 van die wet.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.9
|
||||
|
||||
**1.** In de gevallen waarin overeenkomstig artikel 1.5 advies van de commissie wordt ingewonnen, deelt de commissie de vreemdeling mee dat de zaak aan haar is voorgelegd. Bij deze kennisgeving wordt vermeld dat de commissie de vreemdeling in de gelegenheid zal stellen zijn belangen bij haar te bepleiten en dat hij, indien hij van deze gelegenheid gebruik wil maken, dit binnen een in de kennisgeving te stellen termijn aan de commissie dient te berichten.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde kennisgeving vermeldt voorts dat de vreemdeling en, zo hij die heeft, zijn raadsman de commissie kunnen verzoeken, bepaalde personen uit te nodigen als getuige of deskundige verklaringen voor haar af te leggen dan wel als tolk op te treden.
|
||||
|
||||
**3.** De commissie stelt een door Onze Minister als zijn vertegenwoordiger aangewezen ambtenaar tijdig in de gelegenheid kennis te nemen van op de zaak betrekking hebbende stukken.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
**1.** De commissie stelt subcommissies in die namens de commissie kunnen optreden bij de vervulling van haar taak, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet. Adviezen, bedoeld in artikel 1.5, worden door een zodanige subcommissie vastgesteld, tenzij de voorzitter van de commissie of de subcommissie beslist dat een advies wordt vastgesteld door de commissie.
|
||||
|
||||
**2.** Een overeenkomstig het eerste lid ingestelde subcommissie bestaat uit drie leden. De commissie bepaalt welke leden der subcommissie als voorzitter onderscheidenlijk ondervoorzitter optreden en wijst uit haar midden voor elke subcommissie een aantal plaatsvervangende leden aan.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 1.7 tot en met 1.9 zijn ten aanzien van subcommissies van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de geldigheid van een beslissing van een overeenkomstig het eerste lid ingestelde subcommissie is vereist, dat door de voltallige subcommissie aan de besluitvorming is deelgenomen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Toegang
|
||||
|
||||
|
|
@ -236,7 +222,7 @@ b. de vreemdeling in het opsporingsregister of het Schengen Informatiesysteem te
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien Onze Minister op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen een afwijking noodzakelijk acht.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet. Op deze vreemdeling is artikel 8.7 van toepassing.
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, en het familielid, bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid. Op deze vreemdelingen is artikel 8.8 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf
|
||||
|
||||
|
|
@ -246,7 +232,7 @@ b. de vreemdeling in het opsporingsregister of het Schengen Informatiesysteem te
|
|||
|
||||
**2.** Onder middelen worden in ieder geval verstaan geldelijke middelen alsmede vervoersbewijzen.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e of l, van de Wet.
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, het familielid, bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -262,7 +248,7 @@ c. een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt.
|
|||
|
||||
**3.** Het model van de garantverklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet.
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, het familielid, bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Verblijf
|
||||
|
||||
|
|
@ -319,12 +305,9 @@ De termijn gedurende welke het aan vreemdelingen krachtens artikel 12 van de Wet
|
|||
a. voor houders van een doorreisvisum en voor vreemdelingen aan wie uitsluitend voor doorreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven: de tijd welke voor de voortzetting van hun reis noodzakelijk is;
|
||||
b. voor houders van een doorreisvisum met bevoegdheid tot oponthoud of van een reisvisum: de duur waarvoor het visum is afgegeven of verlengd dan wel, voorzover het een visum voor meer reizen betreft, de in het visum aangegeven duur waarvoor ononderbroken verblijf is toegestaan;
|
||||
c. voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen: drie maanden;
|
||||
d. voor gemeenschapsonderdanen, onderdanen van Zwitserland en onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: zes maanden;
|
||||
e. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
|
||||
d. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid, onder d, bedoelde termijn eindigt, zodra de betrokken onderdaan ten laste komt van de Staat of van andere openbare lichamen.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid, onder b en c, bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden in Nederland te verblijven.
|
||||
**2.** De in het eerste lid, onder b en c, bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden in Nederland te verblijven.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier
|
||||
|
||||
|
|
@ -1670,7 +1653,7 @@ c. aan te tonen over welke middelen hij met het oog op de toegang tot Nederland
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die Nederland uitreist via een buitengrens.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet.
|
||||
**3.** Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, het familielid, bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1813,7 +1796,12 @@ Indien de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee of de korpschef zijn bevoe
|
|||
Als documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen:
|
||||
|
||||
a. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling;
|
||||
b. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling;
|
||||
b. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8 onder e, van de Wet: een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart, indien zij de nationaliteit van een staat bezitten als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, of, indien zij een zodanige nationaliteit niet bezitten:
|
||||
|
||||
1°. een geldig nationaal paspoort met een voor inreis benodigd visum, indien na inreis nog geen drie maanden zijn verstreken;
|
||||
2°. een geldig nationaal paspoort met een stempel van de inreis, indien voor inreis geen visum benodigd is en na inreis nog geen drie maanden zijn verstreken;
|
||||
3°. een geldig nationaal paspoort met een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 8.13, vierde lid, indien na afgifte van de verklaring nog geen zes maanden zijn verstreken; of
|
||||
4°. een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verblijfsdocument als bedoeld in artikel 8.13, vijfde lid, dan wel artikel 8.20, eerste lid;
|
||||
c. voor vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, hebben ingediend: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling;
|
||||
d. voor vreemdelingen, anders dan bedoeld onder c, die rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f, g, h, j, of k, van de Wet hebben en die niet beschikken over een ingevolge de Wet vereist geldig document voor grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als bedoeld in artikel 4.29, derde lid, waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend;
|
||||
e. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst.
|
||||
|
|
@ -1991,7 +1979,9 @@ d. vertrek naar het buitenland, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, h
|
|||
|
||||
**4.** De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijke vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijke vertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
**5.** Van vertrek naar het buitenland wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, van de Wet, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar het buitenland verplaatst.
|
||||
**5.** De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten niet op de onderdaan van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de onderdaan van Zwitserland met verblijfsrecht van maximaal drie maanden als bedoeld in artikel 8.11.
|
||||
|
||||
**6.** Van vertrek naar het buitenland wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, van de Wet, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar het buitenland verplaatst.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
|
||||
|
||||
|
|
@ -2026,9 +2016,8 @@ Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in diens
|
|||
Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die:
|
||||
|
||||
a. houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven voor een verblijfsdoel waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan;
|
||||
b. onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland;
|
||||
c. kan aantonen dat hij naar Nederland is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst, of
|
||||
d. naar Nederland is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip.
|
||||
b. kan aantonen dat hij naar Nederland is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst, of
|
||||
c. naar Nederland is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden, tenzij de vreemdeling onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of onderdaan is van Zwitserland.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2055,7 +2044,11 @@ b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien
|
|||
|
||||
**1.** De vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond van artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van de Wet mee aan een onderzoek naar tuberculose.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid geldt niet voor onderdanen van een staat die partij is bij de Europese Gemeenschap, onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid geldt niet voor onderdanen van een staat die partij is bij de Europese Gemeenschap, onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
|
||||
|
||||
Het eerste lid is evenmin van toepassing op familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, die voor hun komst naar Nederland reeds rechtmatig verblijf hebben verkregen in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel Zwitserland en die zich vanuit die staat dan wel Zwitserland naar Nederland verplaatsen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
|
||||
|
||||
|
|
@ -2067,24 +2060,19 @@ b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien
|
|||
|
||||
**3.** Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, doet degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft de melding.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.48
|
||||
|
||||
**1.** De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder i, van de Wet en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Een verplichting tot aanmelding krachtens het voorgaande lid rust ten aanzien van de vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar op degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland;
|
||||
b. de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.49
|
||||
|
||||
De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding bij een vreemdelingendienst in Nederland, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de in deze aantekening vermelde gemeente is gelegen.
|
||||
**1.** De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding bij een vreemdelingendienst in Nederland, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de in deze aantekening vermelde gemeente is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.50
|
||||
|
||||
|
|
@ -2107,6 +2095,8 @@ b. rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder f, g of h, van de Wet.
|
|||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 7. Documenten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.52
|
||||
|
|
@ -2363,79 +2353,304 @@ b. niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
|||
|
||||
### Artikel 8.7
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:
|
||||
|
||||
a. de echtgenoot;
|
||||
b. de partner, waarmee de vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;
|
||||
c. de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner; of
|
||||
d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is voorts van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij:
|
||||
|
||||
a. in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of
|
||||
b. vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.
|
||||
|
||||
**4.** Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aan een gemeenschapsonderdaan, een vreemdeling die onderdaan is van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en een Zwitsers onderdaan, die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij:
|
||||
Aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, kan de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel volksgezondheid:
|
||||
|
||||
a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
|
||||
b. lijdt aan een van de ziekten of gebreken opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
|
||||
a. indien de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;
|
||||
b. in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen;
|
||||
c. indien hij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.
|
||||
|
||||
**2.** De ambtenaren, belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling is artikel 8.5 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.8
|
||||
|
||||
De in de artikelen 4.48, 4.49 en 4.51 omschreven verplichtingen tot aanmelding bij de korpschef gelden niet voor de gemeenschapsonderdaan en de onderdaan van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van Zwitserland.
|
||||
**4.** Een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, wordt niet uitgezet dan nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze te laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.9
|
||||
|
||||
De persoon die in het bezit is van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven reis- of identiteitspapier waarin als diens nationaliteit de Nederlandse is vermeld, wordt, ook ingeval de Nederlandse nationaliteit van die persoon zou worden betwist, de toegang tot Nederland niet geweigerd, indien hij naar Nederland terugkeert uit een staat waar hem verblijf was toegestaan ingevolge het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel ingevolge de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
|
||||
Aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en die beschikt over een geldige verblijfskaart, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een staat als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, waaruit het verblijfsrecht als familielid blijkt, wordt de toegang niet geweigerd wegens het ontbreken van een geldig visum. In het paspoort wordt geen aantekening gesteld omtrent inreis in Nederland of uitreis uit Nederland.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.10
|
||||
|
||||
De regelingen, bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet, zijn:
|
||||
|
||||
a. richtlijn nr. 68/360/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PbEG L 257);
|
||||
b. verordening nr. 1251/70/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PbEG L 142);
|
||||
c. richtlijn nr. 73/148/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PbEG L 172);
|
||||
d. richtlijn nr. 75/34/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PbEG L 14);
|
||||
e. richtlijn nr. 90/364/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PbEG L 180);
|
||||
f. richtlijn nr. 90/365/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheden hebben beëindigd (PbEG L 180);
|
||||
g. richtlijn nr. 93/96/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 oktober 1993 inzake het verblijfsrecht van studenten (PbEG L 317).
|
||||
De toegang van een persoon die in het bezit is van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven Nederlands paspoort of Nederlandse identiteitskaart, en die om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid uit een andere lidstaat is verwijderd, wordt de toegang, ook indien het document is vervallen of de Nederlandse nationaliteit van de houder wordt betwist, niet geweigerd, indien deze persoon naar Nederland terugkeert uit een staat waar hem verblijf was toegestaan ingevolge het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of ingevolge de Overeenkomst van 21 juni 1999 van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86).
|
||||
|
||||
### Artikel 8.11
|
||||
|
||||
**1.** Een gemeenschapsonderdaan ontvangt op aanvraag een bescheid als bedoeld in artikel 9 van de Wet, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Zonodig kunnen daarop voorschriften of beperkingen die volgen uit het gemeenschapsrecht worden aangetekend.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Het bescheid wordt afgegeven voor de duur van vijf jaar en wordt telkens met vijf jaren verlengd, behoudens artikel 8.12. Indien het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is vervallen, kan het bescheid worden ingenomen.
|
||||
De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis, indien hij:
|
||||
|
||||
a. beschikt over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort; of
|
||||
b. het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.
|
||||
|
||||
**2.** De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt over een geldig paspoort, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 8.11, tweede lid, wordt de duur van de termijn waarvoor het bescheid, bedoeld in artikel 9 van de Wet, wordt afgegeven, gesteld op:
|
||||
De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:
|
||||
|
||||
a. een tijdvak tenminste gelijk aan de duur van de dienstverrichting, indien de vreemdeling diensten verricht of te zijnen behoeve diensten worden verricht;
|
||||
b. een tijdvak tenminste gelijk aan de duur van de werkzaamheden, indien de vreemdeling werkzaamheden in loondienst verricht en te verwachten valt dat deze meer dan drie maanden doch minder dan een jaar bedragen;
|
||||
c. een tijdvak gelijk aan de duur van de gevolgde opleiding, dan wel één jaar indien de opleidingsduur langer is dan een jaar, indien de vreemdeling een beroepsopleiding volgt; of,
|
||||
d. een tijdvak van zes maanden indien de vreemdeling een werkzoekende is.
|
||||
a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;
|
||||
b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;
|
||||
c. is ingeschreven voor een opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, om als hoofdbezigheid een studie of beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring of een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn familieleden;
|
||||
d. een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, is van een vreemdeling als bedoeld onder a of b;
|
||||
e. de echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind is dat ten laste is van een vreemdeling als bedoeld onder c;
|
||||
f. familielid is als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, en hij in het land van herkomst ten laste is van of inwoont bij een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c;
|
||||
g. familielid is als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, en hij vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, strikt behoeft; of
|
||||
h. partner is als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, dan wel rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, is van een zodanige partner.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 8.11, tweede lid, wordt de verlenging van de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in artikel 9 van de Wet, verleend aan een gemeenschapsonderdaan die op het tijdstip van de verlenging gedurende een jaar onvrijwillig werkloos is, beperkt tot een jaar.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 8.11, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in artikel 9 van de Wet, verleend overeenkomstig het eerste lid, onder c, telkenmale verlengd met een jaar.
|
||||
Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, eindigt niet om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is:
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 8.11, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van het bescheid, bedoeld in artikel 9 van de Wet, verleend overeenkomstig het eerste lid, onder d, telkenmale verlengd met drie maanden, indien de vreemdeling aantoont dat hij nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om werk te vinden.
|
||||
a. in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval;
|
||||
b. indien hij na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige van ten minste een jaar onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende bij de Centrale Organisatie Werk en Inkomen is ingeschreven;
|
||||
c. gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat hij onvrijwillige werkloos is geworden door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij de Centrale Organisatie Werk en Inkomen is ingeschreven;
|
||||
d. indien hij een beroepsopleiding gaat volgen, die, behoudens ingeval van onvrijwillige werkloosheid, verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit.
|
||||
|
||||
**5.** Dit artikel is niet van toepassing op de geldigheidsduur van het bescheid van een gemeenschapsonderdaan die een onderdaan van België of van Luxemburg is.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat ingevolge de Wet werk en bijstand voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
|
||||
**4.** De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in artikel 8.11, eerste lid, bedoelde periode aan bij Onze Minister ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens en bescheiden die de vreemdeling bij de in het vorige lid bedoelde melding moet verstrekken of overleggen.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister verstrekt na de in het vierde lid bedoelde inschrijving onmiddellijk een verklaring van inschrijving, waarin naam en adres van de ingeschreven vreemdeling en de datum van inschrijving worden vermeld.
|
||||
|
||||
**7.** De in het vierde en vijfde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijke vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.13
|
||||
|
||||
**1.** Uitzetting van een gemeenschapsonderdaan blijft achterwege zolang niet is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of dat zijn verblijfsrecht is vervallen.
|
||||
**1.** De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c.
|
||||
|
||||
**2.** De vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland, dan wel zijn gezinslid en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt, dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, wordt niet uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd.
|
||||
**2.** De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in artikel 8.11, tweede lid, bedoelde periode aan bij Onze Minister, in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, en dient daarbij een aanvraag in tot afgifte van een verblijfsdocument.
|
||||
|
||||
**3.** Uitzetting van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling blijft achterwege zolang niet is beslist op een tijdig ingediend bezwaar tegen een beschikking als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.** Van het tweede en derde lid kan in dringende gevallen worden afgeweken.
|
||||
Bij de indiening van de aanvraag overlegt de vreemdeling:
|
||||
|
||||
a. een geldig paspoort;
|
||||
b. de verklaring van inschrijving van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie hij in Nederland verblijft;
|
||||
c. een document waaruit de familierechtelijke relatie of duurzame relatie blijkt met de vreemdeling, bedoeld onder b; en
|
||||
d. voor zover hij in Nederland verblijft als familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, onder c of d: bewijs dat hij een dergelijk familielid is;
|
||||
e. voor zover hij in Nederland verblijft als familielid als bedoeld in artikel 8.7, derde lid: een door de bevoegde instantie van het land van herkomst afgegeven verklaring dat hij ten laste komt van of inwoont bij de vreemdeling, bedoeld onder b, onderscheidenlijk bewijs van ernstige gezondheidsredenen die de persoonlijke zorg door die vreemdeling noodzakelijk maken;
|
||||
f. voor zover hij in Nederland verblijft als partner als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid: een bij regeling van Onze Minister vast te stellen relatieverklaring;
|
||||
g. voor zover hij in Nederland verblijft als rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, van een partner als bedoeld onder f: bewijs dat is voldaan aan de artikelen 3.13 tot en met 3.22.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister verstrekt onmiddellijk na de ontvangst van de aanvraag een verklaring dat de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister verstrekt de verblijfsgerechtigde vreemdeling binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag een verblijfsdocument waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het verblijfsdocument wordt afgegeven met een geldigheidsduur:
|
||||
|
||||
a. die gelijk is aan de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie de vreemdeling in Nederland verblijft, indien die duur korter is dan vijf jaar;
|
||||
b. van vijf jaar in de overige gevallen.
|
||||
|
||||
**7.** De in het tweede en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijke vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.14
|
||||
|
||||
Op beschikkingen gegeven ingevolge de artikelen 8.5, tweede lid en 8.7, tweede lid, is artikel 8.13, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Het rechtmatige verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, eindigt niet door het overlijden of het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie hij in Nederland verbleef. Het eindigt evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.15
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het rechtmatige verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, eindigt niet door afwezigheid uit Nederland:
|
||||
|
||||
a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
|
||||
b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden;
|
||||
c. voor de vervulling van militaire verplichtingen;
|
||||
d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatige verblijf evenmin door het overlijden van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie hij in Nederland verbleef:
|
||||
|
||||
a. indien hij ten minste een jaar voor het overlijden van die vreemdeling in Nederland verbleef;
|
||||
b. voor voltooiing van de studie, indien hij in Nederland verbleef als het kind van die vreemdeling en voor studie is ingeschreven bij een onderwijsinstelling, dan wel indien hij de verzorgende ouder is van een zodanig kind.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing bij het vertrek van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie de vreemdeling in Nederland verbleef.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatige verblijf evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap:
|
||||
|
||||
a. indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven;
|
||||
b. indien het gezag over de kinderen bij overeenkomst tussen de voormalige echtgenoten of partners, dan wel bij rechterlijke beslissing aan de vreemdeling is toegewezen;
|
||||
c. voor de duur waarvoor de omgang is voorgeschreven, indien de vreemdeling op grond van een overeenkomst of gerechtelijke beslissing het omgangsrecht met betrekking tot een minderjarig kind heeft en de omgang ingevolge een rechterlijke beslissing in Nederland moet plaatsvinden, of
|
||||
d. indien klemmende redenen van humanitaire aard tot aanvaarding van voortgezet verblijf nopen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, kan het rechtmatige verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, worden beëindigd indien hij een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel vormt, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17 heeft verkregen, of hij:
|
||||
|
||||
a. werknemer of zelfstandige is;
|
||||
b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf in Nederland ten laste komen van de algemene middelen, en beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of
|
||||
c. gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld onder a of b.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van het vijfde lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat ingevolge de Wet werk en bijstand voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.16
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23 eindigt het rechtmatige verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatige verblijf.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, eindigt het rechtmatige verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid:
|
||||
|
||||
a. werknemer of zelfstandige is; of
|
||||
b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;
|
||||
b. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, waarbij mede wordt betrokken de periode waarin hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.15, vijfde lid, onder a, b of c.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de berekening van het ononderbroken verblijf, bedoeld in het eerste lid, vormt geen onderbreking een afwezigheid uit Nederland:
|
||||
|
||||
a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
|
||||
b. om belangrijke redenen gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden;
|
||||
c. voor de vervulling van militaire verplichtingen; of
|
||||
d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De periode van vijf jaar, bedoeld in eerste lid, geldt niet voor:
|
||||
|
||||
a. de werknemer of zelfstandige die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheid staakt, de 65-jarige leeftijd heeft bereikt;
|
||||
b. de werknemer die langer dan drie jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond, die gedurende de laatste twaalf maanden in Nederland werkzaamheden heeft verricht en die zijn werkzaamheden staakt ten gevolge van vervroegde uittreding;
|
||||
c. de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheden na meer dan twee jaar ononderbroken verblijf in Nederland staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid;
|
||||
d. de werknemer of zelfstandige die in Nederland zijn werkzaamheden staakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht is ontstaan op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een Nederlandse instelling;
|
||||
e. de werknemer of zelfstandige die, na drie jaar ononderbroken in Nederland werkzaam te zijn geweest en in Nederland te hebben verbleven, werkzaam is in een andere lidstaat, zijn woning in Nederland aanhoudt en daar ten minste eenmaal per week naar terugkeert.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van het derde lid worden als arbeidsperioden mede in aanmerking genomen:
|
||||
|
||||
a. het naar behoren door de Centrale Organisatie Werk en Inkomen vastgestelde tijdvak van onvrijwillige werkloosheid waarin de vreemdeling wegens een niet-toerekenbare reden niet heeft gewerkt;
|
||||
b. de periode van afwezigheid of arbeidsonderbreking wegens ziekte of ongeval.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de toepassing van het derde lid, onder a tot en met d, worden de tijdvakken van werkzaamheid in de lidstaat waarin de betrokkene werkzaam is, aangemerkt als in Nederland vervulde tijdvakken van werkzaamheid.
|
||||
|
||||
**6.** De in het derde lid, onder a en b, gestelde voorwaarden inzake de duur van het verblijf en van de werkzaamheid, en de in het derde lid, onder c en d, gestelde voorwaarde inzake de duur van het verblijf, zijn niet van toepassing indien de echtgenoot of de geregistreerde partner van de werknemer of zelfstandige Nederlander is of de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het huwelijk met die werknemer of zelfstandige.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De bij hem in Nederland verblijvende familieleden van de werknemer of zelfstandige hebben duurzaam verblijfsrecht, indien de werknemer of zelfstandige een nationaliteit als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bezit en:
|
||||
|
||||
a. op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen; of
|
||||
b. tijdens zijn werkzame leven is overleden, voordat hij op grond van het derde tot en met het zesde lid duurzaam verblijfsrecht in Nederland verkreeg, en:
|
||||
|
||||
1°. hij op het tijdstip van zijn overlijden gedurende twee jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven;
|
||||
2°. zijn overlijden het gevolg was van een arbeidsongeval of beroepsziekte; of
|
||||
3°. zijn echtgenoot de Nederlandse nationaliteit als gevolg van hun huwelijk heeft verloren.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.18
|
||||
|
||||
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd:
|
||||
|
||||
a. bij afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland;
|
||||
b. indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.19
|
||||
|
||||
Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7 eerste lid, met duurzaam verblijfsrecht op aanvraag en na verificatie van de verblijfsduur een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Het verblijfsdocument wordt zo spoedig mogelijk verstrekt. Artikel 25 van de Wet is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.20
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, met duurzaam verblijfsrecht en die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, op aanvraag een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, bedoeld in artikel 8.13, vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.21
|
||||
|
||||
Beëindiging van het rechtmatige verblijf van de vreemdeling vormt een onderbreking vanaf het tijdstip waarop de vreemdeling Nederland heeft verlaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.22
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan het rechtmatige verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of het verblijfsdocument aan de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten verzoeken om inlichtingen omtrent de gerechtelijke antecedenten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, wordt het rechtmatig verblijf niet beëindigd, indien de vreemdeling:
|
||||
|
||||
a. in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond; of
|
||||
b. minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind.
|
||||
|
||||
**4.** De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan slechts worden gedaan nadat sinds de verwijdering om redenen van openbare orde of openbare veiligheid een redelijke termijn is verstreken of indien die verwijdering tenminste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**5.** Binnen zes maanden wordt een beschikking gegeven op de in het vierde lid bedoelde aanvraag.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de verwijdering niet binnen twee jaren na de ontzegging of beëindiging, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden, onderzoekt Onze Minister of de bedreiging, bedoeld in het eerste lid, nog werkelijk en actueel is, waarbij Onze Minister sinds die ontzegging of beëindiging eventueel opgetreden wijzigingen in materiële zin in de omstandigheden beoordeelt.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.23
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan het rechtmatige verblijf op grond van de volksgezondheid ontzeggen of beëindigen in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen.
|
||||
|
||||
**2.** Rechtmatig verblijf wordt niet op grond van de volksgezondheid beëindigd, indien de ziekte langer dan drie maanden na inreis van de vreemdeling is opgetreden.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de vreemdeling binnen drie maanden na inreis onderwerpen aan een kosteloos medisch onderzoek indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.24
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De uitzetting van de vreemdeling, ten aanzien van wie het rechtmatige verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid is geweigerd of beëindigd, blijft, indien de vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, achterwege tot op dat verzoek is beslist, tenzij het besluit:
|
||||
|
||||
a. met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen;
|
||||
b. reeds door de rechtbank of de voorzieningenrechter is beoordeeld; of
|
||||
c. gebaseerd is op dwingende redenen van openbare veiligheid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De toegang van de vreemdeling die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen beëindiging van het rechtmatige verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt niet geweigerd, tenzij:
|
||||
|
||||
a. zijn aanwezigheid de openbare orde of de openbare veiligheid ernstig zal verstoren; of
|
||||
b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62, vierde lid, van de Wet slechts in naar behoren aangetoonde dringende gevallen verkorten tot minder dan vier weken.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.25
|
||||
|
||||
Onze Minister kan het rechtmatige verblijf beëindigen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
|
||||
|
||||
### Artikel 8.15
|
||||
### Artikel 8.26
|
||||
|
||||
Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2534,6 +2749,4 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Vreemdelingenbesluit 2000.
|
|||
|
||||
## Bijlage . bedoeld in
|
||||
|
||||
A. Ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
|
||||
|
||||
B. Ziekten en gebreken die een gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue